Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving

Part 6

Chapter 63,843 wordsPublic domain

Bij de Bataks wordt de jonggehuwde vrouw toegewenscht, dat zij 13 zonen en 17 dochters moge voortbrengen. Dit zou ook voor dajaks kunnen gelden, want ook deze wenschen zich vele kinderen, maar vooral vele dochters. De jonge mannen toch verlaten de ouders, wanneer ze huwen of lange tochten ondernemen, de dochters echter helpen gedurende haar geheele leven bij den arbeid en brengen bovendien een schoonzoon in huis.

Een maand na de geboorte, eindigt de eerste en strengste verbodstijd; dit is tijdens de eerste naamgeving. De vrouw mag dan binnenshuis wederom allerlei bezigheden verrichten. Na enkele maanden heeft de echte naamgeving plaats. Na offers gebracht te hebben, begeeft de moeder met haar kindje zich naar het huis van het hoofd, dat de voetjes van den jongen wereldburger wascht en hem een naam geeft. Is een kind dikwijls ziek, dan gebeurt het wel, dat de naam nog eens veranderd wordt om de geesten om den tuin te leiden.

De dajaksche moeder--ik nam dit meermalen waar--is zeer bevreesd, dat een vreemdeling haar kind zal naderen. In Apo Kajan vertelde men wel, dat europeanen soms de kinderen opaten en bij de Poenans mag zelfs niemand een kind aanraken, die hun taal niet verstaat. Bij de Kajans brengt iedere vreemdeling bij zijn bezoek iets voor de kleinen mee, waarschijnlijk om de ziel van het kind niet te verschrikken en zoo dit reeds geschied mocht zijn, deze weer tot rust te brengen.

Eerst na de tweede naamgeving mogen de kinderen, die tot nu toe geheel naakt moesten zijn, door de moeder versierd worden.

Zoo groeit de jonge dajak vrijelijk op, omgeven door de innige liefde van zijn ouders. Het dajakkind is het middelpunt van het dajakgezin en in zijn prille jeugd mag hij zich geheel aan het spel en zijn genoegens overgeven, door niemand gehinderd. Reeds spoedig is hij op het erf, zoowel als in het water van de rivier, thuis. Hij houdt wedrennen met zijn makkers, zwemt en plast in het water, speelt met den tol en oefent zich in het schieten met de blaaspijp. Een genoeglijker jeugd als die van een jongen dajak kan men zich niet voorstellen!

Onder zeer jonge kinderen spelen jongens en meisjes nog wild dooreen, maar spoedig moeten de laatsten al een weinig in het huishouden helpen, terwijl de jongens van hun tiende jaar af ongeveer op de ladangs medewerken of helpen bij den bouw van prauwen.

Na het intreden der puberteit--bij de meisjes op 12-jarigen leeftijd ongeveer, bij de jongens iets later--begint er verandering te komen. Leefden ze tot nu toe ongedwongen, thans zijn ze ook aan de verbodsbepalingen van de ouderen onderworpen. De tanden, zoowel van jongens als van meisjes, worden gevijld en somtijds gouden stiften daar doorheen gestoken, schoone tatoueeringen worden aangebracht, terwijl voor den jongen man tevens de tijd voor de penis-doorboring is aangebroken. De jonge meisjes trekken zich alle lichaamsharen uit, behalve het hoofdhaar, de jonge mannen baard, wenkbrauwen en oogwimpers. De jonge dajaksche mannen en meisjes genieten in den omgang de grootst mogelijke vrijheid; vooral is dit zeer sterk in de Tidoengsche landen. Elk ongetrouwd man kan daar vrijelijk met elk ongetrouwd meisje sexueel verkeer hebben, mits dit met haar toestemming gaat; vooral wanneer zij--zooals daar pleegt te geschieden--van de prille jeugd af aan elkaar zijn uitgehuwelijkt, kan dit ongestoord plaats vinden. Een en ander gebeurt in dezelfde kamer, waar de ouders slapen, die volgens den adat onwetendheid hebben voor te wenden. Het bij nacht binnengaan der kamer, teneinde de dochter te bezoeken, kan door het ouderpaar niet geweigerd worden. Gedurende mijn tochten in die gebieden zag ik dan ook steeds mijn roeiers 's avonds in de diverse kamertjes verdwijnen; ééns zelfs diende een dezer menschen een klacht in bij het hoofd, omdat hij door de ouders niet werd toegelaten, die daardoor een flinke berisping opliepen.

Heeft dit herderspel echter gevolgen, dan heeft de vrouw later veel minder waarde en de kinderen worden beschouwd als aan den man te behooren. In de andere gebieden echter is men strenger en wordt de zwangerschap van eene ongehuwde vrouw streng veroordeeld, vroeger zelfs werd ze wel mishandeld.

De jongelui moeten trachten elkaar buiten te ontmoeten, hetzij in een afgelegen hoekje gedurende de arbeidsrust op het veld, hetzij gedurende een helderen maannacht in een verlaten hutje of rustig plekje buiten de kampong. Evenals europeanen weten verliefde dajaks dergelijke plekjes spoedig te vinden. Niet altijd echter is de jonge man, die door de dochter aan de ouders als haar man wordt voorgesteld, even welkom en deze weten dit den jongen man wel duidelijk te maken, als hij bv. niet voldoende bedreven is in het maken van prauwen, het bewerken van ladangs, als anderszins. Evenals in onze maatschappij echter zijn wel gevallen bekend, dat zij tot het uiterste doordrijven. Er bestaat een legende--elders is deze vermeld--dat verliefden zelfs verkozen den hongerdood te sterven.

Zijn de teedere banden eenmaal gesloten, dan gaan de ouders van beide zijden onderhandelen over de som, die de jonge bruidegom aan zijn schoonouders heeft te betalen; deze is meestal niet hoog en bestaat slechts uit een of meerdere mandau's of een gong.

Een eigenaardige huwelijksverklaring bij den stam der Long Glat vertelt ons Nieuwenhuis in zijn werk. Zij bestond uit een grooten stapel brandhout, aangebracht onder de woonkamer van de uitverkorene zijns harten. Tusschen het brandhout waren 5 stukken van een boom neergelegd; op de platte uiteinden daarvan was de verzorging van de vrouw door den man zinnebeeldig voorgesteld. De symbolen bestonden uit een bijl als belofte hout te willen hakken; een bikoeng als belofte goed prauwen te zullen maken en drie verschillende borden, een groote en twee kleinere, als belofte voor rijst en bijspijzen te zullen zorgen. Naast den houtstapel waren nog geschenken neergelegd.

De dajak ziet gaarne, dat zijne dochter huwt met iemand van gelijken stand, gelijk dat bij ons ook het geval is. De bruiloft wordt in het huis der bruid gevierd; de bruidegom wordt door zijn vrienden daarheen geleid. De hoofden geven bij dergelijke gelegenheden dikwijls groote feesten. De bruidegom, evenals familie en verwanten, geven de jonge vrouw allerlei geschenken, voornamelijk bestaande uit schoone kralen naar gelang van den welstand der familie.

Man en vrouw hebben in het huwelijk gelijke rechten en beiden behooren den huwelijksband gelijkelijk trouw te zijn; bij overtreding wordt de man zelfs zwaarder gestraft dan de vrouw. Echtscheiding komt--hoewel zelden--voor; reden hiertoe is b.v. het kinderloos blijven der vrouw.

Eene ernstige ziekte brengt gemeenlijk groote beroering in een dajakhuis te weeg. Heftig rumoer van stemmen, het slaan op allerlei voorwerpen, moet dienen om den zieke bij te staan en te zorgen, dat zijn geest het lichaam niet verlaat. Is de patiënt gestorven, dan wordt het lijk gewasschen en daarna schoon opgetooid met wit katoen. Verschillende voorwerpen worden den doode medegegeven, zijn mandau en andere geliefde voorwerpen, soms schoone kralen van meer of minder waarde.

Intusschen zijn familie of vrienden bezig de houten kist uit een boomstam te kappen, terwijl vervolgens de begrafenis plaats heeft, waarbij de kist boven den grond geplaatst wordt op een houten staketsel met eenvoudig dak, terwijl voor de hoofden schoone "salongs" (doodenhuisjes) worden gebouwd. De vorm der graven is bij de verschillende dajakstammen soms zeer afwijkend. Zoo worden bij de Tinggalans de lijken na langeren tijd uit de kisten gehaald en in tempajans, groote potten, geplaatst; bij de Njiboengs worden de lijken in tempajans opgeborgen en daarna op hooge palen, eenige meters boven den grond, opgericht,--zie afb. 48--terwijl de Sabans de tempajans halverwege ingraven. In het boven Mentaranggebied zag ik nog een oud Oebaugraf, bestaande uit een rechtopstaande kist.

Na den dood der ouders, zijn de kinderen gelijkgerechtigd bij de erfenis; sterven de ouders kinderloos, dan gaan de goederen aan de wederzijdsche families terug.

Na een kort verblijf aan de Tagaharoek Laja, verlieten we dit heerlijk oord en begaven ons op weg naar de eerste Apo Kajankampong Lekakidau of Oema Bem Danom. Het was werkelijk een verrukkelijke vaart langs de smalle boschrivier, onder het eeuwige groen, tusschen hooge wanden; ze zit vol kleine versnellingen, welke ons echter niet de minste moeite veroorzaakten. Na drie kwartier varens bereikten we reeds de Kajan; onmiddellijk vertoont het landschap hier een anderen aanblik; het terrein wordt veel vlakker, de oevers zijn veel lager en bedekt met dun bosch, de rivier is veel breeder. Heeft een smalle rivier als de Laja zijn aantrekkelijks, toch heeft ze iets drukkends en het ruimere uitzicht van de Kajan uit, geeft een zekere verluchting. Hier en daar krijgt men zelfs een kijkje in het bergterrein en nieuwsgierig zijn we naar alle nieuwe dingen in het onbekende land. Is de Kajan hier uitstekend te bevaren--stroomafwaarts heeft altijd iets aantrekkelijks--, de vreugde is niet van langen duur; na een uur reeds komen we bij de kiham Tadjau aan en vlak daarna de kiham Paman. Bij de eerste moesten de prauwen over de steenen getrokken worden, daar de rivier hier een val van ongeveer een meter vormt, welke zich vooral bij dit lage water scherp afteekende. De kiham Paman gaf geene moeilijkheden; ze bestaat uit een combinatie van smalle kronkelingen tusschen eenige meters hooge wanden. In weerwil van den zacht neervallenden regen was het varen langs dit riviergedeelte een pleziertocht.

Lekakidau is een, aan een zijrivier der Kajan, de Danoem, gelegen groote kampong met verscheidene huizen (lamins) en padischuren. Hoewel het hoofd Taman Belarè (= bliksem) niet thuis was, werden we volgens den adat op gastvrije wijze door de oudsten der kampong ontvangen, terwijl een goede plaats in de awa of voorgalerij van den vorst voor mij werd gereserveerd. Boven mijn slaapplaats hing de penggalan, 17 gesnelde koppen, die reeds zeer oud en zwartgerookt waren, de trots van het hoofd. Langs den wand hingen ettelijke varkensskeletten met ontzettend lange tanden. Naast mijn veldbed bevond zich de in den vloer ingebouwde stookplaats, tevens punt van samenkomst van de dorpsgenooten. Bij mijn komst verzamelden zich daar dan ook vele mannen, vrouwen en kinderen. Vooral de vrouwen en meisjes waren zeer vrij, wat nog toenam, toen ze een blik hadden geslagen op de medegenomen ruilartikelen.

Een dergelijke openbare slaapplaats heeft zijn voor- en nadeelen. Alles toch, wat den europeaan betreft, heeft de belangstelling van den dajak; vooral het eten uit allerlei pannetjes met vork en lepel, het kleeden en ontkleeden werkten zeer op de lachspieren van de verzamelde menigte. De oudsten der kampong wezen eerst mijn tolk met eenige vrees op de gesnelde koppen, maar toen deze mededeelde, dat ik niet was gekomen om daarop te letten, maar ik me integendeel zeer toeschietelijk betoonde, waren ze gerustgesteld en werden mij een mand rijst, eieren en kippen aangeboden, onder mededeeling--de oudste hield een speech--dat zij domme menschen waren en niet wisten hoe zij den radja Kajan moesten ontvangen; ze konden mij niets kostbaars aanbieden, zoodat ik met dit weinige genoegen moest nemen. Ze hoopten, dat ik hen zou leeren, zoodat ze een volgende keer wisten, hoe het behoorde.

Vanuit de kampong had men een mooi overzicht over het terrein met op den achtergrond begroeide toppen. Op een halven dag afstands ligt nog een kampong van denzelfden stam Oema Bem Boh, dezelfde Boh, die we reeds aan de overzijde van het scheidingsgebergte hadden bevaren.

Door den regen van den vorigen dag had ik geen gelegenheid gehad een kijkje te nemen in de kampong zelve; toch is dit de moeite wel waard, al kost het eenige overwinning om de vuilheid daarin weg te cijferen. De rijsthuisjes, beschilderd met zwart, wit en rood, maken een aardig effect; ook hier treedt overal het naga- of draakmotief op den voorgrond; de zwarte kleur wordt gemaakt uit roet, de witte uit kalksteen, de roode uit zachten, rooden steen. Dit zijn dan ook de eenige kleuren, die ze bij hun beschilderingen gebruiken en weten te bereiden. Overdag bevinden de meeste menschen zich op de ladangs. Toch zijn de overgeblevenen, mannen en vrouwen, ijverig bezig; de meisjes en vrouwen maken hoeden, snijden tabak of stampen de padi in de zware blokken. Het is een genot de slanke, bruine lichamen elastisch op en neer te zien gaan, in de hand den zwaren stamper. Daar tusschen door loopen de jonge mannen, er keurig uitziend met hun zwarte awets, bezig met allerlei kleine werkjes in de buurt van de dajaksche schoonen en menig lonkoogje wordt geworpen op het meisje van hun hart. De mannen zijn bezig met het maken van schilden, snijden heften en scheeden voor mandau's, maken vlechtwerk of loopen met een grooten zonnehoed op het hoofd in een draagmandje hun kleine kinderen uren heen en weer te dragen. Iedereen is bezig.

Den 27en November zouden we onze reis naar Long Nawang voortzetten. Na een uur roeiens ongeveer bereikten we Meloerei, een punt waar we de prauwen moesten verlaten om de Batoe Belakau te vermijden. Een pad van drie kwartier ongeveer voert naar Long Pajau, waar we wederom in de prauwen konden gaan. Door den gevallen regen echter was het pad nogal glibberig, waarbij nog kwam, dat we van verschillende rotanbruggen gebruik moeten maken, hetgeen voor iemand, die dat niet gewend is en niet te veel vertrouwen stelt in het toezicht daarop van dajaksche zijde--de bruggen zijn dikwijls zeer oud--nu niet bepaald een genoegen is. Aan den oever der rivier worden ze aan een overhellenden boom bevestigd, bij sommige vrij hoog, zoodat men bij aankomst aan de overzijde moet dalen of omgekeerd naar boven moet klimmen. Spoedig was ik er echter aan gewend, hoewel steeds het bruisen en koken van het water daar beneden een onaangename gewaarwording bleef.

Onmiddellijk bij aankomst werd een begin gemaakt met het aanbrengen der goederen. Daar verschillende malen heen en weer geloopen moest worden en ik voldoende vertrouwen in mijn dajaks stelde, dat ze alles naar behooren zouden overbrengen, begaf ik mij dadelijk op weg om in de goed gebouwde koeboe aan de Long Pajau te overnachten en af te wachten, dat prauwen en goederen daar zouden zijn aangekomen. Hoewel de vaart voor de prauwen allerbezwaarlijkst was, bereikten allen zonder schade denzelfden dag nog de koeboe en waren 's avonds ook alle goederen aanwezig. Mijn vertrouwen werd dus niet beschaamd, zoodat we den volgenden morgen reeds welgemoed verder konden trekken. We troffen al spoedig verschillende prachtig bewerkte ladangs der Oema Tau aan; dien dag zouden we hun kampong Long Oeroek bereiken. De Kajan heeft hier een flink verval, zoodat er met onze prauwen handig tusschen de verschillende rolsteenen gemanoevreerd moest worden, hetgeen zonder ongelukken, hoewel niet geheel droog, gelukte.

De oude, sympathieke, maar slimme Piat Baja, radja van Long Oeroek, die vernomen had, dat ik onderweg was naar zijn kampong, had mij 4 prauwen met 20 man, keurig uitgerust, onder welke zich zijn zoon, Adjang bevond, tegemoet gezonden om mij bij het naar beneden varen behulpzaam te zijn. Evenals overal elders in den archipel, dringen ook hier berichten snel door en te meer verwonderlijk is dit, daar dajakland eenzaam en verlaten is en er geen speciale berichtendiensten bestaan. Toch was reeds bekend, dat ik dien dag in Long Oeroek zou aankomen. Niemand weet vanwaar het bericht komt--chabar angin--en niemand weet wie het heeft overgebracht.

Nadat we de kiham Bem hadden gepasseerd, een korte, uit 3 vallen van ongeveer 1 1/2 M. bestaande versnelling, waarbij de prauwen wederom over de steenen getrokken moesten worden, bereikten we na 2 1/2 uur Long Oeroek. De oude Piat Baja kwam mij tot de trap tegemoet, geëscorteerd door een volgeling, die er in een groot tenue officiersjas--blijkbaar een geschenk--allergrappigst uitzag. De awet onder de luitenantsjas uitsteekende flatteerde inderdaad en zelfs de militaire muts op zijn lange haren misstond niet.

Onmiddellijk begaf ik mij met mijn gastheer naar zijn fraai bewerkt en zindelijk huis, waar de ouden mij ontvingen en waar ik als welkomstgroet rijst en kippen ontving. Om het mij gemakkelijk te maken, bood Piat Baja mij een stoel aan, dien hij indertijd van dr. Nieuwenhuis had gekregen; dit geschenk wordt trouw bewaard en alleen bij speciale gelegenheden mag het dienst doen. Te dien tijde woonden ze echter meer het binnenland in en "toean dokton" had toen meerdere maanden bij hen vertoefd.

In de voorgalerij hingen vele gesnelde koppen, terwijl de wanden fraai beschilderd waren met figuren in rood, wit en zwart en de balkuiteinden kunstig versierd en besneden met allerlei dierenmotieven. Het geheel maakte een aangenamen indruk.

Piat Baja is een goed gastheer en weet het zijn gasten aangenaam te maken; 's avonds was er een bijeenkomst van de dorpsgenooten, maar er mocht niet gedanst worden, omdat het kind van een der hoofden gestorven was. Verder trof ik het in zooverre, dat de kampong over 5 dagen lali zou worden verklaard vanwege het menoegal- of plantfeest. Was ik dus later gekomen, dan had ik niet de kampong mogen binnengaan.

De boeken van Nieuwenhuis en Tehupeiory hadden hunne grootste belangstelling en voortdurend weer vroeg men mij het portret te mogen zien van Boi Djalong, het groote Oema Tau-hoofd, dat vroeger in deze kampong woonde.

Ten slotte--de meeste dorpelingen waren al huiswaarts getogen--kwam een oud, sympathiek vrouwtje schuchter naar mijn veldbed, mompelde eenige onverstaanbare woorden; maar zooveel begreep ik wel, dat ook zij het portret van Boi Djalong wilde zien; zij was familie van diens vrouw. Zenuwachtig bekeek ze het portret, greep zijn gelaat, kuste het en begon toen luid te snikken. Of ze dacht, dat hij was teruggekeerd of dat ze opnieuw door leed getroffen werd bij de gedachte aan den overledene, weet ik niet, maar ze wilde niet eerder er van scheiden, dan nadat ik haar beloofd had moeite te zullen doen een dergelijk portret voor haar te bekomen.

Een dajak houdt er van, dat men gemoedelijk bij hem zit, platen uit mooie boeken laat zien en gezellig met hem praat. Sommigen, die het niet gewend zijn, foto's te bekijken, draaien die eerst op allerlei wijzen om en om, totdat ze het eindelijk uitgevonden hebben. Vooral een familieportret van mijn vrouw en kinderen maakte grooten opgang en ging van hand tot hand en kreten van bewondering werden geuit, eene kleine vergoeding voor het gemis aan huiselijke gezelligheid, welke ambtenaren in dergelijke gebieden dikwijls zoo lang moeten derven. Dat dajaks zelfs portretten heelemaal verkeerd zien, bleek me, toen ik hun Montenegro's vorst Nikita in het boekje van van der Mandere liet zien. Ze dachten, dat ik dat was, terwijl ze vroegen of vorstin Milena mijne vrouw was.

Op verzoek van den radja bleef ik den volgenden dag nog in zijn kampong, van welke gelegenheid gebruik werd gemaakt met hem eenige zaken te bespreken. Hij is een schrander man en informeerde belangstellend naar allerlei onderwerpen en omstandigheden bij dajaks in andere gebieden, vooral van hen, die aan de beneden Kajan woonden en onder dezen vooral Anji Lohong, die 15 jaar geleden verzet tegen Sultan en Bestuur had gepredikt en die het de dajaks, die van boven kwamen, lastig maakte. Met genoegen vernam hij dan ook, dat deze thans niets meer te zeggen had. Over hun vroegere woonplaatsen deelde hij mij mede, dat ze afkomstig waren uit Poedjoengan en hun voorouders het plan hadden opgevat naar de boven Mahakam te verhuizen, maar door eene vergissing, doordat nl. iemand luide uitriep pajau (hert), hetgeen ze echter verstonden als ajau (koppensnellen), vluchtten ze terug en bleven tot nu toe hier wonen.

In Long Oeroek bevindt zich in het huis van Boi Djalong een zeer groote rhinoceroshoren en behalve deze was er ook een groote, zwarte gong,--naar men zegt, de grootste van Apo Kajan--, die volgens de legende door eene vrouw gevonden zou zijn nabij den oever van een beekje, alwaar de gong in den grond begraven lag. Eenzelfde soort verhaal deed men omtrent een mooien, blauwen chineeschen pot. Ofschoon men hier in Apo Kajan niet die vereering voor de "blawang" of heilige potten kent, zooals wel bij andere dajaks en ook in Serawak bij de Hebans het geval is, zoo was men hier aan deze speciale tadjau wel gehecht en schreef men haar eenige geheime krachten toe. Wel merkwaardig is dat men ook hier, in Centraal-Borneo, beweert, dat deze chineesche potten en gongs nog al eens opgegraven worden zonder dat echter legenden of mythologische verhalen eenigszins eene aanwijzing geven door wie of hoe deze voorwerpen in den grond begraven zijn. Vervaardigd zijn ze in elk geval door chineezen en zeer schoon. Voornamelijk trof ik ze indertijd in de Tidoengsche landen, diep in het binnenland, aan.

Piat Baja en de zijnen waren zeer verwonderd, dat ik bekend was met de rij hunner voorvaderen, die ik hun aan de hand van het kranig rapport van controleur Palm allen opnoemde. Trouwens schrift is voor hen onbegrijpelijk, geheel onbekend zelfs en waarschijnlijk is het daaraan te danken, dat hun geheugen zoo geweldig ontwikkeld is. Uit het hoofd wisten enkelen mij al hun familierelaties op te noemen en vermoedelijk reikten deze wel tot een paar honderd jaar terug. Het eenige middel, dat ze kennen om hun herinneringsvermogen te hulp te komen bestaat uit een touw met knoopen: beloven ze b.v. om over een dag of 10 te komen, dan maken ze een touw met evenveel knoopen en halen er elken dag één uit; ze weten dan wanneer ze moeten vertrekken. Maar dat iemand, die hier voor het eerst kwam de rij hunner voorvaderen kon opnoemen, was hun toch niet heel begrijpelijk.

Nadat we verder nog over koetjes en kalfjes hadden gesproken--mij werd zelfs gevraagd of het waar was dat menschen konden vliegen--bood Piat Baja mij een mandau aan als herinnering aan dit bezoek, terwijl ik hem en zijne vrouw een tegengeschenk aanbood; hij hoopte, dat ik nog eens terug zou komen; het snellen zou in het vervolg nagelaten worden, hij hoopte dat de Kompenie hem vergiffenis zou schenken voor vroegere wandaden, maar zou gaarne in het bezit blijven van de reeds door hem en zijn vaderen gesnelde koppen. Wanneer ik nog drie weken wilde wachten--door de koedoeng-verklaring van zijn kampong--dan wilde hij met mij medereizen, een voorstel, dat ik echter onder dankbetuiging moest afslaan en zoo vertrokken we dan den volgenden dag naar Ma Djalan.

Mijn verdere plan nu was om nog enkele meer landwaarts in gelegen kampongs te bezoeken en om daarbij zoo weinig mogelijk door het medenemen van vele goederen opgehouden te worden, droeg ik Djoek Oesat, het hoofd van Ma Djalan, op, deze vooruit te zenden naar Long Nawang, waar ik over eenige dagen zelf zou aankomen. Zelf begaf ik mij te voet naar Oema Toekoeng, na door het hoofd en de zijnen tot het einde der kampong uitgeleide te zijn gedaan. De wandeling duurde ongeveer 3 uur langs een vrij effen, maar door de vele regens zeer gladden weg, terwijl we verschillende malen de Soengei Seloengei moesten oversteken. We kwamen langs vele flinke ladangs en vischvijvers (bawang), welke vol visch moeten zitten en een behoorlijke afwatering hebben. Prachtige sawahs zouden hiervan te maken zijn, maar doordat de ladangs hem voldoende padi opleveren, denkt de dajak er niet aan den meer voordeeligen, doch zwaarderen sawahbouw uit te oefenen. Enkele malen heeft men een prachtig uitzicht over het bergterrein; op sommige punten waant men rond te zwerven tusschen de Limburgsche heuvelen en velden; eenzelfde gedachte bekroop me op de wandeling van Meloerei naar Long Pajau.