Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 6
Het dorp Haastrecht, met villa's aan den IJsel en vele nette huizen, maakt een vriendelijken indruk. Vroeger was Haastrecht aanzienlijker en bedrijviger dan thans; het moet zelfs volgens H. Junius een stadje geweest zijn met twee kloosters en drie kasteelen. Ook bloeiden er de kaashandel, hennephandel en de leerlooierijen, die thans zijn vervallen. Het raadhuis met zijn hooge stoep, dagteekent van 1618.
Wie een typisch plekje polderland wenscht te zien, wandele over Haastrecht een eindweegs naar het zuiden langs de Vlist, een kronkelend water, dat van Schoonhoven tot den IJsel loopt. De Vlist is een boezem, waarop het water uit de omringende polders wordt afgemalen. Dewijl het water in den Vlistboezem niet hoog genoeg is opgevoerd, om af te loopen, wordt het uit de Vlist bij Haastrecht door een 7-tal molens nog hooger opgemalen naar den "hoogen boezem", een omkaad stuk land, gedeeltelijk met riet begroeid, en van hier kan het eerst afloopen op den IJsel. Bijgaande plaat geeft een afbeelding van dat molenlandschap.
Voorbij Haastrecht blijft het landschap geheel hetzelfde; reeksen van boerenhofsteden liggen langs de beide IJseldijken in de schoone graslanden. Aan den noordkant van den IJsel ligt Goe-Jan-Verwellesluis, een eenvoudige buurtschap aan de sluis, die de Dubbele Wierikke met den IJsel verbindt. Hier was het, dat Prinses Wilhelmina, de gade van den Erfstadhouder, in Juni 1787 door de Commissie van Defensie werd tegengehouden, toen zij, om aan de zaken van haar gemaal een gunstiger keer te geven, Nijmegen, waar destijds de Stadhouder tijdelijk verblijf hield, verliet en naar Den Haag wilde gaan. Na eerst in een boerenhuis gebracht te zijn, geleidde men de Prinses naar Schoonhoven, om daar den nacht door te brengen. Het is bekend, dat de Staten van Holland deze daad goedkeurden en dat de prinses, van Schoonhoven naar Leerdam vertrokken, daar het bericht ontving, waardoor zij genoodzaakt werd, zich naar Nijmegen terug te begeven.
Nog een korten tocht over den IJseldijk en wij staan voor het stedeke Oudewater, met ongeveer 2650 inwoners, dat door den IJsel wordt doorsneden. Oudewater ligt op de plek, waar de Linschoten met den IJsel is verbonden, aan de grens van Zuid-Holland en Utrecht; omstreeks de 13e eeuw behoorde het tot Utrecht. In 1265 schonk Bisschop Hendrik van Vianden aan Oudewater stedelijke rechten, doch kort daarop, in 1280, verpandde Bisschop Jan van Nassau de stad aan zijn neef Floris V. Daar deze verpanding nooit werd afgelost, is Oudewater sedert aan Holland gebleven, al was de stad nog herhaaldelijk het slachtoffer van den strijd tusschen de bisschoppen en de graven. In 1346 verkreeg Oudewater het voorrecht, nooit van de grafelijkheid te mogen worden gescheiden, een privilegie, dat in 1404 door Graaf Willem IV werd bevestigd. Door zijn ligging aan de grens werd Oudewater als een der sleutels van Holland beschouwd en goed versterkt.
De stad kwam hoofdzakelijk op als marktplaatsje voor den omtrek, en in verhouding tot zijn gering aantal bewoners is het nog altijd een druk bezocht stadje, dat winkelnering heeft uren in den omtrek en een levendigen kaashandel. De kooplieden te Oudewater koopen veel op de markten te Bodegraven, Gouda en Woerden, alsmede bij de boeren aan huis; de kaasmarkt te Oudewater zelf heeft geen groote beteekenis. Toch wordt de weekmarkt er druk bezocht.
Oudewater vertoont in zijn gevels en woningbouw nog onderscheidene overblijfselen uit den bloeitijd der zelfstandige, Hollandsche bouwkunst. Schilderachtig kronkelt de IJsel door de stad, welke voor een gedeelte met bogen overmetseld is tot marktplein, aan den eenen kant de straat omzoomd met linden langs het water, terwijl aan de andere zijde de huizen uit de gracht zijn opgebouwd. Een prachtige oude gevel vertoont nog het kaaspakhuis tegenover de Waag, met het jaartal 1611.
De Waag staat aan de markt en is volgens het jaartal in 1595 gebouwd. Die eenvoudige, witte, spitse gevel zou, als hij spreken kon, ons veel hebben te vertellen en een stuk beschavingsgeschiedenis blootleggen, waarover wij thans de schouders ophalen. Want in dit gebouw werd vroeger de befaamde heksenwaag gevonden, waar met de weegschaal en gewichten werd uitgemaakt, of iemand in staat was, op bezemstelen of een gezalfd stokje door de lucht te vliegen. Het was een poging, om door exact onderzoek vast te stellen, wie tot het beruchte ras der heksen behoorde, toen de vuur- en waterproeven niet proefhoudend bleken te zijn. Men ging van het vernuftig denkbeeld uit, dat hij, die lichter woog dan zijn gestalte vorderde, noodwendig met den booze in betrekking moest staan. Oudewater nu was van ouds bekend wegens de nauwkeurigheid van zijn "trois" gewicht, en daarom werd zijn waag waardig gekeurd, om over het belangrijke vraagstuk der hekserij te beslissen. Men meent, dat Keizer Karel V aan de stad dat voorrecht gegeven zou hebben, omdat hij vernomen had, dat in Oudewater nooit iemand als toovenaar verbrand was, daar men den beschuldigde op de Waag liet wegen, in plaats van hem, gelijk elders, aan de vuur- of waterproeven bloot te stellen. Daarom reisden velen, die van tooverij werden beschuldigd, zelfs uit veraf gelegen streken, naar Oudewater, vroegen verlof om gewogen te worden, verkregen daartoe altijd vergunning en ondergingen in tegenwoordigheid van een paar schepenen en den gerechtsbode de proef. De bode ontkleedde den gewaanden toovenaar tot op het hemd en deed hem zijn kousen en schoenen uittrekken; als het vrouwen, betrof, werd dit door de stedelijke vroedvrouw verricht. Op deze wijze verkreeg men de zekerheid, dat de gewogene niets bij zich droeg, om zijn zwaarte te vermeerderen.
De kosten van het wegen bedroegen:
Aan ieder der Schepenen 18 st. Holl. f 1.16 Aan den secretaris f 2.18 Aan gerechtsbode, waagmeester, vroedvrouw, ieder 12 st. f 1.16
Tezamen f 6.10
Voor dien prijs ontving de gewogene gewoonlijk het getuigschrift van zijn onschuld. Daar het maximum der zwaarte van een heks op 30 lb trois gewicht was bepaald, was er natuurlijk niet één uit de duizenden boven den kinderlijken leeftijd, die op grond van het gewicht in de termen viel, om voor een heks te worden uitgemaakt. De heksenwegerij duurde tot 1729; de laatsten, die hier gewogen werden, waren Klaas Ariens van den Dool en zijn huisvrouw Neeltje Ariense Kersbergen, woonachtig onder Meerkerk. De heksenwaag schijnt door haar exacte proef veel goeds te hebben gedaan in den treurigen tijd, toen het bijgeloof nog zoo algemeen was en tot treurige daden leidde.
Sedert blijkt het aantal heksen te zijn verminderd. Maar, helaas! uitgestorven schijnen zij, volgens het bijgeloof, nog niet. Want al worden er geen vuurproeven meer genomen, toch lezen wij nog telkens, dat ongelukkigen, die van hekserij beschuldigd worden, aan mishandeling blootstaan.
Een prachtig bouwprodukt der westersche renaissance is het Stadhuis te Oudewater, in 1588 gesticht, met een voorpui, gekroond door leeuwen, die wapenschilden dragen, op den hardsteenen gevel der pui rustend.
In den voorgevel is de gerechtigheid afgebeeld en daaronder vindt men de wapens der steden Delft, Oudewater en Alkmaar. Uit het met leien gedekte dak verrijst een laag, vierkant torentje, dat in een achtkant klokkenkoepeltje eindigt. Voor enkele jaren is dit stadhuis gerestaureerd. Vooral de gevel met zijn afwisseling van baksteen en banden natuursteen, met de aesthetische verdeeling der vensters en deuren, maken dit gebouw tot een der fraaiste uit den renaissancetijd.
De vestibule van het stadhuis met eiken zoldering heeft nog een oude vierschaar of schepenbank.
Een merkwaardig gebouw is de Hervormde kerk met een hoogen toren, in den vorm van de Friesche kerktorens. Men weet niet met zekerheid, wanneer en door wien deze kerk gebouwd werd; in 1858 is zij in- en uitwendig vernieuwd. In deze kerk vindt men een marmeren gedenkteeken voor Rudolf Snellius van Royen, overleden als hoogleeraar te Leiden in 1613. Rudolf Snellius was de vader van Willebrordus Snellius, die hem ook opvolgde als hoogleeraar in de wiskunde, en beroemd werd door de nieuw gevonden methode der graadmeting.
Als wij Oudewater doorwandelen, zien wij nog vele geveltjes uit 1613 en '14, maskers, wapens en symbolen in de gevels gebeiteld, schilderachtige bruggetjes en watergezichten. Ook de Hollandsche spreukenphilosophie ontbreekt hier niet bij de huizen, gelijk gevelopschriften, als: "Aan Gods zegen, Is alles gelegen" en dergelijke aanduiden.
Gebouwen uit de middeleeuwen vindt men er niet meer; het Oude Kasteel, dat aan de noord-oostzijde der stad verrees, is in 1585 afgebroken.
Van Oudewater gaan wij de grens der provincie Zuid-Holland over naar Utrecht en volgen steeds den IJseldijk. Spoedig bereiken wij het stadje Montfoort, aan den zuidelijken oever van den IJsel gelegen tusschen akkers en weiden. Het is een eenvoudig plaatsje met veel lage, kleine huisjes, in den zomer door gemis van boomen zeer zonnig. De nederzetting dankt misschien haar oorsprong aan het kasteel, in 1170 door bisschop Godfried van Rhenen hier gesticht. Het stadje biedt niets merkwaardigs aan; van het oude kasteel is echter nog een gedeelte in wezen, al werd het in vele opzichten veranderd. In 1672 lieten de Franschen het kasteel van Montfoort springen, zoodat alleen de voorpoort, met een zwaren toren aan beide zijden, bestaan bleef. In de 19e eeuw werd hier eerst een onderwijsinrichting gevestigd. De torens en poort van het voormalig slot vormen thans den ingang van een gesticht voor jeugdige, vrouwelijke veroordeelden, tevens een huis voor verbetering en opvoeding.
Meisjes, meest van 13 à 14 jaar, worden hier op een veroordeelend vonnis geplaatst. Het bezoek aan dit gesticht, welks gebouwen in vele opzichten verbetering behoeven, maakt een aangenamen indruk door de moederlijke warmte en volle toewijding, waarmede wij de directrice en eenige onderwijzeressen hun zwaren arbeid zagen volbrengen in een kring van meisjes, die niet zelden in hun eigenlijk "tehuis", dat voor hen geen tehuis mocht en moest zijn, de oorzaak moeten zien, dat zij zoo spoedig op den slechten weg kwamen. Meer dan verzaakte ouderplicht spreekt uit de geschiedenis van menigeen, die zich dit gesticht tot verblijfplaats ziet aangewezen en van welke er velen gered zouden worden voor de toekomst, wanneer de ouderlijke macht niet als een satan loerde op haar prooi, om hen onder schoone voorwendselen spoedig weder ten verderve te voeren. Menig bezoek der ouders aan deze ongelukkigen gaat met het uitstrooien van slechte zaden in hun zielen gepaard, die welig opschieten en slechts met moeite weer kunnen worden uitgerukt. Doch niet altijd ligt de schuld rechtstreeks bij de ouders. Men ervaart hier, dat de zonde der vaderen zich wreekt tot in het derde en vierde geslacht.
De weg van Montfoort loopt verder langs den IJseldijk naar IJselstein. De oude rivierloop heeft hier tusschen de dijken de klei van eeuwen opgezameld en daardoor de grondstof opgehoopt voor vele steenbakkerijen, terwijl ook klei van hier naar de bakkerijen aan den Ouden-Rijn wordt gevoerd. Het blijft een vruchtbaar landschap, dat zich aan beide zijden langs den IJsel uitstrekt, met de beste graslanden en een bloeiende veeteelt en zuivelproduktie.
Zoo bereiken wij IJselstein, een klein, vriendelijk stadje aan den linkeroever van den IJsel, gedeeltelijk in het geboomte gelegen, dat aan den noordwestkant op den vroegeren wal verrijst. Als wij IJselstein van dien kant binnentreden, valt ons het eerst de mooie, flinke, Gothische kerk der R. K. in het oog, een nieuw gebouw. Bezienswaardig zijn het altaar en de preekstoel met keurig snijwerk, welke laatste uit een oudere kerk in de nieuwe is overgebracht. De rijke boeren in den omtrek schonken klokken aan deze kerk, die echter, als zij gelijktijdig luiden, niet samenstemmen.
IJselstein is als de meeste IJselsteden waarschijnlijk opgekomen bij een kasteel, dat der Heeren van IJselstein, afstammelingen van het destijds machtige Huis van Amstel. Wanneer hier het eerste kasteel gesticht werd, valt niet te zeggen, doch waarschijnlijk was het er reeds in 1144. Het slot bestond uit tal van trotsche gebouwen, met zware muren, die in de torens 1 1/2 meter dikte bezaten. Nadat het slot reeds vele veranderingen had ondergaan en gedeeltelijk was gesloopt, werd het overblijvende in 1887 afgebroken. Het bestond destijds uit een aantal gebouwen, rondom een binnenplaats gelegen en afgesloten door een zwaren walmuur met drie verdedigingstorens; het geheel was omringd door een gracht. Over de brug en door een poort had men toegang tot het woonhuis. Daaruit leidde een galerij naar een zwaren toren met een vierkanten Gothischen traptoren er naast. Dit laatste was het belangrijkste gedeelte van het bouwwerk. Deze groote, 8 meter breede en 20 meter hooge traptoren, met dikke muren en verspringende ribgewelven is een zeer fraai en kunstig werkstuk, schier eenig in ons land. Gelukkig is dit gedeelte bewaard gebleven, door het Rijk gerestaureerd en in den ouden staat hersteld.
Bij het zien van dit laatste overblijfsel van het merkwaardige gebouw, thans tusschen aardappelvelden gelegen op de plek, waar zoo vele ridderbedrijven in de middeleeuwen werden afgespeeld, komen ons onwillekeurig enkele historische herinneringen voor den geest. Wij zien in gedachten, hoe in 1297 het slot IJselstein een zware belegering van de Hollanders te verduren had en men alles aanwendde, wat de krijgskunde dier dagen te aanschouwen gaf, om het te doen bezwijken. Bezitter van het slot was destijds Gijsbrecht van IJselstein, maar bij diens afwezigheid werd het door zijn kloekmoedige gemalin, Baerte van IJselstein, een jaar lang met moed en inspanning verdedigd, tot zij eindelijk voor de overmacht moest bukken, en slechts lijfsgenade voor zich en de helft der bezetting kon bedingen. De manschap bestond echter op het oogenblik der overgave, tot groote verbazing der belegeraars, uit niet meer dan 16 personen, van welke 8, door het lot hiertoe aangewezen, meedoogenloos onthoofd werden.
Nog menige belegering moest het slot sedert doorstaan. In 1374 deed de bisschop van Utrecht het plunderen; in 1411 verdedigde Floris van IJselstein het manmoedig tegen de Utrechtenaren, doch zes jaren later werd het door Utrechtenaren en Amersfoorters genomen en verbrand. Een dergelijk lot trof het slot weder, na hersteld te zijn, in 1466 door Adolf van Gelder. Nog werd het in 1482 belegerd door de Utrechtenaren, doch zonder gevolg. Bij de herinnering dier vele geschiedenissen, aan het oude slot verbonden, rijst onwillekeurig
voor het verwonderd oog Opnieuw het burchtgewelf omhoog, Zooals het prijkte in vroeger dagen; Dan krijgt de slotpoort als weleer Zijn ijzren vleugeldeuren weer; Dan wappert van den hoogen toren Opnieuw de blanke baanrol uit; Dan is 't, of 't avondzonnegloren Op 't blank geslepen borstschild stuit En blikkert op de stormhelmetten En 'tflikkrend staal der krijgsgenetten, Die zich verdringen in het krijt En joken naar den strijd!
Dan treedt een sleep de hallen binnen Van edelvrouwen, jong en schoon, Van ridders, vurig in 't beminnen, Van knapen, vrij en hoofsch van zinnen, En minstreels, die den zang beginnen Voor vrouwengunst en minneloon!
Waar is uw luister heengevaren? Herinn'ring bleef slechts van uw praal!
Ten zeerste juichen wij het toe, dat dergelijke overblijfselen uit vroeger eeuwen thans meer van regeeringswege tegen den ondergang bewaard worden, om daardoor ook in ons vaderland door gedenkstukken het verleden te leeren kennen.
De oude Herv. Kerk, te midden van het plantsoen op den wal heeft een fraaien toren, op een zwaar vierkant onderstuk, en met een achtkant bovengedeelte, dat in vier omgangen afneemt. In het koor dezer kerk vindt men een verheven graftombe van vier vroegere heeren en vrouwen van IJselstein. De vier beelden van Namensch marmer, in biddende houding staande, met leeuwen en honden onder hun voeten, stellen voor Gijsbrecht van (Amstel) IJselstein, zijn echtgenoote Bertha van Heukelom, Arnold van IJselstein en Maria, bastaarddochter van Guy van Henegouwen. Een tweede tombe is gewijd aan de nagedachtenis van Aleide van Culemborg, vrouwe van IJselstein, in 1471 overleden; zij wordt voorgesteld in liggende houding, met haar kinderen aan het hoofdeinde, die de handen op het hoofd der moeder leggen.
Thans verlaten wij den IJsel, om onze wandeling langs de Maas en de Lek te vervolgen.
AAN DE GROOTE RIVIEREN VAN HOLLAND.
A. LANGS DE NIEUWE MAAS.
I. ROTTERDAM.
Wij vangen onze wandelingen en tochtjes langs de groote rivieren van Holland aan bij de Koningin der Maas, de fiere, drukke Rottestad, die door Victor Hugo voor tal van jaren een "marquise" werd genoemd, terwijl hij Amsterdam als een "duchesse" betitelde.
Pas hebben wij Rotterdam betreden, of wij komen onmiddellijk onder den indruk van een levendige handelsstad.
Schier door de geheele oude stad jaagt en drijft het met een onrust en zenuwachtigheid, die spreekt uit de rusteloos dreunende karren op het ruwe plaveisel, uit de bedrijvigheid in de straten en den snellen pas der beurs- en kantoormannen, in één woord, uit alles, wat er verricht wordt. In Den Haag ziet men slenteraars, wier leven schijnt te bestaan in het zoekbrengen van den tijd; in Rotterdam heeft men schier altijd gebrek aan tijd en wandelt bijna niemand; men holt en draaft er. Van het wandelen in den trant der Hagenaars en Arnhemmers heeft de volbloed Rotterdammer een ongeveinsden afkeer; op een gewonen weekdag staat dat voor hem gelijk met tijd verkwistend nietsdoen, een dwaas en doelloos rondloopen zonder geldverdienen. Maar velen, die in het laatste stadium van het hollend leven gekomen zijn en het economische doel, dat zij nastreefden, bereikten, verlaten Rotterdam, om in Den Haag, Scheveningen of elders den bedaarden wandelpas te leeren overnemen, welke aan hun leeftijd voegt en die in de bedrijvige koopstad niet past. Jonge geslachten, krachtige persoonlijkheden, mannen met ondernemingsgeest en energie komen zich te Rotterdam vestigen in de kracht van hun leven, om later elders rust te genieten.
"De stad Rotterdam heeft door dit alles een rusteloos straatleven, met alles volte, met steeds herrie langs havens en kaden, een druk bewegen door nauwe straten, stegen en sloppen. De stad is als een groote machine, voortraderend zonder wil of bewustzijn, gedreven alleen door nooit verslappende kracht van ijzeren noodzaak. Overal doen de straten mee aan het zaken doen. Langs de havenkaden en de steenen wallen der breede rivier, in de handelswijk aan den "overkant", maar ook tot diep in het hart der oude stad, overal dreunen en rameien de overvolle sleeperskarren en scheurt het vloekend geschreeuw, het "huw!" en "hrt!" der sleepers door de lucht. Aan de rivier en de havens sist de stoom, knarst en rommelt en giert het door de rustelooze lieren, die hun verplaatsingsarbeid onophoudelijk zonder symptoom van moeheid voortzetten tot laat in den nacht." Aldus schetst Herman Robbers de drukte van Rotterdam.
"Business", dat is het wachtwoord van den Rotterdammer, "time is money", dat is zijn lijfspreuk. En met die Engelsche spreuken neemt hij ook de Engelsche taal over. Zooals men in Den Haag zich somtijds in Frankrijk waant door het Fransch, dat ook de Hagenaar tracht te spreken, gelooft men zich op de kaden van Rotterdam dikwijls in een Engelsche stad, daar het zeemans-Engelsch er niet zelden den boventoon heeft. De Rotterdammer moet Engelsch spreken en dikwijls Duitsch, want zijn eene hand is naar het oosten, naar Duitschland, de andere hand naar zee gericht, naar de havens en koopsteden van Albion, en op beide steunt zijn bedrijf. Het Fransch laat hem daarentegen vrij onverschillig.
De eerste opkomst van Rotterdam tot een aanzienlijke handelsstad had een natuurlijk verloop.
Rotterdam is ontstaan op de plek, waar het onbeteekenende landwater de Rotte in de Maas viel. Reeds vóór de 13e eeuw bestond hier een dijk langs de Maas, die van de duinstreek voorbij Vlaardingen en Schiedam liep, zich door het tegenwoordige Rotterdam boog en voorbij het oude slot Honingen, ten oosten van Rotterdam, naar den IJsel liep. De Schie en de Rotte werden door dien dijk afgesloten, zoodat het Maaswater niet in deze stroompjes kon opdringen, terwijl het water uit het land door uitwateringssluisjes onder den dijk wegstroomde. Die uitwateringssluisjes waren te laag, om door de schepen gebruikt te worden, en overtoomen dienden, om de kleine schuiten, welke uit het land kwamen, over de dammen te voeren naar de Maas en omgekeerd, terwijl de grootere schepen moesten overladen. De drukte, hieraan verbonden, deed bij de monden dorpen ontstaan: bij den mond der Schie Schiedam en bij den mond der Rotte Rotterdam.
Wel was het eerst een klein en onbeduidend dorpje, dat daar opgroeide uit de huisjes, langs den dijk gebouwd bij den Rottemond. Die oudste kern van Rotterdam kunnen wij nog terugvinden in de Hoogstraat en den Schiedamschendijk, welke den ouden rivierdijk aanwijzen. Aan dien dijk werd het een dijkdorp, zooals wij er vele in Holland vinden. Doch al spoedig breidde de nederzetting zich uit, naarmate het verkeer levendiger werd, en de verstapeling der goederen van de Maas naar de Rotte of omgekeerd meer drukte gaf.
Aan het Rottedorp werd in 1327 een eerste voorrechtsbrief geschonken, en in 1340 gaf graaf Willem IV aan Rotterdam het oudste handvest, waardoor de plaats als stad werd erkend. In hetzelfde jaar ontving Rotterdam het recht, om een vaart van de Maas naar de Schie bij Overschie te mogen graven (zie pag. 27) en aldus kwam Rotterdam in verbinding met den hoofdwaterweg door het hart van Holland, naar Delft en Den Haag, een verkeersweg van veel grooter beteekenis dan die over de onbelangrijke Rotte, zonder dorpen aan de oevers. Op deze wijze verkreeg de handel van Rotterdam een rijk achterland, en hiermede werd het eerst een belangrijke stoot gegeven aan de ontwikkeling van deze plaats als handelsstad. De aanslibbing in de Maas voor Schiedam, waardoor deze stad meer van de rivier werd gescheiden en dieper in het land kwam te liggen, gaf Rotterdam, dat in gunstiger omstandigheden was gelegen, weldra den voorrang op Schiedam.
Een mededinger voor Rotterdam dreigde later nog op te komen aan de Maas. Delft, het bloeiende Delft, wenschte een eigen haven te hebben en liet, zooals wij zeiden, een derden arm van Overschie naar de Maas graven, en aan dien mond bouwde Delft een eigen havenstad: Delfshaven, dat de voorhaven van Delft zou zijn. Doch uit kleingeestige handelspolitiek hield Delft die haven klein en belette haar uitbreiding, om den handel op Delft te blijven concentreeren. Het gevolg was, dat Delft daardoor de opkomst en bloei van zijn machtigen concurrent Rotterdam in de hand werkte. Delfshaven werd door die kleinzielige politiek ook los van zijn moederstad en wilde in 1795 zelfs het gezag van Delft niet meer erkennen. En toen Rotterdam in de negentiende eeuw zich steeds uitbreidde en de grenzen van Delfshaven naderde, werd in 1890 Delfshaven met Rotterdam tot één gemeente vereenigd.
Vermelding verdient het, dat Delfshaven, zwak als het was en niet in staat, zijn zaken goed te ordenen, in 1841 al verzocht, bij Rotterdam te worden ingelijfd. In dien tijd echter was Rotterdam nog niet vervuld van den lateren ondernemingsgeest en werd het aanbod afgeslagen.
De eerste nederzetting te Rotterdam was aldus ontstaan langs den rivierdijk, die door het lage moerasland slingerde, zeiden wij. 't Was een slappe, onvaste bodem, geenszins door de natuur aangewezen voor den aanleg eener groote stad.
Uit riet en lisch en elzenstutten, Op aan den stroom ontwoekerd land, Verhief zich aan den oeverrand Een schamel dorp van visschershutten, Wier vruchtbre streek een breede plas, Wier rijkdom fuik en schepnet was.
L. v. d. Broek.