Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving

Part 11

Chapter 113,836 wordsPublic domain

Hun talen verschillen onderling zeer, terwijl deze ieder op zichzelf wederom vele dialecten tellen, ieder in zijn eigen stroomgebied. Tusschen de eigenlijke dajaks van de binnenlanden en de maleische kustbewoners in--Boegineezen, Makassaren e.a.--is een soort mengvolk ontstaan, de Tidoengers, welke naam ontleend zou zijn aan de toppen der heuvelen (tidoeng), waarop zij woonden om beschermd te zijn tegen de snelwoede, die in vroeger dagen zoo sterk heerschte. De handelaren, die de binnenlanden indrongen langs de hoofdrivieren, wisten de Tinggalans, die zij daar aantroffen, te overreden, zich meer aan den benedenloop der rivieren te gaan vestigen; hun dochters trouwden met de handelaren en zijzelf gingen van lieverlede tot het mohammedaansch geloof over. En zoo vestigden ze zich niet alleen in de lager gelegen landen, maar zelfs op de eilanden voor de kust en waren een tijdlang berucht wegens hun zeerooverijen--zelfs de sultan van Boeloengan vreesde hen en moest zijn zetel verplaatsen en zich vestigen te Tandjong Palas, waar hij thans nog zijn paleis heeft--totdat hieraan paal en perk werd gesteld door de Solokkers, bewoners van den ten noorden van Borneo gelegen Soeloe-archipel, met wie een langdurige en hevige strijd ontstond. Velen werden als slaaf medegevoerd en thans nog leven velen van hen onder de Tidoengers en zijn geheel en al in deze bevolking opgegaan.

De naam tidoeng is overgedragen op het geheele gebied ten noorden van het stroomgebied der Kajanrivier.

De Tinggalandajaks behooren tot een grooten stam van dien naam, welke ook de binnenlanden van Britsch Noord-Borneo bewonen en daar meer bekend zijn onder den naam "Murut". Gedurende een bespreking met een engelsch bestuursambtenaar uit die gebieden mocht ik meerdere van die menschen ontmoeten, die wat lichaamsbouw en gewoonten aangaat, geheel met de onze overeenstemmen. Volgens de Tinggalans zelve hebben zij steeds deze gebieden bewoond en zijn ze niet heen en weer getrokken, opgejaagd door andere stammen, zooals we dat bij de Kenja's in zoo sterke mate aantroffen.

De tegenwoordige bevolking van de Tidoengsche landen is zeer weinig krachtig en energiek; er is wellicht in onzen archipel geen volk aan te wijzen, dat zoo slap en gemakzuchtig is als juist deze menschen. Het is trouwens een opmerkelijk verschijnsel in dajakland, dat daar, waar de bevolking nog strijdlustig is en de snelwoede nog niet beteugeld, deze ook het krachtigst is; daar zijn ze nog flinker gebouwd, daar zijn ze nog volijverig in het bebouwen hunner ladangs. Elders zijn ze daarvoor te lui en voeden ze zich met minderwaardige producten. Zeer sterk treedt dit verschijnsel op in de benedenlanden van deze gebieden (afb. 52).

Van oudsher drongen de handelaren, op winst belust, de binnenlanden in: zij zijn meestal sluwe, weinig scrupuleuse menschen, die door allerlei drogredeneeringen de eenvoudige dajaks imponeeren en door tijdelijke huwelijken zich in hun gemeenschap weten in te dringen. Na voldoende boschproducten verzameld te hebben, hetzij door meestal voor de dajaks nadeeligen koop, hetzij door zelf de bosschen in te trekken, gaan zij wederom naar beneden om het verzamelde aan de slimme chineezen van de hand te doen. Door de dajaks in dikwijls denkbeeldige schulden te houden, weten de handelaren hen steeds tot levering van nieuwe boschproducten te pressen. Bovendien weten ze hen door dobbel- en kaartspel en het wedden bij hanengevechten, waarop ze verzot zijn, nog dieper in de schulden te steken, slimmer als ze zijn dan deze eenvoudige menschen. Komen de dajaks zelven naar beneden om de door hen verzamelde boschproducten aan de handelaren, vooral chineezen, te verkoopen, dan zijn ze er al niet veel beter aan toe. Toen ik dan ook gedurende mijn bestuur den maatregel nam, dat ik zelf de naar beneden gevoerde goederen in het openbaar aan de handelaren zou verkoopen, waren ze ten zeerste verbaasd, zooveel voor hun producten te ontvangen; een voorraad, welke voorheen enkele rijksdaalders--de kleinste eenheid, waarmede een dajak weet te rekenen--opleverde, bracht nu soms honderd of meer rijksdaalders op; het behoeft geen betoog, dat onder de vroegere omstandigheden den dajak de lust benomen werd zich voor dezen handel eenige moeite te getroosten.

De sultans van Boeloengan, die, zooals we reeds zagen, oorspronkelijk voor de Tidoengers den wijk moesten nemen, wisten langzamerhand hun gezag weer te herwinnen, en zelfs aan den beneden- en middenloop wederom eenige macht te krijgen, o.a. door het verleenen van titels als Datoe, Pangeran, Adji e.a. Zoo was het dajakhoofd, dat aan de midden Sembakoengrivier een schijn van macht uitoefende, begiftigd met den titel Pangeran en heette Pangeran Moeda. (Zie afb. 49). Het kostte den sultans-trawanten meestal niet veel moeite deze verslapte dajaks te imponeeren en hen vervolgens af te zetten. Zoo zijn deze menschen langzamerhand verworden tot hetgeen ze thans zijn.

Een voorbeeld van een afzetter pur sang was de Boeloenganees Ating, die--als ik me niet vergis--zelfs nog aan de sultansfamilie verwant was. Hij had zich bij het engelsche bestuur zóó onmisbaar gemaakt, dat hij tevens werd aangesteld als een soort districtshoofd; daar hij tevens handelaar bleef--wat onder ons bestuur niet mag voorkomen--bezocht hij dikwijls ons gebied en dreef daar op allerlei unfaire wijzen handel, zoodat het veel op afpersing begon te gelijken en ik gedurende mijn samenkomst met den engelschen controleur te Semendapi op de grens van het engelsche en hollandsche gebied, genoodzaakt was te verzoeken hieraan paal en perk te stellen, daar hij anders op ons gebied komend, gevangen genomen zou worden. Dat de dajaks over dien maatregel zeer tevreden waren, behoeft geen betoog. Daarbij kwam nog, dat hij als vertegenwoordiger van het engelsche bestuur dubbel gehaat was.

De dajak, van zijn geboorte af gewoon, niet te behoeven gehoorzamen, maar in het algemeen vrijelijk te doen wat hem lust--hij is daardoor ook rondborstig--haat het engelsche bestuur, dat zeer hard is en vooral de politiesoldaten, die hem afzetten, zijn kippen en varkens zonder betaling afnemen, als anderszins. Het nederlandsche bestuur schijnt hem aangenamer te zijn, hetgeen we reeds zagen bij de Sabanstammen, die er niets geen bezwaar tegen hadden zich onder onzen vlag te scharen. Van Genderen Stort vertelt, hoe, toen bij de nederlandsch-engelsche grensexpeditie bekend werd, waar ongeveer de grens zou loopen, onmiddellijk een zestal kampongs naar ons gebied wilden verhuizen, terwijl nog eenige andere, na het binnenhalen van den oogst spoedig zouden volgen. Dit treft te meer, omdat een dajak alleen noodgedwongen het stroomgebied zal verlaten, waar zijn voorouders begraven liggen en waar deze vruchtboomen geplant hebben, waarvan de eerste rijpe vruchten bestemd zijn voor die graven.

De dajaksche vrouw! Welke positie bekleedt zij, welke rol is haar toebedeeld in de dajaksche maatschappij? We zagen hiervan reeds een en ander in de vorige hoofdstukken; we merkten op hoe de vrouw werd gewaardeerd als moeder van hare kinderen en ook, dat de vrouw wel een woordje had mee te praten, al was in het algemeen hard werken en sloven haar deel.

Hoe is het daarmede gesteld in de Tidoengsche landen? In het algemeen kan men zeggen, dat de toestanden vrijwel dezelfde zijn, al is haar toestand hier minder gunstig. Vóór haar huwelijk geniet de vrouw eene groote mate van vrijheid in tegenstelling met hetgeen we wel bij andere dajakstammen opmerkten. Het komt meermalen voor, dat zoon of dochter reeds bij de geboorte door de ouders aan een kind van een ander ouderpaar wordt uitgehuwelijkt.

Is de afspraak gemaakt en de zaak tusschen de wederzijdsche ouders beklonken, dan wordt deze bekrachtigd door het wederzijdsch aanbieden van een geschenk. De ouders van den zoon geven meestal een geschenk in den vorm van een tempajan of martavaan, terwijl de ouders van het meisje als tegengeschenk meestal een varken van ongeveer gelijke waarde aanbieden. Heeft dit plaats gehad, dan gaat het meisje een kralen halsketting dragen als bewijs, dat ze reeds uitgehuwelijkt is. Is zij op huwbaren leeftijd gekomen, 12 à 14 jaar, dan kan het eigenlijke huwelijk plaats vinden. De ouders van den bruidegom, geholpen door al hun familieleden, verzamelen de benoodigde huwelijkssom in den vorm van tempajans, keukengerei, katoentjes en andere in onze oogen vrij waardelooze, kleine voorwerpen, welke meestal geen grootere waarde vertegenwoordigen dan één of enkele honderden guldens, naar gelang van den stand en de schoonheid der bruid. Is deze som eenmaal bijeen gebracht, hetgeen dikwijls met groote moeilijkheden gepaard gaat, dan wordt deze op den bepaalden dag naar de woning der bruid gebracht, waar intusschen op uitnoodiging van de ouders van het meisje de genoodigden aanwezig zijn, die etenswaren, gongs, en andere cadeautjes hebben medegebracht. Het huwelijksfeest kan thans plaats hebben. Groote tempajans met gistende drank worden opgesteld--het wordt dikwijls een groote dronkemanspartij--terwijl stellages worden opgericht met spijzen, bestaande uit stukken varkensvleesch, vermengd met verzuurd meel en visch, alles toegedekt met een doek. Ieder nu, die daartoe lust heeft, mag van den drank en spijzen iets gebruiken, maar is verplicht een klein geschenk te deponeeren, welke het eigendom wordt van de familieleden der bruid, die medegeholpen hebben het feestmaal aan te richten. Thans wordt het huwelijk als gesloten beschouwd, al duurt het feest ook wel voort tot den volgenden dag.

Vervolgens wordt de bruid naar de kampong van den bruidegom gebracht; daartoe worden eerst alle geschenken in de prauw gebracht en stapt de bruid er ook in. De bevolking houdt dan in schijn de prauw vast, waarop de bruidegom in ruil voor de bruid, geschenken geeft. Bij de kampong gekomen, mag de bruid het huis van den bruidegom niet betreden, alvorens van hem eenige geschenken uit zijn kamer te hebben ontvangen, waarna deze betrokken wordt.

Is na haar huwelijk de vrouw aan haar huwelijkstrouw gebonden, in het algemeen is het gewoonte in de Tidoengsche landen, dat het sexueel verkeer vrijelijk plaats vindt. Het bij nacht binnengaan der kamer, waarin ook de ouders slapen, kan door deze niet geweigerd worden. Zou dit toch geschieden, dan werd een boete door het kamponghoofd opgelegd, zoodra een klacht hierover zou zijn ingediend.

Wordt een getrouwde vrouw op overspel betrapt, zoo verbeurt de overspeler--op klachte der familieleden van den man--een zware boete, aan den echtgenoot te betalen.

Zwangerschap buiten echtelijk verkeer--dikwijls weten de vrouwen dit echter wel te verhinderen--wordt niet als iets bijzonders aangemerkt; eene vrouw, aan wie zoo iets overkomt, heeft later echter een veel geringere handelswaarde.

Bij het zwanger worden van het eerste kind, legt de vrouw alle sieraden, behalve de armbanden, af en deze worden niet meer gedragen. Ook de rotanband, die ze om haar middel droeg als bewijs, dat ze nog geen kind had, wordt afgelegd. Van haar man krijgt ze later nieuwe kleeren en sieraden.

Al stelt het krijgen van kinderen aan deze vrouwen door zwakke en ziekelijke lichaamsgesteldheid de hoogste eischen, toch is kinderloos te zijn voor de dajaksche vrouw het treurigst, dat zij zich denken kan. En dan, kinderen, meisjes, zijn handelswaar! De vader heeft voor zijn vrouw tempajans, kralen en andere voorwerpen met moeite bij elkaar gezocht; en als hij later zijn dochters uithuwelijkt, krijgt hij voor ieder een bruidsprijs. Ze zijn dus voor hem een zeer voordeelige geldbelegging en tevens breidt hij door haar zijn familierelaties ver buiten zijn woonplaats uit.

De eerste plaats, die het jonggeboren kind inneemt, is bij zijn moeder op den houten vloer van het huis op een kleedje of matje. Verwend wordt de dajaksche zuigeling dus niet en het kan ons niet verwonderen, wanneer hij wel eens op jammerlijke wijze zijn stemgeluid doet hooren. Koud heeft onze jonge wereldburger het echter niet, want evenals zijn moeder zit hij bij een steeds brandend vuur. Moeder en kind worden gedurende eenige dagen berookt! Eerst na 4 dagen mag de moeder opstaan om zich te reinigen. Vlak na de geboorte van het kind heeft de moeder een kip te verorberen. De veeren worden verzameld en verbrand, zoodat de rook de borsten der jonge moeder bereikt, opdat de moedermelk rijkelijk moge vloeien.

De kleine dajak mag reeds eerder een bad nemen en de familie is vol zorg. Men waakt er voor de geesten, die het kind kwaad zouden kunnen doen, op een afstand te houden of te vriend te houden of, als het niet anders kan, te verdrijven of te verschalken.

Het geloof aan goede en booze geesten is allen dajaks eigen; zij denken zich die wezens overal aanwezig. Vooral in de vlucht van vogels en in het geluid van dieren zien zij eene voorspelling, speciaal ten opzichte van ziekten, bij doodenfeesten, aanleggen van ladangs, maken van een nieuw huis als vele andere zaken meer.

Bij ziektegevallen of uitbreken van besmettelijke ziekten wordt de kampong voor vreemdelingen ontoegankelijk verklaard, hetgeen te kennen gegeven wordt door bij den ingang een "goal" te plaatsen, waaraan pisangschillen worden opgehangen. Hoewel de Tinggalandajak, behalve enkele kruiden, geen of weinig geneesmiddelen kent, wil hij toch alles in het werk stellen den zieke te genezen, door het z.g. "limbai". In de salek--het middengedeelte van het huis--wordt een z.g. "tampang limbai", bestaande uit een uit bamboereepen gevlochten plat vlak, aan welks vier uiteinden een touw wordt bevestigd, aan de zoldering opgehangen. Daarop plaatst men een leege flesch of uitgeholde kalebas. Daarna begint het "limbai", hetwelk bestaat uit met een stuk hout of ijzer slaan tegen een bord, waarbij luide wordt gezongen. Alle inwoners van het huis loopen daarbij zingende om hem heen. Steeds harder begint de man te zingen, totdat hij eindelijk in extase geraakt. Het gezang der omstanders gaat thans over in een heftig gekrijsch. Op dat oogenblik namelijk verlaat de ziekte het lichaam van den patiënt en stijgt in den vorm van een boozen geest ten hemel, waarna medicijn in de flesch neerdaalt, welke den zieke zal genezen.

Intusschen heeft men er voor gezorgd, dat een klein prauwtje aan den oever gereed ligt voor het geval de booze geest daarmee zou willen reizen. De dajak kan zich nu eenmaal niet voorstellen, dat men gemakkelijker zou kunnen reizen dan in een prauwtje en bij voorkeur zal de geest zich dus daarin nestelen. Dit wordt daarna los gemaakt en prauwtje en booze geest drijven de rivier af.

Meerdere malen zag ik zoo'n ziektegeest de rivier afdrijven, 's avonds zelfs had men de prauw van een lichtje voorzien.

Is er een besmettelijke ziekte uitgebroken, dan wordt een kuiken in een klein hokje vastgebonden, hetwelk men de rivier laat afdrijven. Ook zal men eieren op van boven gespleten stokken rondom de kampong plaatsen; de booze geest zal wachten, totdat de ziel het ei verlaat en dus het huis niet binnendringen. Men ziet, alles is er op ingericht de booze geesten te misleiden of te verschalken.

Toch gebeurt het natuurlijk meermalen, dat de patiënt in weerwil van alle mogelijke geneesmiddelen sterft, maar de dajak weet ook daarvoor wel eene verklaring te geven; de patiënt heeft dan eenvoudig in den slaap een hemelvrucht, die zoo nu en dan uit den hemel komt neervallen, in den mond gekregen en ingeslikt. En hiermede is voor hem alles verklaard!

Zoodra iemand gestorven is, heffen de vrouwen--nadat de familieleden door gongslag verzameld zijn--een luid misbaar aan, zittend bij het lijk, dat in de salek wordt geplaatst in de van een uitgeholden boomstam vervaardigde doodkist, waarop een deksel geplaatst is, dat met rotan wordt vastgemaakt. Om hun groot verdriet te toonen, vliegen de familieleden elkaar in schijn aan en barsten telkens in een hevig gehuil uit. Gewoonlijk blijft het lijk 2 à 3 dagen in huis staan, gedurende welken tijd alle toebereidselen tot het begrafenismaal worden gemaakt, waartoe alle familieleden bijdragen.

Na drie dagen ongeveer wordt de kist dichtgemaakt; degene, die dat doet, wordt in schijn door de familieleden geslagen en met messen gestoken. Bij het wegdragen van de kist verzet de familie zich wederom; dit alles om te doen zien, welk een liefde en genegenheid men den doode heeft toegedragen.

De eenvoudige kampongbewoner wordt onder den grond begraven; bij kamponghoofden wordt de kist meestal op palen boven den grond geplaatst of wordt het lijk ook wel in een grooten tempajan gelegd. Boven een en ander wordt een afdak geplaatst--dikwijls zag ik deze met zink gedekt--waaraan verschillende versieringen worden aangebracht, bestaande uit lapjes katoen en andere kleinigheden.

Sieraden en kleeding volgen den doode; het door hem gebruikte kookgereedschap hangt men onder het afdak op. Het is familieleden geoorloofd een of meer voorwerpen van den doode als herinnering te bewaren, maar men heeft iets anders daarvoor in de plaats te leggen.

Na deze eerste begrafenis gaat het naaste familielid terug naar de sterfkamer, waarin een omheining is gemaakt, waarin hij of zij de eerste drie dagen moet verblijven. Daarna doet men wit goed aan, de rouwkleeren en een band van witte rotan om middel en pols. Deze rouwkleeren worden eerst afgelegd, wanneer ze geheel en al versleten en onbruikbaar zijn geworden. Vroeger kon de rouw afgelegd worden, indien door snellen de schedelversiering met een verschen kop was vermeerderd. Eene weduwe kan den rotanband ook afleggen, zoodra ze hertrouwt. Dit geschiedt dikwijls enkele maanden na het overlijden van haar man, daar ze dan door haar zwager, ook al is deze reeds gehuwd, wordt "overgenomen". Zij mag dan den rotanband vervangen door een spiraal van koperdraad om het middel en een wit metalen armband om den pols.

De dajak uit deze gebieden is echter niet klaar met ééne begrafenis. Ongeveer een jaar na de eerste volgt de tweede begrafenis. Alle kampongbewoners, familieleden en vrienden worden wederom verzameld. Het gebeente wordt onder een hevig gehuil in een tempajan of martavaan gedaan met den schedel er boven op. De martavaan wordt daarna op een soort tafel naast andere martavanen geplaatst. Het geheel wordt weer evenals vroeger door een dak bedekt.

Na afloop van iedere begrafenis wordt feest gevierd in de salek, welke voor deze gelegenheid feestelijk is versierd met lappen rood of geel katoen. Een groote martavaan met sterken drank, getrokken uit gegiste rijst, staat opgesteld, waaraan straks zich de gemeente te goed zal doen. Ik woonde het eenmaal bij, dat de geheele kampong dronken was, en toch was dit niet zoo'n walgelijke vertooning als wij, hollanders, ons dat zouden voorstellen en bij ons bij een dergelijke gelegenheid wel het geval zou zijn. Wanordelijkheden kwamen niet voor.

Door één persoon tegelijk wordt er gedronken en hij drinkt zóó lang, totdat het maatstokje, dat in de martavaan hangt, geheel vrij is. Kost hem dit veel moeite, dan wordt hij door de omstanders uitgelachen en uitgekreten voor een lafaard. Ook vrouwen drinken mede.

Boven de martavaan is een zoldering aangebracht, waaraan verscheidene suikerrietstokken hangen, benevens de geraamten der koppen van de visschen, die bij het feest zullen worden opgedischt. Het suikerriet dient als tegengeschenk voor de genoodigden, die het een en ander medebrengen.

Op den bepaalden dag komen de feestvierenden te voet of in met vlaggetjes versierde prauwen in de kampong bijeen, onderweg lustig zingend en op de gong slaand, terwijl ieder groote hoeveelheden etenswaren en drank medeneemt. Vroolijk gaat het er dan op toe en niet lang duurt het of velen beginnen neiging te krijgen om langdradige verhalen af te steken.

Door de ongehuwde meisjes, voor wie een hoekkamer van het huis wordt ontruimd, om gedurende het feest tot slaapkamer te dienen en de jongens, wordt 's avonds gedanst. Dit dansen bestaat uit een met schuifelende pasjes in een kring rondloopen, waarbij op eentonige wijze wordt gezongen. Nu en dan wordt er muziek gemaakt met een kledi, die we reeds bij andere dajaks leerden kennen en een tweesnarige guitaar. In de Sedalirstreek--in de boven Sembakoeng--heeft men ter wille van het dansen een gedeelte van den vloer veerend gemaakt, zoodat de dansenden bij het opspringen steeds hooger worden opgeworpen. De meisjes staan alle gearmd naast elkaar met de armen over de borst geslagen en de lange sarongs met een slip over een der schouders geslagen, op de wijze als de Boegineezen dit doen. Gedurende den dans heeft men zich getooid met de schoonste kleeren en sieraden. (Tinggalansch meisje in feestcostuum zie afb. 50).

Uit het voorgaande blijkt hoe de nabestaanden zorg dragen voor de gestorvenen en alles in het werk stellen om hun geest te vriend te houden. Want--zoo redeneert de dajak--deze blijft nauwlettend gade slaan, wat zijn nabestaanden met hem doen. Onmiddellijk na den dood stijgt de ziel ten hemel en zet zich neer op den regenboog, vanwaar hij alles op aarde rustig kan observeeren en wee dengene, die zijn lijk niet goed verzorgt. Na de begrafenis stijgt de ziel naar den hoogsten hemel. Daar bevindt zich een hemelboom, waaraan duizend verschillende soorten van vruchten hangen, die het voedsel leveren voor al de zielen in den hemel. Na een jaar--bij de tweede begrafenis--gaat de ziel wederom naar den regenboog terug en ziet hij, dat zijn gebeente goed verzorgd wordt, dan stijgt zijn ziel voor goed naar de hoogste hemelen.

Doch laten we eerst tot onzen kleinen dajak terugkeeren, die--zooals we reeds gezien hebben--gelukkiger was dan zijne moeder en dadelijk een bad mocht nemen of althans gewasschen worden. Al spoedig krijgt de zuigeling een naam, welke niet--als bv. bij de Kenja's--telkens wordt veranderd en zoo groeit onze knaap op temidden van zijn primitieve, vuile omgeving.

Al heel spoedig gaat de jonge moeder weer aan den arbeid, al zijn daarbij de meest vermoeiende en afmattende werkzaamheden uitgesloten.

Als het kind niet in de wieg--een eenvoudige, houten bak, aan de vier hoeken met een touw aan een balk opgehangen--ligt te slapen, heeft zijne moeder het in den eersten tijd altijd bij zich, ook wanneer zij buitenshuis het een en ander te verrichten heeft. In het draagmandje draagt zij het kind op den rug of ook wel in een doek, terwijl de beentjes links en rechts van hare zijden afhangen. Waar de moeder ook heengaat, haar zuigeling moet mee. Bij het rijststampen zelfs, waar het lichaam der stampster hevig schommelende bewegingen moet maken, heeft zij dikwijls het kind op den rug. Niets is haar voor haar lieveling te veel; als de kleine later vast voedsel moet gebruiken maar nog niet voldoende kauwen kan, kauwt zij het voor hem en geeft het zoo fijngemaakte te eten. Zij speelt er mede, zingt het wiege- en andere liedjes voor en leidt het langzamerhand op voor allerlei kleine werkjes, die voor een kind geschikt zijn.

En zoo leeft het voort, totdat het het oog der moeder niet meer zoo van noode heeft en op eigen wieken kan drijven en langzamerhand gaat meedoen aan het werk der volwassenen. Zoo zal de jongen meegaan naar het veld en de ouderen volgen bij jacht en vischvangst, zoo zal het kleine meisje, zoodra zij een met water gevulden bamboekoker kan dragen, eerst met één, later met meer van die kokers, water, dat voor het huiselijk gebruik noodig is, gaan halen uit een bron of uit de rivier, zooals de oudere meisjes of vrouwen, zwaarbeladen, in het algemeen dat doen.

Het leven van jonge meisjes bestaat lang niet uit een aaneenschakeling van genoegens. Eerst als de avond gevallen is, kan men zich aan vreugde overgeven. Maar dan hebben de vrouwen dikwijls een langen dag van soms zwaren arbeid achter den rug. Want van den vroegen morgen af hebben zij in het huis harer ouders aan alle werkzaamheden moeten deelnemen. Menigmaal moeten zij naar het veld om groenten te zoeken of naar het bosch om brandhout te verzamelen, al is het ook, dat daar menig herdersuurtje wordt gesleten en teere banden voor de eeuwigheid worden gesloten.