Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving

Part 9

Chapter 93,858 wordsPublic domain

Het aantal bewoners van deze gebieden kan geschat worden op ongeveer tien duizend zielen; wellicht is dit nog te ruim genomen. Een algemeen hoofd als in Apo Kajan treft men hier eigenlijk niet aan; wel was Lian Toeran indertijd in Poedjoengan alleenheerscher, maar in de Lepo Maoetgebieden heeft hij toch eigenlijk nooit als zoodanig gegolden. Integendeel is de stemming steeds vijandig gebleven, een andere toestand dus als in Apo Kajan, waar men de hegemonie der Oema Tau erkende; in Lepo Maoet zelfs staan de verschillende stammen naast elkaar en er is eigenlijk geen sprake van, dat de een invloed op den anderen zou uitoefenen.

Voorzoover hun eigen herinnering reikt, beweren deze stammen afkomstig te zijn van de Soengei Iwan, uit Apo Kajan dus. Het is eigenlijk steeds heen en weer trekken geweest; stammen toch, die naar deze gebieden verhuisden, zijn later weer naar Apo Kajan teruggetrokken. De meesten zullen uit Serawak afkomstig zijn en velen weten een en ander zeer goed; vooral de Ma Badangs herinneren zich dit nog heel goed; we zagen reeds hoe hun stamgenooten in Apo Kajan eerst tien jaren geleden daar aankwamen.

Toch heeft de legende zich hiervan meester gemaakt om te verklaren, waarom de Kenja's zoo naar alle windrichtingen zich hebben verspreid, eene legende, die Nieuwenhuis ons vertelt en die ik ook zelf meerdere malen te hooren kreeg.

In oude tijden ontstond tusschen het vuur en het water een hevige strijd, waarbij beide hun uiterste krachten inspanden om te overwinnen. Het water echter, geholpen door zware regens, steeg zoozeer, dat het land met bosch en al overstroomde. Het water overwon, maar tevens kwamen alle menschen om; slechts enkele menschen in Apo Kajan wisten zich in prauwen te redden. Deze zagen geen andere mogelijkheid om het water te doen zakken, dan door een der hunnen, Hillo, de dochter van het hoofd, te dooden en ten offer te brengen. Het water zakte plotseling en voerde de in de prauwen overlevende menschen in alle windrichtingen mede. Aldus werden de Apo Kajanbewoners verspreid en spreken zij heden nog zoovele verschillende talen.

Bij hun komst in deze gebieden stelden ze een verdeeling der gronden vast; ieder hoofd kreeg een of meer rivieren om de inkomsten daarvan te genieten. Het behoeft geen betoog, dat de Ma Alims met het grootste gedeelte van den buit gingen strijken. Toch werden en worden de rechten der anderen wel erkend, al heeft een en ander wel eens aanleiding gegeven tot moeilijkheden. De tegenwoordige hoofden maken er nog aanspraak op, zoo het tegenwoordige hoofd Djaloeng Ipoei alias Taman Kahang--door het gouvernement aangesteld--op de Soengei Aran, waar schitterende rotanbosschen voorkomen. Eigenlijk is hier geen sprake van aloude rechten, daar de meesten als indringers van buiten moeten beschouwd worden. Toch is het moeilijk dit dajakschen hoofden aan het verstand te brengen en houden ze vast aan hun vermeende rechten.

We bevinden ons nog in het boschbivak op weg naar Ma Long Ong Takoeng; daar we door de ondervinding van den vorigen dag wel vermoedden, dat het volgende weggedeelte niet schitterend zou zijn, togen we al vroeg op weg en werkelijk hadden we dan ook met vele moeilijkheden te kampen, waarbij we over allerlei boomstammen moesten balanceeren om daarna weer tot de knieën in het moeras te zinken. Halverwege ongeveer kwam Sinjal, een Menadonees, de posthouder van Poedjoengan en Lepo Maoet mij tegemoet. Van zijn bekendheid met het terrein maakte ik gaarne gebruik en nadat we daarna de hevig bandjirrende Poedjoenganrivier in de gereed gehouden prauwen waren overgestoken, bereikten we eindelijk na nog een flinke klauterpartij de kampong. De landtocht van Tagaharoek Soeën naar hier duurde juist 25 uur.

Daar tusschen mijn geleiders en de bewoners van Ma Long Ong Takoeng nog oude snelveeten bestonden, durfden de eersten de kampong niet binnengaan, alvorens ze toestemming van mij hadden om aldaar te verzoenen, petotong of meliwa totong. Vooral Sawang Pajang was zeer beangst, dat ze bij niet voldoen hieraan bloed zouden braken--een herinnering aan de vroegere moorden tusschen hun vaderen--en dat de zielen van de gestorven familieleden, die door de Ma Longers waren gesneld, hen zouden verontrusten, verstoord als ze waren, dat ze voor vroegere wandaden geen wraak namen.

In het huis van den radja aangekomen, nam een mijner geleiders een piepkuiken en hield dit een brandend stuk hout boven het hoofd, onder het aanroepen der geesten. Met verheffing van stem sprak hij: Ieder, die deze verzoening verbreekt, zal het vergaan als dit kuiken, zal spoedig sterven. Voortaan dus zal het pais en vrêe zijn tusschen de mannen van Lepoe Tepoe, Ma Lisan en Ma Long.

Daarna werd het diertje den hals afgedraaid en het uitstroomende bloed opgevangen op een bekkentje met rijst, dat op het haardvuur stond. Nu kwamen de mannen van Ma Long naderbij, hun hand werd besmeerd met het nog bloedende kuiken; ze namen eenige korrels van de met een weinig bloed overgoten rijst en aten die op. Na de mannen kwamen de vrouwen en kinderen naderbij en werden eveneens besmeerd. Dit alles geschiedde door een man van Lepoe Tepoe. Thans nam een man van de Ma Longs het bekken over en was het de beurt der Lepoe Tepoeërs om besmeurd te worden, waarna de plechtigheid was afgeloopen. Om de verzoening echter geheel volledig te doen zijn, zouden de Ma Longers naar Lepoe Tepoe moeten gaan om daar hetzelfde te verrichten. Voorloopig moest dit echter voldoende zijn.

Naast deze meer onschuldige wijze van vriendschap sluiten, kende men vroeger de echte bloedvriendschap. Door een der oudere kampongbewoners wordt uit een ongeveer 5 cM. dikke, jonge, nog groene bamboe een tweetal bekertjes gesneden, die gedeeltelijk met water werden gevuld. Met een tweetal scherpe bamboemesjes werd dan den beiden personen in den rechter-bovenarm een schram toegebracht, tot men er een weinig bloed kon uitpersen, dat zich aan het mesje hechtte. Het mesje, waarmee A bewerkt was, werd daarop in den koker, die B in handen gegeven werd, geplaatst en het water daarmee omgeroerd. Daarop gingen beide personen naar buiten wijl men bij het drinken op den grond moet staan en onder het luide aanroepen der geesten hield A zijn bekertje op het hoofd van B, daarbij uitdrukkelijk verklarende, hoe hij voor eeuwig voor zich en zijn nakomelingen door de banden des bloeds verbonden was met C en diens kinderen en kindskinderen; dat het koppensnellen tusschen hun afstammelingen gelijk zou staan aan het dooden van elkaar, dus broedermoord; hoe de wederzijdsche families elkaar zouden hebben bij te staan en in vrede en vriendschap als waren zij broeders met elkaar zouden hebben te leven. De hoogere machten waren getuigen van hun geloften en aan haar werd de bestraffing door algeheele vernietiging van een eventueel meineedige opgedragen. Na deze woorden gesproken te hebben, neemt A het bekertje van het hoofd van B en drinkt ervan. Omgekeerd doet B hetzelfde bij A. De twee bekers worden daarna aan den ouden ceremoniemeester, die ook de mesjes vasthoudt, teruggegeven. Hij giet de vloeistoffen bij elkaar en daarna over den grond. De bekers en mesjes worden daarop tusschen de dakpannen en sparren van het huis opgeborgen. Voor elke "twee broeders" worden nieuwe bekers en nieuwe mesjes gebruikt. Zoo heeft controleur van Walchren in 1906 het bloed gedronken van het Lepo Maoethoofd Taman Baja.

De ontvangst in de kampong was overigens niet heel vriendelijk, hetgeen waarschijnlijk moet worden toegeschreven aan de ziekte van het kind van den radja. Uit angst, dat het zou sterven, maakte men gedurenden den geheelen nacht een helsch lawaai om te verhinderen dat de ziel het lichaam zou verlaten.

Na eene aangename wandeling, bereikten we den volgenden dag de kampong Ma Long Saän, waar eveneens eene verzoening plaats greep. De weg is niet zwaar, voert langs vlak terrein, dat overal mooie kijkjes aanbiedt en niet dicht begroeid is. Hier en daar zagen we de hevig bandjirrende Poedjoenganrivier zich door het terrein slingeren. Voor sawahbouw zou dit zich uitstekend leenen, daar van de omringende bergen een overvloed van water wordt aangevoerd. Hier en daar ontwaarden we prachtige, van groote hoogte neerstortende watervallen, een schilderachtigen aanblik. Eénmaal voerde de weg ons onder een dergelijke storting door; de weg was smal, één boomstam slechts, glad geworden door het vallende water; kletsnat geworden liepen we zoo rustig mogelijk langs dit gevaarlijke pad verder en diep onder ons zagen we het water in den afgrond verdwijnen.

De kampongs zelve in Poedjoengan zien er vuil uit; alleen de watervoorziening is bij andere gebieden vergeleken schitterend. Langs lange bamboeleidingen wordt dit de kampong ingevoerd; meestal vindt men twee of drie dergelijke pantjoerans in deze kampongs, waar de vrouwen in bamboebuizen het water komen halen en waar tevens gebaad wordt. Zelf ook kon ik na langen tijd weer eens daarvan gebruik maken; de begeerte was te groot, dan dat ik mij liet afschrikken door de dajaksche gemeente, die mij op korten afstand stond aan te gapen.

Overigens verschillen deze kampongs weinig van die in Apo Kajan; alleen treft men hier aan den ingang der kampongs een soort overdekking aan, waar men even kan verpoozen alvorens de kampong binnen te gaan. Ook bevindt zich daarbij soms een badplaats, waar een bad wordt genomen. Een dajak toch zal altijd zoo mogelijk zijn toilet in orde maken voor hij binnen gaat. Ook in zijn eigen kampong doet hij dit en daarbij is hij zeer op een bad gesteld. Het eigenaardige hier is, dat in dit huisje steeds een doodkist gereed staat, welke bij een plotseling sterfgeval dadelijk in gebruik kan worden genomen.

Mannen kleeden zich hier als in Apo Kajan; de vrouwen echter dragen een ander soort sarong. Deze wordt zeer kort gedragen en reikt hoogstens tot het midden van het bovenbeen. Daar het uit boomschors is gemaakt, valt het niet erg elegant, al weet de dajaksche vrouw dit poovere en eenige kleedingstuk met gratie te dragen.

Thans wachtte ons de tocht door het echte Poedjoenganland, het gebied der Ma Alims, waar Lian Toeran eertijds heerschte. Dit is het land, waar onder zijn aanvoering de Ma Alims slag leverden tegen de Ma Longs, waarin de laatsten het onderspit dolven. Op de hooge, dit terrein omringende, steile bergen, stonden de vrouwen den strijd aan te zien, door teekens en geroep hun mannen aanvurend. Hierboven was men veilig en zelfs de ladangs werden en worden thans nog daarboven aangelegd. Zoo noodig ging men langs rotanladders naar beneden, in tijden van overval werden deze gekapt en was alle verbinding verbroken.

In deze steile bergen, in den wand aangebracht, bevinden zich ook de begraafplaatsen der vaderen, de "lobang batoe" der Ma Alims. Nog thans geschiedt dit en vooral de orthodoxe adatmenschen hechten hieraan groote waarde en al verhuizen ze ook ver van de aloude begraafplaatsen hunner vaderen, zoo eenigszins mogelijk worden ze toch daar heen gebracht na hun dood. We zagen reeds, dat Lian Toeran uit schaamte tegenover zijn vaderen bij gebrek aan gesnelde koppen niet den moed had, daar begraven te worden, al moet hem dit een vreeselijke straf zijn geweest.

Daar Lian Toeran's huis bouwvallig was en vrijwel verlaten, nam ik mijn intrek bij Djaloeng Ipoei, die--hoewel hij ernstig ziek was--mij goed liet verzorgen. Het was mijne bedoeling ook in zijn huis een vergadering te houden met alle Poedjoenganhoofden om hun mede te deelen, hoe thans de zaken stonden en om den posthouder te installeeren, een nieuw ambtenaar, tegen wiens aanstelling ze eenige jaren geleden bezwaar maakten. Dit verzet ging voornamelijk uit van Lian Toeran en diens zwager Amban Ingan, hoofd van Ma Lasan Long Poedjoengan.

Hoewel alle hoofden opgeroepen waren, vermoedde ik wel, dat het eenige dagen zou duren, voordat ze verzameld waren. Daar Djaloeng Ipoei het voor zijn gasten gezellig wilde maken, en tevens de nieuwe vriendschap wilde bezegelen, verzocht hij mijn toestemming met de Lepoe Tepoeërs een djakanfeest te mogen houden. Zagen we hier vóór dat de Bahau van de Mahakam geen gistende dranken dronk, dat de Kenja van Apo Kajan een matig drinker is, die uit Poedjoengan is verzot op drank. Zelfs trof ik in enkele kampongs een vrij groot huis aan, dat speciaal dient voor het maken van djakan en het houden van drinkpartijen. Dronkenschap komt dan ook bij deze lieden, evenals in de Tidoengsche landen, meermalen voor. De menschen uit Apo Kajan houden er dan ook niet van hen dronken te zien, daar ze dan dikwijls baldadig worden en aanleiding geven tot allerlei moeilijkheden.

Den dag voor de vergadering liet Lian Toeran, die aan de Soengei Njelet vertoefde, weten, dat hij wegens ziekte verhinderd was te komen; daar ik tevens vernam, dat hij dit slechts deed om mij om den tuin te leiden, liet ik hem weten, dat indien hij niet kwam, hij gehaald zou worden. Deze bedreiging hielp en op den bepaalden dag waren alle hoofden aanwezig, behalve de radja van Ma Lasan Long Poedjoengan, die verhinderd was door de hevig bandjirrende Poedjoenganrivier; hij toch was de eenige, die om Ma Alim te bereiken, deze stroomopwaarts moest varen.

Nadat allen gezeten waren in een grooten kring rondom mij en Lian Toeran en Djaloeng Ipoei naast mij hadden plaats genomen, deelde ik hun mede, dat Poedjoengan voortaan meer direct zou worden bestuurd, dat ze den nieuw aangestelden posthouder als plaatsvervanger van den controleur van Boeloengan in deze gebieden hadden te beschouwen, hem met raad en daad hadden bij te staan, terwijl ze, als ze moeilijkheden hadden, deze bij hem moesten voorbrengen; dat rust en orde niet verstoord mochten worden, zoodat ieder vrij kon uitgaan zonder door iemand lastig gevallen te worden, dat snellen ten strengste verboden werd; dat het Bestuur den dajak zou helpen tegen afpersingen van maleiers en andere vreemdelingen, maar ook tegen die van hun eigen hoofden, dat alleen adatinkomsten--poepoe bestaande uit 4 kati rijst per jaar per pintoe of huisgezin--werden erkend, kortom dat een toestand zou geschapen worden als in Apo Kajan.

Nadat ik hun dit alles breedsprakig, bloemrijk en verlucht met voorbeelden uit het dagelijksch leven had voorgedragen en het geheel nog breedsprakiger door mijn tolk was overgebracht, zweeg de gemeente. Ook Lian Toeran, de starre adat-man, zweeg en toen ik hem liet vragen, wat hij van dit alles dacht, beweerde hij mij niet begrepen te hebben. De andere hoofden wisten wel beter, hun was alles duidelijk, daar ze wel begrepen, dat deze regelingen voor hen beteekenden vrijheid van druk van den ouden brandschatter en van alle kanten beijverden ze zich hem inlichtingen te verstrekken, zoodat hij ten slotte wel moest bekennen, dat het ook hem duidelijk was, al was het hem aan te zien, dat het niet van harte ging.

Was de houding der hoofden in den beginne schuchter, bijna bang, na deze uitvoerige uitleggingen kwamen ze meer los, zoodat nu de besprekingen vlotter van stapel liepen. Een belangrijk aandeel had hierin Djaloeng Ipoei. Tegenover den starren jonker vertegenwoordigt hij den modernen dajak, die gaarne het bestuur ter wille is, alle mogelijke hulp verleent en zijn zoon Boelan de gouvernements inlandsche school te Tandjong Seilor doet bezoeken. Hij was indertijd de rechterhand van assistent-resident Spaan en stond bij dien ambtenaar in hoog aanzien. Hij was dan ook de eenige man, die als algemeen hoofd in aanmerking kwam en is na den dood van Lian Toeran als zoodanig aangesteld.

Het kan wellicht verwondering baren, dat niet de oudste zoon van Lian Toeran werd verkozen; met de opvolging van vader op zoon wordt het in deze gebieden echter niet zoo nauw genomen; vanouds werd hij uit de vorstelijke familie radja, die het brutaalst was en zich het krachtigst kon doen gelden. Lian Toeran volgde zijn oom op, deze zijn broer Asang Ipoei; zelfs kan men dus zeggen, dat het geen gewoonte is.

Van Ma Alim uit is de Soengei Poedjoengan langs een goed pad gemakkelijk te bereiken, waar men juist boven de kiham Pajang, (afb. 24) een zware, moeilijk over te trekken versnelling met groot verval aantreft. Langs een rotanhangbrug van veertig meter ongeveer begeeft men zich naar de overzijde van de rivier en vervolgens langs den oever tot aan het benedeneinde van de versnelling. Terwijl we daar rustig stonden te wachten, zagen we plotseling eenige blikken op het water naar beneden drijven, hetgeen niet veel goeds voorspelde en dan ook later het gevolg bleek van het omslaan van een mijner prauwen. Gelukkig wisten de handige dajaks nog wat drijvende blikken te achterhalen, maar de prauw was geheel stukgeslagen en reddeloos verloren.

Na nog een kort bezoek aan Poea gebracht te hebben, zakten we af naar Ma Lasan Long Poedjoengan, waar men aan de overzijde van de Bahau ladangs had aangelegd, die schitterend gedijden. Blijkbaar had men succes gehad met den planttijdaanwijzer, een met eenig ceremonieel ingeplant stuk bamboe, dat een schaduw van bepaalde afmetingen en richting heeft aan te wijzen. Is dit oogenblik gekomen, dan begint men de rijst uit te planten.

Bij aankomst in de kampong verkeerde de vorstenfamilie in rouw vanwege het sterven van een der kleinkinderen van het hoofd, zoodat ook de ontvangst zonder ceremonieel plaats vond. De geheele familie had zich in een nieuw boomschors kleed gestoken, zoowel de mannen als de vrouwen; een kleed bestaande uit lenden- en hoofdbedekking, terwijl de vorst nog een laagafhangenden band om den hals droeg; alles van ruwe stof gemaakt. Deze kleederen moeten zoo lang gedragen worden, totdat ze den dragers als het ware van het lijf vallen; daarmede eindigt dan tevens de rouwtijd (afb. 43).

We bevonden ons thans--stroomafwaarts--niet verder dan ruim drie dagen verwijderd van onze standplaats, van ons gezin. Het is wellicht begrijpelijk, dat na een tocht van vier maanden ons de lust bekroop naar huis terug te keeren, maar aan den anderen kant was het aanlokkelijk nog een bezoek te brengen aan een vrijwel onbekend gebied, als de Lepo Maoet en zoo vingen we dan met nieuwe roeiers weer een moeizamen tocht aan, de Bahau opwaarts.

Onmiddellijk na het vertrek uit de kampong Ma Lasan, bereikt men de Bahau, die hier ongeveer even breed is als de Poedjoengan en aanvankelijk geen moeilijkheden in het varen oplevert. Dadelijk echter na de soengei Lorah begint de eerste reeks stroomversnellingen, die we echter zonder moeilijkheden passeerden. Na de tweede, de Lesoeng, bereikten we de plaats, waar dr. Tehupeiory indertijd een prauw verloor, doordat de rotan brak. Ook de tweede kihamserie passeerden we met succes, hetgeen bij dezen gunstigen waterstand begrijpelijk was. De rivier vertoont bijna overal dezelfde teekening, eenige afwisseling brachten slechts de schoon gekleurde ijsvogels (temenggang asa). Oude, dikke boomstronken staken over de rivier, als evenzoovele hydrae lernae, die voor de opvaart beter er niet waren geweest; bovendien waren de oevers bezaaid met op het punt van vallen staande doode boomen--een gevolg van het droge jaar 1914--die een niet gering gevaar opleverden voor onze prauwen. Gelukkig werd slechts één onzer prauwen aan de achterzijde daardoor verbrijzeld, zoodat we nog van geluk konden spreken.

De kampong Lepo Maoet ligt op een hoogen, steilen oever aan de linkerzijde van de Bahau. Het geheel ziet er vuil uit, alleen het huis van den gastvrijen Toebang Djaloeng of Taman Soelau ziet er behoorlijk uit en is nieuw gebouwd. De awa is geheel versierd met kenjasche motieven met een prachtig bewerkte deur; ook de wanden van de lamin zijn geheel versierd, iets wat ik nergens anders aantrof. De vorst ontving me met zijn zoon Oesat Djaloeng, een man van middelbaren leeftijd; de oude heer had er slag van europeanen te ontvangen, hetgeen me later begrijpelijk werd, toen ik vernam, dat hij indertijd drie jaar dwangarbeid had ondergaan wegens eene snelpartij; zelfs was hij als zoodanig op Java en Nieuw-Guinee geweest en was dus een bereisd man.

We noemden Taman Soelau oud; den juisten leeftijd echter weet een dajak nooit op te geven, om de eenvoudige reden, dat hij daarmede geen rekening houdt. Toch kan dit met mannen van zijn leeftijd vrij nauwkeurig bepaald worden, omdat men dan slechts heeft te vragen, hoe oud hij ongeveer was bij de uitbarsting der Krakatau, die alle oudere menschen in Oost-Borneo zich nog herinneren. Daar Taman Soelau aangaf, dat hij toen ongeveer 20 jaar was--hij wees op iemand van dien leeftijd--kon ik daaruit opmaken, dat hij nu ongeveer 60 jaar moest tellen.

Ook hier moest nog eene verzoening plaats vinden, aangezien onder mijn roeiers zich eenige Ma Alims bevonden. Nog steeds bleek de vrees voor deze lieden zeer groot te zijn en zij waagden het niet meer benedenstrooms zich te vestigen, omdat Lian Toeran het verbood, aangezien dit zijn velden en jachtterreinen waren. Aan vrees voor Hebans leed men hier niet, omdat ze nooit zoo aan vexaties hebben blootgestaan als de menschen in het boven Mahakamgebied, daar de stammen in Noord Serawak zachtzinniger van aard schijnen te zijn.

Een specialiteit van het Lepo Maoetgebied is de toedan of rondedans met zang voor jonge meisjes; dit geschiedt alleen bij maanlicht. Daartoe vormen op een open plek een 10 of 12, of hoeveel meisjes mee willen doen, een kring, en loopen in cadans, elkaar bij de hand houdend en de armen rhythmisch op de maat van den zang opheffend en neerzwaaiend, in het rond. Een hunner bezingt daarbij in korte strofen den een of anderen nationalen held, terwijl de anderen daarbij het refrein meezingen. Behalve echter de dooden, worden ook de levenden bezongen en hun deugden opgesomd, zooals de hoofden of den een of ander, die op snel- of handelstocht zich zeer verdienstelijk heeft gemaakt. Tijdens het dansen der meisjes zitten de jongelui in de voorgalerij of buiten om haar heen te luisteren, de zangeres aanmoedigend met hun uitroepen of door het meezingen van het refrein.

Het slot is, dat na afloop van de toedan de jongelui zich ieder uit deze meisjes degene kiest, die hem het meest bekoort en haar met zich voert naar een der z.g. vrijhuisjes: loemboeng of oema kalò geheeten, kleine vierkante huisjes op ongeveer vier meter hooge palen, alwaar de minnende paartjes den nacht doorbrengen, een z.g. "Probe-ehe", waarna bijna steeds een huwelijk volgt. Wordt het meisje echter zwanger, zonder dat de jonge man haar huwt, dan wordt ze aan schande prijsgegeven. In de kampong mag ze niet baren, maar geheel aan zichzelf overgelaten, doet ze dit in het bosch. Komt ze later terug, dan is haar verblijf voorloopig bij de zwijnen onder het huis, terwijl ieder in de kampong haar mag bespuwen als afschrikwekkend voorbeeld.

Over het algemeen vindt men in Poedjoengan en Lepo Maoet zwakkere menschen dan in Apo Kajan. Komen hier sterke, forsche figuren voor, ginds zijn ze zeldzamer. Vooral de vrouwen en kinderen maken een pooveren indruk; de vrouwen bloedarmoedig, flets en met sombere trekken, de kinderen mager, spichtig en ondervoed. De malaria, die hier en daar vrij veelvuldig schijnt voort te komen, zal hieraan wel schuld hebben. Ook de vuilheid treedt hier meer op den voorgrond, zoodat het niet te verwonderen valt, dat de dajak in dit milieu geen gunstigen indruk maakt.

Eene eigenaardige verschijning hier was een vrouw-man; man zijnde, was hij geheel gekleed in vrouwenkleeren. Met vrouwen laat hij zich niet in, maar tracht alleen zich bij mannen in te dringen; zijn stem was als van een vrouw en hij vroeg ook om naalden en niet om voorwerpen, die mannen gewoonlijk plegen te vragen. Het is het eenige wezen van dien aard, dat ik onder de dajaks zag, hoewel er meerderen schijnen voor te komen, ook elders in den archipel.