Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw
Part 4
In Haspengouw vertoefden Engel en zijne reisgenooten eenige uren op de villa van eenen graaf, waar hun een groot gastmaal werd aangeboden. Niet ver vandaar bezochten de reizigers een landgoed van den keizer en bewonderden het vernuft van den grooten man die, wat veeteelt en tuinbouw betreft, met groote kennis van zaken handelde. Op zijne domeinen, werden voedingsgewassen en artsenijplanten gekweekt, zelfs meekrap, die tot het verkrijgen van verfstof werd gebezigd. Tal van vruchtboomen, verschillende soorten van appels, peren, pruimen, perziken groeiden in zijne tuinen.
Op twee uren afstand van Maastricht ontmoette de karavaan den _Zendgraaf_, een vriend van den abt. Hij was vergezeld van een talrijk gevolg.
De _Zendgraaf_ was een aanzienlijk en ervaren man; hij bereisde het Land om overal een wakend oog te houden en de rechten en wetten van den keizer te doen eerbiedigen.
Hij bracht zijnen vriend tot aan Maastricht en hier rustte men gedurende een geheelen dag. De stad was toen zeer bloeiend; er lag eene brug over de Maas en talrijke booten beladen met koopwaren, wijn, graan en andere levensmiddelen voeren op den breeden stroom.
Engel had in de laatste tien dagen zeer veel gezien en geleerd en nochtans wenschte hij vurig de stad Aken te leeren kennen, en er zijne muzikale opleiding te voltooien.
* * * * *
Eindelijk braak het lang gewenschte oogenblik aan en onze reizigers mochten de beroemde stad binnentreden.
Engel oordeelde haar zeer «prachtig» en stemde ten volle in met de inwoners, die Aken een tweede Rome noemden. Het verkeer was er levendig, men trof er een ruim plein aan met prachtige huizen, bewoond door prinsen en hertogen.
De stad was een schouwburg rijk, ook verscheidene badhuizen en een heerlijk paleis, waar Karel niet zelden den winter doorbracht.
De abt van Sint Bavo stelde Engel voor aan den Italiaanschen meester, onder wiens leiding de jonge zanger studeeren zou en, eer hij vertrok, sprak hij Engel in dezer voege toe:
«Mijn zoon, ik stel vertrouwen in u, werk en studeer naarstig; als ik hier den landdag hoop bij te wonen, wil ik van uwe meesters en van onzen doorluchtigen keizer niets dan goeds over u vernemen.»
Engel beloofde zijn best te doen; hij studeerde dan ook veel en voldeed dermate zijnen nieuwen meester, dat deze besloot den jongen zanger ter gelegenheid van het verjaringsfeest van de kroning des keizers, in de kapel van het paleis te laten zingen.
Karel de Groote van zijne reis teruggekeerd, woonde met zijn gevolg, de kerkelijke plechtigheid bij en, toen Engel zijn gezang aanhief, wist hij er zooveel dankbaar gevoel, zooveel kunst in te leggen, dat al de aanwezigen er door getroffen waren.
Karel wenschte meester en leerling geluk en besloot den jongen zanger aan zijn hof te verbinden.
Schier elken dag zong nu Engel in de kapel van het paleis, een der schoonste bedehuizen der IX^{de} eeuw en leerde meer en meer den grooten man waardeeren, die door zijne tijdgenooten zoo hoog werd geroemd.
De keizer was zeer werkzaam; het grootste deel van zijnen tijd wijdde hij aan het welzijn zijner onderdanen.
Wel is waar liet hij de verschillende volken, waarover hij regeerde, in het bezit van hunne eigenaardige instellingen en wetten, maar hij trachtte toch eenheid in zijn bestuur te brengen en daartoe vaardigde hij onderscheidene besluiten uit, die men capitulariën, noemt.
Niet zelden liet hij, na een dag ernstigen arbeid en studie, Engel bij den maaltijd ontbieden om te zingen; als er geene muziek gemaakt werd, deed de vorst zich iets uit de geschiedenis der Oudheid voorlezen, of iets uit de werken van den heiligen Augustinus, dien hij bijzonder hoogschatte.
Engel ontmoette aan het hof den geleerden Alcuinus, een Angelsaksischen monnik, ook wel den geschiedschrijver Paulus Diaconus, den taalkundige Pieter van Pisa, Eginhard, die Karels geschiedenis schreef, en anderen meer.
De jonge zanger, die wenschte zich te volmaken in de kennis der Latijnsche taal, kreeg verlof van den keizer om de lessen bij te wonen aan de hofschool, waarin de kinderen van den vorst en de zonen der rijksgrooten onderricht ontvingen.
De maand Mei brak aan en de lang gewenschte landdag, waarop Engel den abt van Sint Bavo zou terugzien, naderde.
Het hart van den jongeling klopte van blijde verwachting en op den bepaalden dag trok hij, vol ongeduld, vóór het krieken van den morgen, de stadspoort uit en zijne weldoeners te gemoet.
Wat was er leven en beweging langs den weg! Schilderachtige groepen begaven zich stedewaarts. Krijgslieden met glinsterende wapens en bonte schilden, Zend-en Markgraven, Honderdmannen met talrijk gevolg, gezanten uit vreemde landen in zonderlinge kleederdrachten, bisschoppen in rijke draagkoetsen, donkergetinte zuiderlingen, Saksers van hooge gestalte begaven zich naar het Meiveld, waarop de keizer de Rijksgrooten had bijeengeroepen.
Na een half uur gegaan te hebben ontsnapte een vreugdekreet de borst van den zanger. Hij herkende de lieden uit zijn land, de zware paarden uit het Scheldedal, den wagen der abdij van Sint Bavo! Hij verhaastte zijne schreden en o! zalig oogenblik ... hij mocht den waarden abt begroeten, die ondanks zijne hooge jaren, zonder hinder voor zijne gezondheid, den langen weg had afgelegd.
Haastig maakte hem Engel bekend met talrijke bijzonderheden over zijn verblijf te Aken, over zijne studiën, over den keizer.
Na een paar uren verliet hij den eerwaarden heer, die de vergadering op het Meiveld ging bijwonen. Hier werd door den keizer en de grooten beraadslaagd over den toestand des rijks, over het voeren van oorlog, over geschillen; ambtenaren werden aangesteld, nieuwe wetten uitgevaardigd en gehoor verleend aan gezanten van naburige landen.
Verscheidene dagen bracht de abt te Aken door en toen keerde hij naar Gent terug, zijn jongen vriend achterlatende, die hem een dankbaar en hartelijk «tot wederzien» toeriep.
Helaas! het heerlijk verblijf van Engel te Aken, zou niet lang duren! In 814 stierf de groote keizer en diepbedroefd zong de zanger in de kapel van het paleis, een lijkzang ter eere van den grooten man, dien hij zoo hoogschatte.
Engel keerde naar Gent terug, beoefende uitsluitend de gewijde toonkunst en vormde talrijke leerlingen, niet alleen te Gent, maar ook in de Sint Amandusabdij te _Elnone_[16] aan de Schelde, waar hij eindelijk, evenals vroeger zijn moedertje, op hoogen ouderdom, zachtjes insliep....
22.--Karel de Groote.
Het voorgaande verhaal was lang en toch zou ik er nog eenige oogenblikken bij willen stil staan.
Ik ben overtuigd, dat de groote keizer,[17] die zich het lot van den armen zanger aantrok, u niet meer onverschillig is. Hij verdient ten volle uwe achting; hij was goed, verstandig, ontwikkeld, werkzaam, beschermde kunstenaars en geleerden en bestuurde zijn uitgestrekt rijk op uitstekende wijze.
Weet gij ook, dat hij een groot krijgsman was? Hij bedwong de Saksers, de Lombarden, de Arabieren, de Beierlingen en de Slaven. Ten jare 800 werd hij door den Paus van Rome, tot keizer van het Westen gekroond. Hij zond geestelijken en zendelingen naar Germanië om er de beschaving en het Christendom te verspreiden.
Hier te lande, heerschten gedurende zijne lange regeering rust en vrede; onze voorouders woonden in het hartje van Karels rijk. Al wie van het Zuiden, dus van Gallië naar Aken reisde, trok door ons land, dat levendiger en dichter bevolkt was dan vroeger. Landbouw en veeteelt verkeerden in bloeienden toestand, en het bezoek, dat onze vrienden brachten aan de stad Maastricht, leert ons, dat er handel gedreven werd. Op de Schelde, de Maas, den Rijn, de Moezel voeren booten en vlotten; aan de oevers der zee fokte men schapen en de wollen stoffen van ons land werden tot in Midden-Europa verzonden.
Onze voorouders dreven handel met Groot-Brittanje en Scandinavië; immers, in Engeland en aan de kusten der Baltische zee heeft men muntstukken der IX^{de} eeuw ontdekt, die hier geslagen werden.
Verscheidene bisschoppen en abten van ons vaderland waren vrienden of beschermlingen van den keizer. De geestelijken bestudeerden de fraaie letteren en Karel zond hun de beste meesters; Eginhard bestuurde gedurende eenigen tijd de abdijen van Sint Pieter en Sint Bavo te Gent.
In de vrouwenkloosters zaten de geestelijke zusters niet ledig. Te Maeseyck vervaardigden zij prachtig borduurwerk of versierden schoone handschriften met de fraaiste penteekeningen.
Overal stichtte men bibliotheken; de scholen van het Sint Amandusklooster te _Elnone_ aan de Schelde verwierven grooten roem onder het bestuur van Hucbald, dichter, geschiedschrijver en de bijzonderste toonkunstenaar der X^{de} eeuw. Hij geeft de eerste berichten over het begin der meerstemmige muziek.
Te S^t Amand of _Elnone_ waren Dietsche en Waalsche of Romaansche schrijvers.
Ook de scholen van het bisdom Luik waren beroemd. Zij brachten dichters, taalkundigen, kunstenaars voort; bisschop Hartgar deed zich een paleis bouwen versierd met fraai beeldhouwwerk en gekleurde glasruiten.
Karel was de grootste man zijner eeuw; zelfs na zijnen dood leefde hij voort in de werken, die hij tot stand bracht en door het voorbeeld, dat hij gaf.
23.--Renier en Albrade.
Omtrent het midden der X{de} eeuw leefde in Henegouwen een dappere en geduchte graaf, Renier geheeten. Albrade, zijne vrouw, was een toonbeeld van zachtheid en goedhartigheid.
Beiden woonden aan de oevers der Schelde in het midden hunner onderdanen, die hun edelen heer en zijne doorluchtige gade om het zeerst liefhadden.
Op zekeren dag verspreidde zich eene schrikwekkende mare door de landstreek. De wreede Noormannen waren in aantocht; onder aanvoering van Rollo, hun wreed opperhoofd, voeren zij de Schelde op, en onder het zingen van woeste krijgsliederen, plunderden zij hoeven, kerken, abdijen, dorpen, steden. Hier verschenen zij, snel als de wind, midden in het gewoel eener jaarmarkt; ginds staken zij de woningen der menschen in brand, doodden al wie zich durfden verzetten, stalen het goud-en zilverwerk der inwoners, de heilige vaten der kerken. «Van de woede der Noormannen, verlos ons Heer»! baden de menschen en weinigen waren er, die tot verdediging durfden overgaan.
Tot deze laatsten behoorde Renier: «ik zal mijn volk tot den dood verdedigen», sprak hij vastberaden en Albrade, de zachte, goede Albrade, moedigde hem aan in zijn besluit.
Renier verzamelde zijne krijgslieden, doch in stede van een enkelen grooten veldslag te wagen, lokte hij den vijand in hinderlagen en bevocht hem in schermutselingen.
In éene daarvan nam hij twaalf voorname krijgslieden gevangen.
Toen Rollo zulks vernam, ontstak hij in vreeselijke woede, viel Renier aan en nam, na een bloedig gevecht, den dapperen graaf gevangen.
In angstvolle verwachting vertoefde Albrade op haren burcht en, toen zij de treurmare vernam, besloot zij alle middelen in het werk te stellen om haren echtgenoot te redden.
Zij zond eenen bode naar Rollo met het voorstel hem zijne twaalf krijgslieden tot lossing van graaf Renier terug te zenden, maar de wreede Rollo kende geen medelijden: «Voor morgen», antwoordde hij «eisch ik de gevangen krijgslieden terug, en daarbij al het goud en zilver van de abdijen dezer streek.»
Albrade zond aan Rollo de twaalf gevangenen, daarbij eenen wagen vol goud en kostbaarheden. Maar de wreedaard wilde meer.
Hij liet het goud wegen, wierp zijn met Runen[18] versierd zwaard in eene der twee schalen en riep: «Brengt mij goud, tot beide schalen in evenwicht blijven.»
Albrade zocht haar laatste goudwerk: den met edelgesteenten versierden ring, dien zij, vóór jaren als bruidsgeschenk van haren echtgenoot had ontvangen; het kostbare kruis, een aandenken harer moeder, het zilveren gevest van het zwaard haars vaders, doch de wreede Rollo was nog niet voldaan.
Albrade was wanhopig en zocht in vertwijfeling naar een laatste redmiddel, toen hare onderdanen, haar te hulp kwamen. Uit eigen beweging, ontdeden zij zich van het goud en de kostbaarheden, die zij nog bezaten en gingen die nederleggen aan de voeten van den wreeden Noorman.
Rollo, die niet eens wist wat genegenheid was, zag dit alles eerst met verwondering, daarna met aandoening aan.
Hij ontbood Renier, ontdeed hem van zijne boeien en sprak: «Wat zijt gij gelukkig, Graaf, die door eene zoo brave echtgenoote en door talrijke onderdanen teeder wordt bemind. Keer tot hen terug, blijf niet langer mijn vijand, maar word mijn vriend.»
Rollo gaf al de aangebrachte schatten terug en sloot met Renier een vredeverbond.
24.--Invallen der Noormannen.
Wat moest het er, gedurende die lang vervlogen eeuwen, in ons land akelig uitzien! Platgeloopen akkers, geplunderde kerken en kloosters, dooden, gewonden, armoede, verdriet en lijden.
Zoolang Karel de Groote leefde, durfden de geduchte Noorsche Zeeroovers zich op onze kusten niet vertoonen, maar, na zijnen dood, was het geheel anders.
De zoon en opvolger van Karel, Lodewijk de Vrome, bezat de krachtdadigheid zijns vaders niet. Zijne zonen Karel, Lother, en Lodewijk betwistten elkander het vaderlijk erfdeel. In 843 sloten zij het verdrag van Verdun[19], dat het rijk van Karel den Groote in drie rijken verdeelde. De hierbij gevoegde landkaart zal u over deze verdeeling een juister denkbeeld geven. Bezie ze met aandacht en bemerk dat de landstreek gelegen tusschen de Schelde en de Noordzee aan Karel kwam, en deel maakte van Frankrijk; het overige-het grootste deel van het tegenwoordig België--kwam aan Lother, terwijl Germanië ten deel viel aan Lodewijk.
Deze verdeeling die, voor de toekomst, van groot gewicht was, werd later door andere verdeelingen gevolgd: de landstreek tusschen Schelde en Rijn, weldra Neder-Lotharingen of Lotherrijk geheeten kwam aan Germanië. De streek tusschen de Schelde en de Noordzee, bleef aan Frankrijk.
Verdeeld door hunne onderlinge twisten en oorlogen, waren de zwakke opvolgers van Karel den Groote, zelden in staat de Noormannen tegen te houden; ook ondernamen deze niet één maar herhaalde invallen aan de oevers van den Rijn, de Maas, de Schelde en hunne bijrivieren.
Langzamerhand lieten zij hun zwervend leven varen.--Eenigen vestigden zich in het gedeelte van Frankrijk, dat naar hen, Normandië geheeten werd.
Wie klommen, denkt gij, gedurende die akelige tijden, bij het volk in aanzien? Zonder twijfel waren het de onverschrokken mannen, hertogen, graven en andere heeren, die, evenals Renier, zich tegen de Noormannen durfden verzetten. Men achtte ze veel meer, dan de machtelooze koningen, die niet in staat waren hun land en hunne onderdanen tegen vreemde indringers te verdedigen.
Vele weerlooze, zwakke menschen stelden zich vrijwillig, zooals voorgaand verhaal ons leerde, onder de bescherming dier heeren. Deze legden hier en daar sterke burchten aan, waar zij zich konden verdedigen tegen hunne vijanden.
De macht dezer heeren ging over op hunne zonen en latere afstammelingen met wier eigenaardig schilderachtig leven, gij in het volgend verhaal kennis zult leeren maken.
25.--Anneken Soete, de kleine herderin.
Op een verzengend heeten zomer waren frissche, kalme najaarsdagen gevolgd.
's Morgens, na zonsopgang, hingen zilveren nevels over de heerlijke Vlaamsche vlakte en duizenden vogels maakten zich gereed om de jaarlijksche reis naar de warme zuiderlanden aan te vangen.
Aan den zoom van het mastbosch, vóór het lage deurtje van eene leemen hut, stond een vijftienjarig meisje, dat angstig in de verte tuurde. Tranen rolden over hare zachte wangen, terwijl haar fijnbesneden mond prevelde:
«Belle! ondankbare geit! waarom hebt gij ons gisteren zóo lichtzinnig verlaten?» Wie zal u melken? Wie zal uw leger spreiden, u streelen en liefkozen?... Waar zal ik u vinden?... want _vinden_ zal ik u, al moest ik u zoeken, uren lang, over de vlakte en door de sparrebosschen.
En Anneken Soete, het herderinnetje vertrok; zij liep op hare bloote voeten, over de purperen heide, tot aan den kronkelenden oever der beek, waar het slot van den heer van Oostcamp zijn toren in de lucht verhief.
Juist hadden eenige mannen de valbrug nedergelaten, dienaars openden de zware poortdeuren, honden blaften, paarden hinnikten en een voorname stoet van heeren en dames verliet de sombere woning.
Met eerbiedige bewondering trad Anneken Soete op zijde en zag de geduchte edellieden en hunne vrouwen voorbijtrekken.
Allen behoorden tot de grootste familiën van het land en waren door den heer van het slot ter jacht genoodigd.
Vooraan, op een forsch paard gezeten, reed Boudewijn, de edele graaf van Vlaanderen en achter hem, op eene witte hakkenei[20], verscheen Machteld, zijne dochter, een der rijkste edelvrouwen van het land.
Zij was jong en schoon, groot en slank van gestalte, statig en gebiedend in hare houding. Met de linkerhand hield zij de teugels van haar paard vast, terwijl een valk met roode kap en gulden schelletjes, op hare rechterhand rustte.
«Wat is zij mooi» lispelde Anneken en haar oog rustte op het rijkgeborduurde kleed der gravin, dat in breede plooien tot op den grond afhing.
Op eerbiedigen afstand volgden de andere genoodigden, verder schild-en hofknapen, jagers met honden en valkeniers met valken en andere jachtvogels.
Met popelend hart zag Anneken al deze lieden voorbijtrekken. Zij vergat schier hare geit, de lichtzinnige Belle en eerst toen de laatste honden voorbij waren en de jachthoorn niet meer schalde, kwam zij tot bezinning en zette haren tocht voort, over heide en gras, langs beek en plas, langs heg en mastbosch.
Lachend en koutend trok de schitterende jachtstoet over de geurige vlakte; vrouw Machteld scheen buitengewoon opgeruimd maar Boudewijn, de wijze graaf van Vlaanderen, schudde het hoofd en sprak: «Altijd onvoorzichtig, mijne dochter, ik smeek u, verlaat mijne zijde niet; want, telkens wanneer gij mij op de jacht vergezelt, maak ik mij om u ongerust.»
Tot eenig antwoord schudde de fiere Machteld het blondgelokte hoofd en toen een uur later, haar vader met den heer van Komen in een ernstig gesprek was verdiept, verliet zij hem om, geheel alleen, in de richting van het bosch voort te rijden.
Eensklaps bemerkte zij eene boschduif, die boven de beek vloog; haastig trok zij de bellenkap van haren valk en wierp den vogel op.
Pijlsnel steeg de valk en bleef toen eenigen tijd onbeweeglijk in de lucht hangen. Hij bemerkte de arme boschduif, daalde neder en worgde haar met zijne scherpe klauwen.
Machteld klapte van blijdschap in de handen en daar, naar hare meening, de valk zijne prooi niet spoedig genoeg aan zijne meesteres bracht, gaf zij haar paard de sporen en reed in de richting der beek, tot aan den zoom van het mastbosch.
Waarschijnlijk verschrikte haar wilde ren de arme dieren, die onder het heidekruid verborgen zaten; want, een haasje sprong op, vlak voor de pooten van het paard; het beest werd schichtig en het vlood met zijne edele berijdster het mastbosch in.
Wat de gravin ook aanwendde om het verschrikte dier tot bedaren te brengen, niets mocht baten; in wilden galop rende het voort, altijd voort en wierp eindelijk zijne berijdster met zóoveel geweld af, dat haar hoofd tegen een mastboom bonsde en zij gewond en bloedend nederlag.
Brieschend zette het paard zijnen weg voort en weldra werd alles weer doodstil. Bewusteloos lag de gravin op het zachte mos; geen vogel zong in de hooge mastboomen, wier donkergroene takken zich als een priëel ineenvlochten boven het hoofd der eenzame vrouw.
* * * * *
Langzaam keerde Anneken, de kleine herderin, naar de woudhut terug. Bosch en heide had zij doorloopen, hare voeten bezeerd aan braamstruiken en distels, maar haar geitje, helaas! niet gevonden.
Tranen vloeiden over de wangen van het arme meisje; zij weende niet om zich zelve maar om hare moeder, die oud en ziekelijk was en thans de voedzame geitenmelk zou moeten missen.
Ze waren zoo arm en verlaten, de weduwe Soete en hare eenige dochter. Jaar in, jaar uit, voedden zij zich met rogge-of gerstebrood; in het najaar zamelden zij beukenoten als wintervoorraad, sprokkelden droog hout en zochten pijnappels in de bosschen.
Zuchtend naderde Anneken hare woning, toen zij tot haren schrik onder de hooge boomen eene donkere gestalte liggen zag. Zij naderde, herkende het schoone, met goudgeborduurde rijkleed der gravin, sloeg een kruis en riep: «Dat is de edelvrouw van dezen morgen!»
Hoe jong ook, was Anneken moedig en vastberaden; zij vloog naar de hut, vulde eene aarden kruik met frisch water, nam een groven, doch hagel witten linnen doek en riep hare moeder toe: «Gauw, moeder, gauw, neem onze peluw, volg en help mij!»
De weduwe schrok maar deed zooals hare dochter verlangde. Beide vrouwen liepen naar de nog altijd bewustelooze edelvrouw, legden de peluw onder haar hoofd, maakten hare kleederen los en wieschen haar met frisch water.
Machteld kwam tot bezinning, opende de oogen en keek hare weldoensters eerst verbaasd, daarna dankbaar aan.
«Waar ben ik?» lispelde zij.
«Stel u gerust, Vrouw,» antwoordde Anneken, «we zijn arm, doch zullen voor u doen, wat wij kunnen ... spreek, verlangt gij iets?»
«Een dronk water,» murmelde de gekwetste en vrouw Soete spoedde zich naar de beek, vulde een aarden drinkkom, dien zij de edelvrouw aan de lippen bracht.
Machteld had eene wonde aan het voorhoofd, die Anneken en hare moeder omzichtig uitwieschen en met een linnen doek verbonden.
Na eenigen tijd voelde zij zich in staat om, steunend op den arm harer weldoenster, naar de hut te wandelen.
Spoedig had de weduwe haar bed van mos opgeschud, en de edelvrouw was blijde toen zij hare pijnlijke ledematen erop uit kon strekken.
Langzaam daalde de nacht over de aarde; de wind stak op en groote regendruppels vielen uit de voorbijdrijvende wolken.... Geene enkele lichtende ster blonk aan het uitspansel en onheilspellend floot de nachtvogel in het bosch.
Gravin Machteld dacht aan haren vader, aan hare vrienden in het verre slot. Wat zouden zij om harentwille ongerust zijn! Graaf Boudewijn had verscheidene kinderen, doch Machteld had hij boven allen lief.
Zij was opgeruimd, vriendelijk, moedig tot onvoorzichtigheid toe. Meer dan eens had hij aan vrienden en magen verklaard dat hij, boven zijn uitgestrekt graafschap, boven het land van Aalst, de liefde zijner Machteld stelde en thans lag zij, zonder dat hij wist waar, gewond, in eene afgelegen, armzalige hut.
Naar hem terugkeeren kon zij niet, haar geheele lichaam deed haar pijn, de nacht was aangebroken, de wind loeide en zou weldra tot storm aangroeien.
Welk een angstvollen nacht zou hij doorbrengen, hij Boudewijn, de geduchte graaf, die burchten en steden had ingenomen, zelfs den machtigen keizer van Germanië had overwonnen.
Machteld weende en deelde haren kommer mede aan hare gezellinnen.... «Arme, genadige graaf,» zuchtte Anneken, «hoe diep ongelukkig moet hij wezen.»
Toen nam het meisje een kort, doch moedig besluit. Zij zou zich naar den burcht van Oostcamp begeven, duisternis en storm trotseeren en den graaf geruststellen, terwijl hare moeder, vrouw Machteld verzorgen zou.
Anneken Soete sloeg een kruis, prevelde een Vader-Ons, opende het lage deurtje der hut en verdween in de duisternis.
De weg was lang, doch het meisje stapte altijd door, bad, en sloeg kruis op kruis.
Eensklaps, midden op de vlakte bemerkte zij een rossen gloed. Zwarte gestalten, dragende brandende toorsten, naderden.
Zouden het ook struikroovers zijn, die eene hoeve of een slot gingen aanranden?
Het regende niet meer en bij wijlen kwam de bleeke maan van achter de wolken kijken.
De mannen naderden en, vol vrees, verborg zich het herderinnetje, aan den oever der beek.
«Hier aan deze beek, heb ik gravin Machteld voor het laatst gezien» sprak de aanvoerder.