Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving

Part 8

Chapter 83,904 wordsPublic domain

Wanneer iemand grootvader of grootmoeder wordt, komt voor den naam het voorvoegsel "pa" te staan, b.v. Pa Ingan, samengetrokken tot Pingan. Zoo heette de vader van Taman Kila, Pingan Sorang na de geboorte van zijn kleinzoon Ingan. Vooral bij sterfgevallen vindt naamsverandering plaats. Zoo noemt bij den dood van haar man de weduwe zich Baloe, terwijl de zoons Oejau en de dochters Oetan gaan heeten. Sterft de vrouw, dan heet de man Amban en de kinderen Aing. Bij overlijden van den eersten zoon of dochter heeten de ouders Oejoeng, de broers en zusters Abing; van den tweeden zoon of dochter, de vader Boei, de moeder Boejoe, de broers en zusters Anda; van den derden zoon of dochter, de vader Mawa, de moeder Bajei, de broers en zusters eveneens Bajei; van den 4en zoon of dochter respectievelijk Sawang, Linang en Linang enz. Tot en met het 10e kind ongeveer is dit geregeld; op meerdere nakomelingen wordt blijkbaar niet gerekend.

Ook schoonzoons en schoondochters, kleinzoons en kleindochters veranderen van naam, terwijl weer andere in gebruik zijn voor lieden, die vermoord zijn of op het slagveld sneuvelden. Zoo heet eene vrouw, nadat haar man vermoord is, Baloe Mesang of Baloe Sagan.

Bij het vertrek van Lepoe Tepoe Iwan bandjirde de rivier hevig; met veel moeite bereikten we dan ook na een paar uur Ma Lisan, een vuil uitziende kampong. Daar het water echter te veel gevaar opleverde, besloten we toch maar hier te blijven. Den volgenden dag was het water wel vrij wat gezakt, maar toch bandjirde het nog flink. We zouden dus dezen dag slechts varen tot de Soengei Pasah, aan den voet van de versnellingen, als eerste de kiham Nawang. Hoewel het dien nacht niet regende, bleek de rivier den volgenden morgen toch gestegen te zijn. We hadden er echter niet veel zin in om op die eenzame plaats te blijven liggen, zoodat het hoofd mij aanried de goederen alvast boven de versnellingen te brengen en dan te trachten met de ledige prauwen naar boven te gaan. Dit voorstel werd natuurlijk met beide handen aangenomen. Dien dag konden we echter niet meer klaar komen met het overbrengen der goederen, zoodat ik eerst den volgenden dag met de rest daarvan zou komen, welke wandeling twee uur duurde. Hadden we met den tocht voorloopig niet veel succes en vorderden we niet vlug, eenige afwisseling gaf de jacht. Het was een vroolijk gezicht al deze met speren gewapende dajaks te zien met de daartusschen lustig heen en weer springende honden, van welke enkele in het terrein zich bevonden. Plotseling werd door de dieren een of ander stuk wild, varken of hert, gesignaleerd. Onmiddellijk werden de goederen neergeworpen en verdwenen mijn dragers als een pijl uit den boog in de aangegeven richting het bosch in, mij alleen achterlatend. Daar het strijdperk echter niet ver verwijderd scheen, liep ik ook door in de aangegeven richting en was ik zoodoende getuige van een schitterend jachttafreel. Een schoon hert, opgejaagd eerst, werd later tot stilstaan gebracht door de wilde honden, die geheel buiten zich zelve waren, een lansstoot echter miste, van welke gelegenheid het edele dier gebruik maakte om te ontvluchten en zijn leven te redden, een klein riviertje overzwemmend.

Hadden we dus niet veel succes, onze achterhoede was later op den dag voorspoediger en bemachtigde een hert en een zwijn, zoodat 's avonds allen vergenoegd bivakkeerden, vroolijk tot in den nacht de gebeurtenissen van de laatste dagen bezingend. Toen ik onder dit gewoel door vroolijk een liedje begon te fluiten, verzocht een der ouderen mij vriendelijk, maar ernstig, dit na te laten, wijl ik daarmede de geesten, bali, opriep. Men was hoogelijk bevreesd daarvoor, zoodat ik er dan ook dadelijk mee ophield, daar ik de goede stemming niet wilde bederven.

Een aangename afwisseling bracht verder nog het bezoek van 4 Poenan dajaks, die op weg waren naar Lepoe Tepoe om tabak te halen. Deze Poenans zijn echte zwervers; geen maand om zoo te zeggen wonen ze op dezelfde plaats. Zij werden voor mij gebracht, zeer beangst en verlegen; ze durfden mij eerst niet aanzien, gingen gehurkt met den rug naar mij toe zitten en lieten al gauw vragen of ze weer weg mochten gaan. Ik stelde er echter prijs op nader met hen kennis te maken, daar zij tot den stam der Poenan Boesang behoorden, over wie mij het hoofd van Lepoe Tepoe had gesproken en wier kampong wij zouden trachten te bezoeken. Om hen gerust te stellen, gaf ik hun dus wat rijst en zout en deelde tevens mede, dat ik hun kampong zou bezoeken. De Poenans spreken een eigen taaltje, al verstaan ze ook een weinig Kenjasch. Sterk dragen ze de kenteekenen van hun woudleven, een fletse kleur en een intensieve vervuiling: ze hadden veel ringworm, welke stukgekrabd, verzweringen veroorzaakte; mijn roeiers maakten bij hen vergeleken een zeer geciviliseerden indruk. Wel droegen de Poenans schoone tatoueeringen, vooral op de dijen.

Ten gevolge van aanhoudenden regen gedurende den nacht, bleek het water den volgenden morgen heel wat gestegen te zijn. Ook den volgenden dag bleef dit zoo, zoodat we er reeds over dachten--de rivier had volgens mededeelingen reeds eenige weken aldoor gebandjird--over land verder te gaan, daar het eindpunt van onzen prauwentocht--de Tagaharoek Soeën--naar schatting niet meer dan 10 à 15 K.M. verwijderd was en wij er niet veel voor gevoelden hier meerdere dagen opgesloten te zitten, al ontveinsden we ons niet, dat de landtocht zeer vele moeilijkheden zou veroorzaken. Gelukkig was dit echter niet noodig, want den volgenden morgen was het water flink zakkende en al was het verre van mooi, we konden het toch wel wagen. We voeren tot 's middags 3 uur door, toen een geweldige regenbui ons overviel, juist op een behoorlijke bivakplaats, Tepoeroeng Ledjau. De rivier blijft hier voortdurend vrij breed en hoewel de radja van Lepoe Tepoe--hij vergezelde ons op onzen tocht--had medegedeeld, dat we vóór Soeën zes kihams hadden te passeeren, waren we er 's middags al drie voorbij, voordat we het wisten. Ongewoon als hij was met europeanen om te gaan, was hij overdreven bang, dat mij iets zou overkomen, Daar komt bij, dat de Iwanmenschen geen echte kihamvaarders zijn. Er wordt wel eens gedacht, dat alle dajaks geschikt zijn als roeiers; niets is minder waar dan dat; men heeft wel degelijk uit bepaalde stammen te kiezen. Deze menschen durfde ik dan ook niet verder mede te nemen dan Poedjoengan; voor de Bahau op weg naar Lepo Maoet waren ze beslist ongeschikt.

Onder een kouden, dikken mist verlieten we den volgenden morgen vroeg ons bivak; men zou een oogenblik gezworen hebben in Holland te vertoeven; dit is steeds echter van korten duur en een dergelijke koude is meestal de voorbode van een snikheeten dag. We kregen al spoedig een paar naha's (grintbanken) te passeeren, welke echter geen moeilijkheden veroorzaakten. De Iwan is eigenlijk vrij van kihams; hierna werd de waterspiegel zóó effen en gelijkmatig, dat men zich aan de monding van de Kajan gewaand zou hebben, tot welk begrip ook bijdroegen de dichtbegroeide, modderige oevers, waar overheen dikke boomstammen met hun kruinen wuifden. Rustig lieten we ons dan ook wederom voortwiegelen, beschermd door het bladerendak. Eén oogenblik schrokken wij op, toen vlak bij onze prauw een bijawak, door niemand gezien, zich, op het hooren van onze roeiriemen plotseling opgeschrikt, van af een hoogen boom met een forschen plons in het water wierp.

's Avonds hadden we geen aangenaam bivak, vochtig, dichtbegroeid, moeilijk te bereiken, terwijl we door millioenen aga's werden geplaagd, Toch was de doodsche stilte van het bosch, fantastisch door de maan beschenen, indrukwekkend. Alleen krekels met hun snerpend geluid, die steeds het uur van den naderenden avond aankondigen, brachten afwisseling hierin. Rustig gingen we slapen, in de hoop morgen de Tagaharoek Soeën te bereiken, hetgeen inderdaad den volgenden dag ook gelukte. De Soeën is een klein, onbevaarbaar riviertje, dat zich bij het punt van ons bivak stort in de Iwan, die met een rechten hoek zich verder links ombuigt. Het lag in mijn bedoeling reeds den volgenden morgen dragers vooruit te zenden met een gedeelte mijner goederen, die tevens een rintisan (boschpad) zouden maken, daar de weg zelden begaan werd en zich dus vele hindernissen zouden voordoen. Terwijl zij daarmede bezig waren, had ik een schoone gelegenheid een bezoek te brengen aan de Poenans, die een weinig den Iwan stroomopwaarts, in het bosch woonden. Toen ik dan ook 's morgens mijn goederen had verdeeld, begaf ik mij per prauw met den radja van Lepoe Tepoe, vier roeiers en een tolk op weg naar de lepau der Poenan Boesang.

Hoewel deze onder bedoelden vorst ressorteeren, wist hij niet, waar ze zich toen ophielden. Het was reeds maanden geleden, dat hij ze voor het laatst bezocht. Reeds na enkele minuten verlieten we de Iwan om de zijrivier Kian op te varen. Een uur ongeveer moesten we in de prauwen zitten, toen we ons aan wal begaven. Het pad was verre van mooi en meerdere malen moesten we door het water waden. Na korten tijd bereikten we de plaats, waar de radja dacht, dat zijn onderhoorigen zaten; maar alles was verlaten. Meest verhuizen ze eens in de maand; bij sterfgeval of ernstige ziekte in de kampong is verhuizen zelfs verplichtend en ze bleken later zeer verwonderd te zijn, dat hollanders en maleiers dat niet doen.

Ook een tweede plaats vonden we geheel leeg, maar eindelijk werd onze moeite beloond en vonden we na 1 1/2 uur--steeds hun spoor volgend--de lepau Poenan. Zeer moeilijk was deze te benaderen; niet alleen was de omtrek van het dorp over een afstand van 50 M. ongeveer versperd met omgevallen boomen, maar bovendien met een dichte heg, slechts hier en daar voorzien van enkele lage en smalle poortjes, waardoor ik mij op handen en voeten slechts met de grootste moeite kon heenwerken. De Poenans--vooral in afgelegen streken--zijn zeer bang en deze versperringen dienen om de menschen 's nachts tegen overvallen te waarschuwen; een gedeelte van hen brengt den nacht altijd wakende door om onmiddellijk gereed te zijn. Bij het minste geritsel gaan ze op onderzoek uit of wapenen ze zich. Het moet trouwens heel lastig zijn ongemerkt binnen te komen, daar de dorre bladeren veel geraas veroorzaken. Heeft men zich met moeite door een dezer poortjes heengewerkt, dan bevindt men zich voor een gewirwar van hutjes, zonder eenig systeem gebouwd, zoodat het de grootste moeite kost van de eene hut in de andere te komen. Zoo'n huisje bestaat uit twee stijlen--nauwelijks manshoogte--met een dak, dat aan de andere zijde op den grond rust. De bedekking bestaat slechts uit droge bladeren. In deze kleine ruimte--de wanden zijn ongeveer twee meter breed--woont de geheele familie kris en kras door elkaar; hier slaapt men, hier kookt men, hier baart de vrouw haar kinderen.

Mijn komst verwekte--zooals te begrijpen--heel wat opschudding. De 4 Poenans, die ik vroeger ontmoette, waren nog niet thuis, zoodat ze van mijn komst niets hadden afgeweten. Dadelijk werd ik naar het huis van den vorst, Lidjong, geleid, die niet thuis was, maar mij later in mijn bivak een bezoek kwam brengen. Zijn huis onderscheidde zich in niets van dat der anderen en zonder aanwijzing zou dit niet te vinden zijn geweest.

Evenals velen zijner stamgenooten, maakt Lidjong een gunstigen indruk. Vele jonge vrouwen hebben, ook volgens onze begrippen, mooigevormde gelaatstrekken. Eigenaardig is, dat vele Poenans een beslist chineesch type vertoonen, hetgeen ze met andere dajakstammen, vooral Kenja's, gemeen hebben; mijns inziens treedt dit echter het meest op den voorgrond bij de primitieve stammen, zooals Poenans en Sabans.

Naar hetgeen we van hun huizen gezien hebben, behoeft het wel geen betoog, dat deze lieden ook overigens eenvoudig leven; als lichaamsbedekking gebruiken ze een boomschors lendenschort, terwijl ze zich slechts voeden met wat sago en wat verder de jacht en vischvangst opleveren.

Ze maken een eenigszins schuwen en verlegen indruk en het bosch- en nomadenleven is hun sterk aan te zien. Ze zien er over het algemeen vuil en bleek uit, deels tengevolge van hun leven in de bosschen, deels misschien tengevolge van bloedarmoede. Dajaks in het algemeen en Poenans in het bijzonder hebben een vrij blanke kleur, hetgeen vooral bij zeer jonge kinderen het geval is.

Over het algemeen vertoonen ze sombere trekken, getuigend van armoede en ontbering; op mijn vraag of ze niet liever in een kampong woonden als de andere dajaks, antwoordden ze ontkennend; ze waren dit nu eenmaal gewend; toch is het een droevig bestaan, al was ik gelukkig, dat ik door eenige kleine geschenken een glimlach op hun gelaat kon tooveren en eenige oogenblikken van blijdschap kon bereiden.

Een eigenaardige verschijning in de kampong was een jong meisje met rood haar, terwijl haar ouders, die ik ook ontmoette, beiden zwart van haar waren. Nergens anders trof ik dit aan.

De tatoueeringen van de Poenans zijn schoon en sierlijk; vooral die op het dijbeen aangebracht, vertoonen fraaie krullen, die werkelijk kunstig zijn. Ook kleinere versieringen zijn aangebracht op bovenarm, borst en hals; bij de vrouwen voornamelijk op den arm, een breede band om den pols en smallere banden tot den elleboog reikend.

De Poenans leven slechts in kleine troepen bijeen en men zegt, dat zij aan het uitsterven zijn. Zij maken zich verdienstelijk, behalve door het leveren van bosch- en jachtproducten door het maken van matten en het dresseeren van honden. Wegens hun bekendheid met de bosschen zijn zij echter bovenal bruikbaar als gidsen en geen troep dajaks gaat op sneltocht of bij hen bevinden zich eenige Poenans. Zij kunnen ook het beste met de blaaspijp omgaan, een kunst, die bij de landbouwende stammen bijna geheel is verloren gegaan.

Nadat het onderhoofd mij uitgenoodigd had den nacht in zijn kampong door te brengen, waarvoor ik echter moest bedanken en nadat hij zijn verontschuldigingen had aangeboden, dat hij mij niets anders kon aanbieden dan wat sago en eenige vogelveeren, welke ik gaarne aannam, vingen we den terugtocht weder aan, daar we den volgenden dag de voetreis zouden aanvangen om dan na eenige dagen Poedjoengan te bereiken.

Het eerste punt, waar we bivak maakten, heet Sawah. Dit weggedeelte vordert 4 uur loopens en is niet zwaar. Eén gedeelte is vrij lastig, n.l. daar, waar men zich boven een afgrond op de helling van een berg korten tijd langs een smal paadje heeft te bewegen, waar de voet nauwelijks kan staan. Mijn reisjongen verloor hier bijna het leven, doordat het pad gedeeltelijk in den afgrond verdween; gelukkig wist hij zich aan de wortels van een boom te redden: hij had anders een wissen dood in den onder ons bruisenden waterval gevonden. De Soeën passeert men ettelijke malen, waarbij we bij den toenmaligen waterstand meermalen tot aan de knieën door het water gingen. Ten slotte komt men aan de Soengei Oebi, in welks bedding men nog ongeveer een uur voortwandelt om daarna Sawah te bereiken. Erg gerust voelden de dajaks zich in deze eenzame gebieden niet en meermalen wezen ze punten aan, waar dajaks waren gesneld door de moordlustige Hebans.

Het volgende traject bracht ons bij de monding van de Bakoengrivier. Dit gedeelte was veel zwaarder met veel grooter terreinverheffingen en vorderde bijna 6 uur; gelukkig echter konden we grootendeels dalen; van Poedjoengan uit echter moet deze tocht vrij zwaar zijn. We kwamen langs enkele verlaten Poenanvestigingen en vindplaatsen van zout. In deze verafgelegen gebieden zoekt de mensch zelf zijn zout; in ronde stangen aangemaakt, vies en vuil, ter lengte van een halven meter ongeveer, wordt het voor gebruik gereed gemaakt.

Zoo naderden we reeds Poedjoengan, het gebied van den beruchten moordenaar Lian Toeran. Erg gerust voelden de Lepoe Tepoeërs zich niet; hun vrees voor de Ma Alims kwam opnieuw boven, te meer daar ze eigenlijk nooit officieel met dezen stam zich hadden verzoend. Ze vroegen mij daarom, alvorens verder te gaan, eene adats-plechtigheid te mogen verrichten; vooral de ouderen onder hen drongen er op aan, daar hun zonder deze plechtigheid zeker rampen zouden overkomen. Gaarne stemde ik er dus in toe. Ieder der aanwezigen plantte in den grond een stok, aan welks uiteinde allerlei krulversieringen waren aangebracht. Onder het aanroepen van de geesten werden eenige formules uitgesproken, waarbij de hoop werd geuit, dat hun geen moeilijkheden in den weg zouden staan en dat de toean Long Kajan hun behulpzaam zou zijn bij het tot stand brengen van een vriendschappelijke verhouding tusschen hen en de Ma Alims. Heel plechtig ging het overigens niet toe, en toen mijn jongen, blijkbaar uit dankbaarheid voor zijne redding, na afloop ook een stammetje inplantte en eenige onverstaanbare woorden mompelde, verwekte dit groote hilariteit.

Nadat we nog één dag te Long Bakoeng verbleven hadden, voor het inwachten der resteerende goederen en tevens om de verschillende natte kleederen en andere voorwerpen te drogen, terwijl bovendien de radja van Lepoe Tepoe ziek was en velen voetenverzorging noodig hadden door verwondingen en patjetbeeten (bloedzuigers), trokken we den volgenden dag verder, staken een zijtak der Poedjoenganrivier over, hetgeen zonder prauwen kon geschieden, en gingen ongeveer 2 uur voorbij deze rivier in bivak.

's Nachts kregen we een regenbui, die den geheelen nacht aanhield. Een plotselinge geweldige donderbui bracht het geheele kamp in beroering. Als één man vlogen allen op van hun slaapplaatsen, gewapend met schild en mandau, een geweldig strijdgehuil aanheffend. Door het bivakvuur verlicht, gaf dit een fantastisch schouwspel. Vermoedelijk waren ze in de veronderstelling, dat een troep Hebans ons had overvallen of dat de Ma Alims wederom hun moordlust wilden botvieren. Toen ze echter zagen, dat er niets bijzonders gebeurd was, kwamen ze spoedig tot rust.

Zoo eindigde de 31ste December 1917! Het was wel een bijzondere oudejaarsavond.....

IN POEDJOENGAN EN LEPO MAOET.

Neen, ik geloof niet dat het in Oost-Borneo ergens typischer is dan hier in Poedjoengan. Zagen we reeds, dat Apo Kajan verschilde van het boven Mahakamgebied, veel onderscheid was er ten slotte niet, doordat beide gebieden veel gemeen en iets eentonigs hebben door de gelijkmatigheid. Ook met Poedjoengan en in nog sterker mate het Lepo Maoetgebied--de naam Vuilland zegt reeds genoeg--zou dit het geval zijn, als niet alles hier ècht was, wild, ruw, schots en scheef dooreengeworpen. Hier gevoelt men zich te bevinden in gebieden, waar de snellers zich thuis moeten gevoelen; hier hooge, steile bergen met prachtige schuilplaatsen om vandaar uit op sluwe wijze de giftige pijltjes te kunnen richten, door niemand gezien, door niemand gestraft. Hier kon men dagen en dagen rondzwerven, zonder dat iemand het wist; hier moest de bakermat liggen van iemand, die door ruw optreden alom angst en vreeze moest verwekken en het geheele gebied zou beheerschen tot in de uiterste schuilhoeken. Angstig trok de dajak zich terug in zijn ongenaakbare schuilplaatsen, allen verspreid, zonder verband en door angst alleen reeds machteloos. Hier zou Lian Toeran nog jaren lang hebben kunnen heerschen, ware niet de Kompenie tusschenbeide gekomen, Lian Toeran, dien men zelfs nog in Apo Kajan vreesde tot voor korten tijd en dien men in Lepo Maoet thans nog vreest.

Waren niet vele Kenja's, uit vrees voor hem naar Apo Kajan uitgeweken? Waren niet verschillende Lepo Maoethoofden gevlucht naar het boven Mentarang gebied in de Tidoengsche landen, zoodat ten slotte een dunne bevolking overbleef?

Was hij het niet, die alles te vuur en te zwaard vernietigde bij den minsten tegenstand? Brandde hij niet de kampong van het tegenwoordige Lepo Maoethoofd Oesat Biloeng, Njiboeng, tot driemalen af? En roofde hij niet de schoonste vrouwen om die tot slavinnen te maken en de sterkste mannen tot slaven, omdat het Njiboenghoofd den fieren nek niet voor hem wilde buigen? Doolde hij ook in andere streken niet rond als een moderne Maarten van Rossum, zoo iemand het waagde zich tegen hem te verzetten en niet toegaf aan zijn afpersingen? Zoo ergens, dan is het hier bewaarheid, dat de brutale onder de dajaks heel dajakland regeert. De edelman, die werkelijk een persoonlijkheid is, kan zeker zijn van macht en grooten aanhang, ook al is hij niet altijd de oudste zoon van den vorigen vorst. Die kunst verstond Lian Toeran en heeft die te zijnen nutte aangewend.

Thans echter is dit alles voorbij. Kort nadat ik hem den laatsten keer ontmoette, is hij gestorven, nadat hij zich reeds gedurende korten tijd op zijn velden had teruggetrokken en zich niet veel meer met de zaken bemoeide. Mokkend tegen het gouvernement--inmenging in zijn zaken was hem een gruwel--is hij in stilte heengegaan, als zijn laatsten wil te kennen gevend, dat hij niet in de aloude graven zijner vaderen, de holen in de hooge bergen bij Ma Alim, begraven wilde worden. Oude, bijgeloovige dajak als hij ten slotte was, durfde hij uit schaamte niet bij zijn voorvaderen te komen, daar hij voorzag, dat het na zijn dood de grootste moeite zou kosten eenige schedels voor hem machtig te worden, die hem tot helpers in het Apo Kesio moesten dienen. Hij is heengegaan en begraven in een eenvoudig graf niet ver van zijn velden verwijderd, maar zeker met de opdracht aan zijn kinderen, hem naar de aloude "lobang batoe", de holengraven dicht bij den hemel te brengen, zoodra hij zonder schaamte zich bij zijn vaderen kon voegen.

Algemeen was dan ook de verwachting, dat er thans door zijn zonen een groote sneltocht op touw gezet zou worden en was het dus voor mij noodig, hun er van te voren op te wijzen, dat hun dit duur te staan zou komen en zij daartegen hadden te waken. De oude dajakjonker had dit alles voorzien en wilde voorloopig in allen eenvoud begraven worden. Is het wonder, dat hij de Kompenie, de bewerker van dit alles, haatte; de Kompenie, die nadat hij zoo langen tijd lustig had kunnen rooven en moorden, hem nu alles verbood?

Evenals in Apo Kajan behooren de dajaks in deze gebieden tot den grooten Kenjastam; echter zijn de laatsten primitiever gebleven dan de eersten, hetgeen vooral uitkomt bij de Sabans in het boven Bahaugebied, welke geen hoogeren trap van beschaving hebben dan die, welke staat tusschen den gewonen Kenja en een Poenan, een soort tusschenman dus, hetgeen zijn grond wel zal vinden in de afgelegen woonplaatsen dezer menschen; plaatsen, waar ze zoolang hun heugenis reikt hebben gewoond.

In Poedjoengan wonen enkele stammen, van welke de Ma Alims verreweg de meest krachtige zijn, de andere min of meer onderhoorig. De bewoners van de kampong Poea, dicht bij Ma Alim, worden meestal tot de Ma Alim gerekend, maar vormen eigenlijk een afzonderlijk stammetje. Zij zijn het, die beweren altijd in deze gebieden gewoond te hebben en kunnen dus als de autochthonen beschouwd worden, maar door indringers, sterker dan zij zijn ze overvleugeld en vervullen thans dan ook een zeer ondergeschikte rol.

Tegenover de kampong Poea verheft zich de kalkrots Batoe Majoe, die van verre duidelijk zichtbaar is. Een merkwaardige legende verhaalt, hoe daarop een Poeanees en zijn meisje een vrijwilligen hongerdood stierven. De ouders van het meisje n.l. wilden hun toestemming tot het huwelijk niet geven, wijl zij haar voor iemand anders hadden bestemd. Daarop verborgen beiden zich op een onder den top der Batoe Majoe bevindend, slechts per rotan bereikbaar steenvlak, en weigerden na ontdekking de plaats te verlaten en later de neergelaten spijs en drank.

In Lepo Maoet treffen we enkele Kenjastammen aan, tusschen welke geen hechte band bestaat, maar die ieder hun eigen leven leven. Van de Njiboengers is hoofd Oesat Biloeng, een flinke dajak en zoon van het voormalige hoofd, den krachtigen Biloeng Erang, den grooten tegenstander van Lian Toeran.

De afzonderlijk staande Sabans--ongeveer 300 in getal--wonen in verschillende kleine kampongs verspreid, welke ieder niet meer dan 30 à 50 zielen tellen.