Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving

Part 10

Chapter 103,714 wordsPublic domain

Gesnelde koppen komen in Poedjoengan en Lepo Maoet niet in grooten getale meer voor. Toen in 1910 onder leiding van Lian Toeran 16 maleiers vermoord waren, zijn bij wijze van straf alle koppen weggenomen; er zijn er toen vele vernietigd, enkele slechts zijn er overgebleven; Taman Soelau heeft er in zijn voorgalerij slechts drie over, aan één daarvan was een kuikentje op een houten pen gehecht, hetwelk diende tot voedsel van den gesnelden schedel; bosjes bladeren dienen tot gezelschap daarvan.

Aan tatoeëeringen doet men in deze gebieden weinig; wel is het soms gewoonte, dat jongelui de modellen der Ma Koelits overnemen: dat staat chique!

Daar het in de bedoeling lag ook te Lepo Maoet een vergadering met de hoofden te houden evenals in Poedjoengan, was het wel gewenscht eerst kennis te maken met hun omstandigheden ter plaatse, zoodat een bezoek aan de Lepo Kèhs en Liboens, vervolgens aan de primitieve Sabans op het programma stond.

De Liboens--ook wel Njiboengs genoemd--zijn wel de krachtigste stam daar. Oesat Biloeng is de zoon van Biloeng Erang, die het indertijd waagde Lian Toeran te dwarsboomen en den fieren nek niet voor hem boog, al moest hij de wijk nemen. Ongeveer 50 jaar geleden woonden ze nog aan de Soengei Lorah, vlak bij Poedjoengan, werden verdreven naar hun tegenwoordig gebied en zijn van daar uit zelfs nog naar de boven Toeboe in de Tidoengsche landen moeten uitwijken; na korten tijd keerden ze echter weer terug en thans zelfs nebben ze wel neiging naar de Bahau te verhuizen, nu de straffe hand van Lian Toeran niet meer te voelen is.

De beide Liboenkampongs Long Sibau en Long Lemoeten met het hoofd Apoei Biloeng, die slechts op een uur afstand van elkaar verwijderd liggen, zien er vuil en slordig uit; vooral de eerste, vlak bij een moeras gelegen, maakt een ongunstigen indruk, terwijl het met Long Lemoeten in zooverre gunstiger gesteld is, dat het boven op een berg ligt, van waar uit men een schitterend overzicht verkrijgt over het omliggend terrein. De Liboens hebben veel aanraking met het engelsche gebied, voornamelijk Telang Oesan; vandaar zijn ook afkomstig de geiten en karbouwen, die we in de kampong aantroffen, en die men elders--behalve bij de Sabans--niet aantreft; in acht dagen kan men over land Telang Oesan bereiken en het is dus niet te verwonderen, dat ze daar heen gaan en niet naar de beneden Kajan, vooral vroeger, toen ze onderweg nog verontrust werden, terwijl ze bovendien geheel onbedreven zijn in het bevaren van versnellingen. Bij mijn verblijf trof ik verschillende lieden uit Telang Oesan aan, die kwamen om handel te drijven.

De stambenaming der dajaks wordt dikwijls ontleend aan de rivier, waaraan ze wonen of aan typische planten of houtsoorten, die in de buurt worden aangetroffen. Zoo beteekent liboen een veelpittige djamboesoort, maälim een soort gras, malaran, een stam aan de beneden Boeloenganrivier, een soort hout, kèh een gekeept stuk hout zooals door de voorvaderen--thans trouwens nog--werd gemaakt, indapa ook een soort hout en dergelijke meer.

De Liboens hebben eene eigenaardige wijze van begraven. Onmiddellijk na den dood worden de lijken in een kist geborgen en blijven daarin zoo lang tot ze vergaan zijn; daarna worden ze er weer uitgehaald en in een tempajan--een groote keulsche pot--gedaan, welke op een hoog opgerichte, dikwijls met snijwerk versierde paal wordt gezet, paalgraven of zoogenaamde liangs. (Zie afb. 48). Overigens gebruikt men in Lepo Maoet salongs evenals de andere Kenja's, waarin de kisten bijgezet worden, behalve bij de Ma Koelits, die het lijk in een kist onder den grond begraven en daarop het doodenhuisje plaatsen. In Poedjoengan gebruikt men ook kisten en plaatst die in de bergholen, behalve Ma Badang en Ma Lasan Long Poedjoengan waar men de Kenjagewoonte volgt en salongs gebruikt. De Sabans doen het weer anders en plaatsen het lijk in een kist, welke willekeurig ergens wordt neergezet, soms buiten vlak naast het huis; wanneer het vergaan is, wordt het in een gesloten tempajan geplaatst en deze half in den grond ingegraven. Dit overbrengen in de steenen potten gaat met groot ceremonieel gepaard. Willekeurig worden deze neergezet, zoodat het niet te verwonderen is, dat men daar rondtrekkend, struikelt over een graf, dat in de tropische natuur onmiddellijk door den weelderigen plantengroei aan het oog wordt onttrokken.

Wordt dus in het algemeen niet veel zorg besteed aan de verzorging der dooden, menschen die aan "keloear darah" (bloedspuwing) zijn overleden of vrouwen in het kraambed, worden gewoon, afgescheiden van de anderen, ergens in den grond verborgen.

Zeer eigenaardige graven troffen we nog aan op den linkeroever der Bahau, een eind zuidelijk van Lepo Maoet, afkomstig van stammen, die vroeger hier woonden, maar verdreven werden en waarvan een restant woont aan de Kajan, benedenstrooms Long Pangian, in de kampong Boesang Badang. De graven bestaan uit zwaar bewerkte steenen; vier dienen als pijlers, daarop rust een deksteen, die tevens drukt op het deksel van een steenen tempajan en deze absoluut gesloten houdt. Het is onbegrijpelijk hoe die lieden deze uit de harde steensoort hebben kunnen bewerken. Niemand, noch in Lepo Maoet, noch later in de benedengebieden, kon mij omtrent deze eigenaardige vormen inlichtingen geven. Het is dus waarschijnlijk, dat deze reeds van vrij ouden datum moeten zijn. Nergens anders in dajakland worden ze aangetroffen.

Op een afstand van twee uur ongeveer ligt, eveneens op een berg, Lepo Kèh Indapa onder het hoofd Oesat Lawing. Blijkbaar was men bevreesd voor ziekten; ettelijke bamboestaken, versierd met allerlei houtrafelingen waren voor de kampong opgesteld om de booze geesten te bezweren, terwijl men hier en daar door rhythmisch gezang onder aanroep van de geesten, de ziekten trachtte te verdrijven.

We hadden eerst nog getracht den tocht naar de Sabans rechtstreeks vanhier over land te doen; de weg was echter zóó slecht, dat we van dit plan afzagen en eerst weer naar Lepo Maoet terugkeerden om gebruik te maken van de rivier. Van Indapa uit duurt de tocht naar Lepo Maoet vier uur. De vroegere kampong Lepo Kèh Ang Long is verlaten; deze lieden zijn verhuisd naar de Bahau en wonen thans in de kampong Gaboeang, waar we een der volgende dagen aankwamen. Daar een hevige regen ons overviel en we juist bij een ladang waren aangekomen, besloten we, om mijn roeiers het maken van een bivak te besparen, in een der armoedige huisjes een onderdak voor den nacht te zoeken. Dit had tevens het voordeel eens echt het leven van den dajak op zijn slechtst mede te maken. En het viel dan werkelijk ook niet mee. In het wankele gebouwtje was het me haast niet mogelijk mij te bewegen; in een ruimte van slechts enkele vierkante meters zaten we allen kris en kras door elkaar; de vloer, ongeveer drie meter boven den grond, bestaande uit dunne bamboelatjes, was van dien aard, dat we elk oogenblik vreesden er doorheen te vallen en terecht te komen boven op de varkens, die lustig daaronder smakten en knorden. Hier brengt de dajak uit den achterhoek maanden en maanden door, zonder genoegens, zonder eenige eischen. Met weinig zorg en weinig kennis van zaken bebouwen ze hun gronden en hebben daardoor meestal weinig voedsel. Zoo ook hier; door ziekte van enkele lieden had men den aanplant gestaakt, de jonge planten werden verstikt door het vuil, men denkt er niet over na of dit ook hongersnood beteekent; dat zal wel blijken. Hun lichamen zijn verzwakt door ondervoeding, ziekte en vuilheid. Het was droevig deze mannen en vrouwen te zien; somber, spichtig en flets. Een innig medelijden met deze menschen bekroop mij, deze menschen, die een leven leven, erger dan de dood en die niet vatbaar zijn voor redeneering. Enkele zieken en anderen weer met afzichtelijke wonden riepen mijn hulp in, maar de medicijnkast van een bestuursambtenaar--kininepillen en castorolie--reikt niet ver. Zoo is de toestand van alle veraf wonende dajaks, Poenans, Sabans en anderen. En daaraan niets te kunnen doen! Het ware te wenschen, dat al deze menschen meer stroomafwaarts verhuisden; maar vrees en altijd weer vrees weerhoudt hen, vrees voor Ma Alims, vrees voor maleiers. Er was een tijd, dat ze nog wel eens kwamen afzakken, maar sinds een moord op eenige maleiers, die zich aan hun vrouwen hadden vergrepen, durfden zij uit angst voor weerwraak niet meer naar beneden te gaan.

Hoewel het flink bandjirde--dit was volgens de dajaks mijn eigen schuld, doordat ik de steenen graven aan den Bahauoever van vuil had laten ontdoen om die te kunnen fotografeeren--gingen we verder en voeren spoedig de Soengei Berao op, een rivier met een zeer steenachtig bed, zoodat het opvaren ons groote moeite kostte, om daarna het op den rechteroever gelegen Seriok of Longtok te bereiken, welke kampong van uit Lepo Maoet bij goed water in acht uur is te bereiken.

Mijn komst in de kampong verwekte--zooals te begrijpen is--nogal opschudding; vooral de vrouwen schoolden samen om den witmensch te zien, eene afwisseling in haar eentonig bestaan, voor de kinderen was het een pretje en zelfs de dajakhonden zaten mij verwonderd aan te kijken. Allen verzamelden zich dan ook in het voorhuis van den hoofdman en een gezellig gekeuvel volgde. Gezellig, hoewel het nog al eenige moeite kostte om me verstaanbaar te maken, waarbij ik mij van twee tolken moest bedienen. Alles wat ik deed, had hun groote belangstelling: het uitspreiden van mijn veldbed, het uittrekken mijner schoenen en slobkousen, het eten met lepel en vork, kortom alles vonden ze grappig of diep ernstig. Het eenige bezwaar, wat ik tegen de menschen had, was, dat ze zoo intens vuil waren. Een manneke van middelbaren leeftijd, blijkbaar nog al hoog in rang, omdat hij zoo dicht bij me kwam zitten en alles van nabij bekeek, was zoo vuil als een echt boschduveltje, dat ik hem bij wijze van grapje vroeg, of eigenlijk liet vragen, in hoe langen tijd hij zich niet gewasschen had. Hij beweerde, dat hij dat nooit deed, hetgeen aan te nemen was, maar dat hij het nu wel eens wou doen, waartegen ik geene bezwaren had en werkelijk kwam hij kort daarna hernieuwd terug tot groot plezier van de aanwezige menigte.

Voor fotografeeren schenen ze geen angst te hebben en dadelijk maakte ik van de gelegenheid gebruik eenige dames te kieken, maar toen ze 's avonds bij het ontwikkelen der platen zagen, wat er allemaal gebeurde en dat ze spookachtig op het negatief zichtbaar waren, was het uit met de pret en toen ik den volgenden dag met mijn toestel in de kampong rondliep, kreeg ik geen enkele vrouw meer voor de lens; geen enkele vrouw, geen enkel kind meer was te zien; gelukkig waren de mannen verstandiger. Ze waren bang, dat ik hun de ziel zou ontstelen, evenals de Papoea's. Een dergelijk grappig iets troffen we indertijd in Apo Kajan aan, toen van een der dajaksche dwangarbeiders een gipsafgietsel van het gelaat werd genomen; hij vond dat eerst verre van aangenaam en vroeg of hij er dood van zou gaan, maar toen we uitlegden, dat dit absoluut het geval niet was, dacht hij, dat het dan toch wel tot vermindering van straf zou dienen en hij de gevangenis na de operatie zou kunnen verlaten. De oolijkerd!

In haardracht slechts verschillen de Sabans van de overige Kenja's. Ze scheren zich dikwijls het hoofdhaar af of dragen het kort, maar aan het achterhoofd dikwijls zeer lang, hetwelk tot een wrong wordt samengebonden en daarna met haarpennen achter aan het hoofd vastgestoken, een gewoonte, die ze van de Serawak-dajaks hebben overgenomen. Ook wordt het haar door jongelui van voren soms lang gedragen; het valt dan op het voorhoofd en wordt recht afgesneden.

Ze plegen zich weinig te tatoueeren, hoewel het bij de vrouwen nog wel voorkomt (afb. 75).

De huizenbouw verschilt niet veel van die der Kenja's; alleen met dit verschil, dat de lamins één samenhangend geheel vormen; ze gebruiken bovendien geene deuren, maar in plaats daarvan voeren een of meer gangetjes naar de achterverblijven.

Eene speciale eigenaardigheid van de Sabans is nog een bepaald soort huisjes of pondoks, waarin zij hun besmettelijke zieken afzonderen. Het is dezen niet veroorloofd die verblijfplaatsen te verlaten, een verstandige maatregel, welke ik bij geen enkelen anderen dajakstam aantrof. Voedsel wordt hun door familieleden door de deuropening aangereikt; overigens bemoeit zich niemand met hen.

In Seriok trof ik ook sapi's en karbouwen aan, afkomstig uit de Oeloe Krajan in de Tidoengsche landen en Telang Oesan, waaruit blijkt, dat deze lieden aanrakingen hebben met het engelsche gebied; van hier uit is dit dan ook slechts zes dagen verwijderd, zoodat het ons niet behoeft te verwonderen, dat deze lieden door de vele aanrakingen met onze naburen ook meenden onder engelsch bestuur te staan.

Uit de karbouwenhorens weten de Sabans schoone mandauheften te maken, terwijl we hier een typisch muziekinstrument aantroffen, de z.g. lòtòng, bestaande uit een dikke bamboe, aan één kant gesloten door een geledingsbodem, aan den anderen kant open. Bij wijze van snaren zijn gedeelten van het vezelig oppervlak opgelicht en daaronder als bij een viool kleine kammetjes geplaatst. Al tokkelend weet de Saban hier een sympathieke melodie aan te ontlokken. Zie afb. 25.

Volgens hun eigen beweringen hebben ze altijd hier gewoond en zouden dan beschouwd dienen te worden als de autochthonen van het boven Bahaugebied. Onmogelijk is dit niet; een stam, die hier vroeger ook nog gewoond zou hebben, was die der Ngorek, welke waarschijnlijk is uitgestorven of uitgeweken naar het engelsche gebied.

De Sabans vormen een stam, staande tusschen Kenja en Poenan in. In lichaamsbouw doen ze onder voor den Kenja en Kajan; ze zijn in het algemeen minder zwaar en forsch en vooral missen ze de fierheid in houding, die men juist bij andere dajakstammen zoo dikwijls bewonderen moet.

Al meerdere malen werd er in dit werkje de aandacht op gevestigd, hoe de dajaks--hoewel de vrouwen minder--veel overeenkomst vertoonen met chineezen. Volgens sommige lieden van deze stammen zou een gedeelte van hen van chineezen afstammen, afkomstig uit de westelijk gelegen gebieden. Vooral bij de primitieve dajaks, Sabans en Poenans, valt een sterk sprekende overeenkomst niet te loochenen. Van chineezen zouden ze ook hun naga- of draakmotieven overgenomen hebben, dat zoo sterk in kenjasche figuren op den voorgrond treedt. Veel meer toch zou het voor de hand liggen, wanneer ze deze ontleenden aan dieren uit hun eigen omgeving als herten, zwijnen en krokodillen; ze gebruiken deze weliswaar een enkele maal voor hun motieven, maar meer geliefd zijn de chineesche draken. Nog wijzen op intensieve aanrakingen hun mooi bewerkte tempajans, die ook van chineeschen oorsprong moeten zijn. Ook hun namen als b.v. Go Long Sat en anderen--vooral Poenannamen--zouden eruit kunnen voortspruiten, terwijl zelfs bij enkele stammen of families het nog gewoonte is om in plaats van de gewone rouwkleederen der Kenja's, de witte der chineezen te dragen. Is het verband werkelijk bestaand, dan verloochenen ze hun geslacht niet ten opzichte van eene zekere handelssluwheid, welke ook velen Kenja's niet vreemd is en welke hun aangeeft waar ze het meeste voordeel moeten vinden.

Daar alle hoofden tot eene groote vergadering te Lepo Maoet waren opgeroepen en een tocht naar de Sabankampongs nog meerdere dagen in beslag zou nemen, besloot ik terug te gaan om hen aldaar op te wachten. Reeds spoedig kwam Oesat Biloeng met groot gevolg aan; hij maakte een gunstigen indruk, is een flinke figuur en weet zich te doen gehoorzamen. Naast het hoofd van Lepoe Maoet is hij wel de flinkste, al is in deze gebieden geen sprake van een algemeen hoofd.

Nadat allen aanwezig waren en er "bruderschaft" gedronken was, waarbij meerderen uit één beker dronken, kon de vergadering beginnen, nadat nog enkelen eene kleine verzoening hadden gehouden, hetgeen nu geschiedde met een uitgerafelden rietstengel, gedrenkt in varkensbloed.

De onderwerpen, welke besproken werden, waren dezelfde als die welke we reeds in Poedjoengan behandelden. Vooral de grondkwesties hadden hier de groote belangstelling, begeerig als men was, dat de Kompenie deze aangelegenheid zou regelen, zoodat de invloed van Lian Toeran tot niets werd teruggebracht, hetgeen ik hun gerust durfde toezeggen. Aan het eind van de vergadering stond het oude hoofd op en bracht met verheffing van stem zijnen onderhoorigen nog eens duidelijk aan het verstand, wat ze te doen en te laten hadden. Hij wees hun erop, dat ze mijn bevelen hadden op te volgen, want dat die werkelijk--hij als oud man begreep dat--in hun belang waren. Nadat dit door nog eenige hoofden herhaald was in bloemrijke taal, verrees de eenoogige Ma Djaloeng Lenggang; hij sprak met vuur en zeide, dat hij met belangstelling mijn woorden had aangehoord en begrepen, maar hij hoopte, dat ik het niet alleen bij woorden zou laten en Lian Toeran dit alles nog eens goed zou inpeperen, zoodat de praktijk in overeenstemming zou komen met mijne woorden.

Onder de Sabans bleek nogal oneenigheid te bestaan, hetgeen dan ook de reden was van het verspreid wonen dezer menschen. Het beste was geweest als de menschen in 2 of 3 groote kampongs meer stroomafwaarts zich vereenigden, maar er waren zooveel bezwaren, dat van dit voorstel niet veel terecht kwam. De voornaamste Saban, de eenige die dan ook het woord voerde, is Taman Baja Njipa; hij maakt een schranderen indruk, maar hij is blijkbaar toch niet krachtig genoeg om de enkele honderden Sabans bij elkaar te houden. Hij volgde de geheele vergadering in weerwil van het feit, dat zijn duim, die half afgezworen was, hem geweldige pijn moest veroorzaken. Tot mijn groote spijt kon ik er niets aan doen en hij bepaalde er zich slechts toe het stompje rechtop te houden. Het is ongeloofelijk, hoe veel pijn deze menschen soms kunnen verdragen, maar voor onze instrumenten hebben ze een heilige vrees; liever grijpen ze zelf in. Ik zag eens een man, die zich met een van bamboe gemaakt en scherp aangepunt hamertje den arm opende om zich van een ernstig abces te verlossen. Om de punt niet verder dan noodzakelijk in het lichaam te doen dringen, was deze op een bepaalde hoogte met een stuk lap omwonden, welke tevens diende om de hamer stevig te verbinden.

De Sabans waren eigenlijk een weinig verwonderd, dat ze nederlandsche onderdanen waren. Hun aanrakingen zijn zoo uitsluitend met het engelsche gebied, dat ze zich ook rekenen als bij dat gebied te behooren. Toch was hun wel door engelsche ambtenaren medegedeeld dat alle lieden aan de Bahau aan het hollandsche gezag onderworpen zijn. De dajak beschouwt de engelschen en hollanders als verschillende menschen; de eersten noemt hij keloenan inggris, òns keloenan blada (blanda); wij zijn de witmenschen bij uitstek. Meerdere malen--vertelde mij Taman Baja Njipa--hadden ze de hulp der engelschen ingeroepen, omdat er nooit hollandsche ambtenaren kwamen, terwijl Maroedi in het engelsche gebied slechts zes dagen van hen verwijderd ligt. Toch hadden ze niets geen bezwaar er tegen zich onder onze vlag te scharen.

Nadat alles besproken was en de oude radja mij nog een schild had gegeven--daar hij dit niet meer noodig had, omdat na het gesprokene ik "syn scilt ende betrouwen" was,--was het oogenblik van teruggaan gekomen; bij het stroomafwaarts gaan van de Bahau in de versnelling Loeët Boeët (moeilijke oversteek) ging door het omslaan van mijn prauw het grootste gedeelte mijner goederen verloren. Na enkele dagen bereikten we weer Long Poedjoengan, voeren langs de Soengei Laso, een warmwaterriviertje en nadat bij de kiham Baloei de goederen over de rotsen waren gedragen, daar het afvaren niet mogelijk was, bereikten we een paar dagen daarna Tandjong Seilor en na eene afwezigheid van vijf volle maanden keerden we weer in den familiekring terug. Hoe meer we naderen, hoe angstiger het hart klopt, na lange afwezigheid van berichten, maar hoe grooter de vreugde, wanneer we de onzen in goede gezondheid weerzien.

IN DE TIDOENGSCHE LANDEN.

Zoo er één van de gebieden van dajakland nog tot de onbekende behoort, dan zijn dit zekerlijk wel de Tidoengsche landen.

Ver van alle verkeer ligt het daar eenzaam en verlaten, in den uitersten noordoosthoek, onmiddellijk grenzend aan onze engelsche naburen. Verbinding met de buitenwereld bestaat om zoo te zeggen niet; weinige zijn de europeanen, die deze gebieden hebben betreden en geen geschrift handelt daarover, behalve dan de enkele rapporten van ambtenaren, die ergens als nietswaardige vodden onder een dikke laag stof in de archieven verborgen liggen. Het is één dier grensgebieden van ons gezag, waar de hollandsche invloed zeer flauw waarneembaar is.

En toch leven daar in de bovengebieden, vrijwel nog in hun alouden oerstaat, een vijftienduizend dajaks, hun eenzaam, maar in hun eigen oogen, gelukkig bestaan. Men zou dit niet verwachten, wanneer men langs de kusten van dit gebied door de groote zeearmen vaart; geen levend wezen is te ontdekken, alles water, modder en bosch; uren, dagen lang kan men hier varen zonder iets of iemand te zien, geen mensch, geen menschelijke vestiging. Eerst uren en uren stroomopwaarts ontdekt men leven in deze uitgestrekte oorden. Het is de groote vraag of het den menschen wel naar den zin was toen in Maart 1917 de patrouille Posthumus, later vervangen door Sitsen, aan wal stapte en de eerste stappen werden gedaan om in den chaotischen toestand in de diepe binnenlanden verbetering te brengen en de menschen, die her- en derwaarts verspreid woonden, op hooge bergtoppen soms, tengevolge van de in zwang zijnde sneltochten, te bewegen zich in meer bewoonbare oorden te vestigen. Lange, lange tijden waren ze aan hun lot overgelaten geweest, vrijelijk doende wat hun lustte en zich in het geheel niet bekommerend om het europeesche gezag of het bestuur van den sultan van Boeloengan, wiens onderdanen zij allen zijn. Het intensievere bestuur is wel van zeer recenten datum, maar toch is het bewonderenswaardig, wat beide bovengenoemde mannen in dien korten tijd hebben tot stand gebracht onder zeer primitieve omstandigheden.

Nog zij vermeld de grensexpeditie in 1912 onder kapitein P. van Genderen Stort, welke ten doel had de uitzetting in het terrein van de grens tusschen nederlandsch gebied en het gouvernement Britsch Noord-Borneo, over welken tocht een uitvoerig rapport is verschenen.

De dajaks uit deze gebieden behooren tot een geheel anderen stam dan de reeds in de vorige hoofdstukken behandelde. We onderscheiden hier twee groote groepen, wonend in de stroomgebieden van de twee groote rivieren de Sesajap en de Sembakoeng en wel in de eerste de Poetoeks en in de tweede de Tinggalans. Hoewel deze beide stammen met de vroeger genoemde punten van overeenstemming hebben, verschillen ze van deze in andere opzichten weer zooveel, dat een afzonderlijke beschrijving van hun zeden en gewoonten gemotiveerd schijnt.