Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 9

Chapter 93,760 wordsPublic domain

"De Boompjes! Wie zal ze beschrijven, die eigenaardige handelskade, met flinke boomen bezet, de glorie der stad, waarheen elke Rotterdammer, zoo hij tijd heeft, den buitensteedschen vriend voert, om hem met trots het ongemeen schouwspel te toonen. Wie, die ooit van Rotterdam vernomen heeft, is onbekend met den roemruchten naam van de "Boompies". De kade der Boompjes is de aanrakingslijn voor stad en stroom; hier is het tooneel hunner innige verbintenis; hier vlijt zich de rivier met hooger wellust langs de gespierde lendenen van haren krachtigen minnaar."

En dan het uitzicht van de Boompjes!

"Op het water ligt een onnoemelijk aantal schepen ten anker. Flinke stoomschepen, voortdurend aan den kant, sissend, lossend en ladend. Groepen van schepen, meestal een groote driemaster met veelgerookte stoompijp aan het hoofd, in het midden der rivier; daaromheen andere, kleine stoomers of lange, platte, breede aken en Rijnschepen, op slakken gelijkend, als eilanden onbeweeglijk, muurvast in het stroomende water. Groote, ronde boeien, hier en daar als priktollen drijvend, met een kolossalen ijzeren ring, om ze te hanteeren, deinen, zonder van plaats te veranderen, op den golvenden stroom. Als had een kwistige hand ze los er overheen gestrooid, dringen, schuiven, snijden overal kleine sleepbootjes met korte, zenuwachtige machinestooten, tusschen de hooge, rustige stoomers of voor anker liggende groepen door, breede voren in het water ploegend, den kop hooger dan het achtereind. Platte, snorrende watertorren gelijken zij, nu rechts, dan links schietend in toomelooze vaart, soms gekalmeerd in hun ren door de stevige trossen, waarmede zij nu, vastgemeerd, een grooten, hulpeloozen, onhandigen broeder moeten voortsleepen, maar altoos nerveus jagend, tartend den spitsen kop uit de schuimende baren omhoog stekend. Het rustig schouwspel, dat een breede, uitgestrekte watervlakte biedt, is in vreemde tegenspraak met de voortdurende rusteloosheid van dit tooneel. Overal ziet men beweging: duwen, trekken, schuiven, snellen; overal hoort men dat brommende, gonzende, onbestemde, benauwende geluid."

Met deze woorden schetst Plemp van Duiveland de indrukken, door de Rotterdamsche Boompjes teweeggebracht.

Hij, die Rotterdam in zijn ware kracht kennen wil, moet over de Maas nog de havens en kaden bezoeken op Feijenoord, omzoomd met de pakhuizen der onderscheidene veemen en handelsondernemingen, waar de schepen van alle natiën lossen en laden, hetzij door de hulpmiddelen der nieuwere techniek of nog enkel door menschenkracht. Daar hijschen de stoomkranen duizenden kilo's zware lasten naar boven, als waren het noten; ginds werken de elevatoren, om het graan uit de schepen, bijna zonder menschenhulp, in de pakhuizen te brengen: elders weer ziet men andere hulpmiddelen. Maar dat, ondanks de hulp der machines, toch nog talloos veel arbeiders hier werkzaam zijn, blijkt het best, als de brug over een der havens een oogenblik openstaat en er zich onmiddellijk een menschenmenigte ophoopt, niet van wandelaars, maar alleen arbeiders, die een oogenblik tot rusten genoopt worden. Wij zien daar de Binnenhaven, de Spoorweghaven, de breede Rijnhaven en de nog grootere nieuwe Maashaven, welke laatste het oude dorp Katendrecht geheel heeft opgeslokt.

Tal van bootjes bieden gelegenheid aan, om elk oogenblik van hier de Maas weder over te steken naar de oude stad. Een dergelijk riviertochtje blijft op een schoonen zomerdag steeds aangenaam, en in gedachten maken wij het mede, om af te stappen op een der kaden in het westen der stad en een bezoek te brengen aan het Park.

Aan den kant van Delfshaven heeft Rotterdam voor natuurschoon gezorgd en het Park aangelegd, dat wel niet groot is, maar door zijn ligging aan de rivier en door het schoone plantsoen met zijn waterpartijen toch een liefelijk plekje vormt. In het Park heeft Rotterdam ook zijn dichter Tollens geëerd door een marmeren standbeeld van Stracké, dat tusschen statige boomen op een schoon plekje geplaatst is. Blootshoofds, in eenvoudige kleeding, de linkerhand rustend op een boomstam en in de rechterhand de schrijfpen, staat de beeltenis van den dichter daar; de naam Tollens op het voetstuk spreekt voldoende tot de oudere Nederlanders, om hen hier eenige oogenblikken tot stilstaan te nopen. Want al wordt Tollens' poëzie door het tegenwoordige geslacht niet hoog meer geroemd, in zijn tijd was hij de volksdichter bij uitnemendheid.

Het Park is door villa's omringd. Aan den westkant heeft Rotterdam rondom en voorbij het Park zijn huizenmassa's reeds voortgeschoven tot dichtbij Delfshaven. Vóór een kwart eeuw zag men Delfshaven nog op een afstand van Rotterdam, maar beide steden reiken thans elkander de hand en zijn ook burgerlijk één geworden. Veel bezienswaardigheden heeft Delfshaven niet, maar toch moeten wij dit plaatsje even bezoeken, om een herinnering te doen herleven, want

"Waar Delfshavens kerk en toren Zich heffen boven dijk en dam, Werd de onverschrokken held geboren, Die Spanje's zilvren schepen nam. 't Had reeds uw zonen leeren kennen, Toen 't aan uw mond (de Maas) des Prinsen vlag Na kort beraad en stout berennen Van Brielle's toren waaien zag".

Des Amorie van der Hoeven.

In een kleine woning aan een smal straatje van Delfshaven zag Piet Hein hier in 1578 het levenslicht. Een steen in den voorgevel van het eenvoudig huisje, waarin thans een tapperij gedreven wordt, wijst het geboortehuis aan. Het eenige kleine parkje der plaats is naar den zeeheld "Piet Heinspark" genoemd; men heeft dáár ook een standbeeld te zijner eer doen verrijzen.

Delfshaven geeft in zijn aanleg geheel het beeld van een nederzetting, ontstaan aan een haven, die in een rivier mondt. Langs den mond der Delftsche Schie en om de haven heeft de bevolking zich gegroepeerd, en de meestal burgerlijke huizen der plaats wijzen aan, dat het mannen van zaken waren, die zich hier vestigden.

Wenden wij ons thans naar de andere zijden der stad.

Aan de landzijde is Rotterdam geheel door polderland ingesloten, met hoog loopende boezemwateren, die door hun molens op enkele punten schilderachtige gezichten aanbieden. Ten oosten van de Rotte vindt men hier een hoogen bergboezem, waarop zeven molens het water afmalen.

Ten noorden en oosten van de stad lag vroeger het Ambacht van Kralingen, waar twee adellijke huizen of sloten gevonden werden: het Huis te Krooswijk aan de Rotte en het Huis te Kralingen, later "slot Honingen" genoemd. Het eerste, dat uit den Romeinschen tijd zou dagteekenen, was al voor lang verdwenen; het laatste, in de vroege middeleeuwen gesticht, heeft langer bestaan; in 1672 evenwel werden de laatste bouwvallen daarvan afgebroken. Het terrein van dit slot vormt het tegenwoordige "Park Honingen", een vriendelijk villapark.

Het oude dorp Kralingen heeft gelegen in de streek, waar thans de Kralingsche plas gevonden wordt. Door ontvening is dit dorp langzamerhand ontvolkt en verder zuidelijk verplaatst, terwijl de bodem in een meer is veranderd, omgeven door schamele huisjes. De "weg naar Kralingen", die een spreekwoordelijke beroemdheid heeft verkregen, wordt teruggevonden in den Oudendijk; hij was te midden der moerassige gronden zoo vast aangelegd, dat men er zonder vrees zware gebouwen op kon doen verrijzen, zoodat door enkelen aan een ouden Romeinschen heirweg wordt gedacht, als aanvang van dien weg [10].

Langs den rivierdijk, hoofdzakelijk tusschen dezen en den Oudendijk, ligt thans Kralingen, dat bij Rotterdam is getrokken en waar meer en meer de stedelingen zich een woning bouwen. Zelfs denkt men er aan, om rondom den Kralingschen plas een breede allee met boomen aan te leggen en alsdan het villapark uit te breiden.

II. SCHIEDAM.

Van Rotterdam richten wij ons naar de tweede Maasstad, naar Schiedam. Wij kunnen Schiedam bereiken per boot over de rivier, per stoomtram, per spoor en wie wandelen wil, volge den Schiedamschen Zeedijk, over Delfshaven. Veel afwisseling biedt deze weg, in rechte lijn door graslanden loopend, niet aan; alleen is het een voorrecht, om Schiedam in zijn eigenaardige gedaante vóór zich te zien liggen. Want Schiedam heeft een karakteristieke stadsuitbreiding juist tegengesteld aan die van Rotterdam. Schiedam toch heeft de gedaante van een hoogen driehoek met scherp toeloopende spits, de basis van den driehoek ligt hier niet naar de rivier, maar landwaarts, en de spits vormen de huizen rechts aan de voorhaven bij de Maas. Het hart van Schiedam is in het land gebleven, ook nadat de rivier zich verder van de stad afboog; alleen de haven van Schiedam is de wijkende rivier gevolgd.

De weilanden om Schiedam, met de spoelingbakken, waarin het rundvee op de weiden mestvoedsel van de branderijen ontvangt, wijst ons reeds aan, dat wij de brandersstad naderen. De rookende pijpen en zwarte schoorsteenen, de gele en grijze huizen van Schiedam vormen een scherp contrast met het frissche groen der graslanden, die de stad aan alle zijden omsluiten, en onwillekeurig vraagt men zich af, hoe die zwarte stad kon ontstaan in zulk een heerlijk, groen landschap. De invloed van het landschap op de lievelingskleur der bewoners, in Noord-Holland zoo kenmerkend, gaat hier onder in de overheerschende macht der industrie. En als wij Schiedam doorwandelen, worden wij voortdurend getroffen door de rookende grachten, een gevolg van het afvoerwater der branderijen, en door den reuk van gistend en gekelderd gedistilleerd, die de lucht in enkele buurten geheel vervult.

Schiedam kenmerkt zich in zijn bouw door een zekere mate van pooverheid, die vooral uitkomt, als men bedenkt, dat deze stad ruim 25000 inwoners telt. Een vergelijking van den stadsbouw met steden van ongeveer dezelfde grootte als Deventer, Zutfen, Zwolle, Delft, Gouda, Middelburg enz. valt beslist ten nadeele van Schiedam uit.

De branderijen ziet men dikwijls de rij van flinke, nette woonhuizen afbreken op een wijze, die het oog onaangenaam aandoet. Dit sluit evenwel niet uit, dat ook Schiedam eigenaardige en bezienswaardige stadsgedeelten bezit, al zal men de plaats juist niet om haar stedelijk schoon bezoeken. De havens in de stad, de centrale lijnen, waaraan zich de bedrijvigheid concentreert, zijn karakteristiek met hun pakhuizen en fabrieken en bieden zoo hier en daar ook schilderachtige gezichten aan en enkele merkwaardige gebouwen.

De Beurs is een flink gebouw tegenover de sluizen, die een verbinding vormen van het water der Schie met dat van de Maas. Daar heeft de jeneverhandel plaats; elken middag wordt de Beurs bezocht door hen, die bij den jeneverhandel geïnteresseerd zijn. De prijzen van moutwijn, jenever en gist worden hier gesteld voor geheel Nederland. En al is het bedrijf iets achteruitgegaan, al verminderde het aantal branderijen van 388, die er nog in 1882 gevonden werden, tot 180, toch is de productie niet in dezelfde mate geslonken. Zij berust tegenwoordig op gezonder grondslag; er wordt door de thans bestaande branderijen meer geproduceerd dan vroeger.

Een typisch, ouderwetsch geveltje vertoont het Zakkendragershuisje met zijn torentje, dat zoo aardig tegenover het water uitkomt, doch, helaas! uiterst vervallen is. Men kan in het oude Schiedam nog op meer typische gebouwtjes of geveltjes wijzen.

Het marktplein der stad is klein. Hier ziet men het stadhuis met dubbel bordes en een gevel van het Vlaamsche cartouche-type, waarop een beeld der gerechtigheid verrijst, terwijl een hoog torentje op het dak uitkomt.

Een flink gebouw is de Groote kerk, vroeger aan St. Jan gewijd, thans in 't bezit der Hervormden; de eerste grondslagen hiertoe zijn waarschijnlijk gelegd in 1335, terwijl zij pas in 1425 werd ingewijd. Het is een gebouw in laat-Gothischen stijl. Ten westen is de zware toren tegen de kerk aangebouwd, tot een hoogte van 54 Meter verrijzende.

Aan een der pilaren op toetssteen, omringd door een wit marmeren portiek in Jonischen stijl, vindt men een grafschrift ter eere van Cornelis Haga, die in 1578 te Schiedam werd geboren en zich gedurende 28 jaren als gezant te Constantinopel en later als voorzitter in de hoogste Raadzaal des lands verdienstelijk maakte voor den lande. Schiedam heeft de nagedachtenis van Haga ook door een straatnaam bewaard.

Verder rekenen wij tot de merkwaardige gebouwen de Roomsch-Katholieke kerk, in 1878 gebouwd, waarin nog een reliquie wordt bewaard van de Heilige Liduina, door wier wonderbaarlijk leven en werken Schiedam reeds in de middeleeuwen beroemd was. De kerk is een gebouw in den vorm van een Latijnsch kruis, bestaande uit een hoog opgaanden middenbeuk, die eindigt in een veelhoekige abside en twee daaraan sluitende dwarsarmen van gelijke hoogte, de zoogenaamde transepten. Tegen dezen bovenbouw sluiten zich, aan weerszijden der dwarsarmen, de lager gelegen zijbeuken aan, terwijl bovendien aan de achter- of koorzijde deze beuk zich verdubbelt en het gebouw op deze plaats een doorgaande breedte doet verkrijgen van 5 beuken, alle gesloten door het priesterkoor met de veelhoekige en vlakke altaarkapellen. De toren staat tegenover de as van den langen beuk en vormt het hoofdportaal der kerk. De gewelven zijn alle kruisgewelven, gemetseld van gelen IJselsteen, de ribben in Sibbersteen uit de groeven bij Maastricht.

Wil men een indruk ontvangen van Schiedam, zooals het voor een paar eeuwen was, dan moet men zich naar de begraafplaats wenden. Slanke molens draaien hier nog lustig hoog in de lucht op de plaats der vroegere vestingwerken. Zij sluiten zich aan bij een reeks, die een cordon vormt om de geheele stad, doch waarvan enkele reeds zijn gevallen in den strijd om het bestaan met de smakelooze, maar economisch voordeeliger stoommolens.

Ook vindt men in Schiedam nog wel vriendelijke, goed aangelegde stadsgedeelten. Hiertoe behoort o. a. de Plantage, een lustoord voor Schiedam, een oase van groen in den heerschenden toon van gele en zwartachtige kleuren. Het is een smal park, dat zich uitbreidt tusschen twee straten, bebouwd met ten deele zeer flinke woningen, die een practisch karakter dragen, doch daarnaast ook met produkten van wansmaak. In het midden der Plantage ziet men de in 1898 gestichte fontein, ter eere van Koningin Wilhelmina's inhuldiging, een monumentaal stuk, op een rotswerk in een vijvertje geplaatst.

De voornaamste winkelstraat der stad is de Hoogstraat, evenals die van Rotterdam gebouwd langs den grooten rivierdijk, waarin ook de dam van de Schie werd gelegd, de eerste oorsprong der stad; wat ten zuiden van dien dijk ligt, is grootendeels aangewonnen land. De Hoofdstraat leidt door nieuwe gedeelten naar de rivier de Maas. Daar opent zich een landschap voor ons oog, dat door zijn breede, rustelooze rivier, met houtrijke gorzen omkranst, door zijn heerlijke Hollandsche weiden aan den overkant, door het vergezicht op Rotterdam ter linker- en op de zich in de richting van Vlaardingen verliezende rivier ter rechterzijde, een diepen indruk maakt. Dicht bij den havenmond verrijzen de hooge schoorsteenen der kaarsenfabriek "Apollo" en is er nog een terrein open voor nieuw te bouwen fabrieken.

Als brandersstad ziet men in Schiedam eigenaardige typen onder de bevolking en langs de straten, die men elders niet aantreft. De spoelingspompen en spoelingwagens, druipende van de glibberige, bruine spoeling, karakteriseeren enkele grachten in 't bijzonder. De brandersknecht met zijn mutsje, boezeroen of stijven baaien borstrok, zeildoeken schootsvel, in onderbroek, op klompen of leeren pantoffels, is een eigenaardige verschijning. Verder zijn opmerkelijk de "gistkladders", die de gist verpakken voor de verzending, de zakkendragers, de graanmeters, en de "stukkenrollers", die de reusachtige vaten (stukken) soms bij heele troepen door de straten voortrollen.

Schiedam heeft zijn opkomst te danken aan het huis te Rivier, bij de uitwatering van de Schie in de Maas. Op dit huis hield Aleydis, de zuster van den Roomsch-Koning Willem II, dikwijls verblijf. Nabij het kasteel vond men den dam in de Schie, en op deze plaats ontstond een buurt, die in 1264 reeds genoemd werd. Het huis "te Rivier", d. i. aan de rivier, later het "Huis van Mathenesse" genoemd, heeft gestaan op de terreinen, waar tegenwoordig de H. B. S. gevonden wordt; omstreeks het eerste vierde deel der 16e eeuw was het kasteel reeds tot een ruïne geworden, die in 1688 met verschillende landerijen door de stad werd gekocht. Nog altijd vindt men in den tuin der H. B. S. enkele overblijfselen van het oude gebouw, bestaande in een zwaar muurwerk van dikke steenen, met klimop begroeid, op welks afgebrokkelden bovenkant eenige lage boompjes welig opschieten. Langzaam breidde het dorp om het kasteel zich uit, doch dewijl de Maas aan den oever land deed aanwassen, kwam het verder van de rivier te liggen. De monding van de Schie werd door die aanwassen verlengd, en de stad breidde zich eveneens uit naar de rivier toe, hoewel zij deze niet volgde. Bovenal schijnt er reeds vroeg van hier een aanzienlijke handel op Zeeland te hebben bestaan; misschien werd die onder Floris den Voogd sterk begunstigd. De aanraking met Zeeland moet de overeenkomst van den Schiedamschen tongval met den Zeeuwschen volgens sommigen verklaren.

Aldus oplevende door den handel, werd in 1310 aan de plaats vrijheid verleend, om niet alleen op Vrijdag, maar ook op elken Maandag markt te houden. Handel en visscherij waren verder de belangrijkste bronnen van welvaart in den eersten tijd, totdat Rotterdam een gevaarlijke mededinger werd aan de Maas. Dordrecht echter overtrof beide steden in dien tijd.

De handel in granen en de vischvangst bleven lang voor Schiedam de hoofdzaak, hoewel in de 16e eeuw ook onderscheidene fabrieken in deze stad waren verrezen. In het eind der 16e eeuw werden hier ter stede korenwijnstokerijen opgericht, mede een gevolg van den graanhandel, en weldra namen deze zoozeer de eerste plaats in, dat zij andere fabrieken verdrongen. Wel schommelend, nam toch het aantal stokerijen in de 18e eeuw toe, tot in 1798 niet minder dan 260 branderijen in Schiedam werden gevonden, het grootste aantal, dat in die eeuw bereikt werd. Het aantal der tegenwoordig nog werkzame branderijen noemden wij reeds op pag. 96.

De zeevisscherij, die moeielijke tijden heeft gehad, vertoont ook in Schiedam gedurende de laatste jaren weer nieuwe levensvatbaarheid. In 1900 werd dit bedrijf uitgeoefend door 24 loggers en 17 bommen.

III. VLAARDINGEN.

Vlaardingen is de derde Maasstad, in historisch opzicht zeker de eerste. Het oude Vlaardingen evenwel, dat als "Flardinghe" in de 10e eeuw genoemd wordt, schijnt te niet gegaan te zijn door de rivier, die hier den oever aantastte, zoodat dieper landwaarts de tegenwoordige stad is ontstaan, met ruim 18000 inwoners.

Vlaardingen biedt als stad weinig merkwaardigs aan. Hoofdzakelijk is Vlaardingen gebouwd langs de haven, die rechthoekig op de richting der Maas in het land dringt. De haven is het glanspunt van Vlaardingen; daar ziet men het karakter der stad, nl. de visscherijstad. Langs de haven vindt men de pakhuizen, de scheepswerven, de kuiperijen: al deze houden het oog gericht op de visscherij, die door Vlaardingen met 169 schepen, waarvan 87 loggers, wordt gedreven op de Noordzee.

De haring is de ziel van Vlaardingens bedrijf; meer dan 300 kuipers vinden hierin de bron van bestaan, en tal van visschers uit Egmond, Scheveningen, Marken en elders varen op de Vlaardingsche vloot, door 2500 personen bemand. 't Is een eigenaardig, levendig gezicht, als dat bosch van tengere masten de haven vult. En al leven wij niet meer in den tijd, dat men jubelend de vloot inhaalde, die den eersten haring aanvoerde, en waarvan Spandaw's lied zong:

Triomf, de vreugde stijgt ten top, Hijsch, Holland! vlag en wimpel op En doe den jubeltoon nu daavren langs uw strand. Daar komt de kiel, met goud belaân, Zij brengt ons d' eersten haring aan; 't Is feest in Nederland! 't Is feest in Nederland!

toch blijft de haring nog een belangrijk element in de visscherij, vooral in die van Vlaardingen en Maassluis, waar evenwel ook de vangst van kabeljauw, leng en schelvisch een belangrijke plaats inneemt.

In Vlaardingen leefde en leeft men nog met den haring. Doch vele oude gebruiken en instellingen, met de haringvangst verbonden of er uit voortkomend, zijn allengs verdwenen. De 46 meter hooge toren te Vlaardingen diende vroeger niet alleen tot sieraad van het kerkgebouw of als drager der klok, maar bovenin den koepel bevond zich doorloopend, zoolang het dag was, een der drie torenwachters, die met den verrekijker steeds het terrein in de Noordzee verkende en in den haringtijd rondblikte, of ook een haringjager, die den eersten haring aanbracht, op komst was. Voortdurend richtten in dien tijd de Vlaardingers--zij mochten bij de visscherij betrokken zijn of niet--hun blikken naar den torentrans, om van daar het sein te verwachten. En als aan den vlaggestok op den hoek van den toren de blauwe vlag werd geheschen, hoorde men plotseling uit wel honderd kelen der schooljeugd het geroep: "een sein op! een sein op!" De torenwachter daalde dan af van zijn hoog standpunt, om op de kantoren het uur van de vermoedelijke aankomst van den eersten haring te berichten.

Als de haringbuizen binnenkwamen, klonk lustig het vroolijke kuiperslied langs de haven:

"De buizen zijn binnen Met haring, zoo vet! Hoevelen beminnen Dat edel banket."

Hoewel wij in Vlaardingen zijn en de kuipers zingen van de »buizen«, zult gij toch vruchteloos uitzien naar een dergelijk vaartuig. De buizen n.l. zijn de oudst bekende vaartuigen, die uitsluitend voor de haringvisscherij gebezigd werden. Thans evenwel bestaat er geen enkel van deze vaartuigen meer, en niemand verlangt dat oud-Hollandsch model terug. Maar toch is in Vlaardingen en elders dit oude modelvaartuig, dat aan den gouden tijd onzer haringvisscherij herinnert, niet uit het geheugen verdwenen. De Buisjesdag (vroeger de 15e Juni) is nog de algemeen bekende naam voor den dag, waarop in vroeger jaren de gansche haringvloot uitzeilde. Deze datum is echter door het meerendeel onzer reederijen losgelaten en tegenwoordig zien wij de schepen met het einde van Mei of aanvang Juni reeds zee kiezen.

De dag van het uitzeilen der vloot is een dag van vreugde en van ernst voor de visschersplaats, van hoop en van angst, van verwachting en teedere zielsaandoeningen. Want hoewel de stoere visschers vroolijk ten oogst gaan, op het veld, waar zij oogsten, dreigen voortdurend gevaren, die hun wel voor oogen staan. Het afscheid is hoopvol-weemoedig en het "tot weerziens!" galmt over de watervlakte, zoolang de achterblijvenden de zeilen kunnen nastaren.

De Buisjesdag was vroeger een feestdag, waarop de visschers, feestelijk uitgedost, in rijen rondgingen, om maag en vrienden vaarwel te zeggen.

't Is feest, 't is feest! Ziet vlag en wimpel zwieren, Zij waaien reeds, al fladd'rend, noordwaarts op; Ziet d' achtbre Maas in d' ochtendglansen tieren, Zij toeft de vloot op 't statig wassend sop. Zij wenscht als bruid den bruidegom te ontmoeten, Dien ze in 't verschiet, in feestgewaad gehuld, Haar naad'ren ziet en reeds van ver begroeten Met wuivend doek en hijgend ongeduld.

Ziet oud en jong, van 'tzelfde vuur aan 't blaken, Daar 't koudste hart zelfs in de feestvreugd deelt, In rij op rij, in bonten optocht naken, De zorg van 't hart door hope weggestreeld. Ziet, 't zonnevuur, reeds hoog ter kim ontrezen, 't Deelt wijd en zijd zijn rijk verguldsel mee; Ziet weer en wind, 't wil alles gunstig wezen; Op, visschers, op! 't roept alles u naar zee!

Aldus bezong een Vlaardinger, Dr. Niermeijer, den belangrijken dag. Op den Buisjesdag verzamelden zich steeds vele vreemdelingen in de stad en werd in de kerken vooraf Gods zegen afgesmeekt op den tocht voor een voordeelige vangst. Thans heeft de Buisjesdag weinig beteekenis meer en wordt hij enkel gevierd door kinderen, die met vlaggetjes rondloopen.