Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving
Part 13
Aan wal stappend, bevindt men zich reeds dadelijk in het drukke fabrieksleven en langs een prachtigen weg begeeft men zich met een eigen electrische tram naar Klandasan, de buurten, waar de europeanen wonen, prachtig aan zee gelegen, met keurig ingerichte huizen en een nog schitterender societeit. Men kan zich niet voorstellen, dat men zich in ons Indië--laat staan in Borneo--bevindt en ik zou geen plaats in onzen geheelen archipel kunnen aanwijzen, welke een zoodanig sterk getuigenis aflegt van onze hollandsche energie. De Paketvaartmaatschappij en de Bataafsche zijn lichamen, waarop ieder nederlander met recht trotsch mag zijn en wat zou Borneo op het oogenblik zijn zonder deze maatschappijen en haar wakkere mannen?
Aan de overzijde van de baai ligt Pantjoer met eveneens vestigingen van de Bataafsche.
Een luttel aantal jaren geleden was hier niets dan wildernis en thans nog is alles wildernis buiten de onmiddellijke omgeving van deze vestiging, een plekje moderne beschaving en moderne wilskracht temidden van de eenzaamheid.
Onder Balikpapan ressorteeren verschillende terreinen als de in het noorden gelegen eilanden Tarakan, Mandoel en de nieuwe terreinen aan de Sembakoengrivier en verder Sambodja en Sanga-Sanga aan de Mahakam. Deze alle staan onder het oppertoezicht van den administrateur te Balikpapan, de terreinchefs zijn rechtstreeks aan hem ondergeschikt.
Tot voor korten tijd werkten bij de Maatschappij op Borneo's Oostkust ongeveer 6000 javanen, 2500 chineezen en ongeveer 400 europeesche employé's. Deze cijfers spreken boekdeelen en ieder zal inzien welk een arbeid hier verricht kan worden.
Naast de Bataafsche werkt in deze gebieden de Nederlandsche Koloniale Petroleummaatschappij, welke in verbinding staat met de Standard Oil Company en haar terreinen heeft in de omgeving van Samarinda en te Sadjau in Boeloengan. Genoemde maatschappij heeft weinig succes en een jaar of twee geleden werd besloten alle terreinen stop te zetten, behalve te Sadjau, waar nog een laatste poging gewaagd zou worden. Of dit met succes bekroond is geworden, zou ik niet kunnen zeggen, vermoedelijk niet.
Werden--zooals we reeds zagen--in Balikpapan de oliën slechts verwerkt, op de overige terreinen wordt uitsluitend olie gewonnen in lichteren of zwaarderen vorm. Vooral Tarakan is een belangrijk terrein waar bij mijn komst met moeite 8 à 900 ton (van 1000 liter) werd gewonnen, maar waarvan het totaal 1 à 2 jaar geleden ongeveer 2500 ton daags bedroeg.
Vele zijn de schepen van alle nationaliteiten ter wereld, die hier de olie komen halen, welke uit de groote tanks, die op hooge heuvels dicht bij den steiger staan, langs buisleidingen in de schepen wordt geleid. (Zie afb. 61).
Tarakan is letterlijk bezaaid met boortorens, waarvan de putten meer of minder groote hoeveelheden olie leveren; sommige werken langen tijd, andere korter, terwijl andere weer plotseling verzanden. Heeft een der boormeesters een nieuwen put aangeboord, dan is er 's avonds groot feest. En zoo ziet men, dat men hier een leven als een prins heeft, terwijl men zou denken in een der uithoeken van de aarde "opgeborgen" en "begraven" te zijn.
Het aanboren van een put heeft dikwijls zijn eigenaardige moeilijkheden en soms heeft men in het geheel geen succes en is al het werken voor niets geweest. De putten zijn meestal eenige honderden meters diep, drie- à zeshonderd meter, soms dieper. Ik zag te Tarakan een put, welke 1200 meter diep zou worden en hoewel men reeds ver gevorderd was, was er nog geen olie te bekennen. Dit is wel ontmoedigend, want groote kosten en veel tijd worden daaraan ten koste gelegd.
De werkzaamheden op Mandoel dateeren eerst van den laatsten tijd, terwijl langs de Sembakoengrivier nog slechts verkenningen worden gedaan, hoewel ook hier--naar de berichten luiden--in den laatsten tijd olie wordt gewonnen.
Van Balikpapan gaan we verder naar Samarinda aan de Mahakam met haar ongeveer 10000 inwoners. Nadat we het lichtschip, de Moeara Bajoer zijn gepasseerd, bevinden we ons reeds spoedig bij de vrij smalle monding. Leven is hier nog niet te bekennen, maar na eenige uren stoomens komen we langs kleine dorpen en vertoonen zich hier en daar enkele tambangans, totdat we een hoek om varend plotseling Samarinda voor ons zien liggen, aan beide zijden van de rivier zich over een grooten afstand uitstrekkend.
Ook hier weer leven en vertier, wat aangenaam aandoet na de lange tijden, die we door de eenzaamheid voeren. Ook hier is de rivier weer bezaaid met tambangans, de rank gebouwde, sierlijke gondeltjes, welke de, ons van elders welbekende sado's, tweewielige karretjes, vervangen. Een tambangan is een kostbaar bezit voor een Borneaan. Iemand, die een tambangan bezit, welke keurig wordt onderhouden, is een welgesteld man; hij kan daarmede ruimschoots in zijn onderhoud voorzien en het is verwonderlijk, hoe hij met dit vaartuig kan manoeuvreeren. Wij, die voor het eerst daarin plaats nemen, voelen er ons niet dadelijk in thuis en zijn beangst, dat we elk oogenblik in het gewirwar van vaartuigjes zullen botsen en omkantelen. Maar nooit ofte nimmer gebeurt dit, al voelen we ons dikwijls heel klein, vooral wanneer we met dit ranke vaartuigje langs zij van het groote schip gaan liggen om ons met veel moeite langs de houten trap naar boven te werken. Beneden op het water schommelend is het, als zien we tegen een torenhoog huis op en we zijn werkelijk blij, wanneer we het stevige schip weer onder onze voeten voelen.
Soms is de rivier bezaaid met drijvende waterplanten en wel gebeurt het, dat geheele eilandbrokken van boven komen afdrijven en hun weg zoeken naar zee, terwijl millioenen en millioenen haften,--"lajap" zegt de Borneaan--, een soort netvleugelige insecten, soms daarboven fladderend, rond zweven, een teeken, dat het spoedig zal gaan regenen.
We treffen het, dat de boot onmiddellijk aan den steiger kan meren; niet altijd gebeurt dit, daar de steiger niet alle booten, die van verschillende richtingen op Samarinda aankomen, kan bedienen en men soms uren moet wachten, tenzij de kapitein er de voorkeur aan geeft midden in de rivier voor anker te gaan en daar met lossen en laden te beginnen.
Vlak achter de aanlegplaats loopt een lange straat, langs de rivier uitgestrekt, welke niet voldoende ruimte schijnt te bieden voor het drukke verkeer.
Recht doorloopend komt men in het gedeelte, waar de europeanen, voornamelijk ambtenaren en handelsmenschen, wonen; groot is hun aantal niet, een paar honderd. Aangezien de rivierzijde in deze wijk niet is bebouwd, geniet men van uit deze huizen van een prachtig vergezicht over de rivier, welke hier ongeveer 700 meter breed is en aan de overzijde waarvan de boegineesche vestiging is gelegen, allen onderdanen van den sultan van Koetei. Het stuk grond, waarop Samarinda ligt, is door den sultan aan het gouvernement afgestaan, zoodat dit kleine stukje gouvernementsgrond ligt te midden van de zelfbestuursgebieden. Hetzelfde is geschied met de andere vestigingen van de bestuursambtenaren, zooals Tandjong Redeb en Tandjong Seilor. Bij contract is deze z.g. "vierkante paal" vastgelegd.
Samarinda is de voornaamste handelsplaats van Oost-Borneo en een plaats nog in opkomst. Toch zal het nooit de plaats van Bandjermasin, de eerste haven van den archipel voor den uitvoer van boschproducten, kunnen innemen, daar haar achterland niet van zoo groot belang is; achter Bandjermasin ligt de rijke Oeloe Soengei, dat wel eens de korenschuur van Borneo wordt genoemd. Balikpapan zelfs heeft om zoo te zeggen in het geheel geen achterland en is dus geheel en al op de Bataafsche aangewezen.
Samarinda heeft in- en uitvoer met Singapore, Celebes en Java; haar uitvoer bestaat hoofdzakelijk uit getah pertja en rotan.
Hoewel de sultan van Koetei ook een huis heeft te Samarinda te midden van de boegineesche vestiging, staat zijn eigenlijk paleis te Tenggaron, eenige uren stroomopwaarts. Het groote houten gebouw is zeer modern ingericht en bevat groote schatten o.a. aan oude kralen. Electrisch verlicht biedt de troonzaal een schitterenden aanblik, al doet het voor onzen smaak komisch aan naast den troon b.v. een groot, maar absoluut ontstemd orchestrion aan te treffen, wat de sultan zelf natuurlijk buitengewoon mooi vond. De firma Pander uit Amsterdam richtte indertijd het paleis in en het geheel maakt werkelijk een grootschen indruk. Het is duidelijk, dat de sultans van Koetei behooren tot de zeer rijken onder de inlandsche gebieders en ook de landschapskas van Koetei is zeer rijk, hetgeen ieder toeschouwer opvalt, die de overal keurig uitgevoerde landswerken opmerkt. De andere landschapskassen verkeeren in veel slechtere conditie, zoodat eenige jaren geleden besloten werd deze te vereenigen tot één geheel, waardoor de kleinere konden profiteeren van de zooveel rijkere kas van Koetei, zeer tegen den zin van den sultan van Boeloengan, welke meende in zijne rechten te zijn te kort gedaan en vreesde door dezen maatregel onder den invloed van Koetei te zullen geraken. Zoodra echter de kleinere landschappen in staat zullen zijn zich zelf te bedruipen, zal men weer tot den ouden toestand terugkeeren.
De sultans van Koetei zijn van boegineesche afkomst: de fabelachtige oorsprong en de genealogie van het vorstenhuis zijn beschreven in een handschrift, de Salasila van Koetei. De vorsten van dit land behooren tot onze trouwe bondgenooten: vooral de vroegere sultan Soleiman (afb. 62) was een intelligent vorst, die op alle wijzen de ontwikkeling van zijn rijk trachtte te bevorderen, de slavernij afschafte en zelf voorging met alle slaven der vorstelijke familie vrij te laten en voorschriften gaf tegen het willekeurig vorderen van heerendiensten. Hij was het, die zijne zoons Adil--den lateren sultan--Pangeran Mangkoe en Pangeran Sosro met hunne echtgenooten naar Nederland zond om hen met de westersche beschaving in aanraking te doen komen. Een korten tijd vertoefden zij aan het hof van koningin Victoria van Engeland.
Na een lang regentschap na den dood van sultan Adil van Pangeran Mangkoe, broeder van den sultan en eerste rijksgroote, een zeer flink en voortvarend man, heeft in November 1920 Mohamad Perkesid, een der zoons van sultan Adil, een nog jeugdig man, den troon van Koetei beklommen.
In den laatsten tijd trekt Koetei hoe langer hoe meer de aandacht van europeesche ondernemers, welke de sultans zeer geneigd zijn tegemoet te komen. Zoo zijn naast de oliewinning de steenkolen van eenig belang, welke door de Oost-Borneo Maatschappij in een hoeveelheid van 8000 à 9000 ton 's jaars worden gewonnen. Ook Pangeran Mangkoe--boven reeds genoemd--heeft meerdere mijnen. De terreinen worden o.a. gevonden bij Tenggaron, Moeara Djawa, Pelarang en Batoe Panggal en de kolen schijnen van betere kwaliteit te worden, naarmate men verder het binnenland in komt. Benedenstrooms weer dezelfde klacht, dat ze van te jonge formatie zijn. Veel heeft overigens de exploitatie nog niet te beteekenen, hoewel het voor het gebruik ter plaatse van heel veel nut is.
Thans zetten we onzen tocht langs de Oostkust weer voort en na Telok Seliman, waar eene vestiging is van de N.I. Houtaankap Mij., te hebben aangedaan, zetten we koers naar Tandjong Redeb aan de samenvloeiing van de Segah of Makam en de Kelai, de standplaats van den controleur van Beraoe. Op den rechteroever der Makam bevindt zich de bestuursvestiging; daartegenover op den linkeroever woont de sultan van Goenoeng Taboer, terwijl op den rechteroever der Kelai de sultan van Sembalioeng zijn zetel heeft. De laatste is heerscher over het stroomgebied van de Kelai, de eerste over dat der Makam; benedenstrooms van de samenvloeiing van de beide stroomen draagt de rivier den naam van Beraoerivier.
Niet ver van Tandjong Redeb liggen de kolenmijnen van de Koninklijke Paketvaartmaatschappij, eertijds eene concessie van den in deze gebieden welbekenden heer Cools en later door de maatschappij overgenomen. Thans staat het bedrijf onder leiding van een ingenieur, terwijl op het terrein ongeveer een 400 koelies een bestaan vinden. Ook hier moeten de kolen van jonge formatie zijn.
Evenals Beraoe heeft Boeloengan, het volgende en tevens eindstation voor de Singapore-booten, uitvoer van boschproducten. Het ligt aan de Kajan of Boeloenganrivier, wier stroomgebied zich achter dat van de Beraoe ombuigt en grenst aan dat van de Mahakam. Ze ontspringt op het Bawoeigebergte in Centraal-Borneo en stroomt na vele kronkelingen en wendingen door eene uitgebreide delta in zee.
Tot de monding van de Pangian zou de Kajan wel voor kleine hekwielers bevaarbaar zijn, onmiddellijk daarboven vindt men de zeer moeilijke versnelling, de Giram Raja.
In den middenloop van de rivier heeft men de geweldigste aller stroomversnellingen van Borneo, de Bem Brem, een onbevaarbaar riviergedeelte van 19 K.M. lang ongeveer (zie afb. 9 en 32).
Voor deze gebieden heeft de dajak een zekere vrees. Toen ik mij in 1917 in Apo Kajan bevond, had ik een oogenblik het plan opgevat de Kajan af te zakken, maar toen de dajaks dit bemerkten, had ik groote moeite roeiers daarvoor te krijgen, omdat ze dan langs de beruchte versnellingen moesten. In 1909 werden deze gebieden het eerst bezocht door den toenmaligen kapitein Merens; deze officier had te adviseeren of deze geweldige watermassa's bevaarbaar te maken waren in verband met den opvoer van vivres naar Apo Kajan, welke gingen en nog steeds gaan langs de moeilijke en gevaarlijke Mahakamrivier. Hoe het ook zij, langs alle wegen is de opvoer naar Apo Kajan vol bezwaren, maar toch is mijns inziens de Kajan de aangewezen weg naar dit centrale gedeelte van Borneo. Ook de Bahau-Poedjoengan en Mentarang-Lepo Maoet-Poedjoenganwegen zijn slecht, maar het slechtst is wel de sedert 20 jaar gebruikte weg langs de Mahakam. Thans heeft men dan ook eindelijk het plan opgevat den Kajanweg te volgen en is--naar ik vernam--sedert geruimen tijd de onderluitenant Versluis bezig een tracé langs de Bem Brem te zoeken en zal eerlang deze weg gevolgd worden, hetgeen eene opleving van Tandjong Seilor zal beteekenen, maar waardoor Long Iram waarschijnlijk ten doode zal zijn opgeschreven.
In 1918 bezocht ik met den ingenieur Van Eelde de Bem Brem. Men had het plan opgevat de geweldige waterkracht van deze versnellingen te exploiteeren ten behoeve van fabrieken, die aan het strand zouden worden opgericht. Het onderzoek bracht aan het licht, dat de kosten ten opzichte van de baten echter te groot zouden worden--de afstand naar de kust is ongeveer 180 K.M.--zoodat van de grootsch opgezette plannen wel niets zal komen.
Tandjong Seilor is een klein plaatsje van 1500 zielen ongeveer met eene gemengde bevolking van bandjareezen, chineezen, arabieren en boegineezen; deze laatsten onder hun op de oostkust van Borneo welbekend hoofd Kapitan Daeng. De standplaats van den controleur ligt op den rechteroever van de Kajan, op een landtong, gevormd door deze rivier en de soengei Seilor. Aan de overzijde ligt Tandjong Palas, de verblijfplaats van den sultan van Boeloengan, Maulana Sulthan Mahamad Kasin Aldin (afb. 22), welke reeds sedert 1902 het bestuur in handen heeft als opvolger van zijn vader Mohamad Alimoedin. De tegenwoordige sultan is een beschaafd man, die echter, als echt oostersch vorst, zich weinig om het bestuur van zijn land bekommert, tenzij het gaat om financieele aangelegenheden. Hij wordt bijgestaan door twee rijksgrooten--de sultan spreekt wel van zijn ministers--Datoe Mansoer (afb. 23) en Datoe Adji Koening, welke eerste vooral uitsteekt in geslepenheid en welke uitnemend de kunst verstaat aan zijn heer die adviezen te geven, welke tot zijn eigen voordeel strekken. De sultansfamilie behoort tot de oorspronkelijke dajaksche bevolking, maar ging ongeveer 60 à 70 jaar geleden tot den islam over.
De beneden Kajan wordt bewoond door eene bevolking van ongeveer 2000 zielen, welke gemeenlijk wordt samengevat onder den verzamelnaam "segai", maar welke eigenlijk bestaat uit verschillende dajakstammen. Mij komt het voor, dat segai meer eene algemeene naam is om het onderscheid te kennen te geven tusschen de dajaks (segai is lendendoek) en de maleiers (orang awak, broekdragers), dus binnenlanders tegenover kustbewoners. De bevolking hier bestaat voor het grootste gedeelte uit dajaks, die oorspronkelijk de diepe binnenlanden bewoonden, maar om verschillende redenen naar beneden zijn komen afzakken. Zoo wonen hier verschillende Kenjastammen uit Apo Kajan, welke waarschijnlijk niet langer dan een 30 jaar geleden naar beneden zijn gekomen. De voornaamste is wel de krachtige Ma Koelit-Kenjastam, welke de kampongs Long Pelban, Long Ledjoe en Long Isau bewoont. Daarnaast nog enkele andere, o.a. enkele Kajans in de kampong Boesang Badang. Afb. 21 geeft ons een dergelijk Kajantype te zien. Misschien behooren de Gaai en Melarans in de kampongs Mara, Keboerau en Long Noenoek nog tot de meest oorspronkelijke. De vorsten van deze kampongs zijn het dan ook, die aanspraak op oude rechten doen gelden en veelal de andere stammen bij het zoeken naar goede bouwgronden dwarsboomen, omdat zij beweren heer en meester daarover te zijn, zelfs tegen de rechten van den sultan in. Den loop der tijden door heeft dat steeds moeilijkheden veroorzaakt. Oorspronkelijk woonden deze stammen meer benedenstrooms, maar later hebben zij zich meer en meer aan den invloed van de sultans van Boeloengan onttrokken en zijn meer bovenstrooms gaan wonen. De sultans waren toen niet bij machte hen dit te beletten, al konden zij hun wel allerlei moeilijkheden in den weg leggen, b.v. door den opvoer van opium te beletten, waaraan sommige hoofden indertijd ten zeerste verslaafd waren. Zoo trachtte de sultan door allerlei kuiperijen hoofden aangesteld te krijgen, van wie hij wist dat hij ze naar zijn hand kon zetten. Zoo werd indertijd de jonge si Bandar, het eigenlijk erfelijk hoofd der Melarans en Gaai in de benedenstreken, met schoone beloften naar het paleis te Tandjong Palas gelokt om hem geheel onder den invloed van den sultan en zijn omgeving te brengen, hetgeen weer verzet van andere hoofden, Lig Pay en Anji Lohong, uitlokte. Het gouvernement greep in 1906 in, met dat gevolg, dat rust en orde wederkeerden.
Waar de Pangian in de Kajan uitmondt, ligt de bestuursvestiging Pangian, de standplaats van een inlandschen posthouder. Vroeger had deze post wel eenige beteekenis, maar thans, nu de aanrakingen met de binnenlanden zooveel veelvuldiger zijn en zelfs in Poedjoengan een posthouder is aangesteld, is deze vestiging van weinig waarde en zal ze vermoedelijk wel eens worden ingetrokken.
In Pangian hebben zich enkele boegineezen, chineezen e.a. gevestigd; ze zijn handelaren, opkoopers van rotan, getah, was en vogelnestjes; zij trekken de kampongs rond om hun waren op te koopen of trekken ook wel zelf het bosch in.
Dit zoeken van boschproducten was in vroeger tijden bijna uitsluitend het middel van bestaan der maleische bevolking in Beraoe en Boeloengan; eerst later ging men zich meer op landbouw toeleggen. Door de sultans werd de landbouw niet aangemoedigd; door handel in boschproducten verdienden zij meer, niet alleen het uitvoerrecht, doch ook het invoerrecht werd geheven voor bijna alle ingevoerde artikelen. Het mes sneed dus van twee kanten. Of dit al of niet in het belang der bevolking was, daarover bekommerden zij zich weinig. Ook de sultans zelf dreven handel en lieten voor eigen rekening, meestal door hun slaven, boschproducten zoeken.
Behoudens het betalen van 10% van het product aan den sultan was het verzamelen van boschproducten vrij. Dit was echter alleen in naam; niemand toch ging alleen het bosch in, men was wegens de onveiligheid genoodzaakt zich in troepen te vereenigen. Daar de expeditie dikwijls vijf à zes maanden duurde, moest men een groote hoeveelheid levensmiddelen medenemen en de handelaren, voornamelijk chineezen en arabieren, wilden wel voorschotten verstrekken aan één persoon, het hoofd van den tocht, doch weigerden met elk der leden afzonderlijk in relatie te treden. Ook thans nog geschiedt dit aldus en talloos zijn de schuld- en andere zaken, welke de bestuursambtenaren hierbij tot een oplossing hebben te brengen, moeilijk vooral, doordat alles maar zonder eenig bewijs wordt afgegeven en ten slotte de zaken maar moeten worden afgedaan op eenige vodjes papier, waarop de chinees of arabier kan krabbelen, wat hij wil. Dat deze heeren er geen schade bij hebben--al komt zelfs een groot gedeelte van de schulden niet binnen--behoeft geen betoog.
De verschillende leden van zoo'n tocht kwamen er bijna altijd slecht af. Leverde de tocht voordeel op, dan wist het hoofd van het gezelschap er wel voor te zorgen, dat hem het leeuwenaandeel werd toegekend en mislukte de tocht, dan kwamen de leden bij het hoofd in de schuld, daar deze aansprakelijk bleef voor de gemaakte schulden bij chinees of arabier.
Deze toestand werd nog verergerd, doordat in de bosschen gedurende den tocht zwaar gedobbeld werd, bij welke gelegenheid het bendehoofd als geldschieter fungeerde. De menschen moesten dan bij dit hoofd blijven en hem op een nieuwen tocht vergezellen. De sultans wilden de hoofden te vriend houden en gaven hun dikwijls een stuk grond--wij zouden in onze middeleeuwen zeggen, dat ze dit in leen kregen--waar ze zich met hun volk konden neerzetten. Later kregen zij van de sultans bij gelegenheid van huwelijks- of andere plechtige feesten titels en traden geheel als dorpshoofden op.
Velen van hen kregen ook soengei's of rivieren en terreinen waar zij met hun volk de getah en rotan mochten halen. Zoo ontstonden vele van de poesaka-soengei's en apanage-terreinen, welke vrij waren van het opbrengen van elke belasting. In Boeloengan waren de meesten dezer apanages reeds door den sultan ingetrokken, maar Datoe Mansoer had als zoodanig nog een rijk gebied aan de Salimbatoerivier, hetwelk hem door den vader van den tegenwoordigen sultan was geschonken. Hierover was reeds meerdere malen kwestie ontstaan en meestal werd dit recht door de bestuursambtenaren ter plaatse niet erkend. Zoo maakte een van hen--het is al een jaar of tien geleden--aan de bevolking bekend, dat dit recht niet bestond en gaf haar toestemming vrijelijk boschproducten daaruit te halen, waaraan ook onmiddellijk gevolg werd gegeven, temeer daar het een rijk gebied was, waar in jaren niets uit gehaald was. Het gevolg was, dat Datoe Mansoer een klacht bij de Indische regeering indiende en eene schadevergoeding van 100000 gulden vroeg. Deze kwestie is jaren en jaren blijven hangen, totdat hieraan na lang wikken en wegen een einde kwam en ik Datoe Mansoer kon tevredenstellen met een som van 20000 gulden. En hiermede was dan tevens het laatste der terreinen van dien aard verdwenen.