Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw
Part 3
Niet langer echter dachten zij over het gebeurde na; zij hernamen hunne bezigheid en, zoodra het eerste morgenrood het Oosten kleurde, begaven zij zich naar de hoeve van Bertolf.
«Wij zullen onzen vader met onze mooie vangst verrassen» zeiden zij onderweg, want het waren Bertolfs zoons.
Het was klaar dag toen zij aan de houten deur der woonhalle klopten en hun vader, die altijd vroeg op de been was, opende. Hij was bleek en beefde aan al zijne leden. De jongelingen schrikten: «Een ijselijke moord is hier dezen nacht gepleegd,» sprak Bertolf met sidderende stem: «Mijn edel paard ligt dood, badend in zijn bloed. Het mes eens moordenaars heeft het arme dier doorstoken en de misdaad werd een paar uren geleden gepleegd. Komt kinderen, vergezelt mij naar het tooneel der slachting.»
Sprakeloos volgden de zoons hun bedroefden vader. In den stal lag de arme Sleipnir levenloos op den grond; de kloeke Bertolf, de oorlogsheld, weende als een kind. Hij boog zich over het doode lichaam en, als wilde hij het arme dier tot het leven terugroepen, streek hij snikkend zijne ruwe hand over de gitzwarte manen van het slachtoffer.
De zoons trachtten hunnen vader te troosten en ... juist toen de jongste hem wilde naderen, struikelde hij over een voorwerp, dat op den grond lag. Hij raapte het op, beschouwde het eene wijl en sprak binnensmonds: «Een mantelhaak! een kostbare mantelhaak! Vader, wien behoort dat voorwerp?» vroeg hij toen.
Bertolf nam den mantelhaak in de hand, bezag hem aandachtig en riep: «Dit voorwerp behoort den rijken Grimbald! Gister avond bood hij het mij met andere kostbare voorwerpen aan, in ruiling voor mijn armen Sleipnir.»
De zoons keken elkander aan en na eene poos sprak de oudste: «Dezen nacht vluchtte Grimbald als een gemeene dief door het elzenboschje. Mijn broeder en ik herkenden hem duidelijk. Hij is de moordenaar. Waarschijnlijk pleegde hij zijne laffe daad in haast en gejaagdheid en bemerkte niet, dat hij in den stal, zijn mantelhaak verloor.
«Die booswicht! die moordenaar!» kreet Bertolf «hij zal boeten voor zijne laffe daad» en, van toorn blakend, verliet hij den stal, gevolgd door zijne beide zoons.
14.--De Salische Wet.[7]
Wat stond den armen, bedroefden Bertolf thans te doen? Zich wreken op Grimbald? Hem aanvallen, bevechten, dooden? Dat kon niet! De Franken waren geene wilden; zij hadden gebruiken, wetten, rechters en voor deze laatsten zou Bertolf den moordenaar dagen.
Nog bij de Franken der V^{de} eeuw werd de rechtspleging uitgeoefend door vrije mannen, onder voorzitterschap van een gekozen of erfelijk hoofd. Deze rechtbank echter zetelde niet zoo als bij ons in een huis of paleis, maar in de open lucht, in een bosch of onder een alleen staanden boom.
Een in den grond bevestigd schild, duidde de plechtigheid der vergadering aan en een kring, gevormd door een gespannen koord, scheidde de rechtsprekenden van de menigte.
Binnen den kring waren scarnen of banken geplaatst, meestal vier, voor den voorzitter en zijne bijzitters, voor den aanklager, voor den beschuldigde.
Verstaat gij thans, waarom men heden nog zegt: iemand voor de vierschaar (vier scarnen) dagen?
Grimbald, de lafhartige werd veroordeeld tot het betalen eener aanzienlijke geldboete. Een deel der boete, het weergeld, kwam aan Bertolf, een ander deel, het vredegeld, werd in de schatkist gestort.
Waren de gebruiken der Franken opgeteekend of geschreven? In den beginne natuurlijk niet, doch later, toen zij zich in ons land vestigden en met de Romeinen in aanraking kwamen, lieten zij door geleerde mannen het oude volksrecht opteekenen. Men noemt het: de Salische Wet.
15.--Van een Koning en eene Prinses.
Het kan meer dan duizend jaren geleden zijn, dat in een ver land, eene prinses leefde, die zeer ongelukkig was. Haar vader was dood, vermoord, zegde men, door haren oom, die een boos mensch was.
De arme prinses had veel verdriet en weende bitter, en haar booze oom gebood haar de stad Genève te gaan bewonen. Daar leerden de menschen haar weldra liefhebben; want, zij was zacht en schoon en hielp de arme lieden, zooveel zij maar kon.
Zulks vernam een machtig koning, die, aan het hoofd zijner krijgslieden, groote overwinningen had behaald. Zijne gezanten vertelden hem zooveel goeds van de prinses, dat hij wenschte haar tot vrouw te nemen.
Dit voornemen deelde hij mede aan zijnen vriend en vertrouweling, Aurelius. Hij verzocht hem zich in het geheim naar Genève te begeven en er zijn verlangen aan de prinses bekend te maken.
De vriend begaf zich op weg en nam den ring zijns meesters mede, maar, ten einde geen argwaan op te wekken, kleedde hij zich als bedelaar. Den staf in de hand en den knapzak op den rug, bereikte hij de woning der prinses, die, zeer gastvrij zijnde, den vreemdeling in hare woning opnam.
Terwijl zij hem, in tegenwoordigheid harer dienaressen, de voeten wiesch, sprak hij met gedempte stem: «Jonkvrouw, ik wensch met u een onderhoud te hebben.»
De prinses deed alsof zij den bedelaar niet hoorde, maar 's avonds het zij hem roepen en vroeg wat hij verlangde. «Jonkvrouw,» sprak hij, «de koning, mijn meester, zendt mij tot u, hij wenschte u, naast zich, als koningin op den troon te plaatsen en gaf mij, als bewijs zijner vereering, dezen prachtigen ring voor u mede.»
De prinses, zeer gevleid over het aanbod des konings, aanvaardde den ring en antwoordde: «Ik schenk u eene beurs met honderd goudstukken, doch verzoek u aanstonds tot uwen meester weder te keeren. Zeg hem, dat hij zonder uitstel gezanten zende naar mijnen oom om zijne toestemming tot ons huwelijk te vragen. Dat hij niet drale; want, als Aridius, de raadsheer van mijnen oom vóór dien tijd uit Konstantinopel terugkeert, dan zal hij hem tot weigeren aanzetten.
Aurelius vertrok, maar toen hij Orleans, zijne verblijfplaats, naderde, ontmoette hij een bedelaar, die hem een eind weegs vergezelde.
Aurelius was moede en legde zich onder eenen boom te slapen, en ondertusschen stal de bedelaar de beurs met de honderd goudstukken der prinses.
Aurelius ontwaakte, bemerkte den diefstal, spoedde zich huiswaarts en gelastte zijnen dienaren den dief na te zetten. Zij achterhaalden en brachten hem voor hunnen meester, die den ontrouwen reisgenoot drie dagen lang stokslagen liet geven en hem daarna losliet.
Nu spoedde Aurelius zich tot zijnen heer en koning en gaf hem verslag van zijne reis. De koning zond gezanten naar den oom der prinses, om hem de hand zijner nicht te vragen. De oom durfde niet weigeren en gaf zijne toestemming tot het huwelijk.
De prinses pakte hare juweelen en andere kostbaarheden bijeen, steeg in eene draagkoets en begaf zich met de gezanten op weg naar den koning. Na een paar uren echter zeide zij tot hare geleiders: «Wij reizen veel te langzaam, ik verkies uit de draagkoets te stappen en den weg te paard af te leggen.»
De gezanten voldeden aan den wil der prinses en dat was zeer gelukkig; want, Aridius, van zijne reis naar Konstantinopel teruggekeerd, en het gebeurde vernemende, sprak tot den oom: «Gij handeldet verkeerd, niet zoodra zal uwe nicht eene machtige koningin wezen, of zij zal wraak nemen over den dood haars vaders en u den oorlog verklaren. Zend haar zonder uitstel krijgslieden achterna, met bevel haar hier terug te brengen.»
En, de oom, deed zooals Aridius zeide. De krijgslieden vertrokken, maar onderweg vonden zij enkel de ledige draagkoets, met den schat van de prinses.
Deze laatste had, na eene voorspoedige reis, het land van den vreemden koning bereikt. Hier trad zij met hem in het huwelijk en leefde lang en gelukkig.
16.--Hlodwig en Clotildis.
«Jammer» zegt een mijner lezers, «dat voorgaand verhaal een sprookje, en in werkelijkheid niet gebeurd is.»
Een grond van waarheid echter bevat het; want, onze prinses heette Clotildis, leefde in de V^{de} eeuw onzer tijdrekening en haar oom was de koning der Burgonden[8]. De koning, die haar tot vrouw nam, was Hlodwig, beroemde Frankische vorst.
Deze had het rijk der Franken aanmerkelijk uitgebreid. Door list of geweld overwon hij de koningen van Tongeren en Kamerijk, verder den romein Siagrius en breidde zijn rijksgebied uit tot aan de Loire, in Frankrijk.
Burgonden en Franken leefden niet altijd op vredelievenden voet met elkander, daarbij was de V^{de} eeuw een tijd van ruw geweld, oorlog en tweedracht.
Niet zelden werden in Gallië de oogsten vernield door ruwe krijgslieden, die akkers en wijngaarden vertrapten, kudden roofdden en menschen wondden en doodden.
In dien tijd waren de meeste Franken nog heidenen, maar in Gallië trof men talrijke christenen aan. In de V^{de} eeuw reeds waren hunne bisschoppen invloedrijke personen, die door prinsen en koningen werden geëerbiedigd. Een der beroemdste is Remigius, bisschop van Reims.
Clotildis was eene christin. Haar gemaal Hlodwig behaalde roemrijke overwinningen in Gallië, en versloeg de Romeinen en Alemannen (496).
De zachtzinnige Clotildis had grooten invloed op Hlodwig. Na zijne overwinning op de Alemannen verzaakte hij de goden van zijn volk en besloot Christen te worden. In 497 werd de vorst gedoopt te Reims, eene zeer oude Gallische stad, waar de plechtigheid van den doop des konings met ongemeenen luister gepaard ging.
Geschiedschrijvers verhalen, dat de straten van Reims prachtig waren versierd, dat kostbare behangsels de gevels der huizen bedekten en gouden en zilveren wierookvaten in de kerken geurden. Een aanzienlijke stoet begeleidde den koning naar de hoofdkerk; hij was omringd door zijne familieleden, vergezeld van den bisschop Remigius en gevolgd door eene schaar priesters in sneeuwwit gewaad, die lofliederen ter eere Gods aanhieven.
De bekeering van Hlodwig was de gewichtigste gebeurtenis van dien tijd. Hlodwig breidde zijn rijk aanmerkelijk uit. Hij overwon de Westgothen, bij Poitiers en maakte zich meester van zuidelijk Gallië tot aan de Pyreneeën. Hij stierf in 511.
17.--Amandus.
Toen, in de VII^{de} eeuw, Dagobert, een afstammeling van Hlodwig regeerde, leefde in Aquitanië[9] een zeer rijk paar, dat maar éen zoon had, Amandus genaamd. Dien jongen lieten de ouders in den Christelijken godsdienst opvoeden en in alle toen bekende wetenschappen onderwijzen.
Amandus groeide op tot een zeer ontwikkeld en geleerd man en mocht hopen in zijn geboorteland tot hooge waardigheden op te klimmen. Hij begeerde echter eer noch roem en besloot Christen zendeling te worden.
Hij reisde naar de oevers der Schelde, waar de inwoners aan den Germaanschen godsdienst getrouw waren gebleven.
Vergezeld van enkele geloofsgenooten bereikte hij de plaats, waar Lei en Schelde samenvloeien, ongeveer waar zich heden de stad Gent bevindt. In dien tijd echter was de landstreek woest en bar, en de inwoners namen tegenover Amandus eene vijandige, zelfs dreigende houding aan.
Zulks schrikte zijne vrienden af; zij verlieten hem, op twee na, die noch voor ontberingen, noch voor bedreigingen terugdeinsden.
Langzaam, zeer langzaam, verminderde het wantrouwen der bevolking. Eenige, en later een groot aantal menschen bekeerden zich tot den nieuwen godsdienst.
Omstreeks het jaar 631 bouwde Amandus eene kerk, die heel waarschijnlijk van hout was, een kegelvormig dak bezat en met stroo was gedekt. Rondom deze kerk vestigden zich geloovigen, leerlingen en volgelingen van Amandus.
Dit was de oorsprong der abdij van Sint Bavo.
Waarom zij aldus werd genoemd, zult gij in het volgend verhaal vernemen.
18.--Sint Bavo.
In Haspengouw woonde toen een zeer rijk en voornaam heer, Bavo genaamd. Met vorsten was hij verwant en hij leefde gedurende langen tijd enkel voor wereldsche genoegens.
Het voorbeeld van enkele zijner familieleden en vooral dat van Amandus bracht hem tot inkeer. Bavo besloot zijn leven aan den godsdienst te wijden. Hij deed afstand van weelde en wereldsche genoegens, onderscheidde zich door zijne milddadigheid en toefde geruimen tijd in de abdij, gesticht door Amandus.
Hij schonk haar rijkdommen en uitgestrekte landerijen. Na zijnen dood, in 654, werd de abdij naar zijnen naam genoemd.
Vele rijke mannen en vrouwen schonken, in navolging van Bavo, gronden, bosschen, weilanden, vijvers, aan de abdij, die langzamerhand rijk werd.
Weldra was de houten kerk door eenen steenen kerk vervangen; een klooster werd gebouwd waarin zich de cellen der monniken bevonden, talrijke bijgebouwen werden opgetrokken: schoollokalen, molen, brouwerij, smis, werkplaatsen voor handenarbeid, stallingen, schuren. In het omliggende strekten zich tuinen, weiden en boomgaarden uit; want, de monniken bebouwden de velden en ontgonnen de woestenijen.
De abdij van Sint Bavo was de eenige niet, die door den heiligen Amandus werd gesticht. Op den Blandinusberg, stichtte hij de Sint Pieters-abdij, die op hare beurt zeer bloeiend werd.
Gedurende de VII^{de} eeuw werden op verscheidene plaatsen van ons land, vrouwen-en mannenkloosters gesticht, in wier nabijheid zich niet zelden landbouwers en ambachtslieden vestigden.
Verscheidene dorpen en steden hebben aan abdijen hun ontstaan, hunne ontwikkeling of hunnen bloei te danken. Bergen, Nijvel, Andenne, S^t Ghislain, Stavelot, Lobbes, Zinik, Fosse, S^t Hubert, Moustier-s/Sambre, Marchienne, Denain.
Aan de bekeering onzer voorouders tot den Christelijken godsdienst arbeidden niet alleen Sint Amandus maar ook in het Scheldedal Sint Eligius +659; in het Maasdal, Sint Remaclius +668. In het begin der VIII^e eeuw bekeerden Sint Lambertus en anderen, de laatste heidenen van Kempenland, Brabant, Ardennen.
19.--Het Wandelend Woud.
Het was een koude najaarsdag; de zwaluwen waren naar verre streken vertrokken, de wind huilde en plasregens maakten, in het vruchtbare Haspengouw, den vetten kleigrond week en glibberig.
In de woonhalle eener groote Frankische villa zaten drie vrouwen, die zich met handwerk onledig hielden. De oudste, eene zestigjarige, droeg eenvoudige grove kleederen en was druk aan het vertellen, terwijl hare twee gezellinnen, mooie jonkvrouwen met zachte, ernstige oogen, zwegen en van tijd tot tijd treurig en als gejaagd, elkander aanstaarden.
De oudste vrouw, Machteld, was de dienstmaagd der jonkvrouwen die, naar hare kleeding en manieren te oordeelen, tot eene zeer hooggeplaatste familie behoorden.
De oude Machteld ondertusschen vertelde:
«Childebert, koning van Austrasië[10], verklaarde den oorlog aan Fredegonde, de booze koningin van Neustrië[11]. Deze stelde zich aan het hoofd van hare krijgslieden, vertrok en bereikte de stad Brennacum[12], waar zij vernam, dat het leger van Childebert talrijk was en haar, op bepaalden dag en uur, slag zou leveren.»
De booze, doch krachtdadige vrouw, de nederlaag vreezende, verzon eene list: «Dezen nacht» sprak zij tot hare krijgslieden, «zullen wij onzen tocht voortzetten; gij moet brandende fakkels aansteken, groene takken van de boomen hakken, die medenemen en schelletjes vastmaken aan den hals der paarden. Bij het krieken van den dag zullen wij onze vijanden aanvallen en ze gemakkelijk overwinnen.»
En de krijgslieden volbrachten het bevel der koningin. Met hunne lange zwaarden hakten zij de groene takken der boomen af, hingen rinkelende belletjes aan den hals hunner paarden en, toen zij, na dezen arbeid oprukten, vormden zij een wandelend woud dat, van de helling der heuvels in de vlakte afdaalde.
Een schildknaap in het kamp van Childebert zeide: «Wat wonder gebeurt hier! Een woud verrijst op de plaats waar zich gisteren nog naakte velden uitstrekten!»--Zijn aangesproken gezel lachte en antwoordde: Slaapt of droomt gij? Hoort gij de schelletjes niet onzer paarden, die hier dichtbij aan het grazen zijn?» Maar de soldaten van Fredegonde bliezen op hunne oorlogstrompetten, vielen de Austrasiërs aan, doodden er velen en joegen de anderen op de vlucht.
Zegevierend zette Fredegonde haren tocht voort tot aan Reims, en plunderde de heele landstreek....»
Hier onderbrak Begga het verhaal van Machteld en sprak: «Altijd oorlog, altijd bloed en moord!» waarop Geertrui, hare zuster, vervolgde:
«Staak uw verhaal, Machteld», het stemt mij al te droevig. De ooievaars zijn vertrokken, de wegen zijn slecht en onveilig en onze vader, Pepijn, die in het voorjaar tegen de Friezen[13] te velde trok, is nog niet teruggekeerd.»
De oude Machteld schudde het hoofd en sprak vastberaden:
«Uw heer vader, jonkvrouwen, zal niet lang meer toeven. Hij is niet alleen de beste mensch maar ook de meest bedreven krijgsman van Austrasië. Geen Fries, hoe dapper ook, is tegen hem opgewassen, Pepijn zal den roem der Franken handhaven en onze gouwen tegen de invallen der vreemde krijgers weten te beschutten.»
«Mocht gij waarheid spreken» zuchtte Begga. «Gisteren nog heb ik God beloofd dat, zoo mijn vader ongedeerd terugkeert, ik Hem in het hier dichtbij gelegen woud, een fraai bedehuis zal laten oprichten.»
«En ik beloofde den Heer een kostbaar altaar, dat ik behangen zal met borduursels, eigenhandig door mij vervaardigd,» zeide Geertrui.
De beide meisjes bogen het hoofd en zwegen, terwijl de getrouwe Machteld, die de treurige jonkvrouwen niet meer storen durfde, zuchtte en de oogen van haar werk niet meer ophief.»
Eene pijnlijke stilte heerschte in het vertrek, terwijl daarbuiten de wind bedaarde en de regen niet langer nederviel....
Eensklaps weergalmde een krachtig hoorngeschal door de wijde vlakte. De vrouwen sprongen op en riepen met blijde verrassing: «De hertog! onze heer! onze vader is daar!»
In hoopvolle verwachting, haastig, hijgend, verlieten zij de woonhalle, gevolgd door eene talrijke schaar dienaars die, evenals zij, het opwekkend hoorngeschal hadden gehoord en den lang verwachten heer en meester wenschten te begroeten.
Weldra verscheen hij aan de houten poort der villa, te paard gezeten, de wapens in de hand en gevolgd door eene machtige schaar krijgslieden die, ten teeken van zege, met hunne wapens op hunne schilden sloegen, terwijl de dienaars en dienstmaagden, alsmede de juichende jonkvrouwen in de handen klapten en, uit volle borst «Heil Pepijn! heil onzen hertog!» riepen.
20.--De Zonen van Hlodwig.
Na den dood van hunnen vader, in 511, verdeelden de zonen zijn rijk. Zij en hunne afstammelingen breidden de macht der Franken zuidwaarts in Burgondië en oostwaarts in Germanië uit.
De zonen en afstammelingen van Hlodwig waren gedurig met elkander in twist. De vertelling van het «Wandelend Woud» herinnert aan die bloedige, vaak gruwelijke worstelingen, tusschen de leden eener zelfde, koninklijke familie.
Ten gevolge dier twisten verzwakte het gezag der Frankische koningen aanmerkelijk. Zij bleven niet langer de ruwe, kloeke strijders, die wij vroeger, dorstend naar roem en buit, te velde zagen trekken. Misschien wel ondergingen zij, in Gallië gevestigd, den invloed van het zachte klimaat en den vruchtbaren bodem.... Niet zelden geeft men hun den leelijken naam van «Luie of Vadsige koningen.» Of zij dien verdienden zal ik hier niet beslissen.
Pepijn, bijgenaamd van Landen, behoorde tot een aanzienlijk geslacht; hij woonde in Haspengouw, waar hij uitgestrekte landgoederen bezat. Die rijkdommen, gij vermoedt het licht, waren van groote beteekenis, bij een volk, dat schier uitsluitend van den landbouw leefde.
Evenals andere beroemde vrouwen harer familie onderscheidden Geertrui en Begga zich door hare vroomheid. Begga stichtte de beroemde abdij van Andenne aan de Maas, terwijl de nagedachtenis van Geertrui heden nog te Nijvel in Brabant wordt geëerd.
Beide vrouwen werden, na haren dood, door de Kerk heilig verklaard.
Wat Pepijn betreft, hij werd, na zijnen roemvollen tocht tegen de Friezen, door koning Lotharius II verheven tot het ambt van Majordomus of hofmeier.
Nu was hij de hoogste hof-en staatsdienaar. Hij bestuurde de landgoederen des konings, die zeer talrijk en uitgestrekt waren, en voerde de krijgslieden aan.
Die taak was niet gemakkelijk, maar moedig en vastberaden, volbracht hij haar, tot aan zijnen dood, in 647.
De zoon van Begga, Pepijn van Herstal bekleedde in 687 de waardigheid van Majordomus. Hij verbeterde het Frankische leger en breidde zijne heerschappij uit over onderscheiden Germaansche volken. Zijn zoon, Karel Martel, werd door zijne overwinning op de Mooren, de redder van de Christenheid.
Intusschen was het koningschap der Merovingers[14] zóo onbeduidend geworden, dat de zoon van Karel Martel, Pepijn de Korte (741-768) na de zege te hebben behaald in den strijd tegen deSaksers in Germanië en tegen de Longobarden in Italië, zich niet ontzag den laatsten Merovinger in een klooster te plaatsen en zelf den troon te beklimmen. Dit gebeurde in 752.
In het volgende verhaal zullen wij kennis maken met Karel, bijgenaamd den Grooten, den vermaarden zoon van Pepijn.
21.--Van eenen armen, kleinen Zanger en een grooten Keizer.
Er was eens een stokoud moedertje, dat, met haren kleinzoon Engel, een tienjarigen knaap, eene kleine, lage hut bewoonde, vlak aan den oever der Schelde, dichtbij de abdij van Sint Bavo, te Gent.
Engel had een stemmetje, zoo helder als kristal; de jongen deed dan ook, dag in, dag uit, niets dan zingen. In huis, aan den oever der rivier, in het woud, op de weide, liet hij de eenvoudige volksliederen weerklinken, die herders en herderinnen, knapen en meisjes hem leerden, als zij bloemen plukten of hout sprokkelden.
De heeren der abdij kenden Bertilia en haren kleinzoon en, toen de oude vrouw, op zekeren stillen zomeravond voor eeuwig insliep, ontfermden zij zich over de wees en besloten voor zijne opvoeding te zorgen. Zij onderwezen den knaap in het kerkgezang en in de Latijnsche taal en Engel, die vlug van begrip en leerzaam was, werd een uitmuntend kerkzanger.
Op zekeren dag had in de abdij van Sint Bavo eene plechtige gebeurtenis plaats. Karel, koning der Franken, keizer van het Westen, die de oevers der Noordzee wilde bezoeken, stapte af in de abdij en genoot in de kerk eene luisterrijke ontvangst.
Het bedehuis was met kostbare draperieën behangen; gouden wierookvaten geurden, heerlijke Halleluja's weerklonken. Engel zong ter eer van den vorst eene prachtige hymne die, op al de aanwezigen een diepen indruk maakte en niet het minst op den keizer die, behalve een groot krijgsman en vroom Christen, ook een bewonderaar was van de gewijde toonkunst.
Na de plechtigheid liet Karel zich den jongen zanger voorstellen, die hem, om zijn innemend voorkomen en bescheiden manieren, zóo beviel, dat hij besloot Engel naar zijn paleis te zenden, waar hij, onder leiding van Italiaansche meesters, zijne muzikale opleiding voltooien zou.
De keizer zette zijne reis voort. De abt, die door Karel met eene dringende zending naar Aken was belast, zou ook den zanger naar de stad geleiden.
De keizer had een twintigtal gewapende mannen ter beschikking gesteld van de reizigers, die weldra, vergezeld van een tiental geestelijken en eenige dienstknechten, vertrokken.
De reis van Gent naar Aken, die wij heden per spoor, in eenige uren afleggen, duurde in dien tijd verscheidene dagen. De abt volbracht haar, gezeten in eene draagkoets, terwijl de lieden van zijn gevolg te paard, te voet, in wagens, achteraan kwamen of vooraan reden.
De tocht was niet eentonig en overal genoten de reizigers het beste onthaal; reeds in den namiddag van den eersten dag, kwam de _Centgraaf_[15] hen te gemoet. Hij begroette den abt en verzocht hem den nacht onder zijn dak te willen doorbrengen.
Dit vriendelijk aanbod werd dankbaar aanvaard en 's anderendaags, heel vroeg in den morgen, vertrokken uit de woonhalle van den gastheer twee boden te paard, om de bewoners van een klooster, dat op zes uren afstand lag, te verwittigen, dat de reizigers er tegen den avond zouden aankomen; want, in dien tijd waren kloosters en abdijen de plaatsen, waar reizigers van aanzien, abten, bisschoppen, hertogen, zelfs koningen werden geherbergd.