Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving

Part 3

Chapter 33,736 wordsPublic domain

Of de zending in deze gebieden veel succes zal hebben, is eene vraag, die de zendelingen zelve waarschijnlijk ontkennend moeten beantwoorden; het ligt in den aard der zaak, dat deze natuurmenschen niet ontvankelijk zijn voor onze opvattingen; zij blijven dezelfde dajaks, die ze zijn; zelfs zijn ze onbruikbaarder geworden, daar ze meenen reeds de wijsheid in pacht te hebben, als ze slechts eenige woorden kunnen schrijven of lezen; zìj zijn het, die ongeschikt worden voor het eenvoudige landwerk en zich daarboven verheven voelen, zij zijn het, die hun sierlijken tjawat afleggen, deze door jas en broek vervangen, als kleine boefjes door de kampong rondloopen en hun kamponggenooten opruien tot het inbrengen van allerlei klachten en opmaken van rekesten.

Pastoor Goossen was juist van zijn reis dwars door Borneo teruggekeerd. Den Mahakam opvarend met 5 leerlingen van zijne school, was hij het scheidingsgebergte overgetrokken, had aldus Poetoes Sibau in de Westerafdeeling bereikt en was toen verder de Kapoeas per stoomertje afgezakt naar Pontianak. Het verhaal klinkt eenvoudig, maar voor wie Borneo kent, zullen de moeilijkheden van een dergelijken tocht duidelijk zijn. De reis, welke ondernomen werd om na te gaan of deze streek wellicht een arbeidsveld opleverde voor de zending en tevens om verbinding te krijgen met de vestigingen in de Westerafdeeling duurde ongeveer 1½ maand door het onherbergzame binnenland. Wel is het reizen gemakkelijker dan een twintig jaar geleden, toen dr. Nieuwenhuis "quer durch Borneo" trok; toen stond men absoluut onbekend tegenover deze gebieden en de omstandigheden, waaronder die tochten volbracht werden, waren heel wat moeilijker dan thans, nu de kennis van die streken zooveel grooter is en de toestanden zooveel meer geordend zijn. Na Müller, die in 1825 vermoord werd en Molengraaff, die einde 19e eeuw veel studies in Centraal-Borneo maakte, was het vooral prof. Nieuwenhuis, die de kennis van deze gebieden ten zeerste verrijkte. Het bekende over die tochten geschreven werk zal tientallen en tientallen van jaren de bron blijven voor hen, die eene studie willen maken van deze gebieden. Het geheele denken en leven van den dajak is met groote nauwkeurigheid beschreven. De journalen van militaire patrouilles en verslagen van bestuursambtenaren verder hebben ook veel ertoe bijgedragen deze gebieden nader tot ons te brengen, maar de eenige bron is tot heden bovengenoemd werk gebleven, speciaal voor de Mahakam en--hoewel minder uitgebreid--voor Apo Kajan; de noordelijker gelegen gebieden zijn echter niet behandeld. In Apo Kajan reisde nog in 1903 de controleur van Walchren, van wiens hand een tijdschriftartikel verscheen en welke tocht uitvoeriger werd beschreven door den toegevoegden medicus Tehupeiory in zijn werkje: "Onder de dajaks van Centraal-Borneo", een zeer sympathiek en leerzaam reisverhaal. Voor de taal is nog van belang het boek van Barth. Merkwaardig is nog de reis van dr. Carl Lumholtz, een noorsch onderzoekingsreiziger (van December 1915 tot Augustus 1916). Het doel was de Barito op te varen, zijwaarts af te steken naar de noordelijke zijrivier, de Boesang, om vervolgens de waterscheiding over te gaan en aldus te komen in het Mahakamgebied. In zijn, naar Amerika gezonden, 2000 woorden bevattend telegram, deed hij het voorkomen alsof hij voor het eerst deze gebieden bezocht en dischte daarbij allerlei bekende feiten als zoovele nieuwigheden op. Stellig heeft hij--aldus prof. Niermeyer in de Telegraaf van 6 October 1916--aan de mate van bekendheid met Borneo in Engeland, Amerika en in zijn vaderland Noorwegen, gedacht, toen hij zijn telegram opstelde. De reis langs de Barito was toch reeds in 1905 gedaan door den kapitein van het indisch leger, J. J. Stolk, van wiens hand ook een artikel daarover verscheen, waarvan de bijzonderheden overeenkomen met het door Lumholtz medegedeelde.

Bij onze aankomst in Laham verkeerde de dajaksche gemeente in groote vreeze voor eene aanstaande snelpartij, eene vrees, welke ieder jaar schijnt terug te keeren. Er waren lieden aangekomen, die beweerden in het bosch teekenen en sporen gezien te hebben, welke wezen op eene aanstaande snelpartij, zoodat met groot genoegen werd gezien, dat er een transport, begeleid door militairen, naar boven ging. Niet alleen zijn ze bang voor een inval van Hebans uit Serawak, maar ook van Kenja's uit Apo Kajan en zelfs van maleiers, van wie gezegd wordt, dat ze elk jaar een kop noodig hebben voor den sultan van Koetei, daar anders de grond geen petroleum meer zou leveren.

Het snellen is eigenlijk eene laffe bezigheid. Een dajak zal zijn tegenstander nooit in een openlijken strijd neervellen; op de meest laaghartige wijze wordt de vijand, hetzij man of vrouw of kind, beslopen en vanuit zijn schuilplaats schiet de belager hem neer, hetzij met een geweer, zoo hij dit heeft, hetzij met een soempitan, waaruit een giftig pijltje wordt geblazen. Eerst wanneer de sneller van uit zijn schuilplaats heeft gezien, dat zijn vijand werkelijk weerloos is, komt hij naar buiten en slaat met zijn mandau het hoofd van den romp. Meestal snelt een dajak onder naburige dajakstammen, maar ook hoofden van andere inlanders zijn hem welkom; een europeaan zal hij nooit snellen; de eenige europeaan, die in deze gebieden is vermoord geworden, was Müller (1825), maar hierbij valt niet aan eene snelpartij te denken. Hoewel snellen door ons gestraft wordt als moord onder zeer verzachtende omstandigheden, is het toch eigenlijk een heel ander begrip. Het komt waarschijnlijk uit de gedachte voort, dat de sneller zich meester wil maken van de ziel van den verslagene, welke voornamelijk in het hoofd zetelt, opdat deze een schutsgeest zij voor den bezitter en tevens opdat deze eenen overledene dienaren en slaven in het dajak-hiernamaals, het Apo Kesio, bezorge. Als zoenoffer voor het vergoten bloed is het bij sommige dajakstammen gebruikelijk, dat ze na een sneltocht een lok van het haar, eveneens zetel van de ziel, de rivier doen afzakken.

Aanleiding tot snellen doet zich bij verschillende gelegenheden voor en wel in de eerste plaats bij den dood van een hoofd. Deze schaamt zich alléén in het Apo Kesio te komen en heeft dus één of meer gesnelde koppen van noode. Tegenwoordig nog moeten voorzorgsmaatregelen daartegen genomen worden. Zoo stierf in begin 1919 het dajakhoofd Lian Toeran, zeer berucht wegens zijne vele snelpartijen. Ik bevond mij toen juist in Poedjoengan en op het bericht van zijn dood ontbood ik onmiddellijk zijn beide zoons, hield hun voor, dat ze geenszins op sneltocht mochten gaan en dat ik hen eventueel zou verantwoordelijk stellen en zwaar zou straffen. Hoewel men overal fluisterde, dat er een groote wraaktocht op touw werd gezet, heeft die toch niet plaats gevonden. Ook aan de Mahakam hebben zich dergelijke gevallen voorgedaan. Zeker kan men er van zijn, dat, als ze ten dezen opzichte geen vrees voor de Kompenie koesterden, snelpartijen nog aan de orde van den dag zouden zijn.

Een tweede reden om op sneltocht te gaan, kan gelegen zijn in het afleggen van rouw, welke eene bepaalde periode duurt, maar om dezen geheel te kunnen uitwisschen, is het noodig, dat men de schedelversiering met een verschen kop vermeerdert. In de derde plaats dient het om zijn moed te toonen, al is die volgens onze begrippen dan ook niet heel groot. Na het snellen toch mag de jonge dajak zich tooien met de tanden van den koelè of panter, welke aan den bovenkant door het oor gestoken worden met de punt naar voren, of met een oorhanger, gemaakt uit de sneb van een neushoornvogel (teboen).

Aldus versierd waagt hij het zich te vertoonen voor het meisje van zijn hart en haar zijn liefde te bekennen. Tevoren zou hij zeker zijn afgewezen en telde hij niet mee in de rij der mannen. Wel heeft hij, thuisgekomen, te bewijzen door een eed, dat hij werkelijk bedoelden kop heeft gesneld, maar in het algemeen wordt het daarmee niet zoo nauw genomen. Deze eed bestaat hierin, dat hij twee ronde steenen op elkaar heeft te leggen. Gelukt hem dit, dan is hij inderdaad de sneller, zoo niet, dan heeft hij zich die op eene of andere oneerlijke wijze toegeëigend.

Ten slotte vinden snelpartijen hun grond meermalen in wraak. Wel kan eene verzoening tot stand komen door teruggave der koppen en het betalen van een bloed- of zoengeld, evenals in onze middeleeuwen aan de naaste familieleden van het slachtoffer, maar dit gebeurt zelden en zoo het gouvernement niet ingreep, zou op deze wijze daaraan evenmin als bij de vendetta, ooit een einde komen, daar de laatste misdaad steeds weer door een volgende gewroken zou dienen te worden. Zoo veroordeelde ik te Boeloengan eens een jongen dajak, naar schatting niet ouder dan 16 of 17 jaar, tot 5 jaar gevangenisstraf, daar hij betrokken was in eene snelzaak en zelf den moord had volbracht. Op de terechtzitting bleek, dat ruim 6 maanden geleden de moeder van beklaagde was gesneld, die in haar eentje op de ladang aan het werk was; hieruit blijkt, dat zelfs vrouwen, trouwens ook kinderen, niet ontzien worden. Het eigenaardige echter was, dat beklaagde niet den moordenaar zelf van zijne moeder had kunnen snellen, daar deze intusschen gestorven was, maar daarvoor een familielid nam, dien hij toevallig op zijn weg was tegengekomen.

Zooals reeds gezegd, heeft het snellen tegenwoordig geen grooten omvang meer en het ontbreken van schedels geeft den dajak, die nog aan den ouden adat hecht, dikwijls veel moeilijkheden bij het vieren van zijne adatfeesten. Zoo vroeg mij eens een dajak of hij een stukje mocht hebben van een der schedels uit mijne verzameling of anders van die, welke als stukken van overtuiging op mijn kantoor hingen. Het was hem niet duidelijk, wat ik daarmede moest doen en bovendien gaf het vele moeilijkheden bij het aanstaande te vieren meerderjarigheidsfeest van zijn jongsten zoon. Bij gebrek aan een heelen schedel zou hij dan maar met een stukje genoegen nemen. Zoo werden in het geheim ook wel schedelstukken tusschen de dajaks verhandeld, wat natuurlijk niet toegelaten werd. In verschillende dajaksche kampongs toch worden nog schedelversieringen aangetroffen uit vroeger tijd (zie afb. 12) en zoolang er geen bijzondere reden voor bestaat, wordt hun toegestaan deze in hunne voorgalerij te laten hangen.

Meestal zijn het slechts de stamhoofden, die in het bezit daarvan zijn en doordat ze geregistreerd zijn, bestaat er contrôle op.

Op sneltocht (zie afb. 34 en 35) kleedt de dajak zich meestal in volle wapenrusting. Op het hoofd eene bedekking van ongespleten rotan, dikwijls overtrokken met de huid van een aap of lynx of kralenversiering met naga-motief en versierd met veeren, in de hand een blaasroer (soempitan) met zwaar giftige pijlen en lanspunt, aan de zijde het zwaard of mandau. Op het lichaam droeg hij eertijds de gewatteerde jas tegen pijlschoten; thans is dit echter in onbruik geraakt. Om het middel windt hij zich het lendenschort of awet, vroeger van boomschors (foeja), thans van linnen of katoen gemaakt, waaraan zijn pijlkoker, van bamboe gemaakt, hangt en waarin de vlierdoppen worden geborgen en nog een ander kokertje voor zijn tabak met vuurslag. Over zijne schouders hangt een dierenhuid van den koelè of panter en een draagmand (blanjet) voor het medenemen van zijn rijst voor eenige dagen en een van palmblad gemaakte tentbedekking. In de handen ten slotte nog het houten schild, beschilderd met allerlei gezichten en draken om den vijand af te schrikken. Na eene snelpartij heeft altijd een feest plaats, waaraan dikwijls de geheele kampong deelneemt.

Hoewel voor een buitenstaander meestal niet merkbaar, bestaan er in een dajakkampong verschillende standen. Bij de Bahau's aan de Mahakam onderscheidt men den hoogen (hipoei aja), den kleinen (hipoei oek) en den laagsten adel (poenggawa). Beneden dezen staat de gewone kampongman (panjin) en ten slotte de slaven (oeloen), hoewel deze officieel niet meer kunnen bestaan. Hun toestand is echter van dien aard, dat het geene aanbeveling zou verdienen, daarin verandering aan te brengen. Ze worden goed behandeld, wonen bij hun meesters in en hoewel ze in het algemeen wel bestemd zijn voor gewone, minderwaardige werkjes, hebben ze absoluut geen reden tot klagen; het overgroote deel zou dan ook niet gaarne van bestaan willen veranderen. Slechts enkele malen werd ingegrepen, éénmaal toen ik in Poedjoengan zijnde een dajak meenam, die verzocht had teruggevoerd te worden naar zijn stam aan de boven Melinaurivier in de Tidoengsche landen, vanwaar hij indertijd geroofd was. Aan zijn verzoek werd natuurlijk voldaan. Later nog eens, toen ik in de Lepo Maoetstreken vertoefde, verzocht een der Njiboenghoofden mij of ik mijne bemiddeling wilde verleenen om eene vrouw, welke bij Lian Toeran in Poedjoengan woonde als slavin, aan hem terug te geven.

Later besprak ik deze aangelegenheid, maar de vrouw zelve wilde van geen terugkeeren weten, daar ze in den nieuwen stam reeds gehuwd was en kinderen had. In dit geval was er geene aanleiding haar met geweld terug te voeren. Vroeger intusschen was hun toestand veel slechter en werden ze zelfs dikwijls bij den dood van hun meester opgeofferd ter beëindiging van den rouw. Zelfs bij den dood van het beroemde dajakhoofd Kwing Irang werd nog gevraagd een slaaf te mogen dooden. Bij den dood van een slaaf blijkt ook thans nog zijn afkomst. Hij wordt nl. in een eenvoudige kist, op eene afzonderlijke plaats begraven, terwijl de hoofden schitterend bewerkte kisten en doodenhuisjes (salongs) krijgen.

Alle dajaksche stammen zijn animisten met uitzondering van eenige weinige christenen en mohammedanen. Als zoodanig vertoonen de verschillende dajakstammen dan ook veel overeenkomst, al bestaat er in onderdeelen, benaming enz. natuurlijk wel verschil. Prof. Wilken definiëerde het begrip animisme als volgt: "Het animisme uit zich in twee ongeformuleerde en onuitgesproken, maar met onbepaald geloof aangehangen leerstukken. Het eene, het grond-dogma luidt: alles in de natuur, in dieren- en plantenwereld, het bewerktuigde en onbewerktuigde, ieder voorwerp, groot of klein heeft een ziel. Het tweede dogma kan aldus worden uitgedrukt: De zielen of geesten, die in de voorwerpen wonen, hebben de macht die te verlaten en vrij rond te spoken, onbelichaamd voort te leven of in andere lichamen over te gaan." Men heeft aldus fetisisme: aanbidding van zinlijk waarneembare voorwerpen als bezielde wezens en spiritisme: vereering van onzichtbare, onbelichaamde geesten en van de zielen der afgestorvenen.

Men behoeft echter niet te denken, dat een dajak, evenmin als waarschijnlijk een oude griek, in voortdurende vrees zou leven. Hij is niet fanatiek en spotten of grappen maken over zijne geesten wekt den lachlust en het is in het geheel niet verwonderlijk, wanneer hij het bij bepaalde gelegenheden met zijne geesten op een accoordje gooit. Wanneer hij bijvoorbeeld uit de vlucht der vogels iets ongunstigs gelezen heeft en hij vindt het om een bepaalden reden zeer gewenscht, een of anderen tocht te maken, dan raadpleegt hij nogmaals de vogels en blijven de teekenen ongunstig, dan weet hij wel een reden te vinden om dit ongedaan te maken. Wanneer hij tegenwoordig met europeanen reist, bemerkt men van dit raadplegen der voorteekens niets meer. Wachten, zooals b.v. Nieuwenhuis, van Walchren, Tehupeiory en andere reizigers indertijd deden omdat er ongunstige teekens waren waargenomen, is thans ondenkbaar. Wel probeeren ze het soms, wanneer ze niet veel zin hebben om verder te roeien, maar daaraan storen we ons niet. Slecht tweemaal gedurende de drie jaar, dat ik Borneo bereisde, heb ik me eenige oogenblikken daardoor laten ophouden; dit was in de Tidoengsche landen aan de boven Sembakoeng, waar de dajak veel primitiever en ouderwetscher is dan in de zuidelijke gedeelten.

Den eersten keer konden we er af komen door met de prauw viermaal in het rond te draaien en de tweede maal door ter plaatse gezamenlijk een strootje te rooken, een oponthoud, dat in beide gevallen niet langer dan enkele minuten duurde.

In het algemeen schamen ze zich tegenover de europeanen wel een weinig over hun gewoonten; maar onder elkaar reizende, wordt er nog steeds rekening mede gehouden. Toen ik einde 1919 dajaksche roeiers aanwierf voor de wetenschappelijke expeditie naar Centraal Nieuw-Guinee, vroeg men mij toestemming de vogels te mogen raadplegen, hetgeen ik toestond onder die voorwaarde, dat ze gunstig moesten zijn. Den uitslag van den wichelaar heb ik niet vernomen, maar het gevraagde aantal, zelfs meer dan dat, ging mee.

Toch zullen dajaks in hun eigen milieu zich nog wel hieraan houden, vooral bij groote tochten, als handels- en sneltochten. Er worden dan 5 vogels en een hert geraadpleegd. Bij kleinere tochten of met europeanen wordt alleen de pelaki of kiekendief en de boekang d.i. een klein staartloos kolibrietje, geraadpleegd, wat op zijn hoogst 5 dagen in beslag neemt. Het raadplegen geschiedt in het bosch in pondoks of kleine hutjes, steeds aan den rivieroever, bovenstrooms of benedenstrooms, al naar gelang de reis stroomop of stroomafwaarts zal zijn. Ze mogen niet gestoord worden noch naar de kampong terugkeeren. Is de tocht eenmaal aangevangen, dan moeten de reisgenooten langs dezen pondok en aldaar overnachten. Vogels naar links vliegend of in de tegengestelde richting van de reis, gelden als ongunstig.

Het bovenaardsche denkt de dajak zich ingericht als zijn eigen maatschappij; de geesten zijn begiftigd met menschelijke eigenschappen, evenals we dat in de mythologie van Grieken en Romeinen terugvinden. Er zijn enkele hoofdgoden, overal met verschillende namen aangeduid, die in den hemel wonen; de helder witte wolken zijn daarin de rotsen en dit is ook de verblijfplaats der zielen, welke soms ook in dieren huizen, b.v. apen of honden, van welke de eerste bij sommige, de tweede bij alle stammen goede verzorging ondervinden.

Daarnaast bestaan vele geesten, die zich overal in bevinden. Het onweer is de stem van een geest, het weerlicht zijn tong, de regenboog zijn lendenschort, dat te drogen wordt gehangen. In zooverre vindt de dajak zijne omgeving ook veel gemakkelijker te begrijpen dan wij, die dikwijls peinzen over het waarom der dingen of het doel van het leven, waarbij we toch geen antwoord vinden. De dajak denkt daar niet over, hij vindt alles verklaarbaar en leeft blijmoedig verder. Voor hem schijnt een dag, waarop hij niet gelachen heeft, een verloren dag te zijn!

Welk een verschil met den strakken javaan of maleier!

De eenige moeilijkheid echter voor hem is den wil der goden te kennen, de goden, die evenals zijne aardsche hoofden, maar dan veel strenger, kunnen straffen. Enkele mannen of vrouwen, die daartoe uitverkoren zijn, zijn in staat de verbinding tusschen den mensch en de geestenwereld tot stand te brengen. Om in extase te geraken, staren ze op een blinkend voorwerp onder rythmisch gezang der omstanders; hun ziel verlaat tijdelijk het lichaam en na terugkomst daarin weten zij den wil der goden en kunnen den vragenden mensch raad geven.

Of deze dajaksche heiligen-priesters betrouwbaar zijn, is mij niet bekend; van de romeinsche augures, die dezelfde diensten verrichtten, werd door het volk beweerd, dat deze elkaar op straat niet konden voorbijgaan zonder in lachen uit te barsten over de dwaasheden, die zij den menschen verkondigden. Wel genieten deze menschen bij de dajaks een zeker aanzien en verrichten zij ook diensten bij genezing van zieken. Ook is de wil der goden soms kenbaar door dieren en als zoodanig hecht de dajak groote waarde aan droomen; loopt b.v. een slang door het huis of droomt hij dit, dan is dit een ongunstig teeken en zijn de goden verstoord. Ziet hij in zijn slaap een huis instorten, dan staat hem ook allerlei kwaad te wachten. De geesten en goden denkt men zich als strenge rechters; bij niet opvolging van hun wil, straffen ze met misoogst, omslaan van handelsprauwen, veroorzaken van ziekten en andere narigheden. Onder dergelijke omstandigheden wordt de dajak bevreesd. Zoo zag ik in de boven Bahau het ladangwerk, dat al aardig gevorderd was, opgegeven, omdat er enkele sterfgevallen onder de bewerkers van het veld waren voorgekomen. Of deze families later gebrek aan rijst zouden hebben, daaraan werd niet gedacht. Men wist alleen, dat de goden ernstiger bezoekingen zouden zenden, als ze met de bewerking voortgingen.

Ons verblijf te Laham, hoe aangenaam het ook was, moesten we na 2 dagen beëindigen en thans dit laatste tipje van europeesche beschaving den rug toedraaiend, bereikten we na een flinken roeidag tegen den middag Ma Mehak, een groote half maleische, half dajaksche kampong. De maleiers hebben hier een handelscentrum gevormd, doen vandaar uit hun tochten meer naar het binnenland en voeren de verkregen producten naar beneden. Na deze kampong beginnen al spoedig de groote versnellingen; hier verlaten we dan ook het midden Mahakamgebied en komen in de bovengebieden. We onderscheiden de versnellingen in twee reeksen, de oostelijke en westelijke reeks: de eerste begint boven Ma Mehak en loopt tot het vroegere Long Dehò, tegenwoordig Batoe Kelaoe, een lengte van ongeveer 43 K.M., de tweede van Batoe Kelaoe tot Long Tepai met een lengte van ongeveer 22 K.M.

Aan de midden Mahakam worden hier en daar bronzout en steenkolen gevonden, hetgeen eene aanwijzing is, dat er meestal ook petroleum voorkomt. Hoewel er uit deze streken geen uitvoer van steenkool plaats vindt, weet de dajak deze zelf wel te gebruiken in zijn primitieve kampongsmederijen, bestaande uit meestal drie dikke, houten buizen met daarin passende houten zuigers; de lucht wordt afgesloten door een krans van vogelveeren. Aan de voorzijde van iedere buis iets boven den grond, bevindt zich een gat, waarin een dunne bamboe past; het uiteinde daarvan rust op den grond. De brandende steenkolen worden daarmee aangeblazen. Dit gebruik zal wel van de maleiers zijn overgenomen.

In deze echt bahausche kampong troffen we een man aan, die door zijn kamponggenooten in de gevangenis was gezet. Deze bestond uit een uit dikke boomstammen samengesteld hok en daar hij als krankzinnige was gebrandmerkt (hij had zijn eigen vrouw vermoord) had men zijn hals en beenen bovendien door een blok gehaald en daarbuiten vastgebonden. Deze maatregelen worden in de kampong steeds genomen, totdat het bestuur deze aangelegenheid nader regelt. Vroeger werden dergelijke menschen eenvoudig afgemaakt.

Het hoofd van Ma Mehak had juist een bericht gezonden naar dat van de meer stroomopwaarts gelegen kampong Long Moeroh, meldend dat een 50 man ongeveer, lieden uit de boven Barito, voornamelijk beruchte Bekompaiers, bezig waren zijn vogelnestjes te rooven. Er zijn toch verschillende hoofden, die zich rechten toekennen, welke ook erkend worden, op de in de vele holen en grotten voorkomende vogelnestjes, die een flinke handelswaarde vertegenwoordigen. Dikwijls worden ze vervoerd naar de boven Barito en daar verhandeld om de tjoekei--10% van de handelswaarde--te kunnen ontduiken. Hoewel het hoofd van Long Moeroh, zooals we den volgenden dag vernamen, zeer ontsteld was op het hooren van het bericht van de rooverijen, durfde hij toch niet zelf de maleiers tegemoet te gaan, bang als ze voor deze lieden zijn, maar riep hij de hulp van het bestuur in, aan welk verzoek we voldeden door bericht van een en ander te zenden aan den gezaghebber te Long Iram.