Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving
Part 1
ONS MOOI INDIË
UIT DAJAKLAND
KIJKJES IN HET LEVEN VAN DEN KOPPENSNELLER EN ZIJNE OMGEVING
DOOR J. JONGEJANS CONTR. B.B.
MET 80 AFBEELDINGEN EN ÉÉN KAARTJE
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXXII
INHOUD
EERSTE AFDEELING.
80 AFBEELDINGEN NAAR PHOTOGRAPH. OPNAMEN blz. 1-72
TWEEDE AFDEELING.
INLEIDING 73
NAAR BORNEO'S BINNENLANDEN.
LANGS DE MAHAKAM 77 IN APO KAJAN 147 IN POEDJOENGAN EN LEPO MAOET 195 IN DE TIDOENGSCHE LANDEN 228
VAN BORNEO'S LAGE LANDEN AAN DE ZEE 257
AAN MIJNE DAPPERE VROUW
INLEIDING
"Is enich ghebrec in desen boecke "dat is mi leet "en soo wije dat ghebrec verbeteren wille "dat is mi lief".
THOMAS VAN UTRECHT.
Borneo! Een wereld van gedachten ontplooit zich voor onzen geest.
Borneo! Een land van onbegrensde mogelijkheden, van ondoorvorschte perspectieven, land van onvergaarde schatten wellicht.
Borneo! het land van nipah, water en modder, het land van donkere wouden en wreede menschen.
Neen, eigenlijk is Borneo geen land van belofte!
Maar toch......
Laat ik eerlijk zijn en bekennen, dat toen mijn ambt ons van Sumatra's zuidpunt naar Oost-Borneo in den uitersten noordhoek voerde en onze zoekende oogen op de kaart steeds hooger kropen langs de kustlijn tot we eindelijk onze plaats van bestemming vonden, hoog in het noorden, ja, toen zagen we de toekomst donker in. Voor onzen geest stonden: land zonder wegen, waterellende in allerlei vormen, ziekten, zelfbesturende gebieden met allerlei lastige, domme, hebzuchtige potentaatjes en ten slotte--en deze niet het minst--de koppensnellende dajak.
Nipah en water! die drongen zich wel aan ons op, toen we de eerste groote rivier opvoeren. Water! en nipah aan weerszijden van den breeden stroom, vele uren en uren lang, tergend in hun eentonigheid en toch ook weer fascineerend door de gelijkvormigheid--het eerste draadje van het net van Borneo's betoovering!
Eerst lang na deze als uitgestorven oorden begint het leven; en verder gaat dit, verder tot in Borneo's levengevende macht; de brongebieden van zijne rivieren.
Daarheen moesten we ons begeven, lukraak neergekwakt, èrgens, waar we het gevoel hadden als uitgestootenen te zijn achtergelaten, toen de laatste galm van het vertreksein van de boot was verklonken, haar schroefslag niet meer te hooren...
Toen stonden we daar, nog bevangen door de eigenaardige beklemdheid, die me nog telkens bevangt op de uitgestrekte wateren van dit land, in de doodsche rust, die over de eindelooze eenvormigheid van de benedenstroomen ligt.
Toen stonden we daar afgesloten van de wereld...
Maar nu, hoe anders is dit geworden! Hoe ben ik Borneo nu gaan zien als het land van duizenderlei mogelijkheden. Wat is de wreede koppensnellende dajak mij een genoegelijke reisgenoot geworden op mijne vele en lange tochten tot in het hart van het land. Wat al vele en dwaze verhalen zijn er omtrent dezen, in weerwil van zijne vele fouten, sympathieken natuurmensch in omloop: hij zou--o, gruwelijkheid! zijne medemenschen verslinden, zijne woningen bouwen in boomen als de oermensen Daâh en vele dergelijke verhalen meer, welke alle in het land der fabelen thuis behooren.
Dit boekske wil vertellen over dit land, over dezen mensch. Uit den aard der zaak geene wetenschappelijke verhandeling, noch een werkje, dat eenige aanspraak op letterkundige waarde maakt. Veeleer is het een eenvoudig relaas, een sober, onopgesmukt, op eigen ervaring berustend verhaal van het dagelijksch leven en streven van een bestuursambtenaar en zijn gezin in de binnenlanden. Maar doordat dit leven zoo op honderd en één wijzen is samengeweven met de bevolking, zal dit voor den lezer wellicht een simpeler en zuiverder beeld scheppen, juist van het zijn van dat volk, van zijn leven en streven in de grootsche, doodsche, zenuwstillende èn zenuwontstellende stilte van de wateren en bosschen van zijne omgeving.
Op meer maakt dit boekske geene aanspraak en mocht het mij gelukt zijn een zuiverder kijkje in de dajakwereld te hebben gegeven, dan we uit onze kinderjaren hebben bewaard en we gemeenlijk ook verkrijgen door de dwaze voorstellingen, die door woord en beeld worden in het leven geroepen, dan reeds is mijn doel bereikt.
Voor dengene, die meer van deze sympathieke menschen wil weten, staat naast het grootsche werk van Prof. Nieuwenhuis: "Quer durch Borneo" nog ten dienste het aangenaam geschreven reisverhaal van den arts Tehupeiory: "Onder de dajaks van Centraal Borneo".
De foto's zijn grootendeels door mijzelf vervaardigd, terwijl ook mijne Borneo-vrienden R. Posthumus, H. J. M. Sitsen, Jhr. J. M. von Schmidt auf Altenstadt en J. A. J. Tielung, mij eenige mooie exemplaren uit hunne collecties ter beschikking stelden, waarvoor ik hun hier hartelijk mijn dank betuig.
Dit dan ter inleiding.
's Gravenhage, 1922.
NAAR BORNEO'S BINNENLANDEN
LANGS DE MAHAKAM.
Langzaam laten we ons voortwiegelen op de regelmatige slagen van onze dajaksche roeiers. Hun bruingebronsde lichamen bewegen zich gelijkmatig op en neer en beschenen door het blinkend oog van den dag zitten zij daar als prachtmodellen voor den kunstenaar. Hun forsche spieren, alle op het schoongevormde lijf zichtbaar, trekken zich krachtig samen, groote bundels vormend om een oogenblik daarna zich weer te ontspannen. Hoewel alleen bekleed met een lendengordel of awet en op het hoofd een van rotan gevlochten mutsje, schijnt de warmte geen vat op hen te hebben en vroolijk lachend en pratend werken ze steeds met aandacht voort. Toch speurt hun oog steeds nauwlettend overal rond, niets ontgaat hun; ieder levend wezen buiten de onmiddellijke omgeving van hun prauw wordt intuïtief waargenomen en ieder plantje, dat hun straks bij hun rijst als bijspijs kan dienen, is het hunne.
Ziet een van hen een wild zwijn de rivier overzwemmen, dan komen ze dadelijk allen in actie. Met een schok staan ze zwijgend op, nadat zoo stil mogelijk het sein is gegeven, de ranke prauw schommelt en dreigt om te vallen, ze roeien uit alle macht naar de bestemde plaats, de speren worden in gereedheid gebracht en in vliegende vaart gaat het af op het nu vluchtende dier, dat intusschen zijn vijanden heeft bemerkt en langs den oever een uitweg tracht te vinden. Steil is deze en twee-, driemaal stort het naar beneden. Intusschen zijn de hunkerende dajaks--een zwijnenbout is een heerlijk maal--hun prooi genaderd en reeds tweemaal drong een speer met kracht in het borstelige lijf, zoodat zijn bloed reeds rijkelijk begint te vloeien, maar nog geeft het den strijd niet op; met de geweldige slagtanden in het meedoogenlooze wapen bijtend, tracht het nog rivierwaarts te zwemmen om het veege lijf te redden, een rood bloedspoor in het water achterlatend. Door den stroom meegesleurd, weet het door hevige inspanning en bloedverlies uitgeputte dier zich nog uit de voeten te maken, maar pijlsnel gaat de moderne viking het achterna en nauwelijks genaderd geeft de voorman uit de prauw het den genadestoot. Onder luid geroep wordt de kostbare buit binnenboord gehaald om straks in het bivak aangekomen, geslacht te worden. De dajak houdt van varkensvleesch--trouwens veel andere dieren vindt men hier in de bosschen niet--en in de blijde gedachte straks heerlijk te zullen smullen en zijn bamboekokers met vet en ingewand te kunnen vullen, waaraan hij voor langen tijd genoeg heeft, roeit hij weer welgemoed verder.
We bevinden ons nog in den benedenloop van de rivier; regens in den bovenloop hebben het water doen zwellen en hier en daar een sterken stroom en draaikolken doen ontstaan. Toch is dit voor den dajak geen beletsel om het ranke, zwaar beladen vaartuig langzaam maar zeker door zijn krachtigen slag te doen voortbewegen.
Heel vroeg is hij 's morgens reeds opgestaan om zijn rijst te koken en te eten; zijn lichaam is weer hernieuwd, al heeft hij maar op den grond gelegen, soms ook op de steenen van een grintbank, slechts beschut door enkele matten; slapen doet hij er niet minder om en 's morgens vroeg staat hij al gereed om de blikken en koffers weer in de prauwen te laden. Wij zijn nog niet altijd wakker, al hebben we op een zacht veldbed gerust.
We hebben reeds eenige uren gevaren en hoewel ze niet van vermoeidheid weten, is toch een kleine rust den roeiers aangenaam om even hun ruw in elkaar geflanste sigaret te kunnen rooken en hun lichaam door een bad te verfrisschen.
Daarna laten we ons weer voortwiegelen op hun krachtigen riemslag; we bewegen ons vlak langs de oevers, daar de stroom ons meer naar het midden van de rivier te sterk wordt. Hier en daar is het roeien door de sterk vooroverbuigende boomen niet mogelijk; het neerleggen van de roeiriemen en het opnemen van de boothaken of tekèns is slechts het werk van een oogenblik; nog heftiger hortend en stootend worden we door de kris en kras dooreengeslingerde takken voortgetrokken; de voorman in de prauw staat met zijn mandau gereed om de takken, die den doorgang dreigen te beletten, met één krachtigen slag af te slaan. Is de moeilijkheid, welke dikwijls nog vermeerderd wordt door in het water gevallen boomen, waardoor een nog sterker stroom ontstaat, overwonnen, dan laten de roeiers in koor hun sonoor "oohoo" geluid hooren, inderhaast wordt een sirihpruim gemaakt of een boomblad-sigaar gedraaid en vroolijk gaan we weer verder onzen eentonigen gang.
Vertoont de rivier in haar benedenloop weinig afwisseling met haar steeds groene oevers, hoe hooger we komen, hoe meer het terrein verandert. Toch is en blijft alles nog groen, maar groen in honderden tinten en kleurschakeeringen. Dieper ìn het donkergroen, bijna zwart, meer naar den oever lichtere tinten; hier en daar een enkel roodachtig, frisch getint blad, het is pas ontloken, maar na enkele dagen door de felle zon beschenen te zijn, neemt ook dit een groene kleur aan.
Groen is alles, groen! Toch zijn op enkele punten de schoone bloemtrossen van den "pohon bijoe" zichtbaar, maar ook deze zijn weinige. De oranjekleurige bloembundels buigen zich over het water, sprookjesachtige priëelen vormend, waaronder men een oogenblikje kan verpoozen van de gloeiende zonnehitte, welke door het water weerkaatst, de oogen pijn gaat doen. Als eene stille hulde aan den voorbijganger steken ze hun oranjekleurige hoofden uit het eeuwige groen.
We naderen ons bivak en daar we een flink stuk hebben afgelegd, verlangen we allen naar rust. Het is ons niet meer mogelijk een kampong te bereiken, wat ons wel zoo aangenaam was geweest; we zoeken daarom op den oever een plaats uit, die ons geschikt voorkomt; meestal is die vrij spoedig gevonden, de prauw wordt op den wal getrokken en allen begeven zich naar de aangewezen plaats om die schoon te kappen en van vuil te ontdoen, hetgeen het werk is van een oogenblik. Daarna verdwijnen allen het bosch in om het noodige hout voor onze hut of lepau te halen; het hakken weerklinkt aan alle kanten en spoedig zijn ze weer terug. De zes stijlen worden in den grond geplant, twee aan twee door lange takken verbonden; eenige dunne takken worden over het geheel uitgespreid en met rotan verbonden, alles met onze samirs, gemaakt van silatbladeren, gedekt en zie, ons nachtlogies is gereed! We zijn beschermd tegen regen, hetgeen voldoende is. Is het geluk ons gunstig, dan slapen we zelfs zonder klamboe, maar meermalen zijn deze noodig tegen de muskieten en de gevreesde agas, diertjes kleiner dan een speldeknop.
Toch gaat niet ieder dadelijk op zijn bestemde plaatsje liggen, maar zijn allen veeleer druk bezig; de dajak houdt in het algemeen niet van stilzitten; hij snijdt een mandauheft, vlecht rotanbanden voor zijn blanjet of draagmand en honderd dingen meer. Zijn ze erg vroolijk gestemd, dan wordt er 's avonds gezongen (dajoeng), waarbij één de solo vervult, de anderen gezamenlijk het refrein zingen met hun sonore basgeluiden.
Soms worden oude legenden en volksverhalen bezongen. Deze zangen vertoonen veel overeenkomst met de bardenzangen uit onze middeleeuwen. Ook hier heeft men lange, aaneengeschakelde verhalen, welke niet in één nacht gezongen zijn, doch twee, drie en meer doorwaakte nachten vereischen. Ook hier zijn de hoofdmotieven dapperheid en liefde en worden de heldendaden van den jongeling en de lieftalligheid der jonkvrouw urenlang bezongen. Ook hier het mystieke element der wonderen, van onzichtbaar makende helmen, vliegende prauwen, het zich voor poenans (= zwervende dajaks, fig. bedelaars) uitgeven van de vorsten. En ook hier het geloof aan het werkelijk bestaan hebben dezer legendarische personen, waarvan soms de vroegere woonplaatsen nog worden aangewezen. Hoewel bij onbekendheid met schrift de vorm dezer overleveringen niet vastgelegd is en zij slechts van mond tot mond overgaan, zoo is de inhoud van te algemeene bekendheid, dan dat de zangers deze zouden kunnen wijzigen. Slechts in de woordenkeus zijn ze vrij en groot is het succes van hem, die de lieftallige jonkvrouw "schoon als de opkomende maan" in gloeiende kleuren weet af te schilderen. Gejuich begroet elke nieuwe bijzonderheid en urenlang kunnen de dajaks naar dit "dajoeng" luisteren, zelfs na een zware dagtaak. Dit zingen der oude overleveringen neemt een zeer belangrijke plaats in het dajaksche volksleven in.
Dikwijls echter ook is het onderwerp van deze zangen niet zoo dichterlijk en worden meer dagelijksche gebeurtenissen bezongen: "We zijn op reis met den toean poetih, deze zal goed voor ons zorgen, laat ons vroolijk zijn! We zullen den witmensch veilig door de gevaren voeren, zoodat hij weer gezond en wel weerkeert; eerst dan is ons hart gerust", en dergelijke onderwerpen meer. Soms ook--en dit gebeurt meermalen--zijn deze zangen zeer vulgair; vooral onder jongelui hebben deze echter een groot succes.
Maar hoe gaarne ook de dajak naar deze zangen luistert, eindelijk valt hij in slaap en droomt van den dag van morgen; we komen dan in den bovenloop van de rivier met zijn gevaarlijke kihams of stroomversnellingen.
Dan is de dajak eerst recht in zijn element, prachtkerels zijn het dan! Evenals Wallace in zijn bekend werk: "The Malay Archipelago" bij de beschrijving der Doboreis opmerkt, dat het toppunt van schoonheid is een jonge papoea, zijn boog spannend, bij welk beeld alle voortbrengselen der hooge grieksche kunst ten achterstaan, zoo kan ik mij niets schooners denken dan een prauw, bemand met dajaks; zij vormen eene schilderij van mooie lijnen, een beeld van mannelijke kracht en behendigheid. Op het juiste moment weet hij in den bruisenden stroom te springen en met den langen rotan in den mond een vooruitstekend rotspunt al zwemmend te bereiken, vanwaar uit hij gemakkelijker de prauw door den maalstroom kan trekken. Vaart de prauw dit punt voorbij, dan voegt hij zich met één behendigen sprong bij zijn makkers en voort gaat het weer!
Bij een groote kiham gekomen wordt eerst bij den oever aangelegd; het gevaarlijke gedeelte wordt door de beste roeiers en den hoofdman verkend vanuit het hoogste punt. Eene levendige discussie volgt, met drukke gebaren en vingerwijzingen wordt de situatie besproken. Een interessant schouwspel, een veldheer met zijn staf waardig!
Eindelijk--de dajak is lang van stof--is uitgemaakt welke route door de versnelling genomen zal worden. Ieder neemt plaats in de prauw, er wordt afgestooten en geroeid behalve door den man op den voorsteven, die blijft staan kijken naar de kiham tot waar deze begint, om dan plotseling te gaan zitten na zijn commando's te hebben uitgeschreeuwd. Met arendsblik loert hij naar gevaarlijke steenpunten om door één slag met zijn roeiriem links of rechts de prauw te doen uitwijken. Ieder is stil, ieder is in actie bij het passeeren van het hachelijke punt. Ieder weet naar welken kant hij moet roeien. Ieder weet ook, dat een oogenblik van onoplettendheid de prauw kan doen vergaan. Nog zorgzamer zijn ze, omdat ze een "witmensch" met zich voeren, een witmensch, voor wiens leven ze zich aansprakelijk voelen. Zoo voorzichtig, "als hadden ze een ei in de hand"--volgens eene dajaksche uitdrukking--wordt hij behandeld.
Is eenmaal het groote gevaar geweken en schiet de prauw het einde der kiham voorbij, dan barst het gejuich eerst recht los, waarbij sommigen opgewonden in de prauw gaan staan en wuiven met hun pagaaien.
Zoo vaart de bestuursambtenaar dagen, weken, soms maandenlang..........
Maar mag ik eerst den lezer in Dajakland introduceeren en nader omschrijven tot welk gedeelte van Borneo, hetgeen ik behandelen zal, zich bepaalt. Waar in dit werkje gesproken wordt over Dajakland, wordt daarmee dat gedeelte van Borneo bedoeld, hetwelk de geheele afdeeling Samarinda omvat, dus noord-oost Borneo, hoewel veel van het medegedeelde ook in het algemeen voor alle dajaks kan gelden. Het grootste gedeelte hiervan wordt bewoond door dajaks, die door de slechte verkeersmiddelen nog in hun primitieven, maar schoonen vorm voorkomen. Alleen aan de kusten wonen maleiers, zooals die ook elders in onzen archipel in kustgebieden plegen te verblijven. De afdeeling Samarinda ressorteert onder de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo en omvat op haar beurt verschillende onderafdeelingen onder controleurs of gezaghebbers: Oost- en West-Koetei, Balikpapan, Boven Mahakam, Beraoe en Boeloengan met Apo Kajan, tijdelijk zelfstandig onder een officier-gezaghebber te Long Nawang, maar behoorend tot het gebied van den sultan van Boeloengan. De afdeelingschef zetelt te Samarinda, de resident te Bandjermasin [1].
Enkele cijfers mogen ons een beeld geven van deze streken. De afdeeling omvat een gebied ongeveer 6 maal grooter dan Nederland, terwijl het aantal inwoners ongeveer op 150000 gesteld zal kunnen worden of nauwelijks één ziel per KM2. Zijn deze cijfers voor Nederland 250, voor Java 270, voor Semangka in de Lampongsche districten ruim 7 en voor Halmaheira en Morotai in de residentie Ternate--we doen slechts enkele grepen--3, dan is het duidelijk, dat deze gebieden wel abnormaal groot, maar zeker niet dichtbevolkt zijn. Met uitzondering van de Boven-Mahakam, zijn dit alle zelfbestuurde gebieden: de sultans van Koetei, Beraoe (landschappen Goenoeng Taboer en Sembalioeng) en Boeloengan (landschappen Boeloengan en Tidoengsche landen) zijn de zelfbestuurders [2].
De dajaks behooren niet allen tot één stam, maar tot verschillende tientallen van stammen, hetgeen ook uiting vindt in hun taal: een bahau b.v. uit de boven-Mahakam zal niets verstaan van een poetoek uit de Tidoengsche Landen. Deze menschen kennen wellicht elkaars bestaan niet eens.
De afdeeling omvat van het zuiden naar het noorden gaande de stroomgebieden van de Mahakam- of Koeteirivier, de Kelai en de Segah of Makam in het Beraoesche, de Kajan of Boeloenganrivier met haar groote zijrivieren de Bahau en de Poedjoenganrivier in Boeloengan en de Sesajap, de Sembakoeng, de Seboekoe en de Simenggaris in de Tidoengsche Landen. Het brongebied van de Kajan wordt ingenomen door Apo Kajan (apo is hoogvlakte). Aan de Mahakam wonen hoofdzakelijk Bahau's en enkele andere stammen; in Apo Kajan, Poedjoengan en Lepo Maoet wonen Kenja's; in het brongebied van de Sesajap Poetoeks en aan de Sembakoeng Tinggalan Dajaks (zie kaartje).
Maar genoeg! Wij zijn--dunkt me--voldoende georiënteerd om ons reeds thuis te gevoelen op de krachtig stroomende Mahakamrivier, die we thans opvaren. Samarinda en Tenggaron, zetel van den sultan van Koetei, aan den benedenloop van de rivier zijn we reeds voorbij, evenals meerdere maleische kampongs--de benedenlanden behandelen we elders--en we stoomen met het riviervaartuig "Mahakam" naar Long Iram (36 uur stoomens boven Samarinda), dat reeds zichtbaar is. We hebben dan het eigenlijke Koetei reeds verlaten en bevinden ons in het gebied van den officier-gezaghebber van den boven-Mahakam. Vroeger behoorde dit ook aan den sultan van Koetei, maar ruim 10 jaar geleden werd het om verschillende redenen noodig geoordeeld dit tot rechtstreeks bestuurd gebied te maken tegen eene jaarlijksche schadevergoeding aan het zelfbestuur van Koetei. Moesten we aan den eenen kant zorgen, dat rust en orde verzekerd waren in de landen, grenzend aan Serawak, aan den anderen kant ook moesten die streken in bescherming genomen worden tegenover hun eigen heerschers. Al te veel toch waren de sultans van Koetei en vooral hun omgeving geneigd deze landen te beschouwen als te zijn geschapen uitsluitend voor hun materiëel welzijn. Bovendien was de sultan niet in staat zijn onderdanen te verdedigen tegen de Hebans uit Serawak, voor wie de dajaks tot op dit oogenblik nog een heilige vrees hebben, noch ook tegen de zich daar nestelende Boegineezen, Bandjareezen, Bekompaiers en anderen, die maar al te goed in staat bleken het goede voorbeeld van de heeren des lands na te volgen en dit gebied maakten tot het terrein van hun afzetterijen en andere slechte praktijken. Ook trokken de sultans zich van deze streken niet veel aan. Er was geen sprake van dat de sultan zelf deze gebieden zou bezoeken. Zelfs was het hem verboden voorbij den Goenoeng Sendawar bij Melak (= blijven staan, blijven liggen) te varen; hetzelfde treffen we in Boeloengan aan, waar het den sultan niet toegestaan is voorbij Poelau Majoen te varen, daartoe gehouden door een eed door een zijner vaderen gedaan. Dat er aldus van een intensief sultansbestuur geen sprake is of was, behoeft geen betoog.
Hoever de sultansmacht zich oorspronkelijk heeft uitgestrekt, is moeilijk na te gaan. Toch is hun invloed steeds groot geweest, al is hij dat ook niet volgens onze begrippen, aangezien alle teekenen van de uitoefening van rechtstreeksch en feitelijk gezag ontbreken. Een groot voordeel voor de sultans was, dat zij aan de monding der rivier woonden, daar de dajaks, wilden ze hun boschproducten van de hand doen, wel bij hen terecht moesten komen. In onze geschiedenis vindt men dat terug. Ook daar pleegden de ridders dikwijls roof en vielen de menschen, die van boven kwamen lastig met hun afpersingen. De sultan en vooral zijn omgeving zorgden er wel voor, dat de verhouding zoo eenigszins mogelijk van goeden aard was, daar ze ook wel inzagen, dat ze ten slotte bij eventueel verzet, toch niet veel zouden kunnen beginnen. Ze hielden de dajaksche hoofden zoet met allerlei titels (pangeran, panembahan, e.d.), verleenden hun aanstellingen tot hoofd, bekleedden hen met eenige macht en lieten hen de inkomsten genieten van bepaalde rivieren en grondgebieden. Thans is dit alles in de boven-Mahakam onder rechtstreeksch gezag van het gouvernement afgeschaft en genieten ongeveer 25 hoofden eene toelage van 10 tot 20 gulden 's maands voor afgekochte rechten.
Dat de dajaks nog wel eens in verzet kwamen, bleek o.a. in Boeloengan, toen de Segai's in 1906 onder aanvoering van Anji Lohong en Lig Pay tegen den sultan opstonden, voor wien dit onaangename gevolgen had kunnen hebben, zoo niet het gouvernement had ingegrepen en een einde aan de geschiedenis had gemaakt. Zoo kwam ook wel het verzet uit den boezem van de sultansfamilie zelve. In 1913 verzette zich Datoe Adil tegen den sultan van Boeloengan en riep zichzelf uit tot sultan van de benedenstreken en het voor de monding van de rivier gelegen eiland Tarakan, bekend om zijn oliebronnen.