Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw
Part 2
Van tijd tot tijd sloop hij voorbij de legerplaats der Romeinen, bespiedde hunne handelingen, ging hunne getalsterkte na, zag de aarden wallen, die het kamp der vijanden omringden, de slooten, de houten torens, de valbruggen, de poorten, die de legerplaats beschermden en keerde daarna, laat in den nacht, met gebalde vuisten en fonkelende oogen huiswaarts.
Verscheidene malen riep hij de inwoners zijner landstreek heimelijk bij elkander, sprak hun over de verloren vrijheid en, toen hij, in aller hart, het vuur der wraak had doen ontvlammen en de hoop op verlossing had doen herleven, lokte hij de Romeinsche bezetting uit hare legerplaats en behaalde eene eerste overwinning op den vijand.
Weldra vertrok hij naar het land der Aduatieken en, dag en nacht zijn marsch voortzettend, begaf hij zich naar het land der Nerviers, waar hij ook dezen, tot den opstand aanzette en de legerplaats van Cicero, een Romeinsch opperhoofd, aanrandde.
Cicero zond in allerhaast boden en brieven naar Caesar, die al spoedig in versnelde marschen het land der Nerviers bereikte, de zijnen verloste en besloot de Eburonen te straffen.
Bij den aanvang van den oogsttijd trok de groote veldheer op tegen Ambiorix, wiens onbedreven moed, helaas! niet bestand was tegen de krijgskunst van den grooten Romein. Caesars soldaten staken hutten en hoeven in brand, namen de paarden, het vee, de strijdwagens der Eburonen als krijgsbuit mede.
Talrijke inwoners werden gedood, eenigen slaagden er in de groote wouden te bereiken, waar zij, tot in de dichtste struiken, tot in het riet der moerassen werden nagezet.
Honger, angst, vermoeidheid doodden hen, die niet door het zwaard der vijanden werden getroffen.
Als een wild dier opgejaagd, vluchtte Ambiorix van woud tot woud. Vergezeld van eenige verkleefde ruiters, gelukte het hem, de oevers van den Rijn te bereiken. Langen tijd zwierf hij van de eene woestenij naar de andere en verborg zich in verlaten hutten of ongenaakbare bergkloven.
Waarschijnlijk stierf hij, ver van den geboortegrond, alleen, verlaten en diep ongelukkig.
In het jaar 50 vóór J.-Chr. was heel ons land aan de Romeinen onderworpen.
7.--Twee Eeuwen later.
Op een mooien zomerdag stapte een reiziger langs den heirweg, die door ons land, over Tongeren, van Gallië naar Duitschland liep. Hij leunde op een doornenstok; stof bedekte zijnen mantel. De zon had zijne wangen gebruind en twee litteekens doorploegden die. Nu en dan liet de man met welgevallen zijnen blik rusten op het landschap en geleek dan wel iemand, die blij is eene streek weder te zien, die hij vóór lange jaren verliet; zulks was hier het geval.
Marcus Liberius Victor, zoo heette de reiziger, werd geboren in de omstreken van Aarlen, waar hij tot een frisschen jongeling opgroeide. In zwemmen, jagen, loopen, te paard rijden, was niemand zoo bekwaam als hij; ook werden zijne lichaamskracht, en behendigheid, wijd en zijd geroemd.
Op zekeren dag bevond de jongeling zich aan den oever der rivier, toen het dochtertje van een Romeinschen ambtenaar, dat in de nabijheid wandelde, in het water viel en door den stroom werd medegesleept.
De jongeling sprong haar na, dook als een visch en bracht het meisje behouden aan wal.
De Romeinsche ambtenaar en zijne vrouw waren den redder van hun kind zeer dankbaar en schonken hem hulp en bescherming. Marcus, die toen nog Punto heette, werd soldaat in het Romeinsche leger; hij verliet zijne eenige zuster, eene weduwe, met een lief knaapje, dat pas zes maanden oud was. Punto schonk haar, als aandenken, het mooie gouden kruisje met den fonkelenden rooden steen, dat hij van zijne rijke beschermers had ontvangen.
Sedert waren jaren verloopen. Punto had gereisd, gezien, geleerd en zich in Italië en elders als krijgsman onderscheiden. Maar, hoe ver hij ook weg was, hoe hoog hij in aanzien klom, toch verdoofde de liefde tot den geboortegrond in hem niet; integendeel, hij wenschte vurig naar zijn land terug te keeren, zijne zuster, zijn neefje te zien en zijne laatste levensjaren te slijten op dezelfde plaats, waar zijne gelukkige jeugd voorbijvlood.
Eene ernstige wonde hem door een vijandelijk krijgsman toegebracht, had hem bijna ten grave gesleept, maar hij herstelde, hoewel langzaam, nam zijn ontslag en reisde naar het verre vaderland.
Hij zocht er zijne familieleden op, maar vond ze niet terug; zijne zuster was overleden, haar zoon had de streek verlaten en niemand wist, waarheen hij zich begeven had.
Nu werd het den krijgsman treurig te moede; hij had zooveel gereisd, zooveel gezien en gehoord, maar liefde had hij niet gevonden. Hij verliet de schilderachtige geboortestreek en begaf zich op weg naar Tongeren, waar zijne vroegere weldoeners zich hadden gevestigd.
In den namiddag bereikte hij eene mooie villa, door tuinen en landerijen omgeven. Een paar slaven stonden voor den ingang en koutten met eenen landman, die door een blonden, forschen jongeling was vergezeld.
«Ben ik nog ver van Tongeren» vroeg hun de reiziger? «Nog vier mijlen» luidde het antwoord en de landman, die heel praatziek was, voegde er bij: «Zoo gij wilt, kunnen wij samen een deel van den weg afleggen, want ik woon op ééne mijl van de stad. «Hier Vertico», riep hij op norschen toon tot zijn gezel, «draag deze ledige korven en volg ons».
Marcus aanvaardde het aanbod van den landman en weldra stapte het tweetal den heirweg op.--Zwijgend, het hoofd ter aarde gebogen, ging Vertico, die de knecht des landmans was, achteraan, terwijl zijn meester aan zijn toevalligen reisgenoot, allerlei inlichtingen gaf, die Marcus hem in het geheel niet vroeg.
«Ik bewoon eene hoeve» sprak hij, «ik fok zwijnen, runderen, schapen; mijne vrouw teelt ganzen en eendvogels; dezen morgen leidde ik naar de villa, waar gij mij ontmoettet, een mooi zwart paard, dat ik aan den heer des huizes verkocht....» en hij klopte lachend op zijn welgevulde beugeltasch.
Eenige schreden verder bereikten onze reizigers eene woonstede, die, naar het uiterlijke te oordeelen, een herberg was.
«Ik heb dorst», sprak de landman, «willen wij hier binnentreden en den beker ledigen op uwe voorspoedige reis?»
Marcus bewilligde en, nauwelijks hadden onze mannen in de gelagkamer plaats genomen, of eenige Romeinsche soldaten traden binnen.
Zij waren zeer luidruchtig, bestelden eene kruik wijn en vroegen dobbelsteenen aan den waard, die zich haastte aan hun eisch te voldoen.
«Wie speelt mede?» vroegen zij luid, en de landman, wiens oogen van verlangen fonkelden, wierp een geldstuk op de tafel.
Het lot was hem ongunstig, hij verloor slag op slag. Weldra was zijne beurs ledig, maar het spel ging zijnen gang.
«Schei uit» fluisterde hem Marcus in het oor, maar de man schudde halsstarrig het hoofd.
«Is de jongeling, die u vergezelt, uw knecht?» vroeg een der soldaten. «Ik zet het geld, dat ik u afwon, tegen hem in, hij is jong en schoon ... een slaaf, die geld waard is....»
«Ik ben geen slaaf, hatelijke vreemdeling» klonk het opeens uit Vertico's mond, terwijl hij dreigend opsprong en de kloeke vuisten balde.
«Dat zullen wij zien!» riepen de soldaten en trokken hun zwaard uit de scheede.
Marcus ook was opgesprongen. «Wie dezen jongeling aanraakt, klaag ik te Tongeren bij den bevelhebber aan!» sprak hij met krachtige stem, terwijl hij zich fier en gebiedend in het midden der soldaten plaatste.
Maar nauwelijks was de eerste indruk van verbazing voorbij of een der soldaten hernam spottend: «Wie zijt gij, vreemdeling, die ons Romeinen, als nietige slaven toespreekt?»--«In het land mijner vaderen heet ik Punto, maar in het Romeinsch leger, waar ik Hoofdman[2] was noemde men mij Marcus Liberius Victor».
De soldaten stoven verschrikt uiteen; Marcus nam zijnen geldbuidel, wierp eenige geldstukken voor de voeten van den verbluften landman en sprak tot dezen: «Ziedaar de losprijs voor uwen dienaar.--Volg mij, jongeling,» zeide hij tot Vertico en beiden verlieten zwijgend de herberg.
Weldra sprak de jongeling met tranen in de oogen: «Ik ben u wel dankbaar, goede heer,» doch Marcus viel hem in de rede: «Daar zoo even beweerdet gij geen slaaf maar een vrij man te zijn, uw kernachtig antwoord beviel mij, zeg jongeling, hoe kwaamt gij in dienst bij uwen meester?»
«Ik ben een wees,» sprak Vertico, «en werd geboren in de omstreken van Aarlen; mijn vader heb ik nooit gekend en mijne moeder stierf toen ik twaalf jaar oud was. Een vriend en buurman huurde mij als veehoeder, maar toen ook hij na eenige maanden stierf, begaf ik mij naar Tongeren, waar ik hoopte brood en bezigheid te vinden. Daar ontmoette ik mijn vorigen meester, bij wien ik veel te lijden had, want de man is aan drank en spel verslaafd.»
Marcus dacht onwillekeurig aan zijne zuster, en aan haren zoon, dien hij niet had wedergevonden. «Hadt gij geene nabestaanden, die voor u zorgen of u met raad en daad konden bijstaan?» vroeg hij peinzend.
«Toen ik een kind was,» antwoordde Vertico, «vertelde moeder mij dikwijls van mijn oom, die soldaat was in Italië. Moeder zeide, dat hij goed, krachtig en verstandig was. Hij heette Punto....»
«Bezit gij niets, dat uwe moeder of uwen oom toebehoorde?» vroeg Marcus met van hoop kloppend hart.
«Ja toch» antwoordde Vertico «eer oom vertrok, schonk hij moeder een gouden kruisje met rooden steen, het was een kleinood van waarde, dat ik, hoe nijpend de nood ook was, niet verkoopen wilde, uit eerbied voor den afwezige....»
«Toon mij dat kruisje!» sprak de soldaat, die tranen in de oogen kreeg.
«Sedert jaren draag ik het op het hart,» sprak de jongeling met zachte stem, «ik smeek u, heer krijgsoverste, neem het mij niet af,» en hij haalde het kleinood van onder zijn kleed te voorschijn.
Bevend van ontroering nam Marcus het kruisje in de hand, herkende het en vroeg, als wilde hij een laatsten twijfel uit zijn hart wegnemen: «Hoe heette uwe moeder?»
«Pruscia» stamelde de jongeling en zag tot zijn weldoener op «zij had bruine oogen en golvende haarlokken als gij. Ik weet niet waarom, heer Hoofdman, maar uw gelaat herinnert mij aan dat mijner arme moeder.»
«Ik ben uw oom, Vertico,» besloot Marcus. «Hoe gelukkig ben ik u weder te vinden! Wij zullen elkander niet meer verlaten, naar onze geboortestreek terugkeeren en, als vader en zoon, vreedzame jaren slijten.»
8.--De Romeinsche Overheersching.
«Wie toch hadden, hier te lande, door wouden, moerassen en heiden, die breede heirwegen aangelegd, die wij in het voorgaande verhaal leerden kennen?»--Dat waren de Romeinen.--Wel is waar deden zij zulks niet uit genegenheid voor de inwoners, maar wel opdat de krijgslieden, langs die wegen, gemakkelijk van de eene plaats naar de andere konden gaan en zij heel dikwijls paarden, wagens, oorlogstuig, voeder en voedsel moesten vervoeren.
Het aanleggen dier wegen was eene weldaad voor de bevolking; de menschen kwamen meer dan vroeger met elkander in aanraking, kooplieden uit het Zuiden en elders brachten onzen voorouders allerlei zaken, waarvan deze eenvoudige lieden vroeger geen denkbeeld hadden.
Hier en daar bouwden de Romeinsche ambtenaars villa's of lusthuizen, die weelderig ingericht en van tuinen, boom-en wijngaarden omgeven waren. Verscheiden vroeger onbekende voedings-en sierplanten, ooftboomen, zelfs diersoorten werden hier ingevoerd; de bevolking groeide aan, de menschen weefden wollen mantels, lijnwaad, zonden ganzen en hammen naar Italië en leerden tichels en vaatwerk bakken, glas en glazuur vervaardigen.
De landbouw ontwikkelde zich vooral in het vruchtbare Haspengouw. Tongeren en Doornik zijn de vroegst bekende steden van ons land, dat, voor handel en nijverheid, zeer voordeelig gelegen was, tusschen Gallië en Germanië.
9.--De Romeinsche Villa.
Gedurende de III^{de} eeuw onzer jaartelling, woonden niet ver van Borgworm, op eene mooie villa een rijk Romeinsch grondeigenaar en zijne eenige dochter Liberia. Het meisje, dat door haren vader werd aangebeden, was haar achttienden jaar ingetreden en, ten einde deze blijde gebeurtenis op waardige wijze te vieren, had de rijke Romein zijne talrijke vrienden aan een heerlijk gastmaal genoodigd.
De villa was daartoe bijzonder geschikt: kostbare zijden behangsels scheidden de verschillende zalen van elkander, overal stonden zachte bedden, met kussens bedekt of met tapijtwerk behangen. Op de tafels prijkten zilveren en gouden schalen vol zeldzame en fijne vruchten en talrijke slaven en slavinnen, dragende fraaie kruiken, goten parelenden wijn in kristallen roemers en drinkschalen.
De gasten, in rijke kleederen gehuld, met bloemen en juweelen versierd, hielden zich met muziek, dans en spel onledig, toen plotseling, de algemeene vreugde door eene schrikwekkende tijding werd gestoord.
«De Barbaren zijn in aantocht,» riep een dienaar, die hijgend en bezweet de kamer binnenstormde. «Uren in den omtrek, hebben zij alles geplunderd en verwoest! Laten we op tegenweer bedacht zijn! Ze zijn hier dichtbij, op het terras kan men ze, in eene wolk van stof gehuld, zien naderen.»
De aanwezigen waren door schrik als verlamd. Liberia en hare gezellinnen klaagden en weenden luid, de mannen zagen elkander in stomme vertwijfeling aan.
«Te laat! wij zijn overrompeld!» gilde eensklaps een toesnellend dienaar en inderdaad, paardengetrappel, wapengekletter weerklonk, woeste mannen met sombere aangezichten, stoven de woning binnen. «Wij eischen voeder voor onze paarden, vleesch voor onze mannen!» schreeuwden zij in eene ruwe, vreemde taal, die geen der aanwezigen verstond en, toen de eigenaar der villa, door gebaren te kennen gaf, dat hij hen niet begreep, toen enkele der aanwezigen, genoodigden en slaven, met wapens verschenen, stormden de aanvallers door de prachtige vertrekken, scheurden de zijden behangsels af en sloegen het kostbare vaatwerk stuk.
Nu werd men handgemeen; wie dapper was verdedigde zijn leven of dat zijner vrienden of meesters, wie bang was vluchtte voor de woeste aanvallers, die juweelen, muntstukken, kunstwerken roofden ... en, toen de bleeke maan haar zilveren licht over de aarde goot, waren al de bewoners der villa gevlucht, gewond of gedood.
Liberia's dienaressen hadden hare meesteres behouden in een naburig bosch gebracht en de vader van het vroeger zoo gelukkige meisje, lag stervend op de kille steenen zijner voormalige feestzaal.
De Barbaren stalden hunne paarden in de prachtige kamers der villa; zij slachtten het vee, dat zij in de stallen aantroffen en, daar zij niet aanstonds hout vonden, stapelden zij de kostbare meubels opeen, staken ze in brand en vormden aldus een haard, waarop zij het vleesch braadden der gedoode dieren, dat hun tot avondmaal verstrekte.
10.--Invallen der Barbaren.
Voorgaand verhaal zegt ons genoeg, dat de Romeinen, de onverwinnelijke krijgslieden niet meer waren, die ten tijde van Boduognat en Ambiorix ons land overmeesterden. Langzamerhand lieten zij zich door weelde en gemakzucht verleiden en hechtten meer waarde aan feesten en uitspattingen, dan aan de verdediging van hun uitgestrekt rijk.
Tot in de V^{de} eeuw bleven zij meester over ons land, maar konden niet beletten dat herhaalde malen vreemde volksstammen naar hier kwamen en groote onheilen in ons land aanrichtten.
Onze voorouders beleefden een bang en treurig tijdvak van rampen en algemeene ellende. De binnendringende of voorbijtrekkende volkeren plunderden villa's, dorpen, steden, de verschrikte inwoners begroeven hunne schatten in den grond; maar velen werden gedood voor zij die weer konden opgraven.
Op onze dagen nog, haalt men niet zelden, vooral langs de vroegere Romeinsche heirwegen, kruiken en potten vol muntstukken uit den grond.
Zij wijzen ons den weg, door de binnendringende volksstammen gevolgd, terwijl het jaartal, dat in de muntstukken is gegrift, de oudheidkundigen bekend maakt met het tijdvak, waarin de invallen plaats grepen. De ellende was zoo groot, dat er handen te weinig waren om den grond te bebouwen, graan te zaaien en voor het vee te zorgen.
Niet zelden moesten de Romeinen aan indringende volksstammen toelaten, zich als landbouwers of kolonisten te vestigen in de verlaten vlakten, waar vroeger Eburonen, Nerviers, Menapiers woonden.
Wie die stammen waren, hoe zij leefden, wat zij tot stand brachten, zal het volgende verhaal u duidelijk maken.
11.--Een Frankische Knaap.
Edo was vijftien jaar oud en bewoonde omstreeks de vijfde eeuw onzer jaartelling met zijne ouders en zusters, eene hofstede, die aan den oever der Schelde was gelegen.
Hij was een gezonde, forsche knaap, met lange, blonde haarlokken en helderblauwe oogen, die hoopvol en stout, de wijde wereld inkeken.
Vrij als een veulen sleet hij zijne levensdagen op het land, in de uitgestrekte, gezonde natuur. 's Zomers vermeide hij zich in de weiden, die zijne geboorteplaats omringden, reed te paard, baadde zich in de rivier of luisterde, gezeten in de schaduw van eeuwenoude boomen, naar de tooververhalen en sprookjes, die Bertha en Reinilde, zijne zusters, hem mededeelden.
's Winters vergezelde hij vader, ooms en neven op de jacht en achtervolgde uren lang, reebok of hert, wolf of everzwijn. Edo leerde met de wapens omgaan en wenschte vurig op te groeien tot een krachtig man, die alle andere in vlugheid en behendigheid zou overtreffen.
Zijne moeder, eene krachtige vrouw, deelde in dat verlangen: «Mijn zoon» sprak zij, «weldra zal ik u de framei[3] schenken, waarmede uw grootvader tegen de vijanden van ons volk te velde trok en u zijn veelkleurig schild aan den arm hangen.» «Ik geef u mijne francisca[4], mijn kostbaren halsband en fraaien mantelhaak» zeide de vader. «Wij weven u een prachtigen, gekleurden mantel» voltooiden Bertha en Reinhilde, want zij waren fier op haar jongen broeder.
Op zekeren avond was de geheele familie in de woonhalle vergaderd, de koeien loeiden in de stallen, die aan het huis paalden, de groote hond liep van Reinilde naar Bertha en een knetterend vuur brandde in den haard. Men zong aloude krijgsliederen, men dronk schuimend bier en vader verhaalde de roemrijke daden van Walther, den voorvader en held der familie, die zich met andere Franken aan de oevers der Schelde gevestigd had.
Edo luisterde met aandacht en 's nachts droomde hij heerlijk: Prachtig uitgedoscht, van schitterende wapens voorzien, trok hij, op een brieschend paard gezeten, ten oorlog. Hij zong woeste krijgsliederen, versloeg honderden vijanden en weerde met zijn schild, de slagen der vreemde krijgslieden af.
Maar zie! daar stiet een vijand hem op het onverwachts zijne speer in de borst. Edo viel badend in zijn bloed neder, hij sloot de oogen en dacht te sterven, toen ... o wonder! eene sneeuwwitte zwaan hem opnam en hem naar het Walhalla[5] voerde, tot vlak voor den troon van Odin, den oorlogsgod.
Odin begroette den jongen held met minzaamheid en sprak: «Mijn zoon, gij zijt waardig in mijn gevolg opgenomen te worden; hier, in mijn godenverblijf, onder mijne leiding, zult gij uwe krijgsopvoeding voltooien. Later zult gij mij vergezellen als ik tegen de reuzen te velde trek....»
Edo ontwaakte en eenige jaren later werd zijn droom gedeeltelijk verwezenlijkt. Met de Franken rukte hij naar het Zuiden en onder aanvoering van vorst Hlodio bereikte hij de stad Doornik.
Hier vielen de Franken de Romeinen aan, overwonnen hen, namen Kamerijk en Atrecht in, bereikten de oevers der Somme en zetten zegevierend hunne tochten voort.
12.--De Franken.
Willen wij trachten aan 't voorgaand verhaal eenige geschiedkundige gebeurtenis vast te knoopen?
's Avonds bij het knetterend haardvuur gezeten, verhaalt Edo's vader de heldendaden zijner voorouders, die, van de Romeinen verlof kregen zich als landbouwers of kolonisten in Toxandrië (de Kempen) te vestigen.
Van de Kempen richtten zij zich naar de oevers van Lei en Schelde, naar de vruchtbare gouwen van Midden-België. Het Zuid-Oosten van ons land was, met zijne dichte wouden, hun geruimen tijd ontoegankelijk, terwijl de Ardennen met hunne naakte bergtoppen en met bosch begroeide hellingen, hen weinig aanlokten.
De Franken bezaten toen nog geene steden, maar leefden op het land, in hoeven, met moestuinen, ooftboomen, grasperken.
Die hoeven waren door hooge hagen ingesloten en voorzien van stallen voor paarden en vee, bergplaatsen voor hooi, stroo, graan.
Dunkt u niet, dat deze hoeven, in vele opzichten, op de hoeven onzer hedendaagsche Vlaamsche boeren geleken?
De woningen der Franken waren wel is waar van hout, maar koningen en opperhoofden bezaten soms wel een steenen huis «sale, seele, halle» genaamd.
Vandaar Swevezele in West-Vlaanderen, Herzele in Oost-Vlaanderen, Liezele in de provincie Antwerpen, Wilzele in Brabant.
Nog andere plaatsnamen vooral in Laag-en Midden-België, herinneren ons aan de Franken: Bornhem[6] bij de stad Mechelen, Cureghem in Brabant, Lovendeghem, Sotteghem in Oost-Vlaanderen, Anseghem bij Kortrijk in West-Vlaanderen, enz.
De Franken hadden koningen; de oudste, die de geschiedenis ons leert kennen is Hlodio, die het land van Doornik en dat van Kamerijk innam.
Later trof men ook Frankische koningen aan te Keulen, en te Tongeren.
Herinnert gij u dat Edo's vader, ja zelfs zijne moeder hunnen zoon schoone wapens beloofden?
Onder de Franken waren uitmuntende smeden, ook vervaardigden zij juweelen en aarden vaatwerk.
Niet zelden ontdekt men, in onze dagen, in ons land, Frankische graven, waarin wapens, juweelen en andere voorwerpen gevonden worden. Men bewaart die in musea. Het museum van Brussel is rijk aan voorwerpen uit het Frankisch tijdvak.
Het volgende verhaal zal u de Franken nog beter leeren kennen.
13.--Grimbald en Bertolf.
«Neen Grimbald» sprak Bertolf tot zijn rijken buurman, «neen, mijn paard wil ik u niet verkoopen. Ik zelf richtte het af, verleden zomer nog voerde het mij ten strijde en hielp mij de vijanden van ons volk overwinnen, het werd mij een trouwe vriend, van wien ik niet meer scheiden kan.»
Grimbalds gelaat werd somber. De man was jaloersch op Bertolf die, ofschoon veel armer dan hij, door elkeen werd gewaardeerd om zijn aangenaam karakter, zijne bekwaamheid. Bertolf was een uitmuntend landbouwer, een bedreven jager, een flink ruiter die, sedert hij met zijn schrander paard, den onverwinnelijken Sleipnir, te velde trok, zelfs door graven en andere hooggeplaatste lieden, met achting werd bejegend.
Grimbald was rijk, hij bezat schoon huisraad, mooie runderen, talrijke zwijnen, maar de menschen hielden niet van hem; hij was boosaardig, wraakzuchtig en had zich, in meer dan één geval, op wreede en hartlooze wijze gedragen.
Somber en dreigend verliet hij de woning van Bertolf en niet zoodra was hij de haag voorbij of hij balde de vuisten en grinnikte spottend: «Die weigering zult gij mij duur betalen!»
Hij verzonk in gepeinzen, bereikte het elzenboschje, dat aan den oever der beek gelegen was, verborg zich in het struikgewas en hield zich stil als de boschkat, die de duisternis afwacht om hare prooi aan te vallen.
Langzaam, zeer langzaam spreidde de nacht haar floers over het aardrijk; tot driemaal toe hief de boschuil zijn onheilspelend gefluit aan.
Grimbald verliet zijne schuilplaats en keerde naar Bertolfs woning terug. Hij brak door de haag, kroop op handen en voeten naar den paardestal....
Eenige tijd verliep en als een moordenaar sloop hij naar het elzenboschje terug.
Plotseling drong de maan door de duisternis en wierp haar weifelend licht op den boosdoener. Hij bemerkte twee mannen, die onbeweeglijk en sprakeloos, in den stillen zomernacht, aan den oever der beek zaten te visschen.
Grimbald schrikte en, als ontwaakte zijn geweten, vluchtte hij, over weiden en velden, over heggen en struiken, in de richting zijner woning.
De visschers echter hadden den man bemerkt; zij ook schrikten, maar zeiden:
«Wat kwaad bedreef de man, die als een laffe moordenaar van hier wegvlucht?»