Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving
Part 14
We zagen reeds hoe hopeloos de bewoners bij hun hoofden in de schuld geraakten en het was bijna ondoenlijk deze ooit af te doen. Trouwens de hoofden zouden dit ook niet gaarne gezien hebben; ze namen er genoegen mee als de menschen van hen afhankelijk bleven, in hun kampongs bleven wonen en daardoor niet weinig hun aanzien vermeerderden. Dit vermomde pandelingschap zal dan ook wel blijven bestaan, zoolang nog troepen boschproductenzoekers het bosch ingaan. Verbetering zal eerst mogelijk zijn, wanneer de bevolking zich meer intensief op den landbouw gaat toeleggen; eerst dan kan hij zelfstandig worden; maar nog steeds is het grootste gedeelte van de maleische bevolking er aan gewend een gedeelte van het jaar in de bosschen te vertoeven, daar veel ontberingen te lijden, doch dan bij thuiskomst niets meer uit te voeren en het verdiende te verteren. Is alles op en heeft men zooveel schulden gemaakt, dat men het niet meer houden kan en onaangenaam door crediteuren wordt lastig gevallen, dan trekt men het bosch weer in. Het zorgen voor de ladangs geschiedt door de vrouwen en kinderen, alleen bij het zware werk als boschkappen en branden helpen de mannen. En toch zou dit voor den boeloenganees de eenige manier zijn om zich vrij te maken; ook de sawah vereischt voor hem veel te veel werk. Op enkele plaatsen, waar de velden wat intensiever worden bewerkt, geschiedt dit door bandjareezen of andere vreemdelingen, die zich eerst in later jaren zijn komen vestigen.
Zoo schreef controleur van Walchren jaren geleden en nog steeds is dit van kracht.
We zagen reeds, dat de inlander onder het vroegere sultansregime heel wat had op te brengen: we noemden reeds de invoerrechten op ingevoerde artikelen en 10% van de uit te voeren boschproducten, dat aan den sultan geofferd moest worden. Om de bosschen in te trekken, moest men voorzien zijn van een pas, welke idem zooveel kostte; verder hadden alle dajaksche en later ook de tidoengsche gezinnen, d.w.z. de onderworpen volken dus, de z.g. boeïs op te brengen, eene heffing in geld of natura ter waarde van 5 gulden, welke door de dajaksche hoofden en vertegenwoordigers van den sultan werden geïnd en geheel ten bate kwam van den sultan. Ten slotte had men dan nog de z.g. "poeloehan", (d.i. 1/10 gedeelte), waarbij de boeloenganees een tiende gedeelte van de geoogste rijst aan den sultan afstond. Het is te begrijpen, dat de bevolking dit niet altijd met genoegen deed en dit waren dan nog alleen maar de officieele; de heimelijke knoeierijen om den inlander af te zetten had men buitendien nog. In haat tegen belastingen behoeft de inlander dan ook niet voor den europeaan onder te doen.
Even bovenstrooms van Pangian treft men de kiham Raja aan, welke vroeger zeer gevaarlijk was, maar thans beter te bevaren is, nadat men in 1910 groote en gevaarlijke gedeelten met dynamiet heeft laten springen. Deze kiham bestaat uit een geheele reeks stroomversnellingen, welke bij de dajaks verschillende namen dragen. De rivier breekt hier door het zandsteengebergte heen en is afwisselend zeer breed en zeer versmald, terwijl de bedding met rotsblokken bezaaid is. Ook de oevers bestaan uit groote, op elkaar gestapelde rotsblokken, hetgeen het naar boven gaan zeer lastig maakt, daar de boothaken hier geen steunpunt vinden en men de prauwen dus niet op de gewone wijze vooruit kan trekken. Bij laag water zijn de moeilijkheden echter niet heel groot, maar bij bandjir is het geheel onmogelijk deze stroomversnellingen en watervallen te passeeren. Beneden de kiham Raja kan men zeggen, dat de benedenloop der Kajan begint, terwijl als middenloop der rivier te beschouwen is het gedeelte tusschen de Kiham Raja en de Bem Brem.
Voor de monding van de Kajan ligt het eiland Tarakan, waar olie wordt gewonnen. Deze is zeer zwaar, bevat bijna geen lichtpetroleum en is tot nog toe alleen als brandstof--residu, liquid fuel--gebruikt; ook die uit de boven niveaux der Koeteiterreinen is arm aan kerosine, die uit het benedenniveau is daaraan rijker en bevat ook vrij veel parafine. De aangeboorde olie loopt bij voldoenden gasdruk vanzelf uit het boorgat of wordt daaruit kunstmatig--volgens verschillende boorsystemen--aan de oppervlakte gebracht. De uitvloeiende olie is dikwijls met meer of minder--meest zout--water vermengd, terwijl ook niet zelden slijk en andere verontreinigingen worden medegevoerd. Zie afb. 70, waar we een plotseling uitgebroken spuiter zien afgebeeld. Is dit het geval, dan wordt daarop, met groote moeite dikwijls een z.g. "klok" aangebracht, een dikke, van boven gesloten buis, welke bewerkstelligt, dat de opgespoten olie langs de wanden naar beneden valt, waarna deze wordt verzameld in groote bakken met aarden wallen en vervolgens wordt gevoerd naar tanks om daar eenigen tijd met rust gelaten te worden ter bezinking van alle niet olieachtige stoffen; daarna wordt zij naar de raffinaderijen gebracht, meestal met behulp van sterke pompen door pijpleidingen. Door distillatie en verdere bewerkingen worden in die fabrieken uit het ruwe product gewonnen: benzine, kerosine (licht-olie), motor-olie (zware olie), machineoliën, parafine, asfalt en residu.
De koninklijke maatschappij tot exploitatie van aardoliebronnen in Nederlandsch-Indië, kortweg de "Koninklijke" genoemd, werd in 1890 opgericht met een kapitaal van f1.300.000, terwijl de Dortsche Petroleummaatschappij, begonnen in 1887, in 1889 haar eerste olie leverde. Men kan zich thans niet voorstellen, dat de thans zoo machtige wereldlichamen, in den beginne zoovele moeilijkheden hebben ondervonden, maar dat door het werk van enkele groote mannen de maatschappijen geworden zijn tot wat ze thans zijn. De groote man voor Borneo was J. H. Menten, die in 1889 met den sultan van Koetei eene overeenkomst sloot, waarin hem concessie werd verleend voor de winning van petroleum op een terrein aan de Sanga-Sangarivier in de buurt van Samarinda, de concessie "Louise", welke in 1891 door de regeering werd goedgekeurd en in 1899 overging op de nederlandsche industrie- en handelmaatschappij te Amsterdam. Naast deze concessie had men nog de Koetei- en de Tarakan-exploitatiemaatschappijen, deze laatste oorspronkelijk van den Schot Cameron, welke echter later een royalty-contract sloten met de hoofdmaatschappijen. Ten slotte had de heer Menten nog eene concessie rondom de Balikpapanbaai.
Dat de opbrengst aan aardolie op Borneo van belang is, moge blijken uit het cijfer voor 1913, dat 756000 ton bedroeg of bijna de helft van alle aardolie uit den archipel, welke behalve op Borneo, nog gewonnen wordt op Java, Sumatra en--hoewel in geringe mate--op Ceram.
Ten noorden van de Kajan heeft men de prachtige, breede Sesajaprivier, welke ontstaat uit de samenvloeiing van drie op het centraalgebergte van Borneo ontspringende bergstroomen, nl. de Mentarang, Toeboe en Melinau. Benedenstrooms draagt ze den naam van Sesajap, tot welk punt deze rivier voor groote schepen bevaarbaar is, al kost dit soms bij bandjir groote moeite. De rivier is over het algemeen zeer breed en diep en gemakkelijk te bevaren. Aan de monding is ze meer dan een zeemijl breed, welke geleidelijk afneemt, terwijl de diepte afwisselt van 3 tot 9 vadem. De Sesajapdelta bestaat uit een aantal groote en kleine eilanden, waartusschen de rivier in 3 mondingen uitmondt, welke alle voor zeeschepen bevaarbaar zijn. Het is jammer, dat in deze afgelegen gebieden niet meer handel en vertier zijn; de scheepvaart zou hier geene moeilijkheden ondervinden en hout o.a. zou er in groote hoeveelheden te vinden zijn.
Ook de Sembakoengrivier is voor zeeschepen te bevaren en voldoende breed en diep om over een lengte van 45 zeemijlen tot aan de Soengei Tagoel bevaren te worden. Plaatselijke bekendheid is hier echter een vereischte.
De Sembakoengrivier ontspringt op engelsch gebied; de hoofdrivier ontstaat uit de samensmelting van de Soengei Sedalir en Pensiangan. Deze laatste voer ik eens op om met den engelschen bestuursambtenaar op de grens van ons gebied, te Semendapi, besprekingen te houden. De tocht daarheen duurde eenige weken, doordat de rivier vele stroomversnellingen telt, waaronder enkele zeer gevaarlijke. Op de grens van het nederlandsche en het engelsche gebied ligt nog de Simenggaris, eene rivier, welke van weinig belang is. Deze grens loopt verder dwars over het eiland Sebatik, dat aldus in een hollandsch en engelsch gedeelte wordt gescheiden. Op het engelsche gedeelte bevindt zich het bekende kolenstation.
We zagen reeds, hoe het grootste gedeelte van Oost-Borneo wordt ingenomen door zelfbesturende gebieden, onder welke dat van Koetei wel het voornaamste is. Daar er groote verschillen bestaan tusschen rechtstreeks bestuurde of gouvernementsgebieden en zelfbesturen, is het hier wellicht de plaats in het kort daarover iets in het midden te brengen. In de eerste worden de overheidsfuncties uitsluitend uitgeoefend door of namens het gouvernement, terwijl de bestuursambtenaren ieder in hun ressort verantwoordelijk zijn voor den loop van zaken; in het zelfbestuursgebied daarentegen worden de overheidsfuncties slechts gedeeltelijk door het gouvernement uitgeoefend, hoofdzakelijk echter door inlandsche vorsten met hun rijksgrooten, zooals op Borneo het geval is. Voor den bestuursambtenaar maakt dat een groot verschil. Is deze in gouvernementsgebieden degene, die alles regelt namens het gouvernement, in zelfbestuursgebieden is hij als het ware de adviseur van den inlandschen vorst. De sultan is eigenlijk degene, die besluiten uitvaardigt, regelingen treft, al is dit dan ook met medeweten en goedvinden van de europeesche bestuursambtenaren. Dit is volgens de officieele bepalingen, maar in de practijk zien we dikwijls anders; meermalen toch is de bestuursambtenaar degene, die ook hier regelend optreedt, den sultan besluiten ter teekening voorlegt, hetgeen deze meestal goedvindt, wat zijn grond vindt in den natuurlijken afkeer van inlandsche vorsten hun landschapsaangelegenheden zelven te regelen, maar tevens ook in het feit, dat toen het gouvernement zich met de landschapszaken ging bemoeien, er in korten tijd zooveel moest gedaan worden, waar de zelfbesturen niet het flauwste begrip van hadden, dat men er wel toe moest komen de eerste regelingen zelf te ontwerpen om aldus een begin te maken met de reiniging van den Augiasstal, primitieve wantoestanden en verouderde begrippen. Toch schijnt het wel degelijk in de bedoeling van de Regeering te liggen de zelfbesturen te handhaven, hetgeen reeds in het "Beginselprogramma" van den Gouverneur-Generaal van Heutsz werd vastgelegd en later meermalen werd bevestigd.
De verhouding tusschen Nederland en de zelfbesturende rijken heeft in eene lange historische ontwikkeling allerlei vormen aangenomen. De Oost-Indische Compagnie had oorspronkelijk slechts den handel ten doel en sloot overeenkomsten met inlandsche vorsten om zich het monopolie te verzekeren; zij stonden tegenover elkaar als gelijkgerechtigde internationale machten. Later zijn verhoudingen gevolgd van engere verbondenheid, doordat de Compagnie dikwijls gedwongen was gewapend op te treden om haar verkregen rechten te handhaven. In deze periode bleven dus de inlandsche rijken nog als vrij bestaan. Sinds het begin der twintigste eeuw kwam ook hier wederom verandering in, toen in verband met de expansiepolitiek dier jaren de laatste inlandsche rijken hun internationaal bestaan verloren. In alle thans geldende contracten en verklaringen is door de zelfbesturen uitdrukkelijk verklaard dat hun landschap behoort tot het grondgebied van Nederlandsch-Indië en dat zij mitsdien Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, vertegenwoordigd door den G.-G. als wettige gebiedster erkennen. Thans zijn dus beide niet meer "gelijkwaardige" partijen; het gebied der inlandsche vorsten werd indirect ons gebied, hun onderdanen werden indirect onze onderdanen, waaruit wel blijkt, dat de zelfbesturen een hoogst eigenaardige positie innemen, wat in de practijk dan ook dikwijls aanleiding tot moeilijkheden geeft. Zoo was er meermalen verschil van opvatting tusschen de gouvernementsambtenaren en den sultan van Boeloengan, en het valt niet te ontkennen, dat er in de buitengewesten herhaaldelijk met ruwe hand in de inheemsche zelfbestuursorganisatie is ingegrepen en de "bureauheeren" regelingen uitdachten om eene inrichting te verkrijgen, die bij onze opvattingen paste.
Ook de persoon van den zelfbestuurder was niet vrij. Toen de sultan van Boeloengan eenige jaren geleden den wensch te kennen gaf een reis naar Holland te willen maken, werd dit niet goed gevonden. Mij is het nooit duidelijk geworden, waarom dit niet kon worden toegestaan, temeer daar in de tijdelijke vervanging zeer goed voorzien had kunnen worden. Zoo zijn er in de practijk vele moeilijkheden voor den bestuursambtenaar, welke vermoedelijk hun grond vinden in het feit, dat er neiging bestaat teveel de uniformiteit te betrachten, hetgeen wel gemakkelijk is, maar waarmede de practische belangen niet altijd gebaat zijn.
Onze verhouding met de zelfbesturen berust op contracten en verklaringen met dien verstande, dat zij met de beginselen, in gouvernementsregelingen vervat, rekening hebben te houden. Hierdoor wordt voorkomen, dat de zelfbesturen een staat in den staat zouden vormen.
In de contracten werden verschillende bepalingen vastgesteld, welke de zelfbestuurders beloofden stipt en getrouwelijk te zullen nakomen; zoo hadden zij het welzijn des volks te bevorderen, den landbouw, de nijverheid, den handel en de scheepvaart te beschermen; bepalingen betreffende concessies van landbouw of mijnontginning, in- en uitvoerrechten, belasting, politiezorg en rechtspraak waren opgenomen; menschenroof en slavenhandel mochten niet geduld worden, zeeroof moest worden tegengegaan, terwijl het volksonderwijs krachtdadig ondersteund moest worden.
Het is niet te verwonderen, dat vele zelfbestuurders in primitieve gebieden--sommige bepalingen stonden reeds jaren geleden in de oude contracten--niet in staat bleken, dit alles op te volgen en er in de practijk van hun regelingen dikwijls niet veel terecht kwam.
Nog een belangrijke bepaling was die betreffende de geldmiddelen. Den zelfbestuurders moest de idee worden bijgebracht, dat het landschap er niet was voor hun persoonlijk welzijn, maar dat de gemeenschap recht had op de opbrengst van belastingen, natuurlijke hulpbronnen enz. Alle landschapsinkomsten werden nu vereenigd in een landschapskas, waaruit alle landsuitgaven worden gedaan volgens eene begrooting en waarin ook de inkomsten van den bestuurder worden vastgesteld.
Ruim opgevat kan onze zelfbestuurpolitiek gunstig werken, maar het tempo moet men niet te vlug willen nemen; zoolang de zelfbestuurders--zooals in Borneo grootendeels--nog menschen zijn, die niet lezen of schrijven kunnen, noch ooit eenige bestuursopleiding, hoe gering ook, genoten hebben, moet men niet te veel in eens van hen verwachten, maar langzamerhand de toestanden trachten te verbeteren en vooral hen niet met te veel regelingen lastig vallen, daar ze toch al zoo veel te lijden hebben van aldoor wisselende bestuursambtenaren met aldoor wisselende inzichten. Eenige duidelijke bepalingen dienen te worden gegeven, waarover geen enkele bestuursambtenaar in het duister kan verkeeren, zoodat men niet de zelfbestuurders noodeloos voor het hoofd behoeft te stooten, wat in de practijk nog wel eens schijnt voor te komen.
Onze aanrakingen met Borneo's Oostkust zijn van vrij recenten datum. Wel bezocht reeds in 1635 eene nederlandsche vloot onder kapitein Pool Koetei en werden ook later, vooral door tusschenkomst van Bandjermasin, van tijd tot tijd van onzen kant betrekkingen met dat rijk onderhouden; maar toch werd eerst in 1825 een ernstige poging aangewend om deze duurzaam te maken, toen Georg Müller naar de Oostkust van Borneo werd gezonden en o.a. ook met Koetei een overeenkomst sloot, waarbij eene nederlandsche vestiging aldaar werd toegestaan. Müller echter werd op reis naar de Westkust vermoord, zoodat zijn komst te Koetei zonder gevolg bleef. Een mislukte poging van een Engelschman, Murray, om zich in 1843 te Koetei te vestigen, leidde eerst tot eene nederlandsche expeditie naar Koetei en daarna tot het sluiten van eene overeenkomst met den sultan--in 1844--waarbij de souvereiniteit van Nederland werd erkend. In 1846 werd de eerste assistent-resident te Koetei aangesteld, Van Dewall, die groote reizen in deze gebieden ondernam, welke van beteekenis waren voor onze kennis van Oost-Borneo. Nieuwe overeenkomsten werden later nog gesloten en de sultans van Koetei bleven later tot onze trouwe vazallen behooren.
De tweede helft der 19de eeuw kenmerkte zich door weinig leven en onderzoek. Wel deed in 1880 Carl Bock groote reizen, maar het zou tot omstreeks 1900 duren, voordat deze gebieden werden opengelegd. Dit tijdperk werd ingeluid door de groote reizen van prof. Nieuwenhuis in het Mahakam en Apo Kajangebied, later voortgezet door mannen als Van Walchren, Palm, Spaan, Tehupeiory e.a.
In de noordelijker gebieden zijn de regelingen van nog recenter datum. In 1881 en 1882 had men hier slechts rondreizende controleurs, wier ressort zich uitstrekte over het tegenwoordige Beraoe en Boeloengan en het gedeelte van Britsch Noord-Borneo tot aan de Batoe Tinagat en de Tawaorivier, dat toen nog tot ons gebied behoorde. De standplaats van dien bestuursambtenaar was toen Tawao, waar thans een engelsch resident zetelt. Eenige jaren geleden bezocht ik daar de graven van hollanders, die daar waren gestorven. In 1889 werd bepaald dat Tandjong Seilor de standplaats van den controleur zou zijn, terwijl in Tawao een inlandsch posthouder werd geplaatst, totdat de grensregeling van 1891 bij de overeenkomst van Londen de toestand wederom veranderde en een gedeelte van ons gebied aan de engelschen kwam, eene regeling, waarbij de sultan zich heden ten dage nog moeilijk kan neerleggen. In 1912 werd de grens door eene commissie onder Van Genderen Stort nader bepaald.
In 1898 werden Beraoe en Boeloengan gescheiden en werden ze ieder zelfstandige onderafdeelingen, zooals ook thans nog het geval is. [4] We zagen reeds, hoe weinig bekend deze noordelijke gebieden nog zijn en dat eigenlijk eerst de laatste jaren eenig licht hierover is verspreid door mannen als Van Genderen Stort, Posthumus en Sitsen.
De beteekenis voor de wereldeconomie van Borneo in het algemeen en Oost-Borneo in het bijzonder is, vergeleken bij die van Java of Sumatra, nog niet groot. Het ontstaan van de petroleumindustrie heeft daarin echter groote verandering gebracht. De grootste stijging in handel en scheepvaart dateert echter van de laatste decenniën en Borneo schijnt een goede toekomst tegemoet te gaan. Deze uitgestrekte gebieden hebben echter behoefte aan kapitaal ter ontwikkeling van het verkeerswezen, mijnbouw, boschexploitatie en cultures. Stroomt dit in overvloed binnen en stelt het gouvernement zich op een ruim en open standpunt, dan zeker gaat Borneo eene periode van welvaart tegemoet. En de Barito in het zuiden, de Kapoeas in het westen en de Mahakam, Kajan en Sesajap in het oosten zullen de levenwekkende elementen zijn.
NOTES
[1] Bij de nieuwe gewestelijke indeeling wordt Boeloengan eene zelfstandige afdeeling.
[2] Hoewel alleen Boeloengan aan mijne zorgen als bestuursambtenaar was toevertrouwd, was ik toch door gelukkige omstandigheden in de gelegenheid het geheele Mahakamgebied en Apo Kajan te bereizen.
[3] Men leze Augusta de Wit: Natuur en Menschen in Indië.
[4] Zie noot blz. 85.
End of Project Gutenberg's Ons Mooi Indië: Uit Dajakland, by J. Jongejans