Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving

Part 2

Chapter 23,723 wordsPublic domain

Zijne verbanning door het gouvernement volgde onmiddellijk en thans leeft hij als balling te Menado. Het is niet te verwonderen, dat de sultans in deze gebieden aanhangers van het gouvernement zijn; vooral de beheerschers van Koetei behooren tot onze getrouwen. De macht, die een of ander sultan had, stond ook in het nauwste verband met den persoon van den zelfbestuurder of diens rijksgrooten. Waren deze krachtige persoonlijkheden, dan was hun macht grooter en konden zij bij misdrijven, begaan door dajaks, straffen opleggen, welke steeds bestonden in het betalen van sommen gelds of levering van groote hoeveelheden boschproducten, waarvan slechts een klein gedeelte aan de dajaksche hoofden werd afgestaan en de rest verdween in de zakken van den sultan en diens hof. Toch treft men wel overal eerbiedige vrees aan voor het sultansbestuur, soms zelfs wanneer de sultan zelf door het gouvernement is afgezet, al is dit later door allerlei knevelarijen (heffingen en belastingen) en de inmenging van het gouvernement weer veel minder geworden. Westenenk schreef indertijd over den sultan van Pontianak: "Vond vroeger reeds algemeen geloof, dat de sultan van Pontianak alles kon hooren en weten, wat aan de Kapoeas wordt gesproken en gedaan, na zijn bezoek (n.l. aan de boven Kapoeas in gezelschap van den toenmaligen resident Tromp), werd rondverteld, hoe, toen de sultan Boenoet bereikte, de dag plotseling nacht werd! en gretig wordt dit geloofd, als voortkomende uit des sultans "Kramat", waarbij zelfs de dajaks nu en dan zweren."

Ook de vrees van dr. Nieuwenhuis voor de macht van den sultan van Koetei, die niet gaarne inmenging zag in de afgelegen bovenstreken, bracht hem er toe zijn beroemden tocht niet te beginnen aan de oost-, maar wel aan de west-zijde, van Pontianak uit, de Kapoeas op, waar dit bezwaar blijkbaar niet gold. Op het bericht van zijn komst is dan ook door alle hoofden in de boven Mahakam vergaderd met het doel dr. Nieuwenhuis te vermoorden. Alleen het machtig woord van Kwing Irang heeft hen van die euveldaad kunnen afhouden; ware deze man er niet geweest, dan had Nieuwenhuis waarschijnlijk het lot van Müller ondergaan. Dat de sultans overigens vrij spel hadden, was voor een niet gering deel te wijten aan het gouvernement zelf, hetwelk zich weinig moeite getroostte voor de bovenstreken, terwijl het moeilijke opvaren van de rivieren door de gevaarlijke stroomversnellingen den bestuursambtenaren den lust ontnam zich langs dien weg een eenigszins langdurig verblijf in de bovenstreken mogelijk te maken.

Thans is dit alles echter veranderd door de meer intensieve bemoeiingen van het Gouvernement en al worden de sultans erkend in hun waardigheid van zelfbestuurder, toch heeft de bestuursambtenaar, die hun als adviseur is toegevoegd, heel wat in de melk te brokken en wordt zelfs een last eerder opgevolgd, wanneer die uit het kantoor van den controleur dan wanneer die uit het paleis van den sultan komt.

Long Iram is een vriendelijk aangelegd plaatsje, hoog op den oeverwand van de rivier gelegen, opgericht in 1900 door den toenmaligen controleur Barth, den pionier van deze gebieden. Het heeft uitvoer van rotan, getah, vogelnestjes en bijenwas en wordt bewoond door maleiers, boegineezen en chineezen.

Het gebied, waarvan Long Iram de voornaamste plaats is, beslaat eene oppervlakte van 2/3 maal ons land en heeft eene bevolking van ± 10000 zielen. De eenige weg, die naar boven voert, is de rivierweg. Wel zijn pogingen gedaan een landweg te vinden; in 1912 is met de opname begonnen, maar in 1915 werd deze gestaakt. De bedoeling was een geschikte verbindingsweg te zoeken met Apo Kajan, waarheen geregeld vivres voor de aldaar gestationneerde militairen moesten worden gezonden, daar de rivier dikwijls groote moeilijkheden in den weg legt en er vele dagen mee heen gaan om Long Nawang, het voornaamste dorp in Apo Kajan, te bereiken.

Ik deed er indertijd 40 dagen over en dat was nog gunstig; het is wel voorgekomen, dat men er tweemaal zoo lang over deed. Om een idee te geven van de afzondering van deze gebieden en de slechte verbinding, moge dienen, dat het uitbreken van den wereldbrand in 1914 eerst twee maanden daarna in Apo Kajan bekend was; ik bevond mij toen te Semangka in Zuid-Sumatra; ook daar duurde het nog 14 dagen, voordat de berichten tot mij doordrongen.

Het Mahakamgebied wordt bewoond door verschillende stammen, welker opsomming hier overbodig mag heeten, van welke echter de Bahau's en de Long Glats de voornaamste zijn.

Het stamland dezer dajaks moet gezocht worden in Apo Kajan, vanwaar ze echter verdreven werden door de krijgszuchtige Kenja's, die op hun beurt wederom verjaagd werden uit Serawak door de sterkere Hebans. Dit moet ongeveer 200 jaar geleden zijn geweest. Tot de kleinere stammen behooren de Pnihings en de Sepoetans, die aan de boven Mahakam wonen en waarschijnlijk afkomstig zijn uit West-Borneo; het zijn zwervende stammen, weinig talrijk en het minst beschaafd. Ze hebben veel aanraking met het in de Westerafdeeling van Borneo gelegen Poetoes Sibau, spreken bijna allen maleisch en zullen wel gedoemd zijn uit te sterven of zich op te lossen in de maleische bevolking, hetzelfde proces dus, dat we aantreffen in Zuid-Borneo, waar men zelfs in plaatsen als Moeara Tewé en Poeroek Tjahoe, dagen lang de Barito op, bijna geen dajaks meer aantreft.

Tot de minst onbeschaafde stammen behooren de Bahau's en Long Glats, van welke de laatste de krachtigste, maar de eerste het meest talrijk zijn. Zij bewonen thans het midden en gedeeltelijk boven Mahakamgebied en troffen bij hun aankomst in deze gebieden weinig menschen aan, die allen naar het beneden gedeelte van de rivier werden gedreven en thans in geringe getale zich nog ophouden in het Koeteische en ten zuiden van Long Iram in de kampong Moejoeb, op de grens van Koetei en het boven Mahakamgebied.

Kajans, ook afkomstig uit Apo Kajan, treffen we ten slotte alleen nog in de kampong Long Bloeoe. Hun aantal is gering, maar neemt steeds toe.

Welk eene dichterlijke opvatting deze dajaks over hun vaderlandsche geschiedenis en over het leven en streven hunner vaderen hebben, moge blijken uit het volgend verhaal, hetwelk ik uit den mond van kapitein Sitsen, die lange jaren in de dajaklanden van Oost-Borneo doorbracht, opteekende over den stam der Sepoetans.

Deze moeten oorspronkelijk gewoond hebben langs de boven Mahakam tot aan de westelijke kihamreeks bij het vroegere Long Dehò, thans Batoe Kelaoe. Onder de regeering van hun vorst Kadji Hiroe kwamen zij in minder aangename aanraking met maleiers en voerden zelfs strijd met hen. Het gevolg hiervan was, dat de Sepoetans meer stroomopwaarts de Mahakam optrokken. Hun rust was hier echter niet van langen duur, weer werden ze door maleiers bestookt en vestigden zich nu aan een der zijrivieren van de Mahakam bij Long Tawang. Hier speelt zich de legende af, dat Kadji Hiroe, eigenlijk een afstammeling uit den hemel, een schildpad aan zijn lans rijgende, plotseling bemerkte, dat deze in een gong veranderde. Later bij een hongersnood werd deze verkocht en thans moet hij zich te Batoe Salah bevinden. Bij Long Tawang echter hield de verontrusting door de maleiers op, maar thans waren het de goden zelve, die het op hun rust hadden voorzien. Kadji Hiroe bemerkte namelijk op een zekeren dag, dat het rotsblok, waarop hij zat te visschen, plotseling heen en weer schudde en een stem beval hem van hier te verhuizen. Hieraan werd gehoor gegeven. Kadji Hiroe stierf in dien tijd en na de gebruikelijke verbodstijden te hebben afgewacht, verhuisde zijn zoon Bo Aran naar Data Riang. Vanhier uit zijn de verschillende Sepoetan-kampongs ontstaan, die nog geregeerd worden door afstammelingen van Kadji Hiroe, de tegenwoordige hoofden Hau en Batang Ngalau.

Den tocht langs de Mahakam zou ik meemaken met een militair vivrestransport naar Long Nawang. Bij onze aankomst waren allen reeds druk in de weer en de prauwenvloot, bestaande uit 44 groote exemplaren, begon reeds hare voltooiing te naderen. Het geheel zou staan onder leiding van luitenant Simons, terwijl Dr. Stoltz zijne bestemming naar Long Nawang zou volgen en wij dus tevens geneeskundige hulp gedurende den tocht zouden hebben. De 250 dajaksche roeiers, gedeeltelijk bestaande uit Kenja's en gedeeltelijk uit Bahau's waren reeds aangekomen en hielpen flink mede aan onze vloot. Daar ik na Long Nawang den tocht verder alleen zou voortzetten naar Boeloengan, kreeg ik als tolk mede Oemar, die indertijd reeds dezelfde reis had gemaakt met assistent-resident Spaan en die mij later ook zou volgen op mijn tocht naar Nieuw-Guinee, terwijl verder als vertrouwde nog meeging Soera Oenjang, die indertijd reeds den tocht naar het Sneeuwgebergte met Mr. Lorentz medemaakte en daarna de bronzen ster van verdienste verwierf. Beide mannen hebben mij trouw geholpen.

Werkelijk interessant is het om te zien, welk eene handigheid de dajaks bezitten in het maken van prauwen. Een 20 à 25 jonge mannen, bewapend met bijl (belioeng) en prauwschaaf (bikoeng) trekken vroolijk het bosch in, zoeken een dikken boom uit, geschikt voor hun doel; onmiddellijk weerklinken de bijlslagen en het duurt niet lang of de woudreus begint te kraken, om kort daarna onder vreeselijk geraas neer te vallen onder vroolijk gejuich van de dajaks. Thans vallen allen op hun prooi aan, het is een hakken, dat hooren en zien vergaat en dit houdt niet eerder op dan nadat de bovenste helft van den boom geheel versplinterd is en de onderste helft overblijft om tot prauw gemaakt te worden. De knapste onder de knappen geeft ruw het model aan en zoodra dit is geschied, vallen allen weer aan en begint het gehak en geklop opnieuw, totdat al spoedig het model is te zien. Een bewonderingswaardigen kijk hebben die menschen op dergelijk werk. De rondingen worden nauwkeurig aangebracht met de prauwschaaf en zoolang doorgehakt, totdat de bodem een dikte van ongeveer 2 vingers heeft; met een boor wordt een gat in den bodem gemaakt, om daardoor de dikte te kunnen controleeren. Intusschen zijn anderen reeds bezig met het aanmaken van de boorden, lange planken, welke met rotan op den bodem worden vastgebonden, nadat hiertusschen bij wijze van pek een zachte sponzige lat is aangebracht, verkregen uit het binnenste van de nerf van een palmblad, nadat het geplet is om door de vocht beter te kunnen uitzetten. Van voren en van achteren wordt de prauw met plankjes afgesloten, welke dikwijls met keurig snijwerk worden versierd. Is de prauw ten slotte nog gebrand en zijn de roeiriemen aangemaakt, dan is ze gereed en onder vroolijk gejuich wordt deze te water gelaten. Twintig jonge mannen zijn meestal in een dag of drie met een dergelijk werk gereed. Meestal is de prauw zóó gemaakt, dat ze naar rechts overhelt, omdat naar links overhellen een ongunstig teeken is. Bij het laden der prauw wordt hiermede rekening gehouden. Al naar gelang de makers er zin in hebben, wordt de prauw met allerlei figuren versierd en bewondert men reeds hun vaardigheid bij het maken van de prauwen zelf, nog meer geldt dit voor deze snijkunstenaars, die bij het bezichtigen van een vormloos, ruw bekapt stuk hout, het concept kunnen vormen van het daaruit te voorschijn te roepen grillige en fantastische, doch immer van mooie lijnen getuigend beeld.

Eindelijk sloeg het uur van vertrek en nadat we allerhartelijkst afscheid hadden genomen van de gastvrije familie Landzaat, vertrok onze vloot onder de lustige tonen van de aanwezige "slomprets". Het was een schoone dag en vroolijk gingen we voorwaarts.

Denzelfden dag nog kwamen we--hoewel lang niet allen tegelijk--in de dajakkampong Long Klian aan.

Het vrouwelijk hoofd van deze kampong Hadji Boea ontving ons allervriendelijkst en welbespraakt als ze is, had ze ons dadelijk allerlei nieuws te vertellen en wilde ze van ons ook allerlei dingen weten. Zij had Dr. Nieuwenhuis zeer goed gekend en sprak waardeerend over hem; eveneens over Barth, Spaan en andere bestuursambtenaren.

's Avonds was er ter onzer eere groot dansfeest. Door eenige aardige Bahau-meisjes werd een zwaardendans uitgevoerd, begeleid door de tonen van kledi en sampè, waarmede zich eenige verliefde jongelingen belastten. Aan hun blikken en lonkoogen was duidelijk te zien, wie van de schoone danseressen zij tot vrouw begeerden. De danspassen werden keurig uitgevoerd, gepaard met allerlei bewegingen van lichaam en armen. Na afloop hiervan kregen we een tooneelspel in één bedrijf, uitgevoerd door drie mannen, waarvan één verkleed als vrouw.

Hadji Boea, zelf reeds op leeftijd, is een intelligente dajaksche vrouw, welke eenige jaren geleden de bedevaart naar Mekka volbracht; ze is nu gehuwd met een jongen Bandjarees Abdullah, die dit blijkbaar deed om de gunstige handelsbetrekkingen, die daardoor ontstonden. De maleiers toch vormen de verbinding tusschen de dajaks en de buitenwereld; zij zijn het, die de binnenlanden intrekken, de boschproducten verzamelen of inkoopen en deze daarna weer van de hand doen aan chineesche of arabische handelaren. Dat de dajaks van dezen handel dikwijls de dupe worden, behoeft geen betoog, al is dit de laatste jaren door inmenging van bestuursambtenaren veel verbeterd.

Huwelijken van dajaksche vrouwen met maleiers komen meermalen voor; omgekeerd niet. De vrouwen gaan in zulk een geval meestal tot den Islam over; ze blijven echter in de kampong wonen. Na eene eventueele echtscheiding keeren ze meestal weer tot het oude geloof terug. Zelfs huwelijken met europeanen komen voor.

In Long Klian troffen we een echt Bahau-huis aan. Een dajakkampong bestaat slechts uit enkele huizen; elk op zichzelf een combinatie van woningen van meerdere families. Langs den voorkant loopt eene doorloopende galerij, terwijl daarachter zich de afgeschoten kamers bevinden. Dit model wordt ook door de Kenja's gebruikt, maar de palen, waarop de huizen rusten, zijn lager dan die der Bahau's. In het midden is meestal de woning van het dajaksche hoofd, kenbaar aan het hoogere dak, terwijl ook de voorgalerij van dit gedeelte meer naar voren steekt. Meestal is dit beter afgewerkt, de pilaren zijn met snijfiguren versierd, terwijl de wand tusschen woning (lamin) en voorgalerij (awa) dikwijls beschilderd is met het bekende naga- of drakenmotief. Een ingekeepte boomstam geeft toegang tot de huizen. Een eenigszins afwijkende vorm hiervan vertoont het Long Glattype. Ook dit is op palen gebouwd, maar de galerij bevindt zich onder het huis; een trap geeft hier toegang tot de daarboven gelegen familiekamers; het trappengat wordt met een luik gesloten. Vanuit de galerij kan men naar buiten zien, terwijl deze gebruikt wordt voor huishoudelijke bezigheden, zooals stampen van rijst, bergen van rotan, ontvangen van gasten. Een dergelijk model vertoont het huis van Bang Djoek te Batoe Kelaoe; hier steekt het huis van het hoofd boven dat der anderen uit. Ook komt het reeds voor, dat de huizen afzonderlijk worden gebouwd, zooals b.v. met bovengenoemd huis het geval is. De familiewoningen zijn hier dikwijls door kleine openingen, al of niet door een deurtje gesloten, verbonden.

Daar het water ons gunstig was, konden we reeds den volgenden morgen vroeg het gastvrije huis van Hadji Boea verlaten. 's Morgens vroeg was er reeds gekookt voor den tocht onderweg, alle goederen werden weer door de dajaks voorzichtig in de prauwen gelegd en nadat we hartelijk afscheid genomen hadden, uitgeleide gedaan door bijna de geheele kampong, gingen we weer welgemoed verder; denzelfden dag konden we dan ook nog Ma Mehak Tebo bereiken, een flinke Bahau-kampong. Het zaai- of toegalfeest was hier in vollen gang, zoodat het dan ook verboden was de meeste huizen binnen te gaan (lali), hetgeen door een teeken op de deur, waaraan een bosje takken, hout of iets dergelijks gebonden wordt, duidelijk was gemaakt. Toen ik bij vergissing een dergelijk huis binnenging en daarover mijne verontschuldigingen aanbood, werd mij dit echter in het minst niet kwalijk genomen; het gold slechts voor lieden van den eigen stam, dajaks en maleiers, niet voor europeanen.

Voor de huizen waren allerlei figuren opgesteld, kunstig versierd met allerlei bladeren en houtkrullen, welke dienden om de booze geesten af te weren, die een slechten invloed op den oogst zouden kunnen uitoefenen.

Dat het toegalfeest--noegal beteekent het vieren van een dergelijk feest--, eene belangrijke plaats in het dajakleven inneemt, behoeft geen betoog, daar het gelukken van den oogst voor hen eene levenskwestie is. Zoowel de Bahau als de Kenja legt droge rijstvelden aan; door de mannen wordt een geschikt stuk grond uitgekozen, nadat door het hoofd de vogels of andere dieren geraadpleegd en de voorgeschreven verbodstijden zijn voorbijgegaan; vervolgens wordt het struikgewas gekapt en wanneer dit door de zon gedroogd is, in brand gestoken. Nadat vervolgens nog de groote boomen zijn omgehakt, is de grond gereed voor het zaaien met de pootstokken. Zoo mogelijk wordt met het zaaien gewacht tot op den dag, dat de zon op een bepaald punt van den horizon ondergaat. Niet alleen bij de dajaks is dit het geval. Ook de bewoners van Boeloengan langs de kustgebieden, de maleiers, wachten met het planten, totdat het sterrenbeeld Orion (maleisch bintang tiga) een bepaalden stand heeft aangenomen, hetgeen ieder jaar op dezelfde tijdstippen plaats vindt, aangezien Orion haar baan in denzelfden tijd aflegt als de zon. Van andere streken uit Indië is dit eveneens bekend, o.a. uit Palembang, waar de bepaalde stand moet worden waargenomen bij het doorkomen van de morgenschemering.

Is het werkelijke zaaien begonnen, dan begeven allen zich naar het veld, maar het gebeurt wel, dat slechte voorteekenen de werkzaamheden alsnog verhinderen. Vooral de eerste dag is belangrijk. Ziet men b.v. een ree over het veld loopen, ontmoet men een waarzeggingsvogel, die naar links opvliegt, ontdekt men een roodkoppige slang, die den kop richt in de richting van het huis of breekt een ernstige ziekte uit, dan zullen allen onmiddellijk terugkeeren en zal men in plaats van rijst iets anders planten. De dajak is echter slim; om dergelijke ongunstige teekenen niet te zien, gaat hij bij voorkeur 's nachts naar het veld.

Om het moeizaam heen en weer trekken naar de ladangs te voorkomen, bouwt men daarop--indien deze ver van de kampong verwijderd zijn--kleine, tijdelijke woningen (lepau), waardoor het verband in een kampong dikwijls verloren gaat. Meermalen gebeurt dit opzettelijk, omdat een gedeelte der kampongbewoners het niet kan vinden met het hoofd, hetgeen dan een lange reeks van moeilijkheden tengevolge heeft, waarvan de oplossing den bestuursambtenaar dikwijls vele zorgen baart.

De religieuse feesten, die men gedurende den rijstbouw pleegt te vieren, zijn bij verschillende dajaks verschillend, maar aan alle ligt de begeerte ten grondslag, de geesten, die te veld staande gewassen zouden kunnen schaden, tevreden te stellen en gunstig te stemmen. Daarom mogen vreemdelingen ook nooit deze feesten bijwonen, daar dezen de geesten zouden verschrikken en ergeren.

Op den eersten dag van het plantfeest mag niet gebaad worden; daarna volgt eene rustperiode van acht dagen, terwijl op den tienden dag wederom het badverbod in werking treedt. In de volgende periode worden de groote velden beplant, waarna het rijstplanten na nog één dag badverbod is afgeloopen.

Gedurende de gedwongen rusttijden houden de dajaks zich met allerlei huiselijke dingen bezig en tevens met de voorbereidingen voor de groote maskerdansen. De maskers (hoedò) stellen alle booze geesten voor (zie afb. 19 en 20). De lichamen der dansers worden bedekt met in lange reepen gespleten pisangbladeren en aldus uitgedost worden de dansen, begeleid door een gong, uitgevoerd. Het gelijkt veel op het javaansche tandakken, maar ook krijgsdansen worden uitgevoerd, soms geheele voorstellingen gegeven.

Worden deze feesten reeds met veel animo gevierd, de glansrijkste hebben wel plaats met nieuwjaar, wanneer de oogst is binnengehaald en de schuren vol rijst zitten. De mooiste kleeren, die steeds zorgvuldig bewaard worden, worden voor den dag gehaald en iedereen leeft acht dagen lang in een roes van feestvieren en smullen; vreemdelingen zijn thans welkom. Alle gewichtige familiegebeurtenissen worden zooveel mogelijk tot deze dagen verschoven: de kinderen krijgen thans hun werkelijken naam, bruiloften worden gevierd en wat niet al. Thans is het de tijd, dat de maleische handelaren naar boven gaan en tegen dikwijls hooge prijzen hun prulwaren aan den man weten te brengen; iedereen is royaal en iedereen wil zich gedurende de feesten zoo mooi mogelijk maken.

Op den bepaalden dag worden onder dankzeggingen der priesters groote offers, bestaande uit allerlei lekkernijen, verzameld in het huis van het hoofd en door de gansche kampong bijeengebracht aan de geesten geofferd om hen te danken voor den overvloedigen oogst, waarna nog meerdere dagen van overvloedige diners plaats hebben, totdat in de kampong weer de rust van elken dag weerkeert. In de Mahakam-gebieden worden bij dergelijke gelegenheden geen sterke dranken gedronken, echter wel in overig dajakland.

In Ma Mehak troffen we de eerste christen-dajaks aan, leerlingen van de eenige dagen stroomopwaarts gelegen school te Laham. Het was duidelijk, waar deze woonden, weinige als ze zijn. Op de deur van hun woningen toch waren portretten van den Paus, afbeeldingen van Christus en verschillende crucifices vastgehecht als onheilafwerende djimats.

Ook deze kampong wilden we zoo spoedig mogelijk weer verlaten; een snel opkomende bandjir belette ons dit echter, welke ons niet alleen den volgenden dag, maar zelfs meerdere dagen ophield.

Op dergelijke tochten echter raakt men aan een zoodanig oponthoud gewoon; het is wel voorgekomen, dat ik tien dagen in een eenzaam boschbivak moest wachten voor eene stroomversnelling, omdat het water maar woest bleef voortbruisen. Maar eindelijk konden we doorreizen en nadat we Long Howong waren gepasseerd, waar juist groot geestenbezoek was geweest, hetgeen bleek uit de vele vóór de kampong opgestelde voorwerpen, bereikten we eindelijk Laham, den katholieken zendingspost, waar we allervriendelijkst door Pastoor Goossen werden verwelkomd. Toen we de laatste bocht namen en Laham in het gezicht kregen, was het werkelijk aardig het echt hollandsch gebouwde kerkje te zien, uit hout opgetrokken en staande op hooge palen met het oog op bandjirs. Rustig en fier verhief zich het hollandsche torentje temidden der dajaksche omgeving; we meenden een oogenblik weer in Holland te zijn en even dwaalden onze gedachten af naar een hollandsch dorp.

De zending bestaat hier sedert 1908, gesticht door de orde der Capucijners, wier algemeen hoofd te Rome zetelt. Van de orde vormen Nederland en zijne koloniën eene z.g. provincie onder prefecten. De prefect van Borneo is te Pontianak gevestigd; ook Laham ressorteert hieronder.

Gedurende ons verblijf was de prefect, een echt middeleeuwsch monnikentype, juist op inspectie.

Bij de vestiging behoort eene zendingsschool, welke eene gouvernementssubsidie geniet; er zijn ongeveer 35 leerlingen met een menadoneeschen onderwijzer, allen intern en op nette wijze ondergebracht. We bezochten den volgenden dag de school, waar eenige liederen ten gehoore werden gebracht; zelfs ons volkslied werd gezongen in het hollandsch en in het maleisch. Met hun frissche stemmen zongen ze van Neêrlands vlag: merah, poetih, biroe! Merah, rood, eischt eerbiediging voor God en Koningin; poetih, wit, een rein hart; biroe, blauw, stelt de Vorstin als voorbeeld van hechte trouw!