Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 8
In het jaar 1449 werden de fundamenten gelegd voor den toren, waartoe vele stedelingen hun krachten inspanden. Onder het geschal van pauken en trompetten en onder het dragen van het vaandel van den heiligen Laurens werden zij tot den arbeid aangevuurd. De bouw van den toren werd herhaaldelijk afgebroken en weder voortgezet in de jaren 1543, 1613 en 1619. Doch reeds in 1645 bemerkte men, dat het houtwerk zijn kracht verloren had. Daarna werd de toren gedeeltelijk afgebroken en opnieuw opgebouwd. De nieuwe opbouw deed echter blijken, dat ook de fundamenten te zwak waren: de toren zakte scheef. Toen werd de belangrijke taak ondernomen van 1650-1651, om den toren nieuw te omheien; vervolgens werd hij 3 1/2 voet van het noordwesten naar het zuidwesten overgewonden, zoodat hij weder in zijn goede houding kwam te staan. De St. Laurenskerk is het eenige overblijfsel, dat Rotterdam uit den Gothischen tijd behield. Met zijn zwaren, stompen toren (62 M. hoog) staat dit gebouw te midden van een moderne omgeving en naast den koud-realistischen, hangenden spoorweg, als gevoelt het er zich somber te moede. Daarom maakt de Kerk uitwendig dan ook niet meer den rechten indruk.
Binnen de kerk wordt de herinnering aan onderscheidene beroemde personen bewaard. In den kerktoren vindt men de graftombe van den Vice-Admiraal Witte Cornelisz. de Witt; de slag in de Sond, waarbij hij op 28 Nov. 1658 sneuvelde, wordt op de tombe in relief voorgesteld, waarboven de daden van den held, in zwart marmer gebeiteld, vermeld zijn. Het beeld van den Admiraal ligt in volle wapenrusting en krijgspraal neder, doch de twee vrouwenbeelden, Bellona en de Faam, met drie stuks wapenen boven op de lijst, de twee groote beelden van Mars en Neptunus onder het lijstwerk, tusschen een paar gevleugelde kolommen, het schild met zijn grafschrift, waarop zij rusten, vastgehouden door een tweetal geniën en steunende op een wereldkloot, de menigte van oorlogstuigen, scheepsgereedschappen en krijgsversierselen, dat alles geeft een overlading, die den algemeenen indruk schaadt. Dieper is dan ook de indruk der tombe van Egbert Meeuwsz. Kortenaer, die den 14en Juni 1665 in een zeeslag tegen de Engelschen sneuvelde.
De held der Maas, verminkt aan oog en rechterhand, En echter 't oog van 't Roer, de Vuist van 't Vaderland, De groote Kortenaer, de schrik van 's vijands vloten, De ontsluiter van de Sont, ligt in dit graf besloten,
aldus luidt het grafgedicht. Kortenaer wordt geharnast voorgesteld, het hoofd rustend op een stuk geschut, met den staf in de hand. De tombe heeft een frontespice van zwart marmer, gedragen door vier kolommen, in wier midden een enkel wapen.
Nog vinden wij hier de grafplaatsen van de zeehelden Lambert Hendriksz., bijgenaamd Mooie Lambert, Johan de Liefde, Johan Brakel, Aart en Johan van Nes.
Niet ver van de Groote Kerk, op de Groote Markt, verrijst het metalen standbeeld van "den grooten Rotterdammer", Erasmus, die in 1466 te Rotterdam geboren was en in 1537 te Bazel overleed. Reeds in 1549, bij de inhaling van Filips II in Rotterdam als erfheer, was de gedachte opgekomen, om den beroemden zoon van deze stad door een standbeeld te huldigen. Men richtte bij die gelegenheid een houten beeld op, dat Erasmus in geestelijk gewaad voorstelde. In 1557 werd het houten beeld door een nieuw van arduinsteen vervangen, doch in 1572, toen de Spanjaarden plunderend en brandstichtend door Rotterdam trokken, werd het beeld van dien ketter en libertijn beschoten, vervolgens van zijn voetstuk gerukt en in het water geworpen.
Eerst in 1621 werd besloten, weder een nieuw beeld voor Erasmus te doen verrijzen, en zoo ontstond het tegenwoordige, het metalen beeld, een gewrocht van Hendrik de Keyser. Bijna drie eeuwen studeert de groote geleerde op het marktplein, starende op het geopende boek. Een der opschriften op het voetstuk luidt:
Hier rees de groote zon en ging te Bazel onder; De Rijksstad eer' en vier' dien Heilige in zijn graf; Dit tweede leven geeft, die 't eerste leven gaf, Maar 't licht der talen, 't zout der zeden, 't heerlijk wonder, Waar met de Liefde en Vrede en God-geleertheid praelt, Wordt met geen graf geëert, nog met geen beeld betaelt; Dies moet hier 't luchtgewelf Erasmus overdekken, Nadien geen mindre plaats zijn tempel kon verstrekken.
Het beeld van Erasmus wordt door den volkshumor dikwijls de "oudste burger van Rotterdam" genoemd. Veel heeft die "oudste burger" onder zijn oogen zien gebeuren, en men heeft hem deel laten nemen aan de gebeurtenissen op een wijze, waaraan de levende Erasmus, weinig moedig als hij was, niet zou hebben gedacht. Nadat Napoleon I gedreigd had, dit standbeeld tot kanonspijs te bestemmen--wat gelukkig niet geschiedde--las men op een morgen dit opschrift op het beeld:
Ik sta hier nog, gelijk voor dezen, Aandachtig in mijn boek te lezen, Doch had mij eens Napoleon, Zooals hij heeft gedreigd, gegoten tot kanon, Dan had ik, hiertoe afgezonderd, Hem zeker van den troon gedonderd.
Bij de omwenteling van 1813 was Erasmus de eerste, die den 16en November de vereenigingsleus van Oranje droeg, terwijl deze woorden er aan waren toegevoegd:
"Durft niemand nog Oranje dragen, Ik durf mijn ouden kop wel wagen."
Wij richten ons van deze herinnering aan de wetenschap naar de Beurs. Op korten afstand, door een zijstraatje, bereiken wij het flinke, ruime Beursplein, een der levendigste pleinen van de stad. Het Beursgebouw, zeer ruim en luchtig gebouwd, treft niet door schoonen stijl. Het geheel is een stijf gebouw; de oostelijke en westelijke gevels zijn geheel van Bentheimer steen, volgens Romeinsch-Dorische bouwkunde; langs de binnenwanden van het gebouw zijn vier colonnades van Romeinsch-Toscaansche orde, gedekt door kruisgewelven. Sedert 1829 laat een klokkenspel zich hooren uit den koepel der Beurs.
De eerste Beurs te Rotterdam werd gebouwd in 1597 aan den hoek van de Spaansche Kade en het Haringvliet, N. Z., op de plaats, waar tot 1886 het Admiraliteitsgebouw van de Maas, later Zeekantoor, stond. Nog geen halve eeuw na het stichten van een Beurs had er een gebeurtenis plaats, die een ruimer gebouw voor den handel noodzakelijk maakte. In het laatst der 16e eeuw was het vervaardigen van lakens in Engeland zoo aanzienlijk toegenomen, dat die, in plaats van uit Holland betrokken te worden, gelijk vroeger, in groote hoeveelheid van Engeland naar Duitschland werden uitgevoerd. Dit geschiedde door een maatschappij, bekend als "Marchands avonturiers".
Tengevolge van een geschil tusschen Keizer Rudolph II en koningin Elizabeth moesten de handelaars Duitschland ontruimen, waarna zij zich te Middelburg en Rotterdam vestigden. Het bestuur van Rotterdam bood zulke aannemelijke voorwaarden aan, dat het ook de lakenhandelaars uit Delft naar eerstgenoemde stad lokte. Den 5en Februari werd een concordaat gesloten met de Societeit der "Marchands avonturiers" van Engeland, ook bekend als "Engelsche Court", waarbij zij het nog overgebleven gedeelte van het slot Bulgerstein verkregen met eenige daarnaast gelegen erven aan de Korte Hoogstraat tot verblijf en bergplaats hunner wapens, de Waalsche kerk tot uitoefening hunner religie, en een ruimer beursgebouw "tot gerief van dezelve natie en andere negotianten". De toenmalige Zeevischmarkt werd daarvoor aangewezen.
De bakker-dichter J. Oudaen bezong die gebeurtenis in de volgende regelen:
O, zegenrijke zee! met volheid brengt gij voort, Voor wie dies zegening het waken aan zijn netten Niet toeschrijft! maar die stil, met z' overboord te zetten, Zeid in vertrouwen: Heer! Wij werpen ze op U woord! Dit maakt een volle beurs. Dies werd dees' plaats, voor desen Den visscher eigen, nu den koopman toegewezen.
Tengevolge van het verbod van invoer der Engelsche lakens in 1635 verdween de Eng. Court weer uit Rotterdam en uit geheel Holland, waarna de Beurs voldoende schijnt geweest te zijn tot het begin der 18e eeuw, toen de beruchte actie-handel weer een ruimer lokaal noodig maakte voor handelaars, die zich meermalen tot 10 uur 's avonds en later op de Beurs bevonden en elkaar verdrongen.
In Jan. 1721 werd besloten een nieuwe Beurs te doen verrijzen. Men wilde die maken "tot een ordentelijk cieraad en bequaam gebruijck ten dienste van de commercie en volgens de kunst van de architecture zal bevonden worden te behore".
Het plan werd opgemaakt door den Rotterdamschen schilder A. v. der Werf. Eerst in 1736 werd het gebouw voltooid, een feit, dat door een fraaien gedenkpenning vereeuwigd is. Die gedenkpenning heeft het volgende opschrift: "Divitias huc terra suas huc transtulit unda ad permutandas urbis et orbis opes, d. i.: Land en water brachten hun schatten herwaarts, om de rijkdommen van de stad en die van de wereld te verhandelen".
De hoofdvorm der Beurs is een rechthoek; de bebouwde oppervlakte bedraagt 2340 M2. De oostelijke gevel is de voornaamste. Aanvankelijk stond op het midden een bevallig torentje, dat in 1829 vervangen is door een koepel, zooals wij dien heden nog kunnen zien. De vernieuwing is geschied naar aanleiding van het besluit, om het carillon van den afgebroken Raadhuistoren op de Beurs te plaatsen. De luidklok voor de beursbezoekers, die van 1596 dagteekent, heeft reeds dienst gedaan op de eerste Beurs en roept dus meer dan drie eeuwen de koopmanschap samen, om zaken te doen. Of het opschrift der klok "Soli Deo gloria", dat de gieter er op plaatste, ook het wachtwoord is voor de beursbezoekers, durven wij niet verzekeren.
Van de bovenlokalen der Beurs zijn in 1769 twee, in 1790 nog meer vertrekken aan het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke wijsbegeerte ten gebruike gegeven. Terwijl Mercurius beneden zijn schepter zwaait, is in de bovengedeelten aan Minerva de heerschersstaf geschonken.
In 1852 werd vóór de Beurs het beeld van Mercurius door Stracké geplaatst, in Rochefort-steen gebeiteld. Eerst in 1867 is de Beurs met een ijzeren bekapping overdekt.
Het Beursplein en de aangrenzende gebouwen vormen een eigenaardig middelpunt van Rotterdamsch leven. Realistisch schetst Herman Robbers dit gedeelte der oude stad en het beursleven met schelle kleuren op zijn palet.
"Daar, waar de enorme blinde-muur van 't grauwe, zwaar-massieve Beursgebouw schaduwt over 't ruime, kleurig-lichte plein, het woelige, geluidenvolle centrum van het tramverkeer; tusschen het Spoorstation, wanbouw van steen en roestig ijzer, der eeuwenoude havenstad brutale hoon--een duffe stank van stof en rook walmt altijd van onder de kap en van uit de donkere, vervuilde ingangen; schok-rommelend stuwen de zwarte treinen naar rechts en links over het lage, gedrukte, roet-besmeerde viaduct, dat in z'n holige duisterheden vunze plassen en vuilnis verbergt--tusschen die vormlooze, troostlooze leelijkheid en 't groot-vierkant van 't Postkantoor, officieel kantorig, banaal net van bouw, waar de deuren voor 't ingaand en uitgaand publiek al maar kreunende openzwiepen, dichtzuigen en weer opengestooten worden.... daar is het stadshart, het kloppende, roepende hart van 't rustloos Rotterdam. Want in een sjofele buurt tusschen de suffende huizen van een verlaten en treurig misvormd plein, sombert de Groote Kerk; het Museum staat verscholen in de duisterende herrie van een nauwe straat vol pakhuizen en zeemanskroegen; stil vegeteert de Schouwburg in een nieuwerige wijk van burgermanswoningen en huishoudelijke winkeltjes.... Maar de zware adem van 't Beursgebouw gaat over 't breede, vierkante plein, waar de trammen bellen, de rijtuigen ratelen, de haastende menschen gaan; het staat in de fleurige buurt der dure winkelstraten, de Blaak afsluitend, waar 't 's middags parade is van uitgedoste koopmansvrouwen, leegloopers en gymnasiumheertjes. Het is omringd van restauraties en societeiten".
"Iederen middag, als de zware Beursdeuren geopend worden en het klokkenspel hoog in 't koepeltorentje waarschuwend klingeltingelt in de drukke, oude stad--in de kantoren, de bier-, sigaren- en koffiehuizen--dan komen de haastende handelsmenschen toeschieten van links en rechts en hoopen zich op in donkere, rumoerige groepen. De trammen bellen, de treinen bomberen aan, 't gedaver van een stoet logzware sleperskarren overstemt een tijdlang elk ander geluid. En de groepen zwellen, van alle kanten komen de zwarte, bruin en grijze heerenmenschen; zij staan te praten, lachen en rooken, en trekken bij klompen het donkere Beursgebouw in. Van den Maaskant komen de meesten, van de oude "Boompjes" en het nieuwe Feijenoord, van de havens en de kaden, maar ook van de mindere kantoren, die op bovenverdiepingen zijn in zware, lugubre straten. Uit de koffiehuizen vlak bij en uit de verste hoeken der naar alle windstreken om zich heengrijpende zakenstad; de handelaars en de makelaars, de cargadoors en expediteurs, de reeders, de bankiers, de handelsagenten, de commissionnairs, allen komen ze op de Beurs, want daar is hun leven, hun geluk; want daar is hun slag te slaan. Daar is het leven, het handelsleven, de culminatie van zaken doen; koning kapitaal houdt daar zijn hof, verdeelt daar zijn gunsten.... ze verdienen er hun brood en hun sigaren, hun biertjes en dineetjes, hun vrouwen en kinderen, ál hun rijkdom, ál hun pleizier. Ze brengen er het belangrijkste, het meest intense van hun bestaan. Sommigen moeten erg veel moeite doen, moeten vragen, aandringen, lastig zijn, flikflooien, grijnslachen, schreeuwen, druk doen, zich opwinden, maar anderen staan er, zonder gebaar, met een enkel woord uit hun mompelende monden vermogend te worden. Velen spelen er met helsche vreugd, anderen lijden inwendig en geheim, doen wanhoopscoupen met droge oogen en trekkende monden. De Beurs is een somber hol, waar mannen leven, verteerd van onedele passie; een moderne, onbloedige arena, zonder toeschouwers: stads-academie van slimmigheid en "handelsgeest", duivelstempel der sjaggeraars... Het hart van de zwoegende handelsstad bonst er met zware slagen".
Op korten afstand bereiken wij de Noord-Blaak, de breede algemeene promenadeplaats, de ziel van de Maasstad, langs de vierkante havenkom gelegen, welke Blaak heet, die vóór 1580 nog deel van de stadsgracht uitmaakte, doch omstreeks dien tijd bij uitlegging naar de Maaszijde in de stad kwam en in een havenkom werd veranderd. Door de ruimte, het licht en het water aan de eene zijde maakt de Blaak een geheel anderen indruk dan de Kalverstraat te Amsterdam, waarmede ze in beteekenis eenigszins is te vergelijken. "Daar heerscht drukte maar geen handelsdrukte; daar heerscht vroolijkheid maar geen volksgejoel; daar heerscht deftigheid, maar met mate; in één woord: de Blaak is voor de Rotterdammers een ideaalbuurt, een wijk om jaloersch op te zijn." Het is, of een blijmoedige glimlach het gelaat plooit van ieder, die de Blaak overgaat. Ieder neemt zich in acht om op de Blaak, vooral des middags, met zorg te verschijnen, want daar ontmoet men allicht kennissen der schoone sekse, die een inspecteerenden blik slaan op hen, die ze ontmoeten.
Over de Blaak gaande, zien wij spoedig de zeevischmarkt, een ruim en luchtig gebouw, voor het doel met vele gemakken ingericht, en gedurende den morgen tijdens den afslag de plaats, om een eigenaardige taal te bestudeeren, die van het vischvrouwen-Rotterdamsch, welke soms krachtig en origineel is. Een kijkje op de vischmarkt is zeker aan te bevelen.
Achter de vischmarkt strekt zich de breede, drukke Leuvehaven uit, omringd door pakhuizen en magazijnen voor scheepsbenoodigdheden. De Leuvehaven en ook de andere binnenhavens van Rotterdam, die den handel en de scheepvaart door de geheele stad verspreiden, geheel anders dan te Amsterdam, waar op de grachten weinig scheepvaart gevonden wordt, zij bieden tal van typische plekjes aan. De havens en kaden als van het Haringvliet, de Oude- en Nieuwe havens, de Leuvehaven, de Wijnhaven, de Kolkkade, zij leeren ons het echte Rotterdamsche stadsleven kennen voor de mannen van zaken, en openen bij de drukke bedrijvigheid talrijke schilderachtige uitzichten.
Verder onzen weg vervolgend, zien wij spoedig een vierkant gebouw verrijzen op den hoek van den Schiedamschen dijk.
Dit is het Museum Boymans.
Al heeft Rotterdam geen groote musea of verzamelingen, toch mag men enkele kleinere bij een wandeling door de stad niet vergeten. Het Boymans-Museum is bijeengebracht door Mr. Frans Jacob Otto Boymans, die zijn verzameling aan de stad legateerde, welke er in 1847 eigenares van werd. Doch helaas! in 1864 werd het Museum door een zwaren brand geteisterd, waardoor niet minder dan 300 schilderijen verloren gingen. 163 schilderijen werden gered, en deze vormden den grondslag voor de verzameling van het nieuwe Museum, dat in 1864-1867 gebouwd is. Men vindt hier stukken van Rembrandt, Frans Hals, Albert Cuyp, Hobbema, enz. en van onderscheidene moderne meesters.
Achter het Museum verrijst het standbeeld, ter eere van den staatsman Gijsbert Karel v. Hoogendorp, den krachtigen strijder voor den vrijhandel, dien belangrijken factor van Rotterdams ontwikkeling, op het Hogendorpsplein opgericht.
Thans wenden wij ons naar de Remonstrantsche kerk, aan den Wester Singel, in 1898 geopend, om een blik te slaan op een merkwaardig bouwwerk van architectonische beteekenis uit den laatsten tijd. Deze kerk is een geheel, dat door lijnen, vormen en afmeting spreekt van kracht, eenvoud, verheven ernst en waarheid. Die beginselen zijn tevens vertolkt in het inwendige, in de binnenruimte met haar afwisselende hoogte, door de plaatsing en afmetingen der sprekende onderdeelen: ramen en deuren en het inwendige organisme van den bouw.
De muren vertoonen een vlakke, massale behandeling, zonder noodelooze onderbreking of voorsprongen. Slechts op enkele punten, in de assen van voor- en zijgevel, zijn hoofdmotieven gevormd tot juist overzicht van het geheel en tot bepaling van de aandacht. Hierin is uitgesproken, door krachtige architectuurlijnen, samenwerkend met plastiek en mozaïek, wat het Remonstrantisme den voorbijgangers te zeggen heeft.
Het centrum van den voorgevel wordt ingenomen door een gekoppelde dubbeltravée, in goudmozaïek het symbool van den godsdienst verzinnelijkend. Het is een gevleugelde figuur, hoog houdende het Evangelie met de alpha en de omega, en waarboven de ster als lichtpunt is aangebracht. Cirkelvormig omlijst zijn de tympanvelden, ter weerszijden ingenomen door stijgende, witte leliën als symbool van reinheid. Zij worden onderbroken door horizontale banden, waarop in gulden letters links glanzende woorden: "Geloof, als bron van elk godsdienstig leven"; rechts: "Onderzoek, als bron van godsdienstige ontwikkeling". Het geheel, in witte tonen, door matgoud verlevendigd en op teerblauwen achtergrond, is gedragen door een kapiteel, het symbool van eenheid voorgesteld door twee adelaars, hun voedsel nemende uit één nap.
De grondslagen van het Remonstrantisme: vrijheid en verdraagzaamheid, zijn verzinnelijkt door overlevensgroote figuren, die de hoofdpoort bewaken. Op den randboog staat in sierschrift de Remonstrantsche spreuk: "Eenheid in 't noodige, Vrijheid in 't onzekere, in alles de Liefde".
Terwijl de voorgevel een verzinnelijking is van het Remonstrantisme, herdenkt de zijgevel de groote dragers er van.
--Van de belangrijke instellingen te Rotterdam noemen wij nog de Diergaarde met een belangrijke plantenverzameling, het Museum voor Land- en Volkenkunde met het Maritiem Museum "Prins Hendrik", in het Jachtclubgebouw vereenigd, dat een belangrijke ethnographische verzameling bezit. Het nieuwe Archiefgebouw is prachtig en soliede naar de eischen des tijds ingericht.
De tien vroegere poorten van Rotterdam, waarvan er zes aan de landzijde en vier aan den kant der Maas stonden, zijn op één na alle verdwenen. Alleen de grijze Delftsche poort, een fraai, zwaar gebouw, is gespaard geworden voor des mokers woede en staat aan het eind van het Haagsche Veer nog daar, alsof zij zich verveelt, sedert de muren en grachten verdwenen zijn. Toch mogen wij er ons over verheugen, dat dit bouwstuk bewaard gebleven is.
De Delftsche poort is een statig gebouw, geheel van arduinsteen opgetrokken, dat tegenwoordig aan de tallooze voorbijgangers een nauwen toegangsweg verschaft van het buiten de singels gelegen stadsgedeelte naar de binnenstad. Zij dagteekent eerst van 1772, en heeft op zijn minst twee voorgangsters gehad. In de 15e eeuw stond daar reeds een poort, die omstreeks het midden der 16e eeuw vervangen werd door een nieuwe, een karakteristiek gebouw, van baksteen opgetrokken en afgewisseld door zandsteen, met ronde hoektorens, in scherpe spitsen en achtkanten bovenbouw eindigend, met een vooruitspringende voorpoort. De laatste werd in 1663 afgebroken; daarvoor in de plaats kwam de ophaalbrug. Doch de poort zelf verviel ook meer en meer, zoodat men ten laatste tot afbraak besloot. In 1768 werd de tegenwoordige Delftsche poort aanbesteed volgens het ontwerp van De Swart. Zij was in 1772 voltooid. Het onderste gedeelte der poort behoort tot de Romeinsch-Dorische, het bovenste tot de Romeinsch-Jonische bouworde; het geheel wordt door een fronton gedekt. Op de hoofdlijst ziet men een kolossale groep van vier beelden, voorstellende de stedemaagd, zittende met een pijlbundel in de linkerhand, rechts achter haar Mercurius, terwijl aan den voet van den zetel de Rotte- of Schienimf, over een urn heen liggend, haar wateren aan een naast haar gezeten Maasgod toevoert.
Aan de Schiezijde van de poort vindt men het stadswapen, geflankeerd door twee leeuwen, terwijl op het slotstuk boven den doorgang een Herculeshoofd prijkt.
Een geheel modern gebouw vormt het hooge Witte Huis (aan de Oude haven,) steil, glad oprijzend met zijn witte muren, als doet het denken aan ijzerconstructie. Een menigte kantoren zijn daarin gevestigd. De top van dit huis biedt een schoon uitzicht aan over de stad en bovenal over de rivier in de nabijheid.
Thans wenden wij ons naar de Maaszijde, naar den
"Zilvren stroom, wiens golfgewiegel Voortrolt van 't Ardensche woud Tot aan 't bruisend Noorderzout; Oogbekoorbre waterspiegel, In wiens helder vloedkristal Vesten, breed van schans en wal, Steden, rijk aan kooptrezoren, Blij heur beeltenis zien gloren. Trotsche Maas, wier kabb'lend nat Ook mijn dierbre vaderstad, Uit uw volle kruik komt laven, En haar strekken doet ten haven Voor kasteelen, rijk aan pracht En met keur van schat bevracht Van de rijke morgenlanden, Van de kille nachtschâuwstranden".
zooals Van der Hoop zegt van de Maas, die hij liefhad, zooals elke Rotterdammer. En terecht! De grootheid en schoonheid van Rotterdam moeten beide aan de rivier gezocht worden. Aangrijpend is de Maas, gezien van de hooge brug, naar het westen, waar zij den oceaan tegemoet snelt, in breede bochten de stad doorsnijdend, die zich thans aan haar beide oevers gelegerd heeft, als trillend en zuchtend onder den last der honderden schepen van allerlei grootte en vormen en van allerlei natiën, die de bedrijvige stad haar op de schouders voert.
En des avonds, als de schaduwen van den nacht zich over de stad uitspreiden, als karren en kranen en fluiten een oogenblik rusten, dan schijnt het een tooverwereld, die ordeloos verspreide menigte van lichten, rustend of als kometen zwevend over het donkere diep, dat zich daar als een sterrenhemel uitstrekt onder onze voeten.
Nog anders is het, wanneer de maan aan den helderen hemel de rivier doet verbleeken tot een matten zilverstroom, golvend en vloeiend, in zachte rimpelingen stoeiend met de bootjes op zijn oppervlakte. Welke Europeesche havenstad heeft zulke riviergezichten!
Aan de Maas heeft Rotterdam zijn beroemde "Boompjes".