Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 4

Chapter 43,658 wordsPublic domain

Hier lacht natuur Lucullus uit, Met zijn onschattelijken buit, Gespild aan kostelijke hoven, En plant hier in het dorre duin Een zoo vermakelijken tuin, Die alle pompe gaat te boven,

zong de dichter J. v. der Burgh, in 1654, van het aangelegde buitenverblijf.

Westerbaen beschrijft zelf zijn tuinen aldus:

Ik zie in korten tijd mijn boomgaard en mijn tuin, Als was het Paradijs en Eden in het duin, Wie spreekt van ruikeren, van tuiltjes en bouquetten, Tot fraaiheid en sieraad van haarden en buffetten, Van potten in den schouw, van fleschjes aan den wand, Van Indisch aardewerk, met bloempjes velerhand Op 't aardigst opgeschikt, geschraapt van allerwegen, Door bedelen, door geld ontschameld of verkregen? Wat hebben zij bij 't schoon van mijne duinsalet, Daar de aarde bloempot is en elke boom bouquet.

Hoe het landschap er in de omstreken van Ockenburg uitzag in dien tijd, leert ons de volgende beschrijving:

Ten zuiden doen zich op des Poeldijks korenakkers, Voor 't wittebroodsgewin de bloemtuin van de bakkers, Met helder tarwgewas, daar Betuw, daar het Sticht, Ja, daar het blankste graan van 't Goesche land voor zwicht; Ten noorden ziet me een vlak van welige valleien, Die deze heuvelen van hooger bergen scheien, Van bergen, daar ik durf gerust op slapen gaan, Die Holland voor de zee doen onbekommerd staan.

Het woonhuis Ockenburg kwam, volgens de afbeelding van Ravestein door Matham op koper gebracht, veel met Hofwijk overeen en prijkte met een hoog dak.

De stoomtram volgt van Loosduinen den nieuwen weg door de graslanden en tuinen van Poeldijk. De oude weg loopt in dezelfde richting voort voorbij Ockenburg en langs het boschrijke Bloemendaal, eens een buiten, doch thans een krankzinnigengesticht van de "Vereeniging tot Christelijke verzorging van krankzinnigen en zenuwlijders in Nederland", in 1892 opgericht volgens het nieuwe paviljoenstelsel.

Te Poeldijk komen wij in het hart van de Westlandsche cultures, die hier een bijna aaneengesloten gebied innemen tusschen Wateringen, Poeldijk, Monster, 's-Gravenzande en Naaldwijk, en ook ten zuiden van 's-Gravenzande en Naaldwijk bij de Lier nog een gedeelte des lands beslaan. Heeft Loosduinen meer warmoezerij, hier zijn het hoofdzakelijk vroege aardappelen, welke schier overal voorkomen, en verder fijne fruit, druiven, perziken en peren, bessen, aardbeien enz., en asperges op de zandgronden te 's-Gravenzande. 't Is in de tuinen een druk leven van onvermoeiden arbeid gedurende het seizoen, om de produkten tijdig gereed te hebben voor de markt en ze en te verpakken voor het buitenland. Bij het eerste morgengrauwen is in de Westlandsche tuinen de tuinder al aan den arbeid, om te poten en te planten, te besproeien en te verzorgen. "Vroeg!" is het wachtwoord der tuinlieden; elke week, die zij hun concurrenten vóór zijn, is goud waard. En al had het conservatisme de Westlanders tot de jaren van 1870 verleid, alles bij het oude te laten, de concurrentie heeft hen er toe gebracht, nieuwe methoden in te voeren en op wetenschappelijke wijze het groeien en rijpen te bespoedigen, gelijk in België reeds geschiedde. Groote, kunstmatig verwarmde druiven- en vruchtenkassen zijn ook hier verrezen, waardoor het Westland in staat wordt gesteld, schier in elken tijd des jaars versche vruchten te leveren.

Wie het Westland in zijn volle schoonheid wil zien, moet het in bloeimaand gaan bezoeken. Dan ligt er een golvende sluier van wit en rose en rood en groen door elkander gemengeld over het landschap. In bloeimaand, als de bloesemrijkdom der duizenden vruchtboomen van allerlei soorten over schuttingen en muren sneeuwt, om te wedijveren met het eerste bladergroen, heeft het geheele Westland den bruidstooi om de schouders geslagen, die het siert met stemmige, doch treffende schoonheid.

De toon van het landschap in het Westland is eenvoudig. Groote buitens en trotsche gebouwen vindt men hier nergens meer. Doch burgerlijke welvaart spreekt uit de huizen der kweekers, in hun tuinen half onder 't loover der vruchtboomen verborgen; zij blijkt ook uit de woningen der dorpen. Voor buitengewone weelde wordt in het Westland geen geld of grond besteed; bosschen en siertuinen vindt men er zoo goed als niet; elke voet gronds wordt geëxploiteerd voor het bedrijf, en elke boom en plant heeft zijn direct nut voor de tuinen. De singels van elzenhout langs de waterrijke slooten dienen niet, om het land door bosschen afwisseling te schenken, maar ten einde de tuinprodukten te beschutten tegen den wind; om die reden heeft men hier ook de muren om de tuinen gebouwd, terwijl zij tevens strekken tot leiding van den wingerd, welks vrucht daartegen gemakkelijk rijpt. Evenwel worden in den laatsten tijd de muren door de betere methoden der kassen vervangen, gelijk wij reeds opmerkten.

De dorpen van het Westland bieden niet veel belangrijks ter bezichtiging aan; men bezoekt deze streek enkel om den indruk van het landschap. Poeldijk, dat wij eerst bereiken, is een net, welvarend tuindersdorp, in de lengte langs den weg gebouwd. Wateringen is gebouwd langs de Wateringsche vaart, waarover vele trapbruggetjes gelegd zijn, en heeft in de kom een met kastanjes beplant dorpsplein.

Ten westen van het dorp ligt een tuin, welke 't Hof genoemd wordt; hier werd oudtijds het "Hof te Wateringen" gevonden, een adellijk huis, dat in 1299 aan Gerrit van Wateringen behoorde, wiens zoon, die denzelfden naam droeg, hier door Willem van Beieren werd vermoord. Omstreeks 1282, of iets later, werden in den oorlog tegen Vlaanderen de zonen van Margaretha, gravin van Vlaanderen, Guido en Johannes, op dit slot gevangen gezet. Het slot werd echter in 1485 door Hendrik van Naaldwijk in een nonnenklooster veranderd, het Maria-convent-in-Bethlehem, hetwelk in 1573 geheel is afgebrand. Daarna werd hier een buitenplaats aangelegd, het Hof-te-Wateringen geheeten, die in 1807 is gesloopt en in tuinland veranderd werd.

Van Wateringen loopt de weg meestal door tuinland naar Hondsholredijk, thans slechts een buurt, niet ver van Naaldwijk. Dit gehucht was vroeger aanzienlijker en heeft waarschijnlijk zijn opkomst te danken aan het kasteel Hunsel, dat van zeer oude dagteekening moet geweest zijn, en ouder was dan Naaldwijk. Het dorp had vroeger een eigen parochiekerk, welker fraaie predikstoel tegenwoordig de kerk te Wateringen versiert; thans heeft het sedert jaren zelf geen kerk meer.

Het oude kasteel Hunsel te Hondsholredijk was aanvankelijk een bezitting der heeren van Hunsel; het behoorde in het begin der 14e eeuw aan de heeren van Voorne en kwam in 1337 aan de heeren van Naaldwijk. Frederik Hendrik kocht in 1612 het sterke, doch destijds vervallen kasteel, liet het geheel verbouwen en tot een trotsche buitenplaats met fraaie tuinen aanleggen. Op de grondslagen van het oude kasteel gesticht, verhief het gebouw zich van alle zijden uit grachten, met een vierkant ommuurd voorplein aan den voorkant. In het midden van den voorgevel vond men den ingang, die door eenige trappen te bereiken was, een bordes met een balkon, op zes pilaren rustend. Fraaie lustwaranden, een ruime wild-, boom- en vogelgaarde en een oranjerie behoorden tot het huis, dat verder omringd was door schoone bosschen van opgaand hout.

In 1732 kwam het slot uit de nalatenschap van Prins Willem III, den Koning van Engeland, aan Frederik I, Koning van Pruisen, doch onder diens opvolger werd het gedeeltelijk gesloopt. Toen in 1754 deze bezitting aan Prins Willem V kwam, werd het gebouw vernieuwd en verfraaid, hoewel de Prins er gedurende zijn laatste regeeringsjaren zelden vertoefde. De omwenteling van 1795 beroofde het huis van zijn luister, en het werd tot nationaal eigendom verklaard. In 1798 moest het zelfs tot een staatsgevangenis voor afgezette regeeringsleden dienen.

Afwisselend was vervolgens de bestemming van het vroeger aanzienlijk gebouw. In 1794 werd het tot een militair hospitaal voor de Engelsch-Russische krijgsgevangenen ingericht, waarvan er velen, in plaats van verzorging, daar hun graf vonden. In 1806 werd hier een kweekschool voor kadetten gevestigd; in 1811 werd het nogmaals een hospitaal; Napoleon I schonk het buiten vervolgens aan zijn nicht Borghese, doch in 1814, bij de herstelling der onafhankelijkheid, kwam het aan de domeinen en werd het voor afbraak verkocht.

Van het kasteel is thans niets meer te vinden. De huizingen, welke er toe behoord hebben, zijn voor een gedeelte ingericht tot particuliere woningen, die slechts door enkele sporen verraden, dat zij eens van een groote bezitting deel hebben uitgemaakt. Van de vroeger uitgestrekte bosschen is thans niets meer aanwezig; de lustgaarden zijn in bouw- en tuinlanden veranderd.

In zijn bloeitijd werd Hondsholredijk "Klein-Versailles" genoemd. Frederik Hendrik vertoefde hier gaarne en Prins Willem III werd zoowel hier als in Den Haag opgevoed. Dikwijls werd dit slot door aanzienlijken en prinsen bezocht. Vertrokken de prinsen en prinsessen of vreemde vorsten naar Engeland, dan wachtten zij op Hondsholredijk een gunstigen wind af, en keerden zij terug, dan was dit de eerste plaats, waar zij van de vermoeienissen der reis uitrustten. Koning Willem III werd hier, toen hij in 1691 uit Engeland Holland bezocht, door de Staten plechtig ontvangen. Van Someren noemde in zijn tijd het kasteel "het stamhuis van 't edelst, dat Nederland bezat". Men vond nl. langs de wanden de portretten der vorsten en vorstinnen van Oranje en der meeste, aan dit huis verbonden geslachten.

Een aangename straat voert langs vriendelijke huizen en tuinen, die als kleine villa's den weg omzoomen, naar het dorp Naaldwijk, ongetwijfeld het fraaiste dorp uit het Westland. Naaldwijk heeft geheel het voorkomen van een klein landstadje, omgord door een liefelijke landouw, die ook in vroeger eeuwen beroemd was.

"O, schoone landstreek! o, gezonde, vette grond! Hier groeit het welig ooft vanzelf ons in den mond; Het Oosten roem' vrij op zijn geurige ananassen, Het Westen op citroen en andre boomgewassen, Wij roemen op de peer- en pruimvrucht met vermaak, Op aalbes, rood en wit en zwart, wier zuivre smaak De vreemdelingen zelfs tot eetlust kan bekoren",

aldus rijmelt de Arcadia-dichter Claes Bruin over den rijkdom van deze streek, waarbij hij bijna uit zijn plooi van gelijkmatige bewondering geraakte. Voor den Arcadiadichter is het Westland ook als geschapen; de zoete en teedere, maar niet verheven poëzie, als ze zoo kan heeten, draagt den stempel van dit landschap.

De kom van het dorp wordt gevormd door een ruim marktplein, met linden en iepen beplant; in het midden staat een hardsteenen pomp, gekroond door een leeuw, die het wapenschild in zijn klauwen geklemd houdt. Aan dit plein staat het raadhuis met zijn sierlijken, oud-Hollandschen gevel, welke het jaartal 1688 draagt, doch van ouder dagteekening is. Hier vindt men ook de Hervormde Kerk, een kruisgebouw met laat-Gothische ramen en een vrij hoogen, zwaren, vierkanten toren met stompe spits. De kerk verrijst op het hooge kerkhof, een vlakken heuvel, met zware iepen beplant, die het kerkgebouw omringen, terwijl het geheel door huizenrijen wordt ingesloten. Een ooievaarspaar heeft zijn woning gebouwd op het dak der kerk, als om het heiligdom onder zijn beschermende vleugelen te nemen.

Naaldwijk is van zeer oude dagteekening. Hoewel de tijd van het ontstaan der plaats niet bekend is, wordt het in 1156 reeds genoemd en in het jaar 1193 wordt gesproken van het dorp Naltwic bij den aanvang der Liora, een watertje, dat in de Maas mondde [8]. Verschillende oudheden, welke opgegraven zijn, wijzen er op, dat de Romeinen hier verblijf hebben gehad.

Naaldwijk werd een heerlijkheid, die in de middeleeuwen aan de heeren van Naaldwijk behoorde, een overoud en aanzienlijk geslacht, volgens enkelen van koninklijken bloede. De heeren van Naaldwijk voerden den erfelijken titel van Maarschalk van Holland, en verscheidenen hunner zijn in de geschiedenis bekend. In 1612 kwam de heerlijkheid aan Frederik Hendrik, later aan den koning van Pruisen, vervolgens in 1754 weder aan den Prins van Oranje tot de omwenteling in 1795.

Belangrijke gebeurtenissen heeft het dorp niet doorleefd. Wij verlaten het thans en wenden ons langs den grintweg, die door tuinlanden loopt, naar 's-Gravenzande.

's-Gravenzande bestaat in hoofdzaak uit een lange, breede straat, in het breedste deel met twee rijen iepen en twee rijen linden, en verder met een dubbele rij boomen beplant, terwijl in het midden van het dorp een breed schaduwrijk plein gevonden wordt. Het dorp heeft een net, kleinburgerlijk uiterlijk, zonder dat iets aan zijn aanzienlijke en oude afkomst herinnert.

Toch is 's-Gravenzande reeds zeer oud; zelfs vormde het in vroegere eeuwen een deftige, ommuurde stad, voorzien van een haven, die met de Maas in verbinding stond. Wij mogen hierbij niet vergeten, dat de Maas oudtijds noordelijker liep, zooals blijkt uit den ouden Noordlandschen dijk, welke den Maasdijk vormde tot het begin der dertiende eeuw, doch die door lateren aanwas midden in het land kwam te liggen. De haven is sedert lang dicht geslibd en ook de muren zijn verdwenen. Maar toch werd 's-Gravenzande als vlek in de 18e eeuw in rang nog boven Maassluis gesteld.

Te 's-Gravenzande is eenmaal het hof der Graven van Holland gevestigd geweest, vóór dit naar Den Haag werd verplaatst. Onderscheidene oude stukken werden hier geteekend; in een brief van 1266, van gravinne Machteld, weduwe van Graaf Floris IV, wordt uitdrukkelijk van het hof en de kapelle te 's-Gravenzande gesproken, die toen nog in wezen waren. Welke graaf het hof gesticht heeft, is onbekend; evenmin is het een zeker feit, zooals enkelen beweren, dat hier de verblijfplaats der graven van het graafschap Maasland geweest is. Ook is niet bekend, wanneer het hof teniet gegaan is; niet onwaarschijnlijk valt dit in den tijd van den twist tusschen Jacoba van Beieren en haar oom, Jan van Beieren, toen die van Brielle uit omstreeks 1418, 's-Gravenzande tot den grond liet afbranden. Maar al is er niets meer van het oude hof aanwezig, de Hoflaan, de Koningsstraat en Gravenhoek herinneren door hun namen nog aan het grafelijke hof.

In zijn bloeitijd was 's-Gravenzande door schoone buitenverblijven omringd. De vroegere buitens Sandeveld, Vlugtenburg, Stellendijk, Wildhof, Zuidwind, Alsemgeest, Arendsduin en Oostduin (vroeger Vredenburch) zijn alle in tuinlanden veranderd; alleen de namen van enkele zijn nog overgebleven voor boerderijen en tuingronden.

Van 's-Gravenzande wenden wij ons naar Monster, een burgerlijk welvarend dorp, eenigszins stadachtig gebouwd rondom het hooge plein, waarop de oude Gothische kerk staat met haar zwaren, hoogen toren, terwijl van dit middelpunt eenige nieuwere straten zich naar verschillende richtingen straalvormig uitstrekken, met tuinen er tusschen en het geheel door tuinland omringd. Monster is een plaats van oude dagteekening; reeds in 1006 wordt het als Masemunster genoemd. De naam dankt zijn oorsprong zeker aan de parochiekerk, vanouds "Munster", d. i. Monasterium, genoemd.

De kerk, thans in gebruik bij de Hervormden, is zeer oud, hoewel het jaar harer stichting niet bekend is. Vóór de Hervorming was zij aan den heiligen Machutus gewijd en reliquieën van dien heilige werden er in bewaard, die zeer druk bezocht werden. Aan deze toch schreef men een genezende kracht tegen vallende ziekte toe. De kerktoren is een zwaar, vierkant gevaarte, dat men ver in den omtrek ziet uitsteken boven het geboomte op het kerkplein.

De kerk is in 1901 door brand vernield, waardoor niets meer dan de muren van kerk en toren bleven staan. In zekeren zin is dit een voordeel te achten, omdat de bij een vroegere restauratie in 1862 verknoeide kerk thans weder in haar oorspronkelijke vormen hersteld is, zoodat zij met haar kleine ruiten en volgehouden stijl een sieraad der Gothische bouwkunst uitmaakt. De herstelling van den toren is op dit oogenblik nog niet voltooid.

Ten westen van Monster ligt aan de zee Ter-Heide, een klein visschersdorp zonder eigen vloot, welks lage, eenvoudige en armoedige huizen ordeloos verstrooid liggen in het zwak ontwikkeld duin, dat aan de zee geen voldoenden weerstand meer biedt en door een dijk met strandhoofden gesteund wordt in zijn taak, om het land tegen de zee te beschermen. Het dorp is vroeger veel grooter geweest, maar werd langzamerhand door den afslag der zee verkleind; de kerk van het dorp moest ook herhaaldelijk landwaarts verplaatst worden. Het was in het gezicht van dit dorp, dat op 10 Aug. 1653 Maarten Harpertsz. Tromp den Engelschen een gevoelige nederlaag toebracht, maar zelf, door een musketkogel in de borst getroffen, dood nederviel.

De bevolking van het Westland werd geheel gewijzigd door invloeden van buiten. In bijna alle Westlandsche dorpen is het landseigene ondergegaan en wordt in de kleeding de dracht der steden van verre nagevolgd; het haar wordt door de meisjes in hoofdzaak op steedsche wijze gekapt. Slechts enkele overblijfselen der oude kleeding vindt men nog bij oude of bejaarde vrouwen. De oorijzers met boeken aan de zijden van het hoofd, gelijk die ten zuiden van den Ouden-Rijn meestal voorkomen, vroeger te 's-Gravenzande en zeker in de andere dorpen gedragen, zijn verdwenen. De eenvoudige burgervrouwen ziet men nog met de "mopmutsen," aan beide kanten opgeslagen, gelijk in de meeste dorpen in het hart van Zuid-Holland.

III. LANGS DEN HOLLANDSCHEN IJSEL.

I. VAN DEN IJSELMOND NAAR GOUDA.

Wij willen thans een tochtje maken langs een oude rivier-grootheid, die in het verre verleden zeker hoog in aanzien stond, maar sedert eeuwen in verval is geraakt, en niet meer dan slechts enkele der laatste overblijfselen vertoont van haar vroegere macht en beteekenis. Wij bedoelen het water, dat men als "Hollandschen IJsel" aanduidt.

Van Rotterdam vangen wij onze reis aan. De weg loopt door den Kralingschen polder en eenige andere polders, niet ver van den hoogen ringdijk om den Alexanderpolder.

Kapelle-aan-den-IJsel ligt op een afstand van eenige minuten, zoodat wij even een kijkje zullen nemen in dit langs den IJsel gebouwde plaatsje en van den hoogen dijk een blik werpen op de kronkelende rivier, welke in haar uiterlijk hier nog iets van haar grootsch verleden bewaard heeft. Deze nederzetting, een echt dijkdorp met eenige industrie, gelijk die zich langs den open IJsel op meer punten gevestigd heeft, trekt weinig onze aandacht. Wij volgen weder den hoofdweg, en als wij eindelijk Nieuwerkerk-aan-den-IJsel op een kwartier afstands aan onze linkerhand zien opdoemen, hebben wij den IJseldijk weder bereikt, dien wij verder zullen volgen. Genoemd dorp ligt op de grens van den Prins-Alexander- en den Zuidplas-polder, twee der grootste droogmakerijen, waarvan de eerste in 1839, de laatste in 1874 is drooggelegd.

Een groote verandering heeft dit land door menschenhanden in de laatste eeuwen ondergaan. Het lage terrein tusschen den IJsel en de Gouwe in 't O. en de lijn Delfshaven, Delft, Den Haag, Leiden in 't W., dat in de eerste eeuwen onzer jaartelling een moerassig laagveenland vormde, met gras, riet en andere waterplanten begroeid, terwijl wilgen en elzenstruiken in woeste wanorde zoo hier en daar tot bosschage opschoten, en waardoor de Rotte als een onregelmatig veenwater naar de Maas slingerde, was in de tien eerste eeuwen onzer jaartelling nog zeer schaars bewoond.

Langzamerhand trokken de veehouders dit land binnen; zij vestigden zich op de gunstigst gelegen plekken aan enkele wegen en wateren, en er ontstonden aldus dorpen van veeboeren. Maar aangezien dit gewest weldra door een kring van nijvere, welvarende steden werd omringd, deed de behoefte aan brandstof, zoowel voor huiselijk gebruik als voor de vele fabrieken, de laagvenen aantasten en ging men, door tijdelijk voordeel gelokt, er toe over, het land te verturven. Zoo ontstond hier gedurende de middeleeuwen in de veenlanddorpen de turfmakerij op groote schaal, die een ernstige verwoesting des lands ten gevolge had. Ook in de volgende eeuwen werd dat proces voortgezet en aldus werd langzamerhand het land met plassen overdekt, slechts hier en daar door met elzenhout beplante landribben afgebroken, die volgens wettelijke verordeningen onaangeroerd moesten blijven, om het ontstaan van te groote waterplassen te voorkomen. Het land kwam gedeeltelijk weder in denzelfden toestand als het geweest was gedurende de eerste tijden na het ontstaan van het diluvium.

Bijna het geheele land tusschen de kleizoomen van den Ouden-Rijn en de Nieuwe Maas vormt een dergelijke uitgeveende landstreek. Wanneer het uitvenen in eenig gedeelte was afgeloopen, werd het uitgeveende land veelal weder drooggemaakt. Wettelijke verordeningen op de vervening bevorderden dit niet zelden. En dan zag men uit de troosteloos woeste wateren, in riet, lisch en struiken verloren, waar het waterwild en de visschen een paradijs hadden, vruchtbare polders te voorschijn komen. Uit een groot aantal van zulke bijna aan elkander sluitende en van tijd tot tijd drooggelegde waterkommen der vroegere veenplassen bestaat schier het geheele land [9]. Alleen de oude dorpen vindt men meestal nog op de hoogte van den vroegeren veengrond gebouwd, terwijl op korten afstand achter de dorpen in de tuinen der erven veelal de bodem plotseling daalt tot den eigenlijken polder, en doet zien, hoe hier vroeger het land werd weggegraven. Ook de oude landwateren, o.a. de Rotte, zijn in hun vroegere bedding gebleven en worden omringd door strooken van de oorspronkelijke terreinen, veelal nog met dijken verhoogd, zoodat zij als hooge waterleidingen aanzienlijk boven het land loopen.

De overgang van den veenplas tot de drooglegging, die niet zelden vele jaren duurt, was altijd de treurigste tijd voor een veenland. Dan zag het er woest en somber uit in de half verlaten dorpen, waar slechts enkele oude veenarbeiders waren achtergebleven, die door hun arbeid hun bron van bestaan hadden vernield en niet meer in staat waren, zich elders te vestigen. Eerst nadat de molens het water weder over de nieuw aangelegde dijken in de boezems hadden gebracht en deze het afvoerden naar buiten, en de ongelijke, ruwe bodem van den drooggelegden plas was geëffend, hier en daar het overgebleven veen nog was verturfd en de landbouwers weder bezit hadden genomen van den eens verwoesten grond, bloeiden de dorpen weder op en ontstonden er nieuwe nederzettingen. Dit is in hoofdtrekken de geschiedenis van al deze plaatsen.

Zoo was ook het dorp Nieuwerkerk vroeger een kleine plaats van veenlieden, die gaarne door jagers en visschers bezocht werd, wanneer zij op of in de wateren van den Zuidplas of den Alexanderplas het waterwild of de water bewoners wilden verschalken. Doch na de droogmaking was dit uit, en kwam het dorp door den landbouw tot nieuwen en hoogeren bloei.

Belangrijks biedt dit dorp voor ons niet aan, en evenmin willen wij ons ophouden in de polders, die, hoewel met enkele liefelijke, bekoorlijke, echt Hollandsche waterpartijen langs de boezems en tochten, toch over 't geheel niet van groote eentonigheid zijn vrij te pleiten. Wij kiezen thans den IJseldijk tot onzen weg en passeeren het flinke, nette dorp Moordrecht, grootendeels langs den hoogen dijk gebouwd, gedeeltelijk daarachter in het lage land.