Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving

Part 7

Chapter 73,881 wordsPublic domain

Toen we de kampong Oema Toekoeng naderden, had ik het gevoel in een onbekend gebied te komen; vrouwen en kinderen, die mij bij een bocht van den weg niet ver van de kampong ontmoetten, vluchtten in allerijl. Blijkbaar wisten deze niets van mijn komst af. De weg voerde langs een kerkhof met vele graven, ruw bewerkt, bestaande uit vier palen, slordig met bladeren ingedekt; één slechts was zorgvuldiger bewerkt, al deed het komisch aan als buitengewone versiering daarop aan te treffen een reclameplaat van Justus van Maurik's sigaren. Onze schrijver werd zoo wel op zeer ongewone wijze vereerd!

De kampong is groot, maar schots en scheef door elkaar gebouwd. Het hoofd Pelakau Lindjau ontving mij vriendelijk en eenvoudig, daar hij niet van mijn komst had afgeweten. Het was geen gewoonte, dat zijn kampong als niet aan de groote rivier liggend, werd bezocht, hetgeen niet wegnam, dat hij er buitengewoon mede ingenomen was. De belangstelling was dan ook groot en ik was niet weinig verbaasd, toen de vorst na eenigen tijd mij vroeg mijn bovenlijf te ontblooten, daar de vrouwen gaarne wilden zien of ik geheel en al wit was! Men bood verontschuldigingen aan, dat mij weinig kon worden aangeboden, omdat de tijden niet gunstig waren, maar ze wilden gaarne een varken slachten te mijner eere, waarvoor ik echter vriendelijk bedankte, daar ik met eenige eieren genoegen zou nemen. Ook zelf had ik niet veel aan te bieden, daar bijna al mijn goederen waren doorgezonden naar Long Nawang, zoodat ik de vorstin slechts een zakspiegeltje met kam en het hoofd wat tabak kon aanbieden.

Dit geven van geschenken, het z.g. "selawa", is een beleefdheidsvorm, welke dan ook in iedere kampong plaats vond.

Den volgenden dag zouden we naar Oema Bakoeng vertrekken. Deze tocht duurt ongeveer 3 uur en de weg is niet bijzonder zwaar, ten minste niet volgens dajaksche opvattingen; hij voert ook hier langs schoone ladangs en vischvijvers. Op een der rijstvelden sloeg bij onze nadering de vrouwen de schrik om het hart; ze begrepen blijkbaar niet, wat een europeaan hier deed en in allerijl zouden ze weggevlucht zijn, hadden niet mijn begeleiders haar toegeroepen, dat we sabillah (vrienden) waren. Toch waren ze niet eerder gerust dan nadat we teboe (suikerriet) met haar hadden gegeten als teeken, dat we inderdaad geen kwade bedoelingen hadden.

Dicht bij de kampong werd de grond geel van kleur, een bewijs dat deze niet zoo goed is, maar tevens een bewijs, dat de goede gronden in die buurten uitgeput raakten. Tusschen de verschillende kampongcomplexen waren teekens aangebracht, de grenzen aangevende. De eene kampong werkt niet in het gebied van den andere, al gebeurt het soms wel, dat er kwesties over ontstaan.

Op weg naar deze kampong hadden we weer verschillende hangbruggen, oogenschijnlijk niet alle van goede constructie, te passeeren gehad. Met zooveel zelfbeheersching als in mij was, ging ik over de hevig schuddende verbindingen. Sommige waren 20 à 30 M. lang. Bij den ingang van de kampong was er ook eene, die niet gemakkelijk te nemen was, zoodat mijn binnenkomst niet erg indrukwekkend kon genoemd worden en de vrouwen en kinderen dan ook niet konden nalaten hartelijk te lachen.

Ma Bakoeng ligt aan de Soengei Tegeh, een zijtak van de Moeara Anji. Daar de Tegeh niet bevaarbaar is, liggen de kampongprauwen dan ook aan de Anji, zoodat men eerst daarheen heeft te loopen, alvorens van de prauwen te kunnen gebruik maken. Ik trof het in zooverre niet, dat juist dien morgen alle prauwen naar Long Nawang waren gezonden om rijst daarheen te brengen. Maar daarover maakten we ons maar niet ongerust; ook dat zou wel in orde komen. Er lag slechts een oud prauwtje, deelde men mij mede; als dit in orde gemaakt werd, zou ik daarmede eventueel wel den tocht naar Long Nawang kunnen maken. Na een marsch van 1 1/2 uur, welke niet zwaar was, bereikten we dan ook het punt, waar de prauwen gewoonlijk liggen. We vonden inderdaad bedoelde prauw, maar mooi zag die er niet uit, de boorden waren vernield hier en daar en roeiriemen waren er in het geheel niet. Het was echter verwonderlijk hoe snel mijn dajaks een en ander in orde maakten; het was een lust om te zien en na 1 1/2 uur ongeveer was de prauw bruikbaar. Zoo togen we dus op weg. De Anji is prettig te bevaren, we gingen snel vooruit en niet lang daarna bereikten we de breede Kajan, welke we nog twee uur afvoeren om daarna het lieflijk gelegen Long Nawang te bereiken. Aan de eene zijde der rivier ligt de Kenja kampong, aan de overzijde de militaire vestiging. Den 16en October van Long Iram vertrokken, bereikten we den 3en December Long Nawang, dat is juist 49 dagen over een afstand van ongeveer 250 K.M. hemelsbreed; maar een Apo Kajanreis doet men maar ééns in zijn leven! De militaire transporten doen er op zijn minst 35 à 40 dagen over; het is ééns gebeurd, dat dit zelfs 96 dagen duurde. Men overdrijft niet als men spreekt van afgelegen oorden en het heeft dan ook niet aan pogingen ontbroken om een gunstiger weg te zoeken voor den opvoer van vivres, hetgeen thans schatten verslindt. Wat hadden wij den Kenja van Apo Kajan een keurigen weg naar zee kunnen aanbieden, indien wij in 1838 gevolg hadden gegeven aan het verzoek van de inlandsche hoofden van Serawak om onze tusschenkomst!

De gezaghebber van Apo Kajan, kapitein Pimentel, bij uitstek kenner van den dajak uit deze gebieden, ontving mij zeer vriendelijk. Een dag of tien mocht ik in zijn gastvrij huis doorbrengen, van welke gelegenheid ik gretig gebruik maakte om mijn kennis van land en volk te verrijken om deze later door eigen waarneming te verdiepen.

Denzelfden middag nog kwam Taman Kila zijn opwachting bij mij maken. Hij is van zeven kinderen de derde zoon van het vroegere beroemde hoofd Pingan Sorang, is mijns inziens een flinke figuur en door het gouvernement als algemeen hoofd aangesteld.

De dajak van Apo Kajan is onder alle dajakstammen, die ik ontmoette, de meest origineele en flinke. Niet dat hij op een hoogen trap van beschaving staat, maar hij geniet een zekere welvaart, welke merkbaar is in zijn geheele optreden. Vergelijkt men hem met de dajaks uit de Tidoengsche landen en in enkele opzichten ook met de Bahau's van de Mahakam, dan is hij een levendig, frisch type met wie het een genoegen is kennis te maken. Zijn huizen zijn over het algemeen ruim en flink gebouwd, goed geventileerd en verlicht. In de woningen zelf is het over het algemeen zindelijk; onder de woningen echter waar varkens en kippen rondloopen en menschelijke en dierlijke uitwerpselen terechtkomen, laat de reinheid heel dikwijls veel te wenschen over. Ook de afwatering is veelal verre van voldoende, zoodat zelfs na lichte regens talrijke plassen met stilstaand water ontstaan, terwijl van schoonmaken van het kampongterrein verder geen sprake is. In zijn voeding is hij vrij kieskeurig; zijn rijst wascht hij nauwkeurig; hij leeft van plantaardig voedsel, maar ook vleesch versmaadt hij niet. Varkens, herten of visschen zijn zeer geliefd; water drinkt hij uit de rivier; thuis evenwel laat hij dit eenigen tijd in bamboekokers staan, zoodat het bezonken is. Dronk de Bahau van de Mahakam geen gistende dranken, de Kenja is verzot op djakan, een door gisting uit suikerriet of padi verkregen drank, donkerbruin van kleur en van een zoeten, aangenamen smaak, welke eenigszins op dien van portwijn gelijkt.

Het zedelijk karakter van dezen dajak staat mijns inziens hoog; eerlijkheid, kuischheid en huwelijkstrouw zijn eigenschappen, die in hooge mate bij hem worden aangetroffen. Alleen het koppensnellen is een kwaad, dat zonder strenge contrôle, steeds weer den kop zou opsteken. Er zullen nog geslachten en geslachten over moeten heengaan, voordat ze dit uit eigen beweging zullen nalaten.

Het vertrouwen der dajaks in onze geneesmiddelen is over het algemeen zeer groot, hetgeen waarschijnlijk moet worden toegeschreven aan den zeer lagen trap, waarop hun eigen geneeskunst staat. Om daarvan eenigszins een idee te vormen, is het niet ondienstig eenige hunner middelen te vermelden.

De voornaamste geneesmethode is de bezwering: de bedoeling daarbij is de booze, ziekte-aanbrengende geesten te verdrijven. Daarnaast heeft hij een meer directen artsenijschat, maar deze is niet heel groot. Zoo heeft men wel geneesmiddelen tegen de bekende dajaksche schurft (tinea imbricata, cascado), bestaande uit oliën, getrokken uit den bast van bepaalde boomsoorten.

Voor rheumatische aandoeningen kent hij de massage, meer kneden en slaan dan het van andere volken bekende wrijven.

Pijnlijke lichaamsdeelen worden wel gescarificeerd, een soort aderlating dus. Ook bij hevige hoofdpijnen en koortsen wordt dit middel toegepast.

Tegen ontstekingen weet hij weinig raad en dikwijls verergeren ze deze door verontreiniging. Zoo hebben vele dajaks ontstoken oogleden, doordat ze bij het uittrekken van wenkbrauwen en wimpers een zelfde tangetje gebruiken. Maanden en maanden kunnen ze daarmee rondloopen.

Syphilis schijnt niet voor te komen, wel framboesia, al schijnt het verschil tusschen deze ziekten onzen geleerden nog niet recht duidelijk te zijn. Malaria komt voor in bijna alle gebieden, maar Apo Kajan schijnt wel het minst daardoor getroffen. Eigenaardig mag nog heeten, dat de kustplaatsen malariavrij zijn. Meestal wordt gedacht, dat Borneo te dien opzichte een hel is, maar niets is minder waar dan dat. Zelf kwam ik met vrouw en kinderen indertijd zwaar met malaria geïnfecteerd uit de Lampongs, maar op Borneo's kusten zijn we geheel genezen, hetgeen in een dergelijk modderland wel verwonderlijk mag heeten.

In het Poedjoengan- en Lepo Maoetgebied heerscht hevig malaria, zelfs op hooggelegen plaatsen, hetgeen wel met den bodem--Lepo Maoet beteekent vuilland--in verband zal staan. Door langdurige ziekten schijnt zelfs het type van de bevolking in sommige streken geheel gewijzigd te zijn. Kropgezwellen komen vrij veelvuldig voor, minder bij de Bahaus.

Infectieziekten zijn zeldzaam, zooals cholera, typhus, pest, wel de beruchte klem (tetanus), waarvan de bacil meermalen in modderpoelen schijnt voor te komen.

Op chirurgisch gebied staat de dajaksche dajoeng--priester, tevens doekoen--vrijwel machteloos en aan eenigszins groote verwondingen weten ze niets te doen. Wel worden deze met schoon water en een kippeveer eenigszins rein gehouden, doch bloedingen weet men niet te stillen. Bij het doorboren van den glans penis met een palang, welke operatie bij het intreden van de puberteit plaats heeft, verder bij het doorboren van oorschelpen en oorlellen, treedt soms ondanks alle voorzorgsmaatregelen (bv. het te voren bloedledig maken van den penis tusschen een geknikt reepje bamboe) bloeding op, waartegen hij niet veel kan doen.

Is het wonder, dat op dergelijke wijze ernstig onder deze lieden geleden wordt en dat ons hart ineenkrimpt, als we in de kampong in vergeten hoekjes menschelijke wrakken zien liggen aan de ergste pijnen ten prooi en bedekt met afzichtelijke wonden? Is het wonder, dat hij de hulp van den europeaan apprecieert, ook al kan die dikwijls heel weinig doen en is het wonder, dat hij allerlei middelen te baat neemt, die wij belachelijk vinden, maar waartoe hij in zijn eenvoud en tot het uiterste gedreven zijn toevlucht neemt? Enkele zullen vermeld worden, daar ze een goeden kijk geven op het ontwikkelingsniveau van den dajak. Bij flauw vallen wordt de patiënt boven een vuurtje geroosterd, totdat hij weer bijkomt. Tegen rheumatiek besmeert hij zich met sperma; bij sterkere bloedingen van een zwangere vrouw moet zij op een warmen steen zitten; bij bloedingen van wonden wordt fijngesneden haar als bloedstelpend middel gebruikt. Tegen spruw gebruiken ze watertorren, fijngestampt in den mond gegeven. Bij het breken van arm of been hebben ze wel idee van spalkverbanden, al zullen de deelen niet volgens de regelen der kunst gezet worden. Ook goed is het besmeren van kleine verwondingen met sirih-spuw; dit heeft een desinfecteerende en samentrekkende werking. Bij asthma gelooft de dajak dat het eten van een hertenpenis hem verlichting zal geven, bij hardnekkige koortsen het eten van drek van een stekelvarken. Zoo gebruikt hij ook wel tegen zweren het schraapsel, dat een zwijn achterlaat bij het schuren tegen een paal.

Wij beschaafden lachen hierom. Maar gebeuren in de uithoeken van ons ontwikkeld land niet even dwaze dingen? Bosboom-Toussaint vertelt ons in haar: "Huis Lauernesse" hoe de adel ringen aan de vingers droeg, aan welke geheimzinnige kracht werd toegeschreven, hetzij ter versterking van eenig zintuig, hetzij ter verhoeding van kwalen. Gebruikte men niet opaal tegen vergiftiging en smaragd tegen koorts? Er is niets nieuws onder de zon!

Tegenwoordig nog raadt men tegen jicht wel eens aan een jongen hond bij zich te nemen, op wien dan de ziekte overgaat. En herinneren we ons niet, hoe men ter verwijdering van wratten zooveel knoopen in een touwtje had te leggen als men wratten had om dit daarna ergens in huis te begraven; en kon men ook niet een aardappel opeten met zooveel oogen, als men wratten had; kennen wij ook nog geen eenvoudige huismiddeltjes, die niet altijd baten, maar desniettemin zeer in zwang zijn?

We zagen reeds hoe de dajak gesteld is op een nageslacht en het kan ons dus niet verwonderen, dat hij bij het uitblijven van kinderen allerlei middelen te baat neemt. Zoo zal men boven het hoofd van de vrouw het geslachtsdeel van een gedooden rhinoceros houden en daar water doorheen gieten; de man zal een geneesmiddel innemen, getrokken uit een stuk hout, dat in de rivier vastzittend, door den stroom heen en weer wordt bewogen.

Aan den anderen kant is het moeder worden vóór het huwelijk een groote schande, zoodat men bij overtreding dikwijls zijn toevlucht neemt tot vruchtafdrijving.

Bij besmettelijke ziekten zal men voor de kampong allerlei schrikfiguren oprichten, welke moeten dienen om de booze geesten, bewerkers van de ziekte, te verdrijven (zie afb. 13). Soms verbiedt men vreemdelingen in de kampong te komen; zoo gaf men in de Tidoengsche landen dit te kennen door een soort raamwerk, waarover ettelijke pisangschillen hingen. Ten slotte kent de dajak nog een reeks diaetetische voorschriften, welke oorspronkelijk waarschijnlijk als boetedoeningen zijn bedoeld, maar in de praktijk niet veel lager staan dan onze middelen van dien aard en vermoedelijk aan de praktijk zijn ontleend. Zoo zal de dajoeng den patiënt bij koorts verbieden koud water te drinken, zich in koud water te baden en te slapen in de voorgalerij van het huis; eveneens bij diarrhee, terwijl dan alleen het eten van zachte rijst is toegestaan. Bij hoesten mag hij geen keladi, suikerriet en geroosterde kleefrijst eten, terwijl ook het rooken dikwijls verboden wordt. De gewoonte van onthouding zit den dajak zóó in het bloed, dat ze bij elke gelegenheid, dat ze medische hulp ontvangen--op afgelegen plaatsen doen de bestuursambtenaar en zijne vrouw dit--vragen, wat koedoeng is, d.w.z., wat verboden is en welk dieet ze hebben te houden. Men kan er vrij zeker van zijn, dat zij zich daaraan houden, in tegenstelling met maleische volken, die er zich meestal niet veel van aantrekken.

Evenals bij de Bahau's bestaat de maatschappij in Apo Kajan uit verschillende standen en al is ook hier oogenschijnlijk het verschil niet heel groot, toch is dit inderdaad wel het geval. De adellijke partij zijn de parens, een echte Jonkerpartij, die vasthoudt aan adat en haar rechten; hun ambtenaren heeten penggawa's. Daarnaast staat de stand der vrijen (panjin) en onderaan de slaven (oela). Voornamelijk komt het verschil uit bij den dood. Alleen adellijke personen krijgen praalgraven (salongs), vrijen krijgen eenvoudige graven, terwijl slaven geheel afgezonderd van de overigen hun laatste rustplaats krijgen. Bij parens en panjins wordt bovendien nog onderscheid gemaakt tusschen graven van mannen en vrouwen--op de kisten van de eersten staan mannenfiguren, op die der laatsten vrouwenfiguren afgebeeld--voor slaven zijn die zoowel voor mannen als voor vrouwen hetzelfde. Toch heeft de slaaf gedurende zijn leven een menschelijk bestaan; naar schatting zullen er in Apo Kajan nog een 500 zijn; zelf wenschen ze de vrijheid niet, dus is het beter dit instituut zijn eigen dood te doen sterven.

Na nog een tegenbezoek aan Taman Kila gebracht te hebben in zijn nieuw, ruim en met mooi snijwerk voorzien huis en na een hartelijk afscheid van mijn gastheer, verlieten we--Taman Kila zou mij nog een eind weg uitgeleide doen--den 15en December Long Nawang. De rivier behoudt hier overal haar groote breedte en is zeer goed bevaarbaar. Na een half uur varens bereikt men Ma Badang, eigenlijk eene onderhoorigheid van Long Nawang; deze lieden toch zijn ongeveer 10 jaar geleden uit Serawak gekomen van de Apo Paja, een zijrivier van de Serawakrivier, waarschijnlijk deels om familieaangelegenheden, deels om de straffe hand van het engelsche bestuur te ontgaan en hebben zich hier onder de bescherming van de Oema Tau gesteld.

Vervolgens werd de Soengei Kian voorbijgevaren, waar thans eenige vestigingen van de Ma Koelits zich bevinden. Vroeger, tijdens het leven van den grooten Djaloeng Apoei, woonden allen vereenigd in een schitterende kampong aan de Soengei Kian. De menschen leefden gelukkig, totdat de dag des onheils aanbrak. Djaloeng Apoei verborg 7 gedroste dwangarbeiders van zijn stam en toen de bestuursambtenaar Spaan op een dienstreis zijn kampong bezocht en hem daarover ondervroeg, loochende hij dit, zelfs den zwaarsten eed, dien deze dajaks kennen, zwerend, nl. dien op den tijgertand. Kort daarop stierf hij, volgens de bevolking wegens dezen meineed. Maar nog waren de onheilen voor de Ma Koelits niet voorbij; hun voornaamste hoofden werden kort daarna wegens snellen verbannen, met dat gevolg, dat de schoone kampong van weleer spoedig uiteenviel en in verval geraakte.

Bij gebrek aan een flink hoofd wonen ze thans her- en derwaarts verspreid; vooral Aban Lendjau, de zoon van Djaloeng Apoei's zuster zou men gaarne terugzien. Het is jammer, dat de Makoelits, de sympathiekste der Kenjastammen, aldus te gronde moesten gaan. Zij zijn de kunstenaars, de bekwame mandausnijders van Apo Kajan.

Van alle dajaks hebben zij de schoonste tatouage in gebruik. Het tatoueeren (Kenjasch betik, Bahausch tedah) geschiedt meestal door vrouwen; nadat het model (zie afb. 71 en 75 tot en met 79) op het bepaalde lichaamsdeel is ingestempeld, wordt dit daarna met een naald bewerkt, waarmede roetwater onder de huid wordt gebracht. Later krijgt dit de eigenaardige blauwgrijze kleur. Brengen de Bahau's de tatouage meestal aan op bovenhand, pols en voet, bij de Kenja's vindt men dit meermalen op onderarm en bovenbeen, terwijl op het lichaam hier en daar nog naar gelang van den wensch van den persoon verschillende teekens worden aangebracht. Vooral de Makoelitvrouwen hebben prachtig versierde bovenbeenen, welke zichtbaar zijn door de aan de linkerzijde van het lichaam geheel openstaande sarong. Schitterende prenten vindt men van een en ander in het boek van Nieuwenhuis. Zie afb. 29.

's Middags te 3 ure kwamen we te Ma Baka aan; zijn de Ma Koelits bekwame snijders van mandauscheeden, deze munten uit in het bewerken van schoone heften.

Den volgenden dag bereikten we Lepoe Tepoe Iwan, waar we van roeiers moesten verwisselen, die mij naar Poedjoengan zouden brengen. Ik vermoedde reeds, dat dit oponthoud zou veroorzaken, zoodat ik wel gedwongen was, ook op hun dringend verzoek nog een dag te blijven. Voordat ik echter de kampong mocht betreden, moest er aan eene formaliteit voldaan worden om het koedoeng of lali padi van de kampong op te heffen. Door het geven van eenige kralen--die zorgvuldig in een naastbijzijnd huisje werden opgeborgen--, kon ik de tijdelijke vrijstelling koopen; onmiddellijk na mijn vertrek werd dan de kampong weer koedoeng. Soms geldt dit voor de geheele kampong, soms voor enkele huizen, dan weer slechts voor één huis. Het koedoeng padi is het voornaamste; gedurende eenige dagen, soms niet meer dan 5, is de geheele kampong voor vreemdelingen gesloten. Wordt het bovendien echt volgens den adat gehouden, dan is van af het oogenblik dat de padi bijna geplant wordt, dus even vóór het menoegal, tot kort na den padisnit, in elke kampong één huis aangewezen, dat onafgebroken koedoeng heeft, het z.g. "malan oeman". De hoofdbewoner van dit huis leeft gedurende al dien tijd van niets anders dan zacht gekookte rijst. Hij mag zelfs geen zout daarbij gebruiken. Na den snit krijgt hij echter van alle kampongbewoners een draagmand padi, daar veel van den oogstuitslag afhangt van het feit of hij zich wel goed aan de verbodsbepalingen heeft gehouden. Of deze lieden zich altijd daaraan houden, weet ik niet, maar al komen misoogsten natuurlijk voor, toch gelooft de Kenja, dat deze personen inderdaad gedurende al dien tijd dit strenge dieet doorvoeren. Elk jaar wordt voor deze betrekking een andere persoon gekozen; ze dienen echter van vorstelijke afkomst te zijn. Behalve deze voorname koedoeng van één huis per kampong tijdens de landbouwwerkzaamheden, heeft men nog tal van andere, zoo b.v. vóór het menoegal tijdens het zoeken naar voorteekens of de gekozen ladanggronden goed zijn. Deze duren bijkans onafgebroken 1 à 1 1/2 maand; zoo kan een of andere dag van deze koedoeng samenvallen met den 1en dag van een nieuwen koedoeng. Naast het koedoeng padi, dat het voornaamste is, heeft men nog koedoeng anak, voor kinderen bij meerderjarig worden, het koedoeng lahir anak, bij de geboorte. In alle dajakgebieden is dit gebruikelijk; in Lepo Maoet echter is het vrijwel in onbruik geraakt.

Met het hoofd Sawang Pajang besprak ik verschillende aangelegenheden en zoo vroeg ik hem ook, waarom zij nooit te Tandjong Seilor kwamen om te "peselai" (op handelsreis gaan); voor hen was de afstand niet ver. Het bezwaar bleek nog steeds te zijn, groote vrees voor de Ma Alims van Poedjoengan en aan de benedenrivier ook voor de Ma Koelits van Long Ledjoe. Deze vrees dateert nog uit vroeger dagen, toen de snelwoede in Poedjoengan van den beruchten Lian Toeran--we spreken over hem uitvoeriger in het volgende hoofdstuk--geen grenzen kende, toen hij roofde en alles te vuur en te zwaard vernietigde. Hoewel hij thans niets meer durft te doen wat hem de vijandschap van de Kompenie op den hals zou halen, zijn toch nog allen voor hem bevreesd. Zoo werden bewoners van Lepoe Tepoe nog meermalen door Ma Alims beleedigd met het z.g. "nepoekang djawa", hetgeen eigenlijk beteekent "een geest slaan" en bestaat uit het werpen met vuil en drek. In verband met een en ander stelden de Lepoe Tepoes mijn komst zeer op prijs. De Ma Alims, die van mijn komst afwisten, hadden hen dan ook al geprest mij niets van dit alles mede te deelen, als bewijs van goede gezindheid een grooten gong aanbiedend, maar tevens onder bedreiging, dat ze zich zouden wreken, wanneer dezen er zich niet aan hielden. Nog deelde het hoofd mij mede, dat ik hoogstwaarschijnlijk aanraking zou krijgen met de Poenan Boesang, een bericht, dat mij hoogelijk verheugde, te meer daar controleur Palm op zijn tocht geen gelegenheid had gehad deze zwervers, welke thans onder de kampong Lepoe Tepoe ressorteeren, te ontmoeten.

Sawang Pajang, onze gastheer, is een bereisd man; zelfs bezocht hij Serawak, waar leden van denzelfden stam wonen. Hij was de Iwanrivier tot aan haar oorsprong opgevaren, had daarna 4 dagen door het gebergte geloopen en na allerlei kampongs bezocht te hebben--hij noemde er 24 uit het hoofd op--bereikte hij Long Maloedè, de hoofdplaats van den radja van Serawak. Hier zag hij voor het eerst van zijn leven groote schepen en al was het lang geleden, nog sprak hij er met pathos over.

Uit den naam van ons hoofd Sawang Pajang kan men opmaken, dat zijn 4e zoon of 4e dochter is gestorven. Typisch voor de dajaks in het algemeen en meer voor de Kenja's in het bijzonder zijn naamsveranderingen. Zoo noemt het tegenwoordige Apo Kajanhoofd zich Taman Kila, vader van Kila, sedert de geboorte van zijn zoon Kila.