Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 35

Chapter 353,709 wordsPublic domain

Al is Breda geen vesting meer, toch is het door en door een militaire stad gebleven. Dit karakter heeft zij naast het garnizoen te danken aan de Militaire Akademie, waar reeds honderden officieren van het Nederlandsche leger hun opleiding ontvingen en van wie velen, na het erlangen van het otium, wederkeeren in deze streek, om in de herinnering aan het vroolijk verleden daar hun levensavond door te brengen. Breda toch is een aangename plaats, waar de blijmoedige zin der burgers in overeenstemming is met den levenslust der jeugd, en daardoor heerscht er steeds een goede verstandhouding tusschen burgers en militairen.

Het aanzienlijkste gebouw van het oude Breda was het kasteel, aan de noordzijde der stad gelegen, naast de rivier de Mark. Het oude slot, dat hier in het Reigerbosch gestaan had, werd in 1350 door Jan van Polanen door een nieuw vervangen. Ook dit kasteel bestaat niet meer. Doch het kasteel, met welks bouw Hendrik van Nassau in 1556 een aanvang maakte en dat eerst onder Prins Willem III voltooid werd, vindt men er tegenwoordig nog.

Dat kasteel werd bewoond door de heeren van Breda.

Breda toch was vanouds een heerlijkheid, die, gelijk wij zeiden, in 1403 aan het stamhuis der graven van Nassau uit de Lahn gouw kwam, welk geslacht zich weldra tot de vermogendste familie der Nederlanden verhief. De graven van Nassau, die in het Land-van-Breda den titel van baronnen voerden, zijn geweest: Engelbert, Hendrik, Reinier of René, Willem (de Zwijger), Filips Willem, Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem Karel Hendrik Friso, Willem IV en Willem V. Bij de omwenteling van 1795 kwam de baronie van Breda bij 's lands domeinen, doch de wet van 26 Mei 1816 bepaalde, dat de goederen en de rentambten van Breda, Niervaart, Oosterhout, Steenbergen, Zevenbergen en de Zwaluwe in eigendom moesten komen van Prins Frederik der Nederlanden, om die voor zich en zijn wettige mannelijke nakomelingen te bezitten. Thans zijn die eigendommen aan den Staat gekomen.

Het kasteel van Breda werd in 1795, toen men over de particuliere bezittingen van het Huis van Oranje willekeurig beschikte, tijdelijk gebruikt tot een verblijfplaats voor zieke en krijgsgevangen soldaten, vervolgens tot een hospitaal, terwijl de kostbare sieraden van het kasteel--en daaronder waren prachtige tapijten, met goud en zijde doorweven, waarop men graven en gravinnen van Nassau levensgroot te paard zag afgebeeld--publiek werden verkocht. Na de herstelling onzer onafhankelijkheid besloot Koning Willem I dit gebouw te bestemmen voor een militaire akademie. Als zoodanig werd het den 24en Nov. 1828 ingewijd. Het 75-jarig bestaan dezer inrichting werd in 1903 met veel feestelijkheid gevierd.

Als men Breda van het station binnenkomt, voert de kortste weg langs de Willemsstraat, een nieuw stadsgedeelte, door het Valkenberg. Het Valkenberg was eens de oude slottuin; tegenwoordig is het eigendom van de gemeente. Het vormt een vriendelijk plantsoen, dat nieuw is aangelegd en met zijn vijver en fontein, zijn rustieke brug, zijn schoone bloem- en grasperken en trotsch geboomte een aangenamen indruk maakt bij het binnentreden der stad.

Het Valkenberg heeft zijn naam verkregen naar een bewaarplaats der valken en andere gedierten, die hier bewaard werden in den tijd, toen de valken voor de jacht werden gebruikt. Langs een fraaie brug, die in 1807 is afgebroken, kwam men over de gracht van dit voorplein in den hof tuin. Graaf Hendrik van Nassau deed deze warande, volgens den smaak van dien tijd, tot regelmatige bloem- en grasperken, met beelden versierd, vervormen, en onder Prins Willem V werd zij opnieuw aangelegd met afwisselende slingerpaden, beplant met onderscheidene soorten van heesters. Van het geboomte uit dien tijd is nog een gedeelte overgebleven in het tegenwoordige park.

Van het Valkenberg komen wij in de Katharinastraat en op korten afstand staan wij voor het kasteelplein, vanwaar een brug toegang geeft tot de Militaire Akademie, het voormalig kasteel. Al heeft het kasteel zijn uiterlijke gedaante hoofdzakelijk bewaard, in het inwendige herinnert weinig meer aan de pracht, waarmede het schitterde, toen het door de Oranje-vorsten bewoond werd en gasten als Karel V, de Hertog van Alva, Isabella en Karel II van Engeland (als balling) hier werden ontvangen.

Door een voorpoort met flink ijzeren hek komt men op een groote plaats, eertijds met lindeboomen beplant, en ter linkerzijde verrijst het binnenkasteel of hoofdgebouw. De gracht, die het vroeger omringde, is bij de laatste verbouwing gedempt.

Het hoofdgebouw vormt een regelmatig vierkant, met een ruim, open plein in het midden, dat de vier vleugels van elkander scheidt. Het heeft, behalve de kelders, de hoogte van drie verdiepingen, die in een menigte kamers zijn verdeeld. Het plein of de binnenplaats is aan drie zijden door een open galerij omringd, op welker pilaren een aantal Romeinsche keizers en voorname mannen der oudheid zijn afgebeeld. Vroeger had de achtervleugel van het gebouw een driedubbele galerij, welke van achteren door een muur gesloten was en waarvoor een trap van arduinsteen, troonsgewijze overdekt met een verhemelte, dat op onderscheidene pilaren van Dorische bouworde rustte, naar den hoofdingang leidde. Langs deze trap kwam men in een groote, gekoepelde zaal, op pilaren gevestigd, die de geheele rechterzijde van het gebouw besloeg. Thans is de galerij in den achtervleugel tot eetzaal ingericht; de trap is geheel weggenomen en de gekoepelde zaal, door een zoldering in tweeën gescheiden, dient tot zaal voor uitspanning en slaapzaal. In de amusementszaal vindt men portretten van het Vorstelijk Huis en een van Héraugières, den dapperen aanvoerder der soldaten in het turfschip, een verzameling wapenen en wapenrustingen uit alle tijden, een collectie Indische wapenen enz.

Tusschen twee lage torens, den Grenaat- en den Duivetoren, ligt het bekende "Spanjaardsgat", de overblijfselen van de Waterpoort, waar in 1520 het turfschip met de dappere soldaten werd doorgelaten, die een aanslag op het kasteel zouden wagen. Lulofs bezong deze gebeurtenis, naar aanleiding van een Latijnsch vers woordspelende:

Niet te onrecht zal verbaasd de vreemde op Holland wijzen, Ziet hij, hoe 't eigen grond tot vuur en brandstof bruikt, Maar meer verbaasd zal nog de vreemdling Holland prijzen, Ziet hij, hoe 't met dien grond de macht des vijands fnuikt.

De stoutmoedige aanslag op het kasteel geleek veel op roekeloosheid. Toen het turfschip, dat het kasteel van de noodige brandstof voor den winter zou voorzien, des avonds laat binnen was gekomen en de handige turfschipper Adriaan van Bergen het lossen wist te doen eindigen en door een goed drinkgeld de bezetting na een stevigen dronk in een vasten slaap lag, was de groote onderneming voorbereid, waardoor het slot werd verrast.

Toen het slot aldus in handen der onzen was gevallen, kwam ook de stad aan de Staten. Hoewel Breda in 1625 zich weder moest overgeven aan de Spanjaarden, wist Frederik Hendrik het in 1637 te heroveren, en sedert bleven het kasteel en de stad aan het Noorden verbonden.

Wij gaan thans de oude stad nader bezien.

Het belangrijkste gebouw van Breda is de Groote kerk met haar toren, die aan de Groote markt verrijst. Het jaartal van den bouw der kerk weet men niet met zekerheid, doch waarschijnlijk kan men dit omstreeks 1388 stellen. Deze kerk was eerst aan de H. Barbara, de patrones der stad, gewijd, later aan de H. Maagd, waarnaar zij "Lieve Vrouwekerk" werd genoemd. Zij was niet alleen de stadsparochiekerk, maar tevens een collegiale kerk, waarin een kapittel van twaalf kanunniken benevens een Deken was gesticht. Toen na de laatste verovering van Breda door Frederik Hendrik, in 1637, deze kerk overging tot de Hervormden, is het kapittel vernietigd en zijn de daarbij behoorende goederen bij de domeinen van den Prins ingelijfd, om ze te doen strekken tot onderhoud van predikanten, enz.

De kerk is een prachtig Gothisch gebouw, 77 M. lang, in transept en koor 39 M. breed en het schip 22 M. Het ruim der kerk was omringd door 14 kapellen, waarin, benevens het ruim der kerk, vóór den overgang tot de Hervormden, 55 altaren stonden met rijke inkomsten tot onderhoud.

Het inwendige der kerk vertoont nog de lijnen van den schoonen bouw, maar de vroegere rijkdom en schoonheid zijn verdwenen. De muurschilderingen van het gewelf en de wanden, de eerste in 1537 door den schilder Yaiant vervaardigd, zijn onder witkalk verborgen. In den laatsten tijd werden van de muurschilderingen weer vele aan het licht gebracht en zij trekken in steeds klimmende mate de aandacht der kunstbewonderaars. De eerst ontdekte groote voorstelling van de "Blijde Boodschap", op den buitenmuur van het noordelijk transcept, is onder leiding van Dr. P. J. H. Cuypers door kunstschilders gerestaureerd. Nauwgezet heeft men het oude behouden, zooals het zich voordeed, zonder eenige retouche of bijwerking. Alleen door aanvulling van scheurtjes en schilfers en het fixeeren van losse gedeelten in de kleur der omgeving is men er in geslaagd, het tableau weder tot een geheel te brengen. In de bijgewerkte omgeving maakt de schilderij een treffenden indruk en bekoort zij in hooge mate door haar eigenaardige conceptie, de sobere kleuren en de rust van het geheel.

Behalve dit schoone fresco is later nog een schildering ontdekt aan een der pilaren van het koor, die, nu verder ontbloot van de dikke kalklagen, een zeldzaam fraai geschilderde voorstelling doet zien van den Apostel Jacobus. De halve omtrek van den ronden pilaar is van boven de koorbanken tot aan het kapiteel beschilderd met buitengewoon mooie kleuren.

Bij de bezichtiging der kerk wijden wij onze aandacht aan het fraaie koperen koorhek, in 1412 door Graaf Engelbrecht I geschonken. De prachtige, hoewel erg geschonden doopvont is door Jos. de Backer, uit Antwerpen, in 1540 gegoten. Verder ziet men er fraaie grafzerken, waaronder eene, van koper vervaardigd, een zeldzaam produkt van oude kunst, hoewel zeer beschadigd, waarvan een gipsafgietsel in het Rijks-Museum te Amsterdam gevonden wordt.

De belangrijkste monumenten der kerk zijn de graftomben. Die van Jan van Polanen en zijn beide vrouwen en van Jan II zijn zeer geschonden. De tombe van Engelbrecht I, den graaf zelf met zijn gemalin, Johanna van Polanen, en zijn zoon Jan met diens gemalin, Maria van Loon, voorstellende, knielende voor de H. Maagd en het kind Jezus, werd op last van en voor rekening van Koning Willem III gerestaureerd.

Daar tegenover is de kapel der H. Maagd of het koor der heeren van Breda. Hendrik van Nassau liet hier ter eere van zijn oom en weldoener, Graaf Engelbert II, overl. 1504, en van diens gemalin, Limburg van Baden, een graftombe plaatsen, die groote beroemdheid heeft. Men wil, dat de vermaarde Italiaansche kunstenaar Michael Angelo die zou vervaardigd hebben; anderen noemen echter Bolonius. De Graaf en zijn gade liggen op een verheven zerk van toetssteen en daarboven vindt men een zware tafel van denzelfden steen, gedragen door vier mansbeelden van albast of van Oostersch, doorschijnend marmer. Van deze vier figuren, op een knie liggende, stellen twee C. Julius Caesar en M. Attilius Regulus voor, terwijl de beide andere figuren waarschijnlijk twee Grieken zijn, vermoedelijk Miltiades en Themistocles; anderen spreken van Hannibal en Alexander den Groote. Op genoemde tafel ligt in marmer gebeiteld het wapentuig van den Graaf.

Voor niet langen tijd kwam nog een oud grafmonument in deze kerk aan het licht bij het wegbreken van een houten vloer. Dit grafmonument, dat niet geheel onbekend was, maar nu weer te voorschijn kwam, is geplaatst in een speciaal daarvoor gemaakte, geprofileerde nis, welke segmentvormig is afgedekt, in het midden 2,98 M. hoog. Deze nis bevindt zich onder het in den buitenmuur aangebrachte lichtvenster. Aan den bouwtrant van nis en monument is het te zien, dat beide uit de tweede helft der 15e eeuw dagteekenen, en verder blijkt, dat de nis niet bij den bouw der kerk, maar later werd aangebracht. In de nis nu zien wij het monument, bestaande uit een sarcophaag met een daarachter geplaatste tombe.

Op den deksteen der sarcophaag, die 2,05 M. lang en 0,54 M. breed is, bevindt zich in liggende houding een mansbeeld, lang 1,75 M., dat met den ondersteen één geheel uitmaakt. Het beeld stelt een op den rug liggenden doode voor, uitgestrekt op een gevlochten mat, waar overheen een dunne doek of lijkwade; het hoofd rust op de nog gedeeltelijk opgerolde mat, terwijl voorhoofd en haren bedekt zijn met een doek, die van achteren is dichtgeknoopt. De lijkwade bedekt gedeeltelijk den linkerschouder en de lendenen. De onderbeenen van het beeld zijn verdwenen; het geheele monument is deerlijk geschonden en de beeldengroepen uit de nissen zijn verdwenen. Niet zooals bij de meeste grafmonumenten zijn de handen gevouwen of omhoog gericht, doch de rechterarm ligt gestrekt langs het lichaam en de linker over het dijbeen plat neer.

Men heeft er naar gezocht, wie hier begraven kon zijn? Enkelen dachten aan den bouwmeester der kerk; Jhr. de Stuers veronderstelt echter, dat die het niet kan zijn: de weelde en kostbaarheid van het monument sluiten dit uit. Hij geeft de volgende verklaring van dit gedenkteeken. Oudtijds was het de gewoonte, om heel groote heeren tweemalen af te beelden: eenmaal levend en geknield en vervolgens daaronder dood, naakt, liggend. Het te Breda gevonden graf was kennelijk op dezelfde wijze ingericht. Boven het thans ontdekte liggende beeld is een plaat geweest, waarop een knielende figuur, die de nis vulde. Jhr. de Stuers vermoedt, dat het bekende praalgraf van Engelbert II en diens vrouw oorspronkelijk op dezelfde manier de knielende beelden dier personen vertoond heeft, geplaatst op de steenen tafel, door vier beelden getorst. Onder die tafel liggen hun lijken afgebeeld. Deze dispositie past geheel in de destijds aangenomen inrichting van een praalgraf. Daardoor alleen worden de steenen tafel en de ingespannen houding der vier dragende beelden verklaard. De vraag blijft nog open, als deze veronderstelling juist is, of de knielende beelden ooit zijn voltooid geweest of dat ze door beeldstormers zijn vernield?

De toren der kerk is een mooi bouwstuk, rijk aan verheven lijnen en bevallige versieringen. Vroeger verrees hier een andere toren, die tegelijk met de kerk gebouwd was, doch den 16en Febr. 1457 bij een zwaren storm is ingestort. In 1468 begon men aan den bouw van den tegenwoordigen toren, die op het einde van 1513 voltooid was. In 1694 werd de toren door den bliksem getroffen, waardoor een gedeelte vernield werd, doch korten tijd daarna werd hij, vooral door medewerking van den stadhouder Willem III, met een verandering aan het bovenwerk, hersteld. De hoogte bedraagt 94 meter; van zijn top heeft men schilderachtige vergezichten over de afwisselende omstreken van Breda. In het laatst der 19e eeuw is deze toren op kosten van kerk, gemeente, provincie en Rijk gerestaureerd. De oude klokken, die door den brand gesmolten waren, werden na den brand door nieuwe vervangen en in 1723 werd een welluidend klokkenspel in den toren geplaatst.

Wij bevinden ons bij de Groote Markt te Breda, een gezellig plein; vooral op de marktdagen, als de eenvoudige boerinnen uit de baronie hier hun produkten van tuin of stal aanvoeren, is 't er schilderachtig. De Boterhal aan de markt geeft dan een eenigen blik in het Noord-Brabantsche volksleven. Daar staan die vrouwen in hun sobere, eenvoudige kleeding, maar door haar kleurschakeering toch zoo schilderachtig, met de mandjes vóór zich, eieren, boter, groenten, enz. ten verkoop aanbiedend. Mannen ziet men er weinig; het ter markt brengen dezer produkten geschiedt in Noord-Brabant meest door de vrouwen, die soms verre afstanden te voet afleggen met de mand aan den arm, om in de stad eenig "geld te maken". Er heerscht in de Boterhal, trots het loven en bieden, geen onaangenaam rumoer, maar een gemoedelijke toon, die den volksaard kenmerkt. Hier ziet men, wat in Holland schier onbekend is, waar alles aan huis bezorgd wordt, de burgerjuffrouwen en dienstboden nog ter markt gaan, om hun benoodigden inslag op te doen voor de huishouding.

Toen H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes in het najaar van 1894 een bezoek brachten aan Breda en de burgerij H. M. een souvenir aan dit bezoek wenschte aan te bieden, vond men niets beter daartoe geëigend dan een schilderij van Krabbé, voorstellende een gezicht op de Boterhal.

Het gebouw der Boterhal dagteekent van 1613. Aanvankelijk diende het voor vleeschhal, terwijl verschillende gilden in den ruimen bovenbouw kamers bezaten voor het houden van vergaderingen. Ook het St. Jorisgild had er een kamer, en ter herinnering daaraan prijkt in de uitgebogen kroonlijst een draak, bestrijdende St. Joris. De artistieke poort, die den ingang der hal vormt, is gekroond door het stadswapen, geflankeerd door twee grimmige leeuwen.

Breda doorwandelende, maakt de stad een aangenamen indruk. Op de enkele pleinen zien wij tijdens de marktdagen, eigenaardig, dat de boerenkarren, zwaargebouwde huifkarren, er alleen staan, met het paard er aan vastgebonden. Een dergelijken eenvoud zoekt men in de noordelijke provinciën tevergeefs. De flinke winkelhuizen in menige straat der oude stad wijzen aan, dat hier een welvarende burgerij woont. En als wij aan den buitenkant wandelen, in de nieuwe gedeelten, waar geheele straten van flinke, goed ingerichte burgerhuizen de oude stad omringen, komen wij spoedig tot de overtuiging, dat zich te Breda een aanzienlijke burgerij heeft gevestigd, zonder van groote rijkdommen te kunnen spreken. Het militaire leven der stad geeft een gezellige stoffeering aan de straten met een eenigszins grootsteedsch karakter.

Vooral op de karnavalsdagen is het druk te Breda; dan bemerkt men, dat deze stad min of meer een zuidelijk karakter heeft. Ook al zijn de bewoners uit alle streken des lands hier samengestroomd, toch doen blijkbaar allen gaarne mede aan het Bredasche pretmaken, dat zich kenmerkt door opgewektheid, gulheid en echten levenslust.

Alleen in Breda en Den Bosch mag in Noord-Brabant het karnaval op de gebruikelijke wijze gevierd worden door optochten van gemaskerden, allerlei grappen en dwaasheden op de straat, waarvoor men zich zonder masker wel zou wachten. Buiten die twee plaatsen wordt nergens in de provincie het masker op de openbare straat toegelaten en heeft men ook maar zelden gecostumeerde feesten binnenshuis. Vandaar dan ook, dat velen uit Tilburg, Eindhoven, Helmond en van allerlei kleine plaatsen op de karnavalsdagen naar deze twee steden gaan, om zich daar te vermaken.

Breda is door het eigenaardig karakter en de geschiedenis der plaats een stad geworden met tal van vereenigingen, gezelschappen, clubs, enz. van verschillenden aard en strekking, die niet alleen de gezelligheid, opgewektheid en feestelijkheid telkens bevorderen, maar ook ten doel hebben, de wetenschap, kunst en menschenliefde tot een hooger peil te brengen.

De tijd veroorlooft niet, ons langer in Breda op te houden; wij kunnen niet stilstaan bij het Raadhuis, bij onderscheidene Katholieke kerken, enz. Alleen willen wij nog even een blik werpen op het hoekhuis van de Ginnekenstraat en het Van Coothplein, thans een hôtel en café, waar het geboortehuis stond van wijlen Generaal P. J. v. Ham, den dapperen held van Lombok.

III. NAAR OOSTERHOUT.

Wij verlaten de stad en gaan langs de singels, die de oude veste omsluiten en nog van de vroegere grachten vergezeld worden. In het Z.O. der stad ligt het Wilhelminapark, waarop de Boulevard-Mastbosch uitkomt, met prachtige waterpartijen. Zoo de stad omwandelende, vinden wij hier op vele plaatsen een nieuwen aanleg op den grond der vroegere wallen.

Nu vangen wij onze uitstapjes aan buiten de stad. De gewone volgorde van hen, die Breda bezoeken, kiezen wij niet, omdat onze wandelingen niet tot deze stad beperkt zijn. Daarom houden wij er ons niet aan, om eerst het schoone te bezoeken en zoo afdalend, maar stellen wij soms de mooiste tochtjes uit tot later, om aansluiting te hebben bij onze verdere reis. Gelijk wij al vroeger opmerkten, is het ook geenszins ons doel steeds den kortsten en meest gevolgden weg te kiezen.

Eerst gaan wij een uitstapje maken ten N. der stad.

Als men hier niet ver van het station het voetpad langs den grooten weg naar Terheide volgt en links inslaat, betreedt men een mooie, rechte laan van hoogopgaande boomen, die door een afwisselend landschap van tuinen, weiden en bouwlanden loopt. Dat is de Speelhuislaan, die in een kwartier naar het Speelhuis leidt.

Het Speelhuis, dat hier vroeger stond, is er niet meer, doch in plaats daarvan vindt men op een heuvel, te midden van geboomte, op een punt, waar een vijftal wegen straalvormig samenkomen, een boerenwoning, waar men eenige oogenblikken kan zitten, om wat te gebruiken. Hier stond vroeger een buitenverblijf, door Prins Maurits in 1620 gesticht, het Speelhuis geheeten. Het was een jacht- of lusthuis, in het Sterrenbosch hoog gelegen, achtkantig en met een koepel gedekt, waarop een torentje stond. In 1824 is dit gebouw afgebroken, maar de plek, in bezit van het Domein, wordt veel bezocht door de bewoners van Breda.

Wie niet opziet tegen een flinken voetmarsch, kan van hier langs vriendelijke paden weder noordelijk op den straatweg komen, ongeveer op de plaats, waar deze langs de Mark loopt. Voorbij de Hooge Brug zien wij rechts van den weg de Spinola-schans, een herinnering aan het beleg van Breda in 1624; vervolgens slaan wij het oosten in, om langs de eenvoudige gehuchten Groot-Munnikhof en Ter-Aalst onzen weg te nemen door een afwisselende boschstreek op den noordelijken zoom der zandgronden. Voorbij Ter-Aalst in de richting van Oosterhout wandelend, bevinden wij ons weldra in een prachtig landschap. Achter ons de bosschen van Ter-Aalst, eenigszins hoog gelegen, terwijl vóór ons de golvende velden langzaam afdalen en het stadje Oosterhout, benevens onderscheidene dorpen, op de bouwlanden verrijzen. Een breede, woeste boschstreek breidt zich hier uit naar het oosten, zoo hier en daar oprijzende in landduinen en in het noorden begrensd door een vruchtbare, dicht bevolkte landstreek.

Wij dwalen hier rond en richten onze schreden naar Oosterhout, dat zich zoo schilderachtig voordoet van dezen kant en wel de koningin schijnt van de nederzettingen langs den boschzoom.

Oosterhout is een vriendelijke, nette plaats, die stadsrechten heeft verkregen in 1809, maar in haar bouw het midden houdt tusschen stad en dorp. De nijverheid bloeit er door verschillende takken van industrie; men vindt er een groote margarinefabriek, een groote bierbrouwerij, leerlooierijen, schoenfabrieken, biljartfabrieken.

In het midden ligt een langwerpig vierkant plein, met vier rijen linden beplant, de Heuvel, waaraan het raadhuis staat.

Het belangrijkste gebouw van Oosterhout is de oude St. Janskerk op het marktplein, van twee nieuwe zijbeuken voorzien en met een prachtig hoofdaltaar. De indrukwekkende Gothische toren der kerk is niet voltooid en eindigt stomp. Men meent, dat de heer van Breda tot den opbouw van dezen toren het leem uit zijn heide heeft gegeven, om de steenen te bakken, op welke plaats daarbij eenige huizen gebouwd zijn, waardoor er het gehucht Steenoven ontstond.