Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving
Part 4
Op dit riviergedeelte genoten we van de prachtige vergezichten. De oevers zijn hier over een betrekkelijk grooten afstand vrij laag, terwijl op den achtergrond bergen en rotsen zich steil uit den grond verheffen. Boven op die hooge steenmassa's woonden in vroeger tijd de dajaks, evenals de ridders in hun verheven rotskasteelen. Daar boven voelde men zich veilig, was men onbereikbaar; door snellers kon men niet plotseling overvallen worden en alleen bij hoogen noodzaak verliet men deze veilige oorden. Later toen de toestanden meer geregeld werden, was dit niet meer noodig. Toch worden deze rotsen thans nog wel gebruikt voor het begraven der dooden, ook om beveiligd te zijn tegen roof; voorbijgaande maleiers toch berooven nog wel eens deze graven, waarin allerlei bezittingen van den overledene mede begraven worden. Het is werkelijk een sprookjesachtig gezicht deze kalkbergen, hier en daar helder wit, beschenen door het zonlicht en overigens begroeid met laag opschietend hout. Vooral 's avonds, belicht door de ondergaande zon, was het een verrukking daarnaar te zien, terwijl we rustig in ons bivak een strootje zaten te rooken.
Nadat we den volgenden dag nog voorbij Long Moeroh waren gevaren,--het bij Nieuwenhuis genoemde Long Bagoen bestaat niet meer--waar we een oogenblik spraken met het vriendelijke hoofd Hau Adjang en zijn vrouw, kwamen we den 25sten October--we waren den 16den te voren van Long Iram vertrokken--voor de geweldige kiham Halo (= vreemdeling) en daar we reeds een zwaren dag achter den rug hadden en deze kiham ons veel moeilijkheden zou bezorgen, besloten we niet verder te gaan, maar een bivak te betrekken aan den voet van dezen steenkolos, vanwaar uit we uitzicht hadden op den ingang daarvan. De versnellingen beginnen hier en zetten in met de geweldigste van alle stroomversnellingen, die ik ooit zag, behalve dan de Bem Brem in de Kajan of Boeloenganrivier, die onoverkomelijk is.
Bij de kiham Halo is het bovendien bezwaarlijk te voet langs den oever te gaan, daar de wanden zeer hoog en steil zijn en het gaan daarlangs ons ettelijke uren zou hebben opgehouden. Toch blijft een prauwentocht daardoor zwaar en gevaarlijk. Door de genie is een kabel aangebracht langs den rechteroever; daar deze echter slechts voor een bepaalden waterstand dienst kan doen, heeft deze weinig nut. Elk oogenblik toch verandert de waterstand, zoodat soms deze kabel diep onder water ligt of--zooals bij ons--hoog boven onze hoofden uitstak.
Den volgenden morgen vroeg aanvaardden we den tocht met goeden waterstand. Hier zagen we voor het eerst onze dajaks in volle actie; prachtig was het te zien hoe handig ze van hun haken of gaits wisten gebruik te maken. Ieder gaatje in de kolossale steenmassa zagen ze; hieraan werden we hortend en stootend voortgerukt, terwijl onze roerganger ons prauwtje--rank in vergelijking met de massieve steenblokken--tegen de steenen aangedrukt hield. Joelend en gillend gingen we--hoewel langzaam--vooruit. Een enkele maal gebeurde het, dat de voorman de prauw met zijn haak niet kon houden, daar deze op de gladde steenen uitgleed. We werden dan door den slechts enkele meters breeden, snelvlietenden stroom teruggejaagd, maar dadelijk zorgde de achterman, dat we weer tegen de rotsen werden aangedrukt, terwijl op hetzelfde oogenblik drie, vier man voor hun gaits weer een aanhechtingspunt hadden gevonden. Soms ook kwamen we voor een vooruitstekend punt, wat dubbele moeilijkheden gaf; de stroom gleed ons hier dubbel zoo snel voorbij, maar toch wisten ze ons ook hier voorbij te krijgen, al moesten dikke rotans ons ook te hulp komen. Bleek het punt te gevaarlijk of te lastig te passeeren, dan moesten we trachten aan den anderen kant meer succes te hebben. Daarvoor moesten we dan den stroom oversteken, wat dikwijls met levensgevaar gepaard gaat. Geen oogenblik werden de roeiers in deze versnelling met rust gelaten, geen oogenblik mochten ze zorgeloos zijn of het kon enkelen onzer het leven kosten. Valt men in dezen bruisenden stroom, dan is geen redding mogelijk; zwemmen is ondoenlijk, terwijl men dadelijk tegen de steenen te pletter geslagen zou worden. Zoo viel indertijd in mijn vroegere onderafdeeling Semangka, Lampongsche districten, controleur Sanders in de bandjirrende Way Djelai. Geen seconde daarna was hij tegen de steenen te pletter geslagen. En hoeveel geweldiger nog zijn Borneo's rivieren!
Eindelijk na drie uren zware inspanning bereikten we het hoofd van de versnelling; drie uren van hard werken voor de roeiers waren voorbij en een zucht van verlichting ging op. Een korte rust was welverdiend, temeer daar we de overige prauwen toch moesten afwachten om te zien of ze er alle veilig doorheen gekomen waren. Hiermede waren eenige uren gemoeid, maar alles liep gelukkig zonder ongelukken af, zoodat we, nadat we gegeten hadden, weer verder konden trekken.
Onmiddellijk na de versnelling, eigenlijk eene vernauwing van de rivier met hooge rotswanden, verandert het terrein van vorm. De oevers worden veel lager, het water wordt rustiger en nadat we eenige uren aldus hadden doorgereisd, bereikten we de kiham Oedang, aan den voet waarvan we na dezen zwaren dag van inspanning, in bivak gingen. De mannen hadden het wel verdiend!
Deze kiham Oedang is geheel anders dan de Halo; zij bestaat uit een eenige meters hooge verheffing van het terrein, zoodat het onmogelijk is met de prauwen daar doorheen te varen. Thans komen de dajaks weer in volle actie. Alle goederen worden uit de prauw op de rotsen gezet en vandaar naar het hoofd van de versnelling gebracht. Ieder zorgt voor den inhoud van zijn eigen prauw en het is ongelooflijk hoe netjes de goederen aan de bovenzijde bij elkaar worden gezet. Voor ons lijkt dit een chaos, maar als men er zich maar niet mee bemoeit, komt alles prachtig in orde. De dajak vertoont zich hier in al zijn lichtheid en beweeglijkheid. Zelfs de awet, het eenige kleedingstuk, wordt afgeworpen, omdat het hem thans overbodig is. Als een veertje wipt hij met zware vrachten van den eenen op den anderen steen, terwijl de hoofdman op een verheven rotspunt alles overziet, zijn bevelen geeft of eventueel zelf ingrijpt. Zoo loopen ze lachend en pratend tientallen malen heen en weer, totdat alles naar boven is gebracht. Wij wachten intusschen rustig af; geen oogenblik bevangt verveling ons te midden van deze levendige opgewektheid.
Zijn de goederen eenmaal boven, dan zijn de prauwen zelf aan de beurt. Het is niet altijd mogelijk deze door het water naar boven te halen; dikwijls moeten zij bijna loodrecht uit het water worden opgeheven, goed vastgehouden aan de dikke rotanlijnen die de mannen stevig in de hand houden; anderen trekken aan de zijwanden of duwen zoo er een rotspunt is, waarop ze kunnen staan, de prauw van onderen met hun schouders op. Onder luid gejoel vordert deze dan ook spoedig, wordt vervolgens over de steenen voortgesleept en aan de bovenzijde weer te water gelaten. Thans moeten alle goederen weer ingeladen worden en zóó gelegd, dat ze de vaart niet bemoeilijken. Na eenige uren lagen alle prauwen gereed en konden we weer instappen om de reis voort te zetten en nadat we nog den kiham Wong en Batoe Berang waren doorgegaan, die overigens weinig moeilijkheden veroorzaakten, bereikten we weer kalm water en konden onze wakkere mannen het zich weer wat gemakkelijker maken. Wij genoten hier van de prachtige vergezichten op de Batoe Ajoe, steile, hoog verheven kalkrotsen. Als oude middeleeuwsche kasteelen verhieven ze zich trotsch ten hemel.
Vlak na de bovengenoemde versnellingen voeren we voorbij het gehucht Long Oemawok, een onderhoorigheid van Bang Djoek en na een genoeglijke vaart, daar de rivier hier gemakkelijk te bevaren is, bereikten we diens dorp Batoe Kelaoe, een flinke Long Glatkampong. Bang Djoek werd dadelijk geroepen en keurig in het zwart gekleed, ontving hij ons in zijn ruim, flink gebouwd huis, hetwelk hij een jaar of 10 geleden, dus na het verblijf van Nieuwenhuis, liet bouwen. Hij woonde toen ook nog niet in deze kampong, maar in het een weinig benedenstrooms gelegen Long Dehò. In de hand hield hij een stok met gouden knop, versierd met het nederlandsche wapen, als teeken van zijne waardigheid, waarop hij niet weinig trotsch was. Hij vertelde ons, dat hij dien indertijd van dr. Nieuwenhuis had gekregen.
Den 29sten October verlieten we Batoe Kelaoe om den steven te richten naar Long Bakoeng, een vivresdepôt op den weg van Long Iram naar Long Nawang, waar we den volgenden dag tegen den middag aankwamen. We hebben dan de eigenlijke Mahakamrivier reeds verlaten en zijn aangekomen in de Soengei Boh. Dit is het gebied, waar Nieuwenhuis maanden lang vertoefde en menig verhaal kreeg ik uit dien goeden, ouden tijd te hooren, dat gouden tijdperk, toen elk plantje, elk diertje een linggit (rijksdaalder) opbracht. Nieuwenhuis stond onder hen bekend als een goed woudlooper, driemalen had hij den Batoe Ajoe beklommen! Het vischschieten met bommen leverde toen overvloed van visch. Oemar, mijn tolk, toen nog een kleine jongen, had hem meermalen ontmoet en hij zou het heerlijk vinden den "toean dokton" nog eens terug te zien. Ik van mijn kant moest vertellen, waar de toean nu was en ik steeg werkelijk in hun achting, toen ik mededeelde hem persoonlijk te kennen.
In Long Bakoeng werden onze vivres wat aangevuld en reeds dachten we den volgenden dag verder te trekken, toen Nang, het dajakhoofd ons kwam melden, dat met dezen waterstand de moeilijkheden die voor ons lagen, niet te overwinnen waren en dat hij ons aanried niet af te varen. Daar we er echter niet veel voor voelden om hier te blijven, zouden we toch maar trachten verder te gaan en hoewel met tegenzin werd hieraan voldaan, maar niet dan nadat Nang ons verzekerd had de verantwoordelijkheid niet te willen dragen. En hij bleek gelijk te hebben! Er gingen dien dag drie prauwen verloren, de eerste, terwijl we nog niet ver van Long Bakoeng verwijderd waren. Juist kwam ik met mijn prauw aan, toen we een hoek omvarend, zagen wat er gaande was. De afdrijvende goederen kwamen ons reeds tegemoet, die voorzoover mogelijk, opgepikt werden. Het was een gejoel en geschreeuw om te redden, wat er nog te redden viel, maar met hoeveel inspanning er ook gewerkt werd, het mocht niet baten. De voorhoede van het prauwentransport was intusschen vooruitgegaan, maar daar ook zij vele moeilijkheden ondervonden, was ze dicht bij den kiham Hoeloe in bivak gegaan. Het was onmogelijk met dezen waterstand verder te gaan; daar wij door de ongelukken nog moeizamer vooruitgingen, hadden wij meer benedenstrooms een bivak betrokken, eenige kilometers slechts van Long Bakoeng verwijderd.
Den volgenden dag dachten we niet aan verder gaan, maar terwijl we geduldig zaten te wachten, ging ons plotseling het transport voorbij, maar nu naar beneden varend. Luitenant Simons, die voorzag, dat we waarschijnlijk meerdere dagen door het water vastgehouden zouden worden, oordeelde het beter dit oponthoud door te brengen te Long Bakoeng, waar een behoorlijk officiersverblijf bestond en waar we ons geriefelijker konden inrichten. Ik was met dezelfde gedachte bezield en sloot me dus onmiddellijk aan. En zoo bevonden we ons den volgenden dag weer te Long Bakoeng, waar we nog vier dagen werden opgehouden, vier dagen welke we moesten trachten zoo goed mogelijk te verduwen. De dajaks echter weten zich wel altijd bezig te houden, hetzij met het herstellen van hun prauwen, met het vlechten van rotan, het snijden van houten en beenen voorwerpen, hetzij met jagen en visschen, zoodat een oponthoud hun meestal niet veel zorgen baart. Toch is het hun niet aangenaam langen tijd op ééne plaats stil te liggen. Voor afwisseling werd er 's avonds ook wel geworsteld. In het boek van Nieuwenhuis vindt men daarvan in deel II een foto (taf. 13). Het is prachtig, de fijne, bronsgekleurde lichamen zich te zien kronkelen. De omstanders zien vol belangstelling toe, sporen aan, juichen toe of lachen uit. Het bleef voor ons steeds weer een animeerend schouwspel.
Maar ook aan dit gedwongen verblijf kwam een einde en den zesden November konden we weer vertrekken. Een moeilijk gedeelte stond ons nog te wachten, maar het water was vrij gunstig, zoodat we 's morgens negen uur al het punt konden passeeren, waar luitenant Simons den eersten keer had gebivakkeerd en over welk traject hij toen den geheelen dag gedaan had. Dit was vlak bij de Soengei Belabau (= muis) tot welk punt--hoogerop worden ze zeer zeldzaam--de z.g. batoe Boh of bohsteenen gevonden worden. Dit is een bepaald soort steen, welke alleen hier voorkomt en gretig door de dajaks wordt gezocht als versiering voor hun mandau's na ze met een stuk metaal gespleten en daarna in allerlei vormen geslepen te hebben. Het zijn donkere steenen met witte vlekken, welke er uit zien als stukjes spek in een worst. Volgens den dajak leeft het witte gedeelte van deze steenen. Het zijn waarschijnlijk fossielen van weekdiertjes, een bewijs, dat Borneo indertijd onder de zee-oppervlakte heeft gelegen. Een dergelijk soort steen schijnt in de Alpen in grooten getale voor te komen.
Verder voortvarend bereikten we om 12 uur 's middags den geweldigen kiham Oeloeasoe, bestaande uit drie zware gedeelten, welke we hadden te passeeren. Gelukkig voert er langs de versnelling een behoorlijk pad, zoodat wij de prauwen verlieten en na een half uur loopens ongeveer het uiterste einde bereikten, waar het water veilig en rustig was. Het passeeren kostte echter zooveel tijd, dat we besloten aan de kepala kiham te gaan bivakkeeren, omdat eene geschikte plaats daarvoor werd gevonden; door het zware water moesten we daar ook den volgenden dag nog blijven. Dat deze versnelling gevaarlijk is, moge blijken uit de mededeeling, dat op deze plek de graven zijn van 10 soldaten, die bij het naar beneden gaan, verdronken. Het verhaal moge overdreven zijn, een feit is, dat verschillende lieden, ook dajaks, hier den dood vonden.
Den achtsten November wachtte ons weer een zware dag. De kiham batoe bela (= rood) dreigde ons met dood en verderf. Deze versnelling is kort, maar moeilijk te passeeren; groote rotsblokken verheffen zich meters hoog, midden in den stroom en hoewel het laag water was, kookte en bruiste het met geweld. Langs den steilen wand was het haast niet mogelijk eenig houvast te krijgen, terwijl we éénmaal midden in den sterken stroom werden gedreven, opgeheven door eene hooge opborreling van het water. Het oogenblik was kritiek, maar gelukkig trok Oemar boven op den steen staande de rotanlijn weer aan, zoodat hij den toestand wist te redden. Een oogenblik van onbedachtzaamheid en onoplettendheid had de inzittenden zeker doen verdrinken. Op zulke oogenblikken, waarin ons leven in handen van deze eenvoudige menschen is, krijgt men eerbied en genegenheid voor hen. Met weinig tevreden, den geheelen dag hard werkend, 's nachts op een slecht bed slapend, zijn ze vol toewijding voor ons en een ongeluk, een europeaan overkomen, is voor hen een schande. Zijn er goederen verloren gegaan, dan zijn ze daarover dagen lang beschaamd.
Den volgenden dag zouden we de Boh verlaten en de Ogah bereiken. Het terrein wordt hier echt bergachtig, de stroom is woest en snelvlietend, terwijl de rivierbedding bezaaid is met steenen en een gevaar oplevert voor de prauwen niet alleen, maar ook het roeien ten zeerste bemoeilijkt. Voor de medereizigers is het dan ook met de rust gedaan. Men wordt dooreengeworpen van links naar rechts, zoodat het een verluchting is, wanneer men 's middags de prauw kan verwisselen met het bivak, waar men voor het gevoel nog langen tijd naschommelt. 's Avonds kregen we een geweldig onweer, gepaard gaande met hevige regens, waardoor het onschuldige beekje, waarlangs we gelegerd waren, in een kwartier tijds in een ziedenden stroom veranderde.
We dachten er reeds over onze goederen in veiligheid te brengen, toen de regen ophield en daardoor tevens de laatste oogenblikken van ons beekje geteld waren. Blijkbaar had het in de bovengebieden niet geregend, zoodat we den volgenden dag met prachtig weer konden doorvaren. Hoe hooger men komt, des te schitterender de riviergezichten, maar van varen kan men eigenlijk niet meer spreken, veeleer is het trekken, rukken en duwen om de prauwen door het ondiepe water en over de steenen voorwaarts te krijgen, tegengehouden door den sterken stroom. Toch bereikten we dien dag nog de Temaha, waar we op een zeer steile plaats een bivak betrokken. Op deze riviergedeelten kost het dikwijls de grootste moeite een behoorlijke plaats daarvoor te vinden. Bij de monding is de Temaha nog vrij breed, maar reeds spoedig daarna is ze slechts ongeveer 10 meter breed en blijft dan voortdurend smal, ligt vol steenen en kronkelt geweldig. Men bevindt zich tusschen hooge wanden, waarboven de toppen der boomen elkaar soms raken.
De 13e November zou ons wederom voor nieuwe moeilijkheden brengen en wel bij de moeilijke kiham Boerak (= dajaksche sterke drank), welke niet door te trekken was, zoodat alle goederen uitgeladen en zelfs de prauwen over de steenen gesleurd moesten worden. Tot vlak voor de kiham vernauwt de rivier zich tot op twee meter met steile, hooge wanden, daarna weer eene verbreeding in den vorm van een kom, waar men het bruisen van de waterstortingen reeds hoort. Naar boven klimmend heeft men eerst een goeden kijk op het woelende, borrelende, neerstortende water. De versnelling is niet lang en er loopt een zeer bruikbaar pad van enkele minuten langs. Het was werkelijk opwekkend de dajaks hier wederom in actie te zien; de prauwen moesten bijna loodrecht uit het water opgeheven worden. De rivier vertoont hier allerlei buitensporige vormen; met weinig uitzonderingen zijn de oevers overal tot 50 à 100 M. hoog, terwijl het langs de kale rotsen dikwijls zeer moeilijk is vooruit te komen. Hier en daar waant men te varen door onderaardsche holen, waarvan de wanden allerlei schoongevormde nissen bevatten, zoodat men den indruk krijgt door een crematorium te varen. Toch mocht het ons steeds gelukken een bivakplaats te vinden, al gaf dit dikwijls heel wat hoofdbrekens en al kregen we 's nachts--we konden wegens afwezigheid van muskieten steeds zonder klamboe slapen--dikwijls bezoek van allerlei griezelige dieren; eens zelfs nestelde een kikvorsch zich op mijn gezicht. Later op mijn tocht naar Nieuw-Guinee moesten we steeds van de klamboe gebruik maken wegens het ontzettende aantal anophelinen.
Van het eene boschbivak trokken we naar het andere; na de Moeara Troeno trokken we den 15en November door naar de Soengei Saripa. Een afschuwelijk gedeelte moest dien dag worden afgelegd; de eene kiham volgde op de andere; langs de steile, glibberige wanden, tot welke het zonlicht nooit toegang kreeg, was geen plaats voor de roeiers om hun voeten neer te zetten, terwijl ook de tekèns bijna nergens houvast kregen. Het was een zeer zwaar gedeelte en nauwelijks was men de woelingen van een bepaald gedeelte door of men kreeg weer iets anders, dikwijls erger dan het vorige. Blijde was men, na zulk een gedeelte achter den rug te hebben, wederom vlak water voor zich te zien; maar de vreugde was van korten duur; voortdurend werden we van Scylla naar Charibdis gedreven en het scheelde dan ook weinig of van mijn voorraadprauwen was één geheel verloren gegaan. In een der versnellingen stond mijn prauw plotseling boven op een steen te midden van het bruisend gewoel, terwijl ze groote neiging vertoonde om te vallen; ze wankelde geweldig. Gelukkig echter schoten andere prauwen toe, zoodat de mijne wat ontlast en zonder gevaar voor kantelen weer in het vrije water gelaten kon worden. Ze was reeds half vol water geloopen, maar kwam plotseling met een ruk vrij.
Na het bivak aan de Soengei Saripa werd een ander betrokken aan de Naha Klebit (= grintplaat der schilden). Dit gedeelte was al even onaangenaam en zwaar als dat van den vorigen dag. De kiham Tadjau (= dajaksche martavaan of tempajan) hadden we te nemen, een vrij lange, zeer zware versnelling, waar het niet mogelijk was door de gesteldheid van het terrein de goederen uit te laden. Eigenlijk is het een combinatie van verschillende versnellingen, die ieder op zichzelf reeds vele moeilijkheden boden en waarbij wederom bijna een mijner voorraadprauwen verloren ging. Maar gelukkig wisten de handige roeiers en mijn "tangan dingin" of gelukshand mij voor dit onheil te bewaren.
Eindelijk echter zouden de bezoekingen aan deze zijde van Apo Kajan ophouden en met dit blijde vooruitzicht voor oogen legden wij het laatste gedeelte af tot aan de Tagaharoek Mesai, welke rivier we dezen dag bereikten, zoodat alleen nog het scheidingsgebergte ons van het boven Kajangebied scheidde. Maar al was dit het laatste gedeelte voorloopig, eene marteling was het tevens. De rivier wordt hier zeer smal, vol steen en en boomstammen, welke steeds veel oponthoud veroorzaken. De kiham Batoe Pelakau hadden we nog te passeeren, een korte, maar zeer lastige versnelling en eigenlijk uit niets bestaande dan eene verzameling rotsblokken, door de open ruimten waarvan het water met geweldige kracht wordt voortgedreven. Driemaal moesten de goederen worden uitgeladen, maar eindelijk kwamen we met prauwen, waarvan niet veel meer over was en die een dergelijke vaart misschien geen twee dagen meer hadden uitgehouden, aan den voet van het scheidingsgebergte aan, waar een flinke koeboe of logeerhuis is opgericht.
Zoo hadden we dan na veel moeite den eersten mijlpaal op onzen weg na 4 weken ongeveer bereikt, zoodat een flinke rust wel gemotiveerd was, temeer daar we de rest van het transport, dat in dergelijke omstandigheden steeds uiteengerukt wordt, wilden inwachten.
Den volgenden dag arriveerde de leider, luitenant Simons, die reeds dadelijk een aanvang maakte met het overbrengen der goederen over de waterscheiding, nadat de post met enkele dajaks vooruit was gezonden. Daar de dragers meerdere malen moesten loopen, besloten wij met de laatste bezending mede te gaan. Zoo vertrokken we dan den 21en November, na de prauwen te hebben achtergelaten. Aan de overzijde der bergen zouden we door de goede zorgen van den gezaghebber van Apo Kajan nieuwe vinden en zoo zouden we dan nu na een maand in de prauwen gezeten te hebben de klauterpartij aanvangen, welke trouwens slechts enkele uren zou duren, maar door het langdurig, gedwongen stilzitten in de prauwen toch zeer zwaar werd.
Aan de overzijde van de Mesai begint het voetpad; na het overtrekken van de rivier begint men reeds dadelijk eenige honderden meters te stijgen, daarna wordt het terrein draaglijker, al is men voortdurend met kleine afwisselingen stijgende. Midden in den weg ligt een bepaald punt, Saupilan geheeten, waarheen dikwijls de goederen gebracht worden, vanwaar uit ze dan--als alle daar verzameld zijn--verder worden gebracht. Het pad was niet mooi, te slechter door den regen van de laatste dagen. Hier en daar heeft men een mooi overzicht over het omliggende terrein en men krijgt dan wel den indruk dat dit ongemeen zwaar moet zijn.