Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 5

Chapter 53,689 wordsPublic domain

Uit de huizenreeks in de laagte verheft zich de oude kruiskerk met haar spitsen toren. Al klinkt de naam van het dorp wat barbaarsch en al heeft de volksetymologie, op den klank afgaande, er aan gedacht, dat hij in betrekking zou staan met "moord", zelfs gemeend, hem in verband te moeten brengen met de onthoofding of moord van Johannes den Dooper, aan wien de kerk oorspronkelijk was toegewijd, terwijl ook in het zegel van het dorp op soortgelijke gronden op "moord" gezinspeeld werd, toch heeft de naam in werkelijkheid niets te maken met dergelijke lugubere feiten. Hij luidde aanvankelijk "Moerdrecht", o. a. in 1223 aldus genoemd, en staat in verband met een overtocht naar de venen of moeren. De Hollandsche graven hadden hier een tolrecht, misschien op den IJsel.

De door zware olmen beschaduwde weg loopt over den hoogen IJseldijk naar Gouda. Het aangenaam gezicht

"Van ons gezegend dorp: haar IJselzoete stroomen, Haar straat en wandeling van hoog opgaande boomen, Daar al de wereld rijdt met lust en met pleizier, Van allerhande volk, zelfs Moor en Arabier",

roemt Pieter Verbrugge in 1729 reeds, sprekende over dien weg, welke een drukke verbindingslijn vormde van Rotterdam over Gouda en Utrecht. Wij zien ook hier aan onzen voet den IJsel nog eenigszins in zijn vroegere beteekenis als groote rivierarm. Tusschen de hooge dijken aan beide oevers ligt de rivier te midden van zoomen aangeslibde gronden, waar de klei wordt uitgegraven voor de steenbakkerijen. Van de Maas dringt hier de vloed met elk getijde nog naar binnen, om bij eb weder af te stroomen, zoodat het water, hetwelk wij er zien, hoofdzakelijk Maaswater is. Tot Gouda is de IJsel eigenlijk een zijarm van de Maas, en soort van spuiboezem.

In de eerste eeuwen onzer jaartelling was dit echter anders. Toen vormde de IJsel een breeden tak van den Rijn, die beneden Vreeswijk met de Lek in verbinding stond en waarschijnlijk door de afdamming van den Krommen-Rijn bij Wijk-bij-Duurstede een groote hoeveelheid water ontving, zoodat de oevers dikwijls overstroomden. Om die reden misschien werd de IJsel in 1291 afgedamd aan het boveneind, waardoor hij geen Lekwater meer ontving. Aan het benedeneind echter drong van de Nieuwe Maas en Lek het vloedwater nog in den IJsel op; in het bovengedeelte bezonken bij gemis van doorstrooming de slibdeelen hoe langer hoe meer, vulden de riviergeul aan, en maakten van den eens breeden rivierarm een vervallen water, echter met vette kleioevers omzoomd, die de grondstof leverden voor de steen- en pannenbakkerijen.

Om nu den IJsel voor geheele opslibbing te bewaren en als vaarwater nog te redden, werd besloten, hem te kanaliseeren en aan het andere eind af te sluiten. Dit geschiedde in 1854-62, toen de sluis ten oosten van Gouda gelegd is. Gouda ligt nu nog aan het open gedeelte van den IJsel en kan in zekeren zin nog een zeestad heeten, zooals het zich in vroeger eeuwen gaarne noemde. Maar verder langs den verlaten rivierarm, waar in de oudheid een reeks van stedekens tot eenigen bloei kwamen, als: Haastrecht, Oudewater, Montfoort en IJselstein, is na het tenietgaan van den waterweg de verdere groei der nederzettingen tot staan gekomen. De oude stadjes bleven onbelangrijke landplaatsen, echter met herinneringen aan een meer bloeiend verleden.

II. GOUDA.

Zoo hebben wij het punt bereikt, waar thans de Gouwe, uit het noorden komend, een gedeelte van Rijnlands boezemwater door sluizen en met stoomgemaal op den IJsel loost en van tijd tot tijd hieruit ook water tot verversching ontvangt. Als wij ons in gedachten naar het grijze verleden verplaatsen, zien wij, dat op deze plek een open landwater met veel kronkelingen uit de moerassige weiden te voorschijn kwam, om vrij in den IJsel, toen nog een hoofdrivier, uit te monden. Op het verbindingspunt van deze twee wateren, die een kruispunt van verkeerswegen vormden, en te midden van een vruchtbare landouw, had zich al vroeg eenige bevolking gevestigd en hier werd door een machtig heer een slot gebouwd op de plek, zoo bij uitstek gunstig gelegen, om er voordeelen te trekken van het handelsverkeer. Wat er eerst geweest is, valt moeielijk te zeggen; waarschijnlijk de nederzetting. Maar wij weten zeker, dat omstreeks 1350 hier door Graaf Jan van Beaumont een kasteel gebouwd werd en dat er tollen van de voorbijgaande schepen werden geheven. Zeer waarschijnlijk zal er ook al vroeger een kasteel hebben gestaan. Het nieuwe slot werd echter in 1438 door brand grootendeels vernield, zoodat er weinig van overbleef.

De produkten der vruchtbare omstreken en de gunstige ligging voor het scheepvaartverkeer, op de plaats waar de zeeschepen aankwamen en de zeevaart in binnenvaart overging, deden de nederzetting aan de Gouwe spoedig opkomen tot een handels- en industriestad, welke den naam "ter Gouwe" of Gouda kreeg, en in 1272 stedelijke rechten verwierf. In 1356 was Gouda reeds beroemd door zijn markt in granen, die hier van de Zeeuwsche eilanden gemakkelijk konden worden aangevoerd, terwijl ook de weverijen en bierbrouwerijen destijds veel vertier gaven. Doch de bronnen van bestaan en welvaart voor Gouda vloeiden zeer afwisselend en onregelmatig. Toen in de 16e eeuw de bierbrouwerijen te gronde gingen, kwam de tapijtweverij nog tijdelijk op, die eveneens weder verdrongen werd. Alleen de bleekerij, welke eveneens in dien tijd opkwam, heeft zich staande gehouden tot onzen tijd. De pijpenbakkerijen echter, die het produkt leverden, dat naar deze stad zijn naam ontving, en in 1751 aan niet minder dan 3000 personen werk verschaften, zijn meest alle verdwenen; de industrie van pijpen wordt nog staande gehouden, maar meer als herinnering aan 't verleden.

Na het midden der 19e eeuw is hier weer nieuwe nijverheid opgebloeid. De hooge schoorsteenen der stearinekaarsenfabriek aan den IJsel, die ons het eerst in het oog vallen, alsmede die van eenige andere fabrieken, leveren hiervan het bewijs. Het marktverkeer voor de boeren is er nog levendig. Hoewel Gouda nog met het getijdenwater van den IJsel in verbinding staat, is het door de scheepvaart allerminst een zeestad meer. Gouda is een ernstige provinciestad geworden (22500 inw.), met nog vele trekken van het vroegere aanzien op het gelaat, met nog teekenen van zijn deftige afkomst, zonder het verval van de doode steden, maar ook evenmin met den bloei van zijn verleden. Er ligt een stemmige, Hollandsche rust over Gouda, die meer behaagt dan drukt, hoewel zij geenszins in den smaak valt van de zonen en dochteren der twintigste eeuw.

Gouda was in de 16e en 17e eeuw een rijke stad, met levendigen nijverheid en handel en een welvarende burgerij, zeiden wij. Hieraan heeft Gouda zijn belangrijkste monumentale gebouwen te danken, waarvan de Groote Kerk en het Stadhuis het meest beroemd zijn.

De oorspronkelijk ongeveer in een cirkel gebouwde stad, door de Gouwe en onderscheidene grachten doorsneden, schier alle met rijen boomen omzoomd, maakt in alle deelen een netten, vriendelijken indruk, welvarend zonder buitengewone grootheid, flink burgerlijk, met tal van schilderachtige uitzichten op enkele bruggetjes en straathoeken, maar zonder veel particuliere gebouwen uit den tijd der Hollandsche renaissance. De fraaiste straten vindt men langs de Gouwe en bovenal aan de Haven.

Het hart van de stad wordt gevormd door het ruime, ongeveer driehoekige marktplein, rondom ingesloten door flinke, burgerlijke huizen, meest van neringdoenden. Midden op de Markt verrijst het Stadhuis, een deftig gebouw met een vierkanten toren in het midden en achthoekige hoektorentjes aan beide zijden van den voorgevel, alle eindigende in slanke spitsen. Het Stadhuis is gebouwd in 1448-1450, maar onderging in den loop der tijden vele veranderingen. Van 1876-1882 werd de voorgevel weder geheel gerestaureerd in zijn oorspronkelijke gedaante, op grond van oude teekeningen. Het uitbouwsel aan den achtergevel dagteekent van 1697 en diende oorspronkelijk tot schavot; onder dit schavot was vroeger de korenbeurs, doch thans de botermarkt, welke evenwel niet levendig is, aangezien kaas het hoofdvoortbrengsel der streek vormt.

Achter het Stadhuis valt de Waag in het oog, een deftig, vierkant gebouw, in 1668 gesticht en aan den voorgevel met beeldhouwwerk versierd. Niet ver van de Waag verheft zich een modern gebouw, welks gevelopschrift "Arti Legi" aanduidt, dat het aan kunst en wet is gewijd. In dit gebouw vond men tot voor kort het Stedelijk Museum, een stichting, die haar oorsprong dankt aan een tentoonstelling, in 1872 gehouden bij gelegenheid van het 600-jarig jubileum der stad, doch dat thans naar de Haven is verplaatst. Het belangrijkste stuk van het Museum is de prachtige miskelk, door Jacoba van Beieren, waarschijnlijk naar aanleiding van haar overwinning aan de Gouwesluis in 1425, aan de boogschutters van St. Joris geschonken en door wijlen den heer J. N. Scheltema, destijds archivaris der stad en ook de stichter van het Museum, onder oude papieren gevonden. Wij zullen niet verwijlen in het Museum; wie het bezoekt, wordt ingelicht door den catalogus, waarin o. a. een schutterstuk van Ferdinand Bol voorkomt, en herinneringen aan de Goudsche pijpen-industrie.

Wij richten thans onze schreden naar de St. Janskerk, verscholen achter de huizen, als had zij verstoppertje gespeeld en den weg niet teruggevonden.

De St. Janskerk te Gouda schijnt te zijn gebouwd in den aanvang der 13e eeuw. Zij werd voor de eerste maal bij den grooten stadsbrand in Mei 1361 verwoest. Nog in hetzelfde jaar kon door den krachtigen steun van Jan van Bloys met den wederopbouw worden aangevangen, zoodat de dienst, na de wijding in 1366, met zeven altaren werd hervat. De bouw werd eerst na 1410 geheel voltooid.

Het duurde echter niet lang; den 25en Aug. 1438 werd de kerk met de geheele stad wederom door brand vernield. De kerkbouw, aanvankelijk tot het meest noodzakelijke beperkt, geschiedde gaandeweg op grooter schaal, naarmate de Goudsche burgers tot welvaart terugkeerden. Dit blijkt o. a. uit den bouw van het koor en zijn omgang, welke volgens een inscriptie in 1485 gesticht werden.

Voor de derde maal werd de kerk den 12en Jan. 1552 tengevolge van het inslaan van den bliksem door brand grootendeels verwoest, doch terstond herbouwd. De kerk werd toen in den uiterlijken toestand gebracht, waarin men haar tegenwoordig kent. Het koor had bij den laatsten brand het minst geleden, zoodat dat gedeelte kan gerekend worden nog geheel tot den vorigen bouw te behooren.

Gedurende en kort na den laatsten kerkbouw werd de kerk door de Staten van Holland, verschillende steden en aanzienlijke personen verrijkt met hetgeen, behalve haar prachtig orgel, haar doet uitmunten en beroemd zijn: n.l. de geschilderde en gebrande glazen. Dirk Pietersz. Crabeth, Dirk van Zijl en Wouter Crabeth waren de vermaarde schilders dezer kunstwerken, die niet slechts in ons vaderland eenig zijn, maar door hun coloriet en teekening tot de belangrijkste oude glasschilderingen van geheel Europa moeten gerekend worden en hoedanigheden bezitten, welke maar zelden door moderne glasschilders in hun geheel kunnen worden bereikt.

Als gebouw is de tegenwoordige St. Janskerk in hoofdzaak merkwaardig door haar afmetingen en nationaal karakter. Wat betreft haar lengte is zij de grootste kerk van ons vaderland: 125 Meter lang; in oppervlakte kunnen alleen de St. Janskerk in Den Bosch en de St. Bavo te Haarlem met haar wedijveren. Haar bouwkunst is zuiver Hollandsch en kenschetsend voor de laatste periode der middeleeuwsche bouwkunst. De ruime en hooge schepen, die 3 en 5 M. breed nevens elkander opgaan, zijn door ronde pijlers gescheiden. De weeke toestand van den bodem is aanleiding geweest, dat men geen steengewelven ter overdekking heeft aangebracht, maar zich tevreden moest stellen met een Hollandsche kap, welke inwendig tonvormig is, oorspronkelijk van blank eikenhout.

Dit merkwaardig gebouw verkeerde in een slechten staat; door verrotting werd noodzakelijk restauratie vereischt. Een commissie ving daarmede in 1898 aan en met den steun van de Provincie, de Stad en particulieren wordt thans de herstelling voortgezet.

De St. Janskerk bevat de overblijfselen van onderscheidene beroemde mannen, die te Gouda geboren zijn of er verblijf hielden. In de zoogenaamde IJzeren Kapel vindt men de graftombe van den staatsman en geleerde Hieronymus van Beverningk, in 1614 te Gouda geboren, een der vier staatslieden, die de Fransche Gezant d'Estrades voor onomkoopbaar hield.

In het middelpand der kerk vindt men de grafzerk van Dirk Volkertsz. Coornhert, den trouwen voorstander van godsdienstvrijheid, overleden in Oct. 1590. Op den steen leest men het bekende grafschrift:

NU RUST NOG STIGT DIENS LUST ZIJN DIGT- EN VREUGD GESCHRIJF, WAS DEUGD MAAR 'T LIJF, EN 'T WAAR, HIER BLEEF 'T, HOE ZWAAR GOD HEEFT 'T OOK VIEL, DE ZIEL.

Een gedenksteen aan den wand herinnert aan Mevrouw van Meerten Schilperoort, de bekende schrijfster van vele kinderwerkjes, overleden in 1853, door haar vereerders uit liefde geplaatst. De kinderdichter Hieronymus van Alphen werd in 1746 te Gouda geboren.

Nog zouden wij onderscheidene mannen kunnen opnoemen, die, meer of minder beroemd, in deze kerk begraven zijn of binnen Gouda's muren het eerste levenslicht zagen.

Wij willen hierbij echter niet verder stilstaan, doch wenden ons enkel naar het plantsoen, waar, niet ver van den IJsel, in 1880 een eenvoudig monument werd opgericht ter eere van de gebroeders de Houtman, in Gouda geboren, de eerste Nederlanders, die den zeeweg naar Indië volgden en den grond legden voor den Nederlandschen handel. In de nabijheid verrijst het stoomgemaal van Rijnland, en naar den IJsel ziende, aan de rechterhand vóór ons, verheft zich op een hoogte een windmolen. Deze molen heet het Slot; de naam en de ligging op een heuveltje wijzen ons de plek aan, waar het eenmaal beroemde Goudsche kasteel zijn tinnen verhief. Na den genoemden brand van 1438 was het kasteel grootendeels vernield; in 1577 werd het overige door de burgerij verwoest, een enkelen zwaren toren uitgezonderd, die in de eerste helft der negentiende eeuw werd gesloopt.

Wij mogen niet langer vertoeven in "ter Gouw"' en evenmin ons in haar geschiedenis verdiepen, maar wenden ons weder naar buiten. Al zijn de omstreken van Gouda niet grootsch of rijk aan afwisseling, toch vertoonen de IJsel en het landschap veel punten met echt Hollandsch schoon.

De onafzienbare, effene graslanden rondom Gouda, frisch van kleur, waarop de boerenwoningen verstrooid staan, terwijl reeksen knotwilgen of rietzoomen de slooten en plassen aanduiden, zij wijzen ons de bron aan, waaruit de heerlijke Goudsche zuivel vloeit. De bodem rondom Gouda is laagveenland. Ten noordoosten van de stad, even over den spoorweg, ligt een groep veenplassen, door enkele wegen met onregelmatige landstrooken doorsneden en met rietzoden omringd. Aan een dier wegen verrijzen de kleine huizen van het dorp Sluipwijk. Hier ziet men de landverwoesting nog voor zich, zooals die gedurende eenige eeuwen in Holland plaats vond. Somber is de indruk dier plassen; als de najaarsstormen het donkere water in zwartgrijze golven opzweepen en onder dof gedruisch met het dorre riet spelen, dat de kanten omzoomt, vormen zij echte toonbeelden van verlatenheid.

II. NAAR WADDINGSVEEN EN BOSKOOP.

Een klein uitstapje maken wij thans langs de Gouwe naar Boskoop.

In vele bochten slingert zich de Gouwe, als een afgeleefde grijsaard met trage beweging voortkruipend, van den Ouden-Rijn naar den Hollandschen IJsel, een verbinding tusschen beide wateren vormend. Zij loopt als hoog boven het land, doch de dijken, die het water begrenzen, houden haar gemakkelijk in toom. Of de Gouwe, thans een aan alle zijden geketend polderwater, eens een rivier was?

In den aanvang der historie was de Gouwe zeker een natuurlijk landwatertje, dat door het drassige land kronkelde, evenals de Rotte en het water, waaruit de Schie is gevormd, evenals de Amstel en het Spaarne. Doch hoe is dit veranderd in den loop der eeuwen en hoe verschillend werd de beteekenis dier stroompjes! De Schie is reeds door Corbulo vergraven; het Spaarne en de Amstel werden druk bevaren binnenwateren. De Rotte echter, hoewel de aanleiding tot het ontstaan van Neêrlands tweede handelsstad, is niet alleen een stil, kalm watertje gebleven, maar ook rustig, bijna niet bewogen dan door den adem des winds, en slechts enkele schuitjes dragend. Geen stoomboot verstoort er de plechtige stilte der natuur, en het riet langs de oeverzoomen fluistert in geheimzinnig suizen zijn zachte melodij. Zeldzaam zijn zelfs de boerderijen aan de oevers der Rotte; slechts door één gehucht stroomt haar water.

De Gouwe daarentegen is kunstmatig in de lijnen van het handelsverkeer getrokken. Amsterdam en Gouda in de eerste plaats en verder ook Rotterdam hadden er belang bij, dit landwater tot een deel van den scheepvaartweg te maken tusschen het IJ en de Maas.

Onrustig plassen de stoombooten schier dag en nacht door de Gouwe, de watervlakte met hunne schroeven tot regelmatige golven opdrijvend, welke onophoudelijk tegen de oevers slaan, die daarom goed versterkt moeten worden. Wel heeft men van het Merwedekanaal een concurrent gemaakt, die het verkeer op de Gouwe veel benadeelt, maar toch blijft de scheepvaart er nog altijd levendig.

Door dit drukke verkeer gedurende eeuwen, heeft de bevolking zich ook aan de Gouwe gevestigd. Aan beide zijden ziet men woonhuizen langs haar oevers verrijzen, en een tweetal dorpen hebben zich daar ontwikkeld: Waddingsveen en Boskoop.

Allereerst bereiken wij Waddingsveen, gedeeltelijk als een flink dorp in de lengte langs de Gouwe gebouwd, gedeeltelijk op eenigen afstand daarvan aan een landweg in den polder Noord-Waddingsveen. Het eerste gedeelte heeft meer industrie; in het laatste vindt men meest landbouw en veeteelt. De zeer eenvoudige bevolking staat bekend als stijf en conservatief. Vroeger zag men hier talrijke windpapiermolens werken, waarvan er eenige jaren geleden nog slechts één was overgebleven, terwijl er thans een stoompapiermolen arbeidt. Verder is hier eigenaardig de fabrikatie van allerlei klein houtwerk: hooiharken, trappen, tafeltjes, deurkrukken, spiegeltjes voor de marine, knoppen voor gordijnen, kinderspeelgoed, hobbelpaarden, enz. In den laatsten tijd is men hier ook met de boomkweekerij begonnen.

Als wij over Noord-Waddingsveen den landweg volgen, langs tal van flinke boerenhuizen, welke door hun eigenaardige namen als "Graan voor visch", "Spruytdam", "Land van Water" en dergelijke ons wijzen op het lage of ingepolderde land, bereiken wij weldra het eigenaardige gebied van Boskoop, een boschrijke oase in het eentonige grasland, dat overigens enkel door slooten en knotwilgen wordt afgebroken. Het dorp zelf strekt zich uit aan de oevers van de Gouwe, hier veel te smal voor de scheepvaart. De kleine, vriendelijke huisjes zijn aan beide zijden op korten afstand van elkander langs het water gebouwd, en in hoofdzaak evenwijdig met dit water strekt zich de lange, met kastanjes beplante straat uit, waarlangs het aanzienlijkste gedeelte van het dorp gebouwd is. 't Is een smalle straat, aan den eenen kant meestal door kleinburgerlijke huizen bezet, welker kleine tuintjes aan de Gouwe grenzen, en aan den anderen kant met een sloot, die de grootere kweekerijen van Boskoop afsluit.

Als wij Boskoop in vogelvlucht konden bekijken, zouden wij het dorp aan alle zijden omlijst zien door een schier aaneensluitend veld van heesters, jonge boomen, bloemen en planten van allerlei grootte en kleuren, door breede, rechte slooten, met helder water en door houtwallen omzoomd, in regelmatige vierkanten gesneden.

De tuinen in Boskoop vormen langwerpige, evenwijdige strooken, welke op de smalle dorpswegen uitkomen en door planken, over de slooten gelegd, hier en daar door draaibrugjes, van den weg te bereiken zijn. Een aldus ingesloten strook behoort dikwijls aan onderscheidene kweekers, wier terreinen slechts door naambordjes van elkander gescheiden zijn. Dit is bovenal het geval met het klein-grondbezit der opkomende tuinders, de kleine bazen, die nog half knechts zijn, half eigen zaken drijven, en het opkomend geslacht van zelfstandige ondernemers vormen, zooals men dat hier vindt, gelijk op geen andere plaats. De slooten, welke de tuinen omringen, dienen gedeeltelijk tot bewatering; ook kan men langs deze elk gedeelte der tuinen gemakkelijk met een schuitje, hier "schouw" genoemd, bereiken. Enkele tuinen zijn nog omringd door hagen van licht hout, welke hoofdzakelijk dienen, om de kracht van den wind te verzwakken. Want de wind is de grootste vijand der teedere planten, die hier gecultiveerd worden.

Zoo is geheel Boskoop schier één plantengaarde, met slechts enkele weilanden er tusschen. De Boskoopers zijn een ondernemend volk, zij hebben acht geslagen op den loop der tijden en vol helder inzicht hun bakens verzet, waar dit noodig was. Hierdoor is de ooftboomkweekerij en de teelt van aardbeziën in Boskoop hoe langer hoe meer door de cultuur van sierheesters en bloemen vervangen.

Hier ziet gij keurig verzorgde tuinen, waar in lange rijen of in met zorg aangelegde bedden en kassen de nieuwst verkregen verscheidenheden van Azalea's, Rozen, Coniferen en andere boomen of heesters in allerlei stadiën van ontwikkeling gevonden worden, planten, die over enkele jaren in de parken en tuinen van Groot-Britannië, Rusland, Duitschland en Amerika zullen prijken.

De Boskoopers zijn door hun uitgebreiden handel echte wereldburgers geworden, democratisch in hun opvatting. Toen wij een bezoek aan deze plaats brachten en de groote gastvrijheid van een der eerste kweekers genoten, zaten wij aan tafel in gezelschap van den zoon des huizes, die met zijn jeugdige echtgenoote, een Française, welke hij in Amerika had leeren kennen, juist van een reis voor zaken uit de nieuwe wereld was teruggekeerd.

Boskoop is een der plaatsen, waar het grootkapitaal nog niet overheerscht in de bedrijven, waar de kweekersknecht niet zelden tegelijkertijd zelf grond huurt voor een kweekerij en zoo op kleine schaal begint, om wellicht tot een welgesteld ingezetene op te klimmen.

III. NAAR HAASTRECHT, OUDEWATER, MONTFOORT EN IJSELSTEIN.

Thans volgen wij van Gouda den hoogen zuidelijken IJseldijk naar Haastrecht en verder naar Oudewater. Een smal, stumperig watertje is hier de IJsel, tusschen de aangeslibde landen binnen de hooge dijken ingekrompen tot een kanaaltje, dat alleen door zijn bochten en thans nuttelooze hooge dijken nog aanwijst, van hooge komaf te zijn. Een vervallen grootheid van adellijken huize, gesteund en onderhouden door burgerlijke hulp, en alleen nog trotsch op den stamboom, in 't grijs verleden wortelend, op de familiebetrekkingen, die hem niet meer erkennen en vergeten ... dat is de IJsel in onzen tijd.

Even vóór Haastrecht bereikt is, zal den wandelaar langs den vrij eentonigen noorder IJseldijk op korten afstand daarvan een nieuw boerenhuis van eigenaardigen bouw in het oog vallen. Dat is het "Klooster te Stein", en hoewel sedert lang geen klooster meer, staat het toch nog onder dien naam bekend. Voor enkele jaren is dat gebouw met veel smaak in antieken stijl gerestaureerd. Eens verhief zich op deze plek het Regulierenklooster Emmaus, waar Erasmus door het vleien en dreigen zijner vrienden het geestelijk gewaad aannam. Dat klooster brandde in 1549 tot den grond toe af en werd in een hofstede veranderd. De overlevering meldde, dat hier de kinderstoel van Erasmus bewaard werd, en om dien te zien, werd het huis veel bezocht.