Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving

Part 5

Chapter 53,785 wordsPublic domain

Ongeveer 2 uur na Saupilan bereikt men reeds het oorsprongsgebied van de Laja. De Kenja's uit Apo Kajan hebben hier verschillende teekens aangebracht om te kennen te geven, dat hier de grens van hun gebied is. De Laja, die zich straks in de groote Kajanrivier zal werpen, is nu niet meer dan een poel, vol oud hout en steenen. Spoedig echter komt er langs honderden wegjes meer water in, zoodat men reeds van een beekje kan spreken. Soms volgt men een tijdlang de bedding van de rivier, dan weer moet die verlaten worden, omdat ze zich van een groote hoogte naar beneden stort. Telkens echter komt men na langeren of korteren tijd weer in de bedding terug. Ze zit vol steenen en hout, kris en kras dooreengewarreld, terwijl enkele vlakkere gedeelten met fijne kiezelsteenen bedekt, daarin afwisseling brengen. Een wandeling door zulke gedeelten is eene herademing na het geklim en geklauter door de zwaardere rivierstukken, waar men nu eens van een hoogte moet neerspringen, dan weer zich aan allerlei geïmproviseerde rekstokken moet optrekken om het "pad" te kunnen volgen. Niet ver van de koeboe Laja krijgt men nog een flinken klim. De dajaks hadden hier een weg van boomstammen met inkepingen gemaakt, wat het gaan heel wat vergemakkelijkte. Soms lagen deze langs de helling van een steilen berg; doordat de boomstammen glad waren door regen en modder waren deze niet weinig gevaarlijk en moesten we zeer op onze hoede zijn. Onder en naast ons gaapte de afgrond, heel beneden in het dal hoorden we een rivier klateren. Is men dit zware gedeelte voorbij, dan komt men weer en nu voor het laatst aan de Laja en na deze overgestoken te zijn, hebben we de koeboe aan de Tagaharoek Laja bereikt, welke op een zeer gunstig punt gelegen is.

De rivier is hier al vrij breed, maar was bij den toenmaligen waterstand zeer ondiep. Een bad in het heerlijke, heldere water deed ons de moeilijkheden van den bergtocht, welke ongeveer 8 uur had geduurd, vergeten. We bevonden ons toen dus reeds in het gebied van den gezaghebber van Apo Kajan, waarover in het volgend hoofdstuk een en ander gezegd zal worden.

's Avonds sliepen we heerlijk in ons landhuis, de temperatuur was koel en 's morgens vroeg werden we al gewekt door het roehoegeroep van de wawau, een soort aap.

En zoo hadden we dan weer een rustpunt op onzen tocht bereikt na veel interessants gezien te hebben. De Kenja's waren nu weer in hun eigen land, hetgeen duidelijk merkbaar was aan hun vroolijkheid en levendigheid, zelfs vrouwen waren aanwezig om hen te begroeten en de medegebrachte voorwerpen en geschenken in ontvangst te nemen. De Bahau's echter bevonden zich nu in vreemde omgeving. Evenals de meeste dajaksche stammen onderling, konden ook de kenjasche en de bahausche roeiers elkaar niet goed zetten en al hebben beiden vele karaktereigenschappen gemeen, in enkele opzichten verschillen ze toch wel. Zoo is de Kenja krijgshaftiger, levendiger, de Bahau meer bevreesd en rustiger. Als roeiers zijn de Bahau's echter naar mijn meening even bruikbaar als de Kenja's, vooral ook omdat ze meestal handelbaarder zijn.

Het is hier wellicht de plaats eenige algemeene eigenschappen van den dajak nader te belichten; wel zijn hier en daar plaatselijke afwijkingen, maar over het algemeen kunnen deze voor alle dajaks gelden, voorzoover ze nog niet al te veel met europeesche beschaving in aanraking zijn geweest en dus minder bedorven zijn. Een van de goede eigenschappen van den dajak is zijne liefde voor zijne kinderen en in verband daarmede voor zijne vrouw. Baart zij geen kinderen, dan is dit voor een dajak een reden tot echtscheiding; overigens komt dit weinig onder hen voor. Het is aardig te zien, hoe een dajaksche vader uren en uren achtereen in de voorgalerij met zijn jongstgeborene op den rug in het kinderdraagmandje op en neer kan wandelen, hem troostend nu eens met het gerinkel van mooi geslepen schelpjes, dan weer door hem langzaam heen en weer te schommelen, terwijl hij het poezele handje, dat over zijn schouder heen naar voren steekt, knusjes in de zijne houdt; en aandoenlijk is de trots van den vader, die den vreemdeling een schare flinke zonen kan toonen. Hoe grooter het aantal zijner kinderen, hoe grooter de genegenheid voor zijn vrouw, wier trots op haar spruiten niet minder is dan die van haar echtgenoot. Bovendien geniet de vrouw in de dajaksche maatschappij eene bevoorrechte positie, al moet zij volgens onze begrippen hard werken en dikwijls vrouwen onwaardigen arbeid verrichten; zij wordt niet als bij andere inlandsche volken op den achtergrond gezet. Bij belangrijke besprekingen is zij tegenwoordig, spreekt zij mee, terwijl haar woorden soms niet weinig gewicht in de schaal leggen. Voor eene moderne vrouwenbeweging om van te watertanden!

In verband met deze groote begeerte naar kinderen mag het verwonderlijk heeten, dat de dajaklanden zoo dun bevolkt zijn; aan dezelfde begeerte toch is het te danken, dat een vierde gedeelte ongeveer der aardbewoners uit chineezen bestaat. Bij de dajaks echter werken allerlei omstandigheden tegen en wel in de eerste plaats de onvruchtbaarheid der vrouwen, waarschijnlijk tengevolge van harden handenarbeid en den hartstocht der mannen, waardoor de lichamen afgebeuld worden en ten langen leste hun natuurlijke functien verliezen, althans afstompen. Als gevolg daarvan worden ook vele zwakke en mismaakte kinderen geboren. Bij de primitieve dajaks in de Tidoengsche Landen--we behandelen dit later--constateerden we zelfs grooten angst voor de baringsstonden en bij zwangerschap meermalen ontijdige afdrijving der vrucht. Daarbij komt, dat er dikwijls vele en langdurige ziekten heerschen, welke den toestand niet verbeteren en dikwijls, zooals bij pokkenepidemieën, de bevolking decimeeren. Een derde factor is vervuiling en ongezondheid hunner huizen, terwijl in de vierde plaats de sterke drinkgewoonte der dajaks, zoowel onder mannen als vrouwen, den lichamen niet ten goede komt. Eene gunstige uitzondering hierop maken de Bahau's uit het Mahakamgebied, welke in het geheel geen gistende dranken drinken, maar overal elders in Oost-Borneo zag ik de dajaks zich aan eigengemaakten sterken drank (tuak, tapai, boerak), gemaakt uit rijst of suikerriet, sterk te buiten gaan gedurende groote braspartijen, waarbij hij overwinnaar was, die het meeste kon drinken.

In vroeger tijd kwam als laatste factor daar nog bij de groote snelwoede, waarbij velen als slachtoffer vielen. Thans geldt dit niet zoo zeer, maar eerstgenoemde factoren geven eene voldoende verklaring van het feit, dat de bevolking in deze streken dun is.

Naast liefde voor zijn kinderen heeft de dajak als tweede goede eigenschap een gezond, logisch en vlug verstand, gepaard aan een goed humeur. Hij is bevattelijk en neemt spoedig zaken over, van welke hij meent, dat ze hem van eenig nut zullen zijn. Logisch is hij in zijn vragen: honderden malen vroeg men mij, waarom ik hun de gesnelde koppen afnam, terwijl ik ze zelf bewaarde, hen strafte voor enkele snelpartijen, terwijl in Europa gedurende den grooten oorlog dagelijks honderden en duizenden vielen. Waarom de vorsten daaraan geen einde maakten, was hun onbegrijpelijk. Moeilijk te beantwoorden vragen! En wanneer ik hun dan mededeelde, dat onze Vorstin, onze Radja Doh, daaraan niet meedeed, waren ze wel dankbaar, maar niet voldaan.

Zonderen we het overmatig drankgebruik uit, dan is de dajak in zijn voeding overigens matig; matigheid is hem aangeboren, hetgeen niet wegneemt, dat hij, met de Kompenie reizend, veel behoeften heeft, waaraan hij anders niet zou denken. Naast rijst--hetgeen hij in flinke hoeveelheden gebruikt--eet hij nog knollen (oebi), maïs (djagoeng) of teboe (suikerriet) en bij misoogst of in tijden van nood sagoe, maar overigens heeft hij geene behoeften. Alleen is hij--de vrouwen eveneens--verzot op rooken en sirih-kauwen.

Aan beleefdheid paart de dajak een gepaste vrijmoedigheid. Het is voor europeanen, die steeds met kustbewoners omgingen, dikwijls eigenaardig te zien, hoe vrijmoedig de dajak is en dikwijls wordt dit als onbeleefdheid uitgelegd, hetgeen het inderdaad niet is; trouwens hij ziet te veel tegen den europeaan op om hem willens en wetens onbeleefd te behandelen. Maar ook onder elkaar nemen ze de beleefdheid streng in acht, hetgeen vooral uitkomt in het gedrag van jongeren tegenover ouderen. Hoogere leeftijd staat voor den dajak gelijk met meerdere ervaring, meerdere levenswijsheid en de stem der ouderen is altijd beslissend voor een bepaalde zaak.

Als bij mijn komst in een kampong de menschen zich verzamelen om het haardvuur in de voorgalerij van het hoofd, dan zijn het naast dezen de ouderen, die dicht bij het vuur zitten; de jongeren blijven op eerbiedigen afstand en wee dengene, die onrechtmatig daarop inbreuk zou maken. Bij de opvoeding der kinderen wordt op een en ander streng gelet. Zoo eischt de beleefdheid, dat men vreemdelingen gastvrij ontvangt; de meest primitieve dajakstammen houden zich daaraan en de huisvrouw en de dochters des huizes, die blijken niet voldoende bekwaam daarin te zijn, staan aan algemeene minachting bloot, zelfs zou een man zich om die reden van zijn vrouw kunnen laten scheiden. Zoo zijn er enkele families onder de Bahau's, die geen hertevleesch mogen eten; het zou onbeleefd zijn--zoo men dit wist--dezen menschen dergelijk vleesch aan te bieden. Zoo mag men ook niet over een liggend of slapend mensch heenstappen, enz.

Bij feesten zullen de ceremoniemeesters bedienen volgens stand en leeftijd.

De dajak is gastvrij en wee dengene, die daartegen zou zondigen; een berisping der ouden zou zeker zijn deel zijn, zooals in vergaderingen steeds placht te geschieden, wanneer ik hun bij wijze van leering de bevelen van het gouvernement overbracht en de ouden van die gelegenheid gebruik maakten den jongeren nog eens een lesje te geven: "Wij, dajaks, gingen vroeger steeds op sneltocht, wij vierden feest en verlangden naar het vermeerderen der doodskoppen, die de galerijen onzer huizen sieren; bij ons werden snellers door de jonge meisjes gefêteerd, bezongen en bewierookt, doch nadat de wit-menschen tot ons kwamen en ons het snellen verboden, hebben wij ons onderworpen aan hun bevel. En toch, wij waren begeerig naar eer en roem. Waarom gehoorzamen jullie dan niet aan het bevel van den wit-mensch? Zijn jullie dan zooveel machtiger dan wij? Wat hebben jullie toch voor adat? Wij gaan niet naar de ladangs als de controleur komt, doch wachten thuis op zijn komst en houden kippen, varkens en rijst gereed. Doch hoe ontvangen jullie den grooten heer en de gasten? Ik zie daarbuiten de varkens, doch heb nog geen doodsgil der dieren gehoord. Is dit jullie gewoonte om den grooten Heer te ontvangen?"

De dajak is niet fanatiek, wel vasthoudend aan oude gebruiken, al dreigt dit door meerdere aanraking met europeanen minder sterk zich te uiten. Onder elkaar wordt een en ander wel in acht genomen, vooral onder de ouderen, die geen inbreuk daarop dulden zouden. Een wereldburger is hij niet; hij is gehecht aan huis en haard en gaat wel eens op een handelsreis, maar heel lang duren deze tochten niet; evenals bij de Romeinen iedere vreemdeling hostis of vijand was, zoo zijn bij de dajaks naburige stammen meestal zijn vijanden, vooral in vroeger tijd, maar al is ook dit de laatste jaren veel verminderd, veeten en kwesties blijven er altijd in grooten getale bestaan, waarvan de oplossing voor den bestuursambtenaar niet altijd even gemakkelijk is en dikwijls een langdurig onderzoek vereischt. Vooral rechten op gronden spelen--evenals overal elders in den archipel--hierbij een groote rol. Zoo was er een tijd lang kwestie tusschen de vlak bij elkaar gelegen Ma Koelit-kampongs Long Pelban en Long Ledjoe aan de beneden Kajanrivier over verdeeling der ladanggronden. De kwestie liep zóó hoog, dat de stemming bepaald vijandig werd en de rust keerde eerst weer, nadat ik plaatselijk de zaak omstandig had onderzocht en ieder de hem toekomende gronden had aangewezen. De eerste beleefdheidsbezoeken van de hoofden werden wederzijds met een flinke tuakfuif bezegeld!

Op reis met een europeaan is de dajak vol toewijding en voelt hij zich gedurende dien tijd bepaald verantwoordelijk voor het wel en wee van zijn medereizigers. De goederen worden bewaard als waren zij zijn eigendom en ongevraagd zorgt hij voor een behoorlijke rustplaats en onderdak. In de rimboe leert men deze eigenschappen waardeeren. Bovendien is hij door zijn vroolijkheid en levendigheid en altijd bezig zijn een aangenaam gezelschap in tegenstelling met maleiers, die veel onderdaniger en welwillender zich voordoen, maar inderdaad veel minder te vertrouwen zijn.

De dajak is niet diefachtig. Gedurende mijn reizen is mij nimmer iets ontstolen; zelfs zijn mij wel voorwerpen uit de diepe binnenlanden teruggebracht, welke men meende, dat ik verloren of bij vergissing achtergelaten had, evenals men vertelt, dat in Montenegro alle voorwerpen aan koning Nikita werden teruggebracht, hoever in de onherbergzame streken deze ook verloren gingen.

Diefstalzaken van dajaks onderling werden nooit aangebracht; wel werden dajaks dupe van de roofzucht van maleiers. De eenige reden waarvoor dan ook de dajak gestraft werd, vond zijn grond in snelzaken.

Over de dankbaarheid van den inlander in het algemeen is reeds veel geschreven en gesproken; sommigen beweren, dat deze wel bestaat, anderen ontkennen absoluut het bestaan ervan. Of de dajak deze eigenschap bezit, zou ik niet met een volmondig ja kunnen beantwoorden, maar ook niet willen ontkennen. Het bestaan van dankbaarheid is dikwijls zoo moeilijk aan te toonen, vooral bij belangrijke aangelegenheden. In kleine zaken echter heb ik dikwijls bejegeningen ondervonden, die aantoonden, dat de dajak wel degelijk deze goede eigenschap bezit.

Door het bovenopgesomde zou men den indruk krijgen, dat den dajak louter meer of minder goede eigenschappen werden toegeschreven. Thans zijn de minder goede aan de beurt. Hij is bedelzuchtig in hooge mate. Bij bezoek aan kampongs ligt den vrouwen en kinderen het makè-makè (= vragen om allerlei voorwerpen) in den mond bestorven, terwijl zij er liefst zoo weinig mogelijk of in het geheel niets voor terug willen geven. Stelt men voor een of ander te ruilen, dan wordt eerst nauwkeurig onderzocht of het voordeel aan hun zijde is, zoo niet, dan wordt de ruil geweigerd. Sommigen beweren, dat dit in verband zou staan met hun chineesche afkomst.

Trouwens bij de Papoea's in Centraal Nieuw-Guinee trof ik later hetzelfde verschijnsel aan, in nog erger mate misschien. Ook dezen weigerden beslist door het ophalen van een schouder of door het maken van een pruttelend geluid met den mond, een ruil, welken zij niet in hun voordeel vonden.

Vooral de dames in een dajakkampong zijn er altijd op uit om naalden, kralen, spiegeltjes en dergelijke voorwerpen te vragen, maar heeft men er eene iets gegeven, dan staan er binnen korten tijd velen even begeerig klaar; op den duur is dit hinderlijk en er werd dan ook een einde aan gemaakt, door aan het hoofd en zijn gezin eenige voorwerpen aan te bieden voor de genoten gastvrijheid. Trouwens bij eene weigering op hun verzoeken voelen zij zich in het geheel niet ontsticht.

In tegenstelling met de dapperheid van den dajak, die ons uit onze jeugdjaren is bijgebleven, is hij integendeel zeer laf, dikwijls wreed en onverdraagzaam. Nooit zal hij zijn vijand,--we wezen daarop reeds--wiens schedel hij begeert, in een openlijken strijd te lijf gaan. Vanuit een hinderlaag wordt deze bepijld en het weerlooze slachtoffer geveld. Voor sterkere stammen legt hij dadelijk het hoofd in den schoot en een eenigszins bruusk optredend hoofd kan zeker van invloed zijn. Wel zal hij tegen flinke persoonlijkheden lijdelijk verzet toonen, de kampong verlaten en een scheuring trachten te veroorzaken--het ontstaan van zoovele dajaksche gehuchten en gehuchtjes vindt daarin zijn oorsprong,--maar daarbij bepaalt zich dan ook zijn geheele optreden. Evenals bij de Papoea's kan één vreesachtige een geheelen troep op de vlucht jagen of angstig maken. Toen mijn reisjongen--we waren nabij de Serawaksche grens gekampeerd--voor de grap uitriep "daar komen de Hebans," wetend hoe bang ze voor dezen stam zijn, zaten allen in zak en asch en wilden, hoewel gewapend, vluchten, hetgeen ik echter spoedig voorkwam, door hun te vertellen, hoe ze zich hadden laten beetnemen.

Een slechte eigenschap nog, welke den hoofden meer in het bijzonder aankleeft, is onrechtvaardigheid tegenover hun kamponggenooten. Een vriend of familielid zal worden geholpen, ook al misdoet hij nog zoo ernstig, terwijl een ander geen goed kan doen. Dit is trouwens eene eigenschap van inlandsche hoofden in het algemeen.

Vermelden we nog, dat de dajak verzot is op spel en hanengevechten met de slechte gevolgen daaraan verbonden, dat hij is leugenachtig en egoïst, dan is hiermede de rij zijner slechte eigenschappen afgesloten.

Toch is de dajak in weerwil van de erkenning zijner fouten mij zeer sympathiek en wat mij persoonlijk aangaat zal ik hem steeds in dankbare herinnering houden voor het vele goede, wat ik van zijne zijde ondervond. Dat de dajak dan ook--zooals sommige ambtenaren zouden willen--hoe eerder hoe liever van het aardrijk dient te verdwijnen, is eene bewering, die ik niet gaarne zou onderschrijven.

En ten slotte: vertoonen ook wij im groszen und ganzen niet dezelfde eigenschappen, al zijn ze met een vernisje overgoten? Zijn ook in den grond der zaak de dajaks--al zijn ze in veel primitiever omstandigheden grootgebracht dan wij--niet menschen zooals wij zelven?

IN APO KAJAN.

Midden in het hart van Borneo ligt in eenzame afzondering, ver van alle beschaving, een klein gebied, Apo Kajan, omvattend het brongebied van de Kajan of Boeloenganrivier. Het zal de grootte hebben van een vierde gedeelte van ons land ongeveer, te zamen de provinciën Friesland, Groningen en Drente, terwijl het aantal zijner bewoners ongeveer 15000 zal bedragen. Het wordt bewoond door stammen, welke allen behooren tot den bekenden stam der Kenja's, behalve de kampong Ma Leken, welke door Kajans bewoond wordt.

De voornaamste stammen zijn die der Oema Tau, welke thans--vroeger waren dit de Oema Timei--de hegemonie voeren, Ma Koelit e.a., allen flinke, goed ontwikkelde mannen en vrouwen, die vroolijk hun leven leven op de schoongelegen hoogvlakte van de machtige Kajanrivier.

Apo Kajan vertoont een geheel anderen aanblik dan het boven Mahakamgebied. Is daar alles ruw en bergachtig, het eerstgenoemde gebied maakt meer een vlakken indruk, hier en daar schitterende vergezichten aanbiedend, met jongere boschformatie. Men kan zien, dat jaren en jaren achtereen hier roofbouw is gepleegd, waardoor het zware bosch werd uitgeroeid en het aspect geheel veranderde.

De Kenja is dan ook een ijverig ladang-bebouwer, ijveriger in het algemeen dan de Bahau van de Mahakam. De Kenja leeft in het algemeen in een heerlijk koel klimaat--Apo Kajan ligt ongeveer op 7 à 800 meter--terwijl van moesons door de nabijheid van den evenaar weinig valt te bespeuren.

Thans moge in het kort volgen de levensloop van een dajak, van de geboorte tot den dood.

Voordat de jeugdige dajak het levenslicht aanschouwd heeft, hebben de toekomstige ouders zich reeds aan vele adatregelingen te onderwerpen, welke met nauwgezetheid worden nagevolgd. Zoo is het der moeder verboden een natuurlijken dood gestorven, evenmin als al te jeugdige dieren te eten, evenals verschillende bepaaldelijk voorgeschreven vruchten. Ook zal een zorgzaam huisvader niet op jacht gaan of ander ruw werk verrichten, als slaan, snijden, e.d., wat de ziel van het ongeboren wichtje zou kunnen schaden. In de Tidoengsche landen legt bij het zwanger worden van het eerste kind de vrouw alle sieraden af, behalve de armbanden; deze mogen niet meer gedragen worden en van haar man krijgt zij later nieuwe sieraden. Al spoedig begint de vrouw haar lichaam te bedekken; bij de Tinggalans wordt de rotanband, dien ze om haar lichaam droeg als bewijs van haar maagdschap, verbroken. 's Nachts mag de toekomstige moeder gedurende een regenbui niet slapen; evenmin mag bij sommige stammen de man dit doen. Zoo hebben de aanstaande ouders reeds verschillende voorzorgen te nemen, welke ons niet vreemd in de ooren klinken, daar ze ook in ons volksgeloof nog voortleven. Zoo gelooft men bij ons nog wel dat eene zwangere vrouw zorgvuldig zal hebben te waken tegen het plotseling zien van iets leelijks of mismaakts, waardoor de vrucht benadeeld zou kunnen worden. Schrikt de aanstaande moeder voor een haas en legt ze daarbij de hand aan den mond, zoo krijgt het kind een hazenlip; ontstelt ze door het vuur, dan krijgt de kleine een vlek op den arm. Om de vervulling niet tegen te houden, werden gedurende het baren alle sloten van deuren en kisten losgemaakt en andere dergelijke in ons volksgeloof voortlevende voorzorgsmaatregelen, welke dienen om het ongeboren wichtje niet te schaden.

Bij de bevalling mogen geene mannen tegenwoordig zijn; tijdig worden deze verwijderd evenals alle ijzeren en snijdende voorwerpen uit de kamer worden weggenomen. Is het kind ter wereld gekomen, dan wordt de navelstreng, na afgebonden te zijn, met een zwaard afgesneden. Dit zwaard mag nooit verkocht worden en wordt in de familie zorgvuldig bewaard. De nageboorte wordt in het bosch geworpen en verdwijnt daar vanzelf. In de Tidoengsche landen wordt de navelstreng boven de slaapplaats der kinderen opgehangen, terwijl de nageboorte aan een boom buiten de kampong wordt opgehangen, waarnaar tijdens het naar huis terugkeeren niet mag worden omgekeken.

Daar de vrouwen, in het kraambed gestorven, een oneervolle begrafenis erlangen, behoeft het geen betoog, dat deze ure met angst en zorg wordt verbeid en is het dus begrijpelijk, dat, zooals vooral in de Tidoengsche landen geschiedt, de vrouw naar middelen omziet om de vrucht te verwijderen. Men maakt daar gebruik van het z.g. "pilajoen", gemaakt uit een houtsoort, welke fijngestampt, geroosterd en daarna door het eten gemengd en naar het schijnt met succes gebruikt wordt.

Bij de Bahau en Kenja is het wel gebruikelijk, dat, wanneer de moeder bij de geboorte sterft of zwaar ziek wordt, de vader het kind in het bosch te vondeling legt; het wordt echter dikwijls opgenomen en door anderen opgevoed.

Onmiddellijk na de geboorte en de plaats gehad hebbende reiniging, worden de oorlellen door een oude vrouw met scherpe bamboestokjes doorstoken. Deze stokjes blijven in de wonde steken tot deze genezen is en worden daarna door tinnen ringen vervangen, welke het jonge weefsel uitrekken. Hoe ver dit soms gaat, moge blijken uit de afb. op den omslag; aan weerszijden hangen in het oor tientallen ringen, welke een gewicht van enkele ponden vertegenwoordigen. Hoe langer de oorlellen, hoe chiquer!

Al spoedig krijgt het jonge kind een armband, gemaakt van kleine vruchtjes, welke dient om de booze geesten af te schrikken. Deze wordt na het afvallen van de navelstreng vervangen door een tweede en na een maand nogmaals door een derde en wel ter gelegenheid van de naamgeving. De gebruikte banden worden door de moeder om den hals gedragen en later, nadat de verbodstijden voorbij zijn, aan het kinderdraagmandje opgehangen. Aan deze draagmandjes zijn de dajaks zeer gehecht, omdat ze meenen, dat de ziel van het kind daarmede verbonden is en deze meermalen daarin woont. Het is dan ook onmogelijk een dergelijk voorwerp te bemachtigen, tenzij het speciaal wordt aangemaakt en het dus niet werkelijk in gebruik is geweest.

De dajaksche moeder is innig gelukkig met haar jongstgeborene en zij stelt er den hoogsten prijs op, haar kind zelve te voeden; met innig welbehagen kan ze haar kleintje koesteren en verblijdt zich zichtbaar, dat ze niet kinderloos is gebleven, het treurigste, dat ze zich denken kan.