Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving
Part 12
De huizen der Tidoengers en Tinggalans verschillen nogal van vorm. Die der eersten komen overeen met die van Boegineezen en Makassaren. Ze staan nabij de oevers der groote rivieren, zijn op palen gebouwd en bevatten een grootere of kleinere ruimte zonder kamers, waarboven een dak van kadjangmatten. Veelal bevindt zich vóór het huis een platvorm, dat dikwijls tot aan den rivieroever doorloopt, waarna men langs een trap zich naar beneden kan begeven om te komen op een daarvoor liggend vlot, waarop men zich kan baden en andere dagelijksche bezigheden verricht. Het huis met omgeving bevindt zich dikwijls in een staat van verwildering.
De vloer in het huis bestaat uit rotan of bamboelatten, die met smalle tusschenruimten naast elkaar gelegd en onderling bevestigd zijn. Daarop spreidt men hier en daar dichtgevlochten rotanmatten uit. Stevig zijn deze vloeren niet en een europeaan, die niet aan dergelijke veerende vloeren gewend is, moet op zijn hoede zijn om niet onder het huis te verdwijnen, daar verouderde gedeelten niet altijd onmiddellijk vernieuwd worden.
De stookplaats bevindt zich in het huis; op de plaats waar het vuur brandt, ligt een dikke, harde laag klei op den vloer.
Stelt men verder zich voor, dat de wanden van de huizen uit ruwe planken of eenvoudig uit boomschors bestaan, dat daaraan eenige groezelige voorwerpen hangen van dagelijksch gebruik en her en der verspreid eenige rommel, dan is het begrijpelijk, dat het geheel geen aanlokkelijk schouwspel biedt.
Anders zijn de Tinggalanhuizen. Deze bestaan uit twee rijen kamers aan de vóór- en achterzijde van het huis, waartusschen zich de gang bevindt, die dus het huis van rechts naar links doorsnijdt, aan de uiteinden waarvan zich een trap bevindt. In het midden van het huis is voorts een open ruimte--de reeds meermalen genoemde salek--welke dient als vergaderzaal en tot logies voor vreemdelingen. Daarin is een stookplaats aangebracht, bestaande uit harde klei, waarboven de jachttropheeën, als koppen van krokodillen, herten en varkens zijn aangebracht.
De huizen staan op palen van 2 tot 3 M. hoogte, waarop een vloer van heele of gehalveerde rondhouten rust, die zoodanig aan elkaar zijn bevestigd en naast elkaar liggen, dat er smalle openingen vrij blijven, waardoor afval en vuilnis naar beneden kunnen vallen, hetgeen dan verder door de huisdieren kan worden bewerkt. Het logeeren in een dergelijk huis is voor europeanen veelal eene beproeving.
Het kan dan ook geene verwondering baren, dat het met de gezondheidstoestanden vrij droevig gesteld is en dat bij epidemieën het weerstandsvermogen niet groot is. Zoo moet in 1905 ongeveer 25% van de bevolking overleden zijn aan pokken; geheele stroomgebieden werden ontvolkt. Toch is over het algemeen de toestand in de bovenstreken beter dan in de benedengebieden.
Eenvoudig als alles, is ook de levenswijze van deze dajaks weinig ingewikkeld. Weinig behoeften als deze menschen kennen--waarom zouden ze zich inspannen?--zijn ook hun middelen van bestaan weinige en hebben ze geen lust, de voortbrengselen, die het land zou kunnen opbrengen, te verzamelen en te verhandelen, ja, zelfs doen ze bijna geen moeite eenige zorg te besteden aan de voortbrengselen, die dienen moeten tot hun eigen levensonderhoud. De meesten zijn zelfs te lui om de bij velen geliefde rijst te planten en stellen zich tevreden met knollen, die minder smakelijk en minder voedzaam zijn. Men merkt ook hier wederom op, dat de bovenlanders energieker zijn dan de benedenlanders, die--we zagen het reeds--hun rijst van de handelaren betrekken en deze meestal alleen bij feestelijke gelegenheden eten.
Is het, dat ze bij bepaalde gelegenheden, hetzij voor bruiloft, begrafenis of om andere redenen, geld noodig hebben of voorwerpen om cadeau te geven, dan trekken ze het bosch in om rotan te verzamelen om deze van de hand te doen. In groote bundels, welke men de rivier laat afzakken, wordt ze bijeengebracht en meestal kost het hem niet veel moeite in deze oerwouden eene voldoende hoeveelheid te verzamelen. Is de nood voorbij, is het geld om feest te vieren of zich nieuwe kleeren aan te schaffen, bijeen, dan gaat hij weer heerlijk luieren, totdat na langeren of korteren tijd hij weer enkele behoeften heeft. We zien het, de drang, dien wij, westerlingen, bij voortduring zoo sterk gevoelen, is dezen menschen onbekend. Maar zouden ook wij niet dikwijls heel wat minder doen, als wij niet steeds weer door het heilige moeten werden opgezweept?
Naast rotan verzamelt hij nog getah (rubber) en damar (hars); de prachtige houtsoorten als ijzer- en kamferhout in zijn reuzenwouden laat hij echter rustig voor het nageslacht staan.
Naast het plantaardig voedsel--zoo juist genoemd--eet de dajak nog gaarne wat vleesch en visch bij zijn maaltijden. Hij maakt op alles jacht en versmaadt zelfs geen muizen, ratten, vleermuizen en slangen. Herten en wilde varkens zijn hem een vorstenmaal. Apen en vogels schiet hij met de vergiftige pijltjes uit zijn blaasroer, terwijl hij visschen met werpnet of hengel vangt. Heeft men voor een feest veel visch noodig, dan wordt met vischgif--toeba--gewerkt. Dit is een melkachtige vloeistof, verkregen uit de wortels van de toebaplant, welke men in de nabijheid van alle kampongs aantreft. Deze vloeistof, in het water geworpen, verdooft alle visschen, die zich daarin bevinden. Een groot nadeel van deze wijze van vischvangst is, dat ook de kleinste vischjes gedood worden, zoodat het dan ook in de benedenstreken door het Bestuur wel verboden wordt.
Meermalen komt het voor, dat men een goed vruchtenjaar heeft, doerian, manggistan, ramboetan e.a. Tegen den tijd, dat de vruchten rijp zijn, zwemmen er dikwijls groote troepen wilde varkens de rivier over, om zich aan de afgevallen vruchten te vergasten. Dit oogenblik wacht de dajak af--altijd steken de dieren 's middags de rivier over, eenige uren voor het vallen der duisternis--en zoodra een varken in het gezicht is, roeit men er zoo snel mogelijk naar toe om het dier met de lans af te maken. Men is daardoor getuige van dikwijls zeer levendige tafereeltjes en meermalen kwam ik op mijn tochten met een zeer rijken buit thuis.
We zagen reeds, dat in de bovenstreken meer rijst verbouwd wordt dan elders, al is het in lange na niet voldoende voor zijn behoefte en dient hij dit met andere voedingsmiddelen aan te vullen.
Aan den rijstbouw zijn vele oude gebruiken verbonden.
Zoo is het goed om te beginnen met het schoonkappen van een ladang--natte rijstvelden zijn bij deze dajaks onbekend--wanneer de "lingat" (een soort liaan) bloeit en zal men ook met het planten wachten, totdat bepaalde vruchten rijp zijn of bepaalde boomen nieuwe bladeren krijgen.
Alvorens een rijstveld aan te leggen, wordt er eerst weer feestgevierd. Men verzamelt de mannen, die eten, drinken en feestvieren, waarna men zich gezamenlijk naar het stuk bosch begeeft, dat als toekomstig rijstveld is uitgekozen. Zijn er geen slechte voorteekens, dan gaat men hier en daar een stuk bosch uitkappen om vervolgens naar huis terug te keeren. Den volgenden dag gaan allen weer naar de ladang terug. Fluit er een vogel rechts, dan is dat een goed voorteeken; begint echter de vogel bij het uitkappen weer te fluiten, dan houdt men dadelijk op om een andere, gunstiger plek uit te kiezen. Zijn er echter goede voorteekens, dan wordt al het kleine hout van de ladang in één dag uitgekapt, waarna wederom feestgevierd, gegeten en gedronken wordt. Daarna maakt een ieder zijn eigen stuk grond in orde, zoo noodig, geholpen door de anderen, terwijl de groote boomen worden omgehakt. Bij slechte voorteekens moet men echter eenige dagen wachten, daarna drie groote boomen omkappen en naar huis terugkeeren. Den volgenden dag gaat men door met het in orde maken van de ladang en wordt er niet meer naar de vogels geluisterd.
Is het veld geheel en al schoon, dan wordt een wilde, zure vrucht fijngestampt en in een paar gaten in den grond gestopt. Daarna worden de plantgaten gemaakt, welke door de vrouwen met de korrels worden gevuld. Bij slechte voorteekens gaat men eenige dagen naar huis om daarna niet meer te letten op goede of slechte voorteekens.
Heeft de rijst de helft van de normale hoogte bereikt, dan wordt het veld gewied. Is de rijst rijp, dan gaan alle mannen en vrouwen naar het veld om den oogst tegen vogels te beschermen. Daarvoor zijn op hooge palen staande huisjes ingericht, vanwaar uit men de vraatzuchtige vogeltjes tracht te verjagen met lange lijnen, waaraan allerlei kleine fladderende voorwerpen zijn opgehangen of ook wel door vogelverschrikkers, zooals ook wij die kennen.
De vrouwen snijden de rijst eerst langs den rand van het veld weg; deze wordt gestampt en gepoft, gedeeltelijk aan de graven gebracht en voor de rest al feestvierende opgegeten. Daarna mag eerst de andere rijst gesneden worden.
De slechte voorteekens bij den rijstbouw zijn de volgende: bij het begin van het kappen is het geluid van de "boeroeng pemoenak" het teeken, dat men drie dagen moet wachten. Als een kidjang, een soort hert, schreeuwt, gaat men vijf dagen terug en twee dagen als de "boeroeng sagap" fluit. Het gezicht van een zwarte duizendpoot of bepaalde soorten van slangen beteekent één dag van rust, van een pelandoek (een soort hert) vier dagen.
Goede voorteekens bestaan hierin, dat bepaalde vogelsoorten, boeroeng sasat o.a., van rechts gezien worden, behalve als ze vliegende den te volgen weg snijden, wanneer men ook gedurende één dag niet mag werken.
Ook in zijne kleeding is deze dajak eenvoudig. De mannen dragen een lendendoek van katoen en verder alleen versierselen als snoeren kralen om hals en polsen, ringen aan de vingers, banden boven elleboog en kuit. Zij dragen lang haar als de andere dajaks, maar het is hier gewoonte dit in een wrong op te steken middels een haarpen (timak) van hout, hoorn of been, soms ook van geplet en daarna gepolijst metaal. Sommige van deze haarpennen hebben pluimen van geitenhaar, terwijl aan de achterzijde de talisman bestaande uit een stukje houtskool, aan de haarpen bevestigd wordt. De dajak, die gelooft, dat houtskool niet kan vergaan, meent daarmede zijn leven te verlengen.
De vrouwen dragen, behalve een korte sarong, een soort rokje, reikende tot even over de knie, boven de heupen vastgemaakt en aan de voorzijde zoover afzakkende, dat de buik vrij komt en verder versierselen om hals en polsen en in de oorschelp, wat ook de mannen hebben, maar ringen van kleiner model.
Om den bovenrand van de sarong en om het hoofd ter hoogte van het voorhoofd dragen zij een breeden band van kraalsnoeren. In de bovenstreken worden bovendien spiralen koperdraad gedragen, dikwijls reikende van pols tot elleboog, een vorm welke ons aan dien der Serawaks doet denken.
Bij den dans dragen de vrouwen een lange sarong, welke van de oksels tot aan de enkels reikt.
Eigenaardig bij deze dajaks is nog de eedsaflegging. De zwaarste eed der Tinggalans is die op den hond. De te beëedigen persoon heeft hierbij onder het opzeggen van de formulieren het oor van een hondje met een slok water in te slikken. Afb. 56 vertoont ons een dergelijke plechtigheid, welke ik uit den aard mijner functie had bij te wonen. Akal, een berucht Tinggalansch koppensneller uit de bovenstreken (afb. 55), van wien zelfs verteld werd, dat hij den toenmaligen patrouillecommandant Posthumus had willen vermoorden, kreeg, na een langdurige gevangenschap, vrijheid weer naar zijn land terug te keeren. De sultan van Boeloengan achtte het noodig, dat hij openlijk beterschap zou bekennen en dat zijn woorden door een eed bevestigd zouden worden. De foto laat ons het moment zien, dat hij juist het hondenoortje heeft verorberd, wat hem blijkbaar niet erg goed heeft gesmaakt. Dat een dergelijke eed niet veel waarde heeft gehad, bewijst wel het feit, dat hij, in zijn land terugkeerend, onmiddellijk weer zijn praktijken in toepassing bracht door enkele koppen te snellen, maar het nadien toch maar raadzamer vond de wijk naar het engelsche gebied te nemen.
Hiernaast bestaan andere methoden. Men houdt iemand een stuk hout boven het hoofd onder het uitspreken der formulieren, terwijl dit ook kan geschieden onder het hakken van dood hout met een mandau, terwijl de beëedigde zweert, dat zoo zeker als dit hout valt onder de slagen van het wapen, hij zal sterven indien hij liegt.
De Poetoeks kennen nog deze manier, dat n.l. een dikke bamboe, gevuld met water, waarin een stuk hout wordt gestoken boven het hoofd van den beëedigde persoon wordt gehouden.
De Tidoengers--ik vertelde dit reeds--zijn een volk, ontstaan door het zich vermengen van de oorspronkelijke dajakbevolking met menschen, die van buiten uit zich in deze gebieden kwamen vestigen. Men onderscheidt in dezen stam duidelijk twee dialecten: het Boeloenganeesch, dat hoofdzakelijk wordt gesproken in het Nederlandsche gedeelte en het eigenlijke Tidoengsch, dat op de groote eilanden Noenoekan, Tarakan, e.a., en ook wel in het Sembakoengsche wordt gesproken, maar voornamelijk toch in Britsch Noord-Borneo.
De Tidoengers zijn een onbekend volk, door niemand beschreven. Toch maakt Ling Roth reeds melding van deze menschen, maar deze verhalen zijn zóó fantastisch, dat ze alle geloofwaardigheid missen. Hij vertelt, dat ze zeer onbeschaafd zijn en dat ze tot de menscheneters zouden hebben behoord.--Ling Roth schreef zijn boek in 1896--hetgeen ik niet kan aannemen, omdat daarvan de sporen nog wel zouden te vinden zijn, al is het reeds 25 jaar geleden. Roth stelt de Solokkers uit den Soeloe-archipel vèr boven de Tidoengers, hetgeen door Beech weer wordt ontkend; deze stelt de laatsten verre boven de eersten.
Nog een eigenaardig verhaal, waarvan ik de waarheid niet aan de praktijk heb kunnen toetsen, is, dat in Salimbatoe aan de Kajanrivier vroeger staartmenschen zouden hebben gewoond. Verschillende verhalen zijn hierover in omloop, vooral ook in Britsch Noord-Borneo, waar deze menschen zouden leven of geleefd hebben in de bergstreken van het eiland Laboean; zij zouden staarten hebben van vier tot zeven inches lang, welke ze in daarvoor bestemde blokken hout met gaten staken, wanneer ze gingen zitten!
De Tidoengers zijn meerendeels mahomedanen geworden, al is bij hen natuurlijk nog veel van het oud animistisch geloof overgebleven. Hoe kan dit anders? Verzot als de dajak is op sterken drank, het eten van varkensvleesch en waar sexueele gemeenschap tusschen ongehuwden bij hen vrij is, daar voelt hij er weinig voor, daarvan afstand te doen ter wille van een nieuw geloof. Fanatisme is bij hen dan ook onbekend.
Nog tegenwoordig gaan deze menschen wel tot den Islam over, overgehaald door de hoofden, die in ruil voor het nieuwe geloof wel eene belooning in klinkende munt zullen ontvangen.
VAN BORNEO'S LAGE LANDEN AAN DE ZEE
We bevinden ons aan boord van den Koninklijken Paketvaartstoomer op weg naar Borneo: van Soerabaja naar Bandjermasin, een afstand van ruim een etmaal stoomens. De drukke handelsstad in Java's Oosthoek hebben we den rug toegedraaid--de indrukken zijn ons nog levendig bijgebleven--en we richten den steven naar onbekende oorden, het land van water en modder.
Nog nauwelijks voelen we ons thuis op onzen stoomer, waar we goed verzorgd worden--trouwens, wat was Indië zonder onze K.P.M.--of Borneo's lage modderkust komt reeds in het gezicht. Reeds langen tijd hadden we langs den horizon een donkere streep opgemerkt, niet wetend of dit eigenlijk het land zou zijn. Eerst langzamerhand dringt het tot ons door, dat dit bosch is of in elk geval levende gewassen, welke den schijn wekken alsof ze zoo maar in het zeewater staan geplant. Trouwens veel verschilt het niet en bij hoog water staan vele van deze boomen vrij diep onder water.
Neen, opwekkend is de eerste aanblik van Borneo niet en men kan zich niet voorstellen, dat achter dit sombere gordijn zich nog leven en opgewekt leven zou bevinden. Welk een verschil met andere eilanden: de westkust van Sumatra, de westkust van Celebes, onze Molukken! Daar geen modder en onooglijk lage landen, maar rotsen, die zich majestueus uit zee oprichten. Welk een schitterende aanblik hier langs te varen, wanneer de rotsen, door de felle tropenzon beschenen, hun schoonsten tooi doen zien! Welk een opwekkend gevoel langs deze eilanden en tusschen de tallooze eilandjes door te varen. Maar tevens, welk eene waakzaamheid wordt er vereischt van onze ronde zeelui, ook nog te dezen tijde, nu er toch al van vele gedeelten goede zeekaarten bestaan. Ik herinner me nog duidelijk, dat, toen ik korten tijd geleden, de groote Molukkenreis maakte, de gedachte bij mij opkwam, hoe onze voorvaderen, de stoute zeevaarders, met hun zooveel primitiever vaartuigen, het aandurfden den steven naar hier te richten, onbekend met het land, onbekend met de zeeën! Wat een kerels! Neen, zulke mannen kennen wij, hollanders, niet meer, maar toch vind ik daarvan nog veel terug in onze tegenwoordige scheepskapiteins. Menigmaal stond ik verbaasd over hun durf, wanneer we--soms midden in den nacht--snel de rivier afvoeren, deze telkens overstekend om het diepe vaarwater te houden, soms vlak langs den oever, zoodat de boomen hun bladerkronen langs het dek lieten slierten.
We naderen de monding van den grooten stroom, die uit het hart van Borneo naar de zuidelijke kust stroomt: de Barito. Aan een zijrivier van dezen machtigen stroom, niet ver van de monding verwijderd, ligt Bandjermasin aan de Martapoerarivier (afb. 58 en 59).
Het binnenvaren--vooral bij nacht--vereischt veel zeemanschap wegens ondiepten en banken van slib. Veel moeite wordt er aan ten koste gelegd om de vaargeul op diepte te houden, tot nu toe--naar het schijnt--met weinig succes. Er was zelfs korten tijd geleden sprake van, dat Bandjermasin slechts voor kleine schepen meer bereikbaar zou zijn.
De Barito heeft bij zijn monding de breedte van een zeearm; we behoeven niet lang te stoomen om de Martapoera te bereiken en Bandjermasin, de waterstad, ligt voor ons.
Evenals bijna overal in Borneo, leeft de bevolking op de rivier. Een vroolijke drukte is het daar, vol leven en bedrijvigheid. Rijtuigen zijn er niet en ieder, die een grooteren afstand heeft af te leggen, duikt onder het afdakje van de prauw--tembangan--om tegen de zon beschut te zijn, waarna de roeier vóór op het vaartuig met één riem ons vaartuig vooruit laat gaan, nu eens links, dan weer rechts van het vaartuig zijn pagaai in het water trekkend. Snel gaat het niet, vooral stroomopwaarts, maar we zitten heerlijk en genieten van het schoone riviergezicht.
Prachtig is de groote, oud-Hollandsche ophaalbrug! We denken ons plotseling verplaatst in het oude Holland, als niet de ontzaglijke rijen sierlijke prauwen--lang, zwart en smal als Venetiaansche gondels met hoog opstaanden en versierden boeg--ons weer tot de werkelijkheid terugriepen.
Vol leven is de rivier; vol prauwen van allerlei soort, waartusschen allerlei stoomertjes, groot en klein, zwoegen, maar ook geweldige houtvlotten drijven stroomafwaarts om ter zijde van den grooten stoomer gebracht te worden, die ze veilig in zijn kolossaal lichaam verbergt om ze daarna her- en derwaarts over de aarde uit te strooien. De stammen zijn aan elkaar vastgesjord tot een stevigen vloer, meters en meters in het vierkant. Zelfs huizen staan erop, waarin geheele gezinnen een onderdak vinden. Het vormt een klein dorpje op zichzelf.
Terwijl mannen het groote gevaarte in de juiste richting houden, loopen de kinders daarop vroolijk te spelen--een leventje om van te watertanden--terwijl de moeder, aan den kant van het vlot gehurkt, zit te wasschen.
De stammen worden uit de diepe binnenlanden uit de bosschen gehaald en dagen lang wonen de menschen op deze drijvende huizen. En dit niet alleen, veel, nog veel meer wordt uit de binnenlanden met vaartuigen aangebracht, te veel om op te noemen, hetgeen alles in Bandjermasin wordt verzameld, waar nijvere handen--van inlanders en europeanen--er wel voor zorgen, dat het verder zijn weg vindt.
Zoo gaarne had ik een tocht gemaakt de Barito op [3], maar de omstandigheden lieten dit niet toe, zoodat we ons maar liever weer aan boord begeven van den Paketstoomer om ons te laten voeren naar Borneo's Oosterstranden.
Voor het laatst werpen we nog een blik op het Borneaansch Venetië en zuidwaarts stevenend, genieten we nog van de mooie kleurschakeeringen, welke de ondergaande zon over dit idyllisch plekje werpt. De spiegelgladde zee strekt zich nu weer voor ons uit en nadat we ver genoeg in zee zijn en de modderbanken hebben ontweken, wenden we den koers Noordoost. Op de groote drukte van de laatste dagen, welke het aandoen van een haven altijd met zich brengt, is gevolgd de stemmingsvolle kalmte van een rustigen tocht over het gladde, onmetelijke watervlak.
Spoedig bereiken we Straat Laoet tusschen den vasten wal en Poelau Laoet, aan welks noordpunt ligt het lieflijke Kota Baroe, met uitvoer van peper en rotan, standplaats van een assistent-resident en in welks nabijheid, bij Stagen, zich de door het gouvernement geëxploiteerde kolenmijnen bevinden (afb. 60).
Stagen heeft een kolenstation aan zee, welk station door een 6 K.M. lang spoorlijntje met de eigenlijke mijnen is verbonden.
De ontwikkeling van den steenkool-mijnbouw op Borneo is langen tijd eene lijdensgeschiedenis geweest. Het groote bezwaar vormden steeds de hooge transportkosten, een gevolg van de gebrekkige verkeerswegen, waardoor concurrentie met buitenlandsche kolen niet mogelijk was. In 1903 begon de maatschappij Poelau Laoet den mijnbouw bij Stagen, dat groote voorraden schijnt te bezitten en zeer gunstig gelegen is ten opzichte van het zeeverkeer. In 1913 ging de geheele onderneming aan den Staat over. De jaarlijksche opbrengst bedraagt ongeveer 160.000 ton, hetgeen behoorlijk genoemd kan worden in vergelijking met die der Ombilinmijnen, welke jaarlijks 400.000 ton leveren.
Toch schijnen de Laoetkolen--dit was althans steeds de klacht van verschillende technici in Indië--niet te voldoen en zijn ze, evenals alle Borneokolen van te jonge formatie.
De vaart door Straat Laoet is een en al verrukking, maar spoedig bevinden we ons weer op het onmetelijk watervlak en na een blik geworpen te hebben op Pasir, waar het voor enkele jaren nog woelig was, maar waar thans de rust is weergekeerd, richten we den steven recht noord naar Balikpapan.
Balikpapan! Te midden van de gewone indische plaatsen, waaraan we reeds gewend zijn, stuiten we hier plotseling op een europeesche modelstad. We staan verbaasd en niemand zou dit verwachten temidden van deze ontzaglijke eenzame oorden. Het is gelegen in een schitterende, natuurlijke baai, waar de grootste schepen kunnen invaren--de minste diepte in het vaarwater is zeven meter--wat menige indische havenstad haar zou kunnen benijden, waar men dikwijls ver uit de reede genoodzaakt is het anker te laten vallen, terwijl men in den slechten moesson dikwijls niet eens verbinding met den wal kan krijgen: Semarang en Benkoelen zijn hiervan voorbeelden.
Vaart men 's avonds de baai binnen, dan is de geheele vestiging over een afstand van meerdere kilometers schitterend verlicht, de oliestad baadt in een zee van licht.
Balikpapan met ongeveer 6000 zielen, is de hoofdzetel der Bataafsche Petroleummaatschappij op Borneo's Oostkust, tevens de grootste oliefabriekstad ter wereld. Olie wordt er niet of weinig gewonnen, maar van heinde en verre wordt dit aangebracht om hier in de groote, modern ingerichte fabrieken verwerkt te worden. Alles kan men ter plaatse maken: men heeft een eigen raffinaderij, eigen blikfabrieken maken de olieblikken--in Indië zoo wel bekend en voor alle doeleinden te gebruiken--; in eigen werkplaatsen maakt men de ijzeren vaten voor de oliën, maakt men zwavelzuur, kaarsen, parafine, smeerolie, ja, wat niet al!