Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 34
Wij zullen ons in dit gedeelte van Noord-Brabant niet langer ophouden. De plaatsjes Dinteloord, Klundert en Willemsstad, het laatste een vesting, welke in 1583 gebouwd is op de toenmalige gors de Ruigenhil en op kosten van prins Willem I werd versterkt, bieden weinig belangrijks aan, dat den wandelaar trekt. Buiten Zevenbergen valt over de vlakte al spoedig naar het oosten van verre de zware, hooge koepel van een kerkgebouw in het oog. Dat is de kerk van het kleine dorpje Zevenbergschenhoek, niet ver van den spoorweg gelegen, een gebouw, zooals niet in zulk een klein dorpje zou verwacht worden. Doch wij moeten bedenken, dat wij in Noord-Brabant zijn, het land der kloosters en kerken bij uitnemendheid, waar zelfs de kleinste plaats offers beschikbaar stelt, om een trotsch godshuis te stichten.
Een andere weg van Bergen-op-Zoom loopt over Wouw naar Rozendaal, voorbij het Volkspark van Bergen-op-Zoom, dat op bescheiden schaal is aangelegd met fraaie waterwerken in een afwisselend terrein. De ruwe keiweg, welken de boeren liefst niet berijden, zoodat hier, evenals bij de meeste keiwegen in Noord-Brabant, de wagensporen ter zijde langs den harden weg loopen, voert door een landschap met afwisseling van graslanden, bouwlanden en bosschen, en op anderhalf uur afstands bereikt men het volkrijke, flinke dorp Wouw, met het ruime, vierkante door een dubbele rij boomen omringde dorpsplein in het midden.
Hoogst belangrijk is te Wouw de Lambertuskerk, een ruime kruiskerk, in 1414 gesticht, die in 1820 in het bezit der Katholieken gekomen is en sedert aanhoudend werd verfraaid. Niet alleen bezit de kerk een sierlijk altaar en preekstoel en fraaie geschilderde ramen, maar het meest munten de banken van het priesterkoor uit, die tot het schoonste houtbeeldwerk van Nederland gerekend worden. Deze prachtige kanunnikgestoelten, tegen elkander langs de wanden van het koor geplaatst, zijn van eikenhout en vervaardigd door kunstenaars als Arthur Quellinus en Willemsens, terwijl de ornamentiek werd gebeeldhouwd door Hendrik Verbruggen Jr. en den beroemden beeldhouwer Bouvart, naar wiens plannen het geheel werd bewerkt. Deze gestoelten zijn afkomstig van het St. Bernhardklooster te Antwerpen, waarvoor zij waren vervaardigd en van de voormalige abdij aan de Schelde werden zij omstreeks 1830 hierheen gebracht. Behalve de koorbanken zijn ook de biechtstoelen met merkwaardig beeldhouwwerk versierd, waarvan wij alleen wijzen op den lezenden monnik met het getijboek in de hand.
Eenige minuten ten N.W. van het dorp vindt men nog enkele sporen van het vroegere kasteel van Wouw, waar de heeren van Bergen-op-Zoom veel verblijf hielden gedurende den zomer en waar Desiderius Erasmus, op verzoek en in tegenwoordigheid van den Heer van Bergen en vele aanzienlijken, een mondgesprek hield met Hendrik Cornelis Agrippe over de zoogenaamde magische of tooverkunsten, welker bedriegelijkheid Erasmus met kracht van redenen trachtte aan te toonen. (Zie de fig. pag. 340).
Op ruim een uur afstands, ten zuiden van Wouw, ligt de bekende Wouwsche-Plantage. In de eerste helft der 19e eeuw was dit slechts een uitgestrekt dennenbosch, behoorende tot het Rijks-domein. In 1839 werd het bosch verkocht aan den heer J. P. J. Caters, en vervolgens werd er in 1845, nevens het oude jachthuis een deftig heerenhuis gebouwd, terwijl de boschcultuur werd aangewend, om de streek te verfraaien. Daardoor is dit een der bekoorlijkste plekjes van Noord-Brabant geworden. Schoone beukenlanen loopen door de bosschen en boschjes en een rijkdom van houtsoorten geeft alle schakeeringen van groen, geel en bruin aan het landschap.
Voornamelijk het centrum der Plantage vormt een schilderachtig plekje, waar een romantisch gebouwd dorpje met pittoreske huizen verrijst, alsof zij uit de schoonste Zwitsersche valleien naar hier verplaatst waren. Daar ziet men het heerenhuis met zijn torentjes, geheel door riet gedekt, en rondom staan een zestal huizen en boerderijen, opgetrokken van hout en steen, bekleed met boomschors, met halve, knoestige stammen, met mos en kleurige tegels versierd, de woningen omslingerd door wilden wingerd en rozen. De Wouwsche Plantage is een lustoord, waar men boschlucht kan genieten, heuvelen bestijgen en door dalen wandelen; niet ten onrechte wordt de naam "Petite Suisse" hieraan gegeven.
Een voordeel is het, dat men in Klein-Zwitserland nog niet zooveel Engelschen aantreft, als in het eigenlijk Zwitserland.
Langs een rechten, eentonigen keiweg bereiken wij Rozendaal, het kruispunt der spoorwegen. Twee internationale lijnen snijden hier elkander: die, welke van Vlissingen over Bokstel en Wesel de kortste verbinding met Duitschland geeft, en de lijn Amsterdam--Rotterdam--België--Parijs. Daardoor is het station een druk, internationaal ontmoetingspunt, waar alle talen gesproken worden.
De naam Rozendaal zou allicht groote verwachtingen wekken omtrent het landelijk natuurschoon dezer plaats; wie Rozendaal bezoekt, zal zich echter teleurgesteld zien. Het is een eenvoudig, stedelijk gebouwd vlek, de huizen langs eenige straten gebouwd, met meest burgerlijke, flinke woningen, en een ruime marktstraat. Rozendaal heeft gedurende korten tijd nog stadsrechten bezeten. In 1809 werd onder koning Lodewijk Napoleon, die meer plaatsen op deze wijze begunstigde, Rozendaal tot stad verheven, maar in 1814 werd het weder tot een plattelandsplaats teruggebracht. Merkwaardige gebouwen zoekt men hier tevergeefs; de kerken hebben niets, waardoor zij boven andere dorpskerken uitmunten, en rozen vindt men er niet meer dan elders. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat deze plek eertijds een woest dal vormde langs de beekjes, die hier uit het zuiden komen, met distels en wilde rozen begroeid, waaraan zij haar naam ontleende. De nederzetting op deze plek kwam tot uitbreiding, toen de Steenbergsche Vliet tot deze plaats bevaarbaar gemaakt werd in 1451, en Rozendaal daardoor een haven kreeg, welke voor den handel op Holland aan den eenen kant en de zuidelijke streken aan den anderen kant van eenige beteekenis was. Meermalen slibden echter die haven en het kanaal dicht, zoodat zij in 1792 en 1823 opnieuw moesten worden opgegraven en verdiept. Doch bovenal ging Rozendaal vooruit, toen den 26en Juni 1854 de spoorweg naar Antwerpen geopend werd, waardoor het een schakel werd in het internationaal verkeer. Sedert heeft de plaats zich sterk uitgebreid en terwijl zij vroeger tot Nispen behoorde, is zij het moederdorp ver boven het hoofd gegroeid. Tal van fabrieken vindt men er, vooral suikerfabrieken, verder looierijen, een stijfselfabriek en bierbrouwerijen. De expeditie is er levendig.
De omstreken van Rozendaal bieden wel geen buitengewone aantrekkelijkheden, maar toch vindt men er menig plekje met intiem natuurschoon, dat men niet kan beschrijven, doch moet gevoelen onder den indruk der waarneming op het juiste moment.
De kortste weg van Rozendaal naar Breda loopt rechtuit naar het oosten over Etten en Prinsenhage. Wij willen met ons stalen paard een omweg maken, om den harden keiweg te vermijden, en tevens een bezoek te brengen aan Oudenbosch, teneinde van hier te Etten den hoofdweg weder te bereiken.
Zoo rijden wij naar het noorden over het dorp Oud-Gastel, een hoofdzakelijk in de lengte langs den weg gebouwd, flink boerendorp, en voorbij deze plaats ons oostwaarts wendend, naderen wij Oudenbosch. Wanneer wij het gedeelte van westelijk Noord-Brabant, dat wij thans hebben doorgetrokken, overzien en vergelijken met het oosten dezer provincie, dan maakt dit een veel beteren indruk. In het westen vindt men over 't geheel de boerenbedrijven grooter dan in het oosten; de grond is er vruchtbaarder, gedeeltelijk klei of zavelgrond, en de boerenstand is er welvarender. Rijke boeren vindt men in het westen niet zelden. Maar toch blijft de levensstandaard er uiterst eenvoudig en zuinig. De boerenhuizen hebben er alle wel een flinker, netter voorkomen dan in het oosten, maar niet zelden is de boer even spaarzaam of zoo mogelijk nog spaarzamer. De huisnijverheid, de handweverij, welke in vroeger tijden in het oosten zoo levendig was, vond men hier niet; het landbouwgewest was er rijker en maakte niet noodig, dit hulpmiddel van bestaan uit te oefenen. Daardoor heeft zich het fabriekwezen niet in dien zin ontwikkeld. En waar in de laatste helft der negentiende eeuw hier fabrieken verrezen, waren het meestal die, welke met de produkten van den landbouw in verband stonden, zooals suikerfabrieken.
Naarmate wij Oudenbosch naderen, wordt de weg schaduwrijker en wij zien spoedig, dat hier de boomkweekerij een groote beteekenis heeft erlangd. Vooral aan den zuid-, oost- en noordkant is Oudenbosch door een breeden krans van boomkweekerijen halverwege ingesloten, die aan de omstreken der plaats een vriendelijk, frisch voorkomen geven. Toch is de boomkweekerij hier van betrekkelijk jongen datum; een der oude kweekers verzekerde ons, dat zij voor ongeveer een eeuw hier was opgekomen, eerst op kleine schaal; toen de bodem er uitstekend geschikt voor bleek, was zij uitgebreid. Het voorbeeld is gevolgd, en zoo werd in Oudenbosch de boomkweekerij een levendig bedrijf, dat veel levert aan het buitenland. Daarnaast wordt hier ook de suikerfabrikage uitgeoefend.
Oudenbosch is een vriendelijke, nette plaats, met een stedelijk uiterlijk, van een breede hoofdstraat doorsneden, met 5000 inwoners. Van verre naderend, maakt zij zelfs een grootsteedschen indruk door de hooge koepels en torens der kerken, die zoo statig oprijzen boven de nederige huizen, en zoo komt men onder den indruk, hier een trotsche kerkenstad te betreden. De kerken en geestelijke stichtingen der plaats trekken dan ook in de eerste plaats de aandacht van den bezoeker. De R. K. Agathakerk met haar hoogen koepel en trotschen voorgevel, is gebouwd naar het voorbeeld van de St. Pieterskerk te Rome en zou een groote stad niet onwaardig zijn. De kerk is 82 M. lang, 26 M. breed, en bestemd voor 28 altaren met 12 koepels. Zij is veel te groot voor de plaats en kan nauwelijks voor de helft door de kerkgangers gevuld worden.
Schuin tegenover de kerk vindt men de gebouwen van het pensionaat St. Louis, een jongeheerenkostschool, die door fraters wordt bestuurd. Langs de straat heeft deze inrichting geen aanzienlijk uiterlijk; hier vindt men enkel de oude gebouwen, waarin voor een zestigtal jaren ongeveer de inrichting geopend werd, die zich tot een buitengewonen bloei heeft verheven. Sedert is de stichting hoe langer hoe meer uitgebreid met flinke gebouwen voor onderwijs en den godsdienst. Het pensionaat heeft een eigen kapel, wel kleiner dan de St. Agathakerk, maar naar hetzelfde model gebouwd en door de omgeving nog trotscher en dieper indruk makend. Deze inrichting van onderwijs hebben wij met groote ingenomenheid leeren kennen, getroffen door de milde opvatting, waarmede men hier in alle opzichten voorziet in de hulpmiddelen der opvoeding.
Wij zullen het klooster tot opleiding der Jezuïeten te Oudenbosch niet bezoeken en evenmin de openbare gebouwen. Uit het verre verleden biedt Oudenbosch niets merkwaardigs aan. Toch was de plaats al vroeg van beteekenis. Sedert 1421 had van hier een gewone overvaart tusschen Holland en Brabant plaats, maar door het aanslibben der gronden en door het bedijken van den polder Stand-daar-buiten werd Oudenbosch meer afgesloten van het water en was het veer zoo moeielijk geworden, dat de Staten het in 1500 moesten verleggen naar een andere plaats.
Langs de lijn van den stoomtram verlaten wij Oudenbosch. Tot Breda blijft het landschap in hoofdtrekken hetzelfde karakter behouden. Een vlak terrein, de gronden meest als bouwland in gebruik genomen, het land verdeeld in kleine, onregelmatige stukken, elk stuk lands door een haag van akkermaalshout ingesloten, de kleine, lage boerenwoningen met rieten daken hier en daar langs de oude wegen gegroepeerd, zoo is het overal.
Het eerste dorp, dat wij passeeren, is het fraaie, stille dorp Hoeven met zijn schilderachtig gelegen seminarie. Vervolgens komen wij te Etten, een flinke, nette nederzetting, meest langs de breede dorpstraat gebouwd, die aan beide zijden door dubbele rijen linden wordt overschaduwd.
Dit dorp is een der oudste nederzettingen in deze gewesten. Het zou in de Salische wetten reeds genoemd zijn als een der maalsteden of vergaderplaatsen der Franken in de 5e eeuw en voerde later den naam van "vrijheid", hoewel het geen hoog gerecht had en behoorde tot het Land-van-Breda. Het kasteel van Etten, "Houte" geheeten, bestond tot 1815. Wij geven daarvan een afbeelding op de vorige bladzijde.
Na het verlaten van Etten zien wij links van verre weldra den spitsen toren van het nette Leur zich verheffen, een dorp, hetwelk er trotsch op is, dat Adriaan van Bergen, de turfschipper, die in 1590 zoo krachtig medewerkte, om Breda te verrassen, hier geboren zou zijn of er althans gewoond heeft. Op den tijd, dat wij dit schrijven, is men ijverig in de weer, om een herinneringsteeken voor den kloeken, Staatsgezinden turfschipper op te richten.
Vervolgens bereiken wij weldra het Liesbosch met zijn mooie boschpartijen en woeste bosschages, dat jaarlijks duizenden lokt, om er te vertoeven in de vrije natuur. Hiermede zijn wij aangekomen in de bezoeksfeer van Breda, want gewoonlijk brengt men van Breda uit een bezoek aan het Liesbosch. Wij, wandelaars of trekkers door het geheele land, volgen niet steeds de gewone routes of gaan niet altijd uit van de centra van het drukke verkeer. Toch willen wij het Liesbosch brengen in den kring van Breda.
BREDA EN OMSTREKEN.
I. HET LIESBOSCH EN PRINSENHAGE.
Het Liesbosch is een statig bosch van meest opgaand eiken- en sparrengeboomte, dat zijn naam dankt aan het dorpje "Lies", iets zuidelijker gelegen. Regelmatig wordt het van rechthoekig elkander kruisende lanen doorsneden, terwijl tusschendoor enkele boschpaden kronkelen. Een der lanen, de Torendreef, dankt haar naam hieraan, dat zij recht op den toren van Breda uitziet. Hoewel regelmatig aangelegd, heeft het Liesbosch veel bekoorlijks door zijn frisch karakter, zijn rustig geheel, nog niet voortdurend platgetreden door bezoekers; op vele plaatsen laat men de natuur vrij in haar scheppingen. Vooral in Mei en Juni, als de rijkdom aan gevleugde boschbewoners hier hoogtij viert in 't jeugdig groen, lokt het Liesbosch bij vroegen morgen en laten avond als een feestzaal der natuur, die kracht tot nieuw leven schenkt.
In 't blonde bosch, in 't groene bosch Vol wiegelende, wuivende ranken, Vol vluchtige schaduw en biegegons En weemlende vonken op stammenbrons En pluimige varens en mossendons, Zwol 't hart mij van jublende klanken.
In 't blonde bosch, in 't groene bosch, Waar speelzieke windekens zweven, Is 't harte opnieuw mij opengegaan... 'k Zag alles in lentezonneglans staan, En 't lentezonnetje lachte mij aan: Nieuw groen, nieuwe bloemen, nieuw leven!
Marie Boddaert.
In het midden van het bosch ongeveer staat de boschwachterswoning, een eenvoudige, landelijke, maar goede uitspanning. Verderop ligt het Jachthuis. Dit gebouw roept herinneringen wakker aan Prins Willem III, die hier gaarne vertoefde voor de jacht op de herten, welke door de Heeren van Breda in het bosch werden onderhouden, maar die na den dood van Willem III verdwenen. Het tegenwoordig gebouw is als zoodanig in 1843 gebouwd door Prins Frederik der Nederlanden, doch staat na diens dood zonder doel. In de nabijheid liggen de vijver en de zoogenaamde Doolhof, een tuin met sterk kronkelende paden.
Het 200 H.A. groote Liesbosch is een aangename zomerverblijfplaats. Goede hôtels vindt men hier langs den weg, die den natuurzoekenden een degelijk verblijf aanbieden, in voldoend aantal. Het bosch treft niet zoozeer door indrukwekkende verrassingen als wel door liefelijkheid, rust en goede lucht, welke indruk door een langer verblijf eerst zeker wordt. Dit zijn eigenschappen van het geheele Brabantsche landschap: men moet er vertrouwd mede zijn, om het lief te hebben.
Wij vervolgen den weg en bereiken het dorp Prinsenhage, ook wel 's Princenhage genoemd, in ouden tijd als Mertensheim en Matersem bekend. Het is een groot dorp met een ruime markt en heeft door zijn fraai geboomte een vriendelijk aanzien. De villa's in de nabijheid, enkele tot buitens uitgebreid, de welige bouwakkers, die het dorp omsluiten, geven het geheel een landelijk, aangenaam karakter. Bovenal wordt het dorp veel bezocht en ook bewoond, omdat het Liesbosch in zijn nabijheid ligt.
De oudheidkundige wandelaar zal hier weinig belangrijks ontdekken. Prinsenhage heeft geen oude gebouwen, om op te roemen, en de bewoners zijn om Breda, meer dan ergens elders in de baronie, door de vele vreemdelingen gemoderniseerd. Prinsenhage, Breda en Ginneken hebben ten deele het Noord-Brabantsche kleed reeds afgelegd. Wij betreuren het, dat die oorspronkelijke plekjes, waar men zich kan terugtrekken van het woelige leven, die zichzelf gebleven zijn trots het stormen der tijden, voortdurend minder worden. Waar zullen onze kinderen en kindskinderen nog uitrusten van de vermoeienissen dezer meer en meer overprikkelende maatschappij? Of zal die maatschappij zelf dan hebben uitgediend, en zal de rustige sluier van tevredenheid, van rust, van kalmte, zich over de geheele menschheid hebben uitgebreid, om allen te doen zijn als vredelievende broeders in één gezin?
Wij zullen ons niet verder in de philosophische oplossing van het sociale vraagstuk verdiepen, niet gaan phantaseeren over de eeuw van broederschap en gelijkheid, niet de vraag bespreken, of die door sociaal-economen of door predikers in den tempel zal worden of wordt voorbereid. Wij zien nog even rond door het dorp, bezien de prachtige Katholieke kerk, ook den antieken predikstoel der Protestantsche kerk, slaan een blik op de fraaie hardsteenen zuil, die door de gemeentenaren op de markt geplaatst werd ter herinnering aan de troonsbestijging aan H.M. Koningin Wilhelmina, en wandelen of rijden verder naar Breda.
Deze weg, vroeger door een dubbele rij lommerrijke boomen als een der mooiste Brabantsche wegen geroemd, is door zijn bebouwing met kleine huisjes minder mooi dan in vroeger tijden. Hoewel enkele villatjes aan den weg verrijzen, heeft men hier toch op de meeste plaatsen nog een vrij uitzicht over het Brabantsch landschap. Een fabriek tot verduurzaming van fruit en groenten en tot fabricage van jams wijst er op, dat Prinsenhage een gebied is, waar de fruit- en groententeelt met ijver gedreven wordt. Zoo bereiken wij spoedig de moderne en tegelijk oude stad Breda.
II. DE STAD BREDA.
Breda, hoewel niet de hoofdstad, is ongetwijfeld voor vreemdelingen de meest aantrekkelijke en ook de meest bezochte stad van Noord-Brabant. Evenals Haarlem en Den Haag in Holland, Arnhem, Nijmegen en Apeldoorn in Gelderland centrale punten zijn, waar het vreemdelingenverkeer zich op richt, is Breda dit in het zuiden. Niet alleen vormt Breda met zijn omstreken een oord, waar men gaarne enkele dagen doorbrengt, maar tevens kiezen velen hier of in den omtrek voor goed hun woonplaats, als de moeitevolle levenstaak is volbracht, en men in de Brabantsche lucht een welverdiende rust hoopt te smaken.
Daardoor is Breda sedert tal van jaren van een Noord-Brabantsche stad in een nationale nederzetting veranderd, waar bewoners, afkomstig uit schier alle provinciën van Nederland, zich hebben gevestigd, hetzij tijdelijk of voor goed. Als men de resultaten der volkstelling nagaat, blijkt het, dat in geen andere plaats van Noord-Brabant zoovelen wonen, die uit andere provinciën geboortig zijn, als hier. Door die samenstrooming van bewoners uit alle oorden is de toeneming der bevolking dan ook zeer aanzienlijk, zonder dat de nijverheid of andere nieuwe en zich uitbreidende bronnen van bestaan daarvan de oorzaak waren. Het aantal bewoners der gemeente Breda is daardoor van 8200 in 1796, tot 14700 in 1850 en tot 26000 in 1900 toegenomen. Doch deze cijfers geven geenszins de werkelijke toeneming van de bevolking der nederzetting aan, want de gemeente Breda heeft nauwe grenzen en buiten het gemeentegebied heeft de toenemende bevolking zich gevestigd in de gemeenten Teteringen, Ginneken en Prinsenhage, zoodat de aansluitende stadsgedeelten niet tot één gemeente behooren.
Al spoedig kan men bij het doorwandelen van Breda dan ook bemerken, dat er twee stadsgedeelten te onderscheiden zijn: de oude stad, met een karakteristiek, grootendeels Brabantsch uiterlijk, en een nieuwe stad, met karakterloozen bouw als overal, die door modernen aanleg en nieuwe huizen het oude Breda omgordt aan schier alle zijden, en zich bovenal met een lange, aaneensluitende straat naar Ginneken uitbreidt, terwijl evenwijdig daarmede een nieuwe boulevard naar het Mastbosch in aanbouw is.
De oude stad vormt een centraal gedeelte, in bijna cirkelvormige gedaante gebouwd, zooals de meeste oude vestingen; de nieuwe stad vormt stadsgedeelten van onregelmatige gedaante, zich nu hier, dan daar meer uitbreidend, al naar de omstandigheden dit bevorderen.
Breda heeft zijn ontstaan te danken aan de samenkomst van Mark en Weerijs, die, hier vereenigd, een breeder water vormen, dat misschien oudtijds breede Aa genoemd werd, en den naam gegeven heeft aan de nederzetting, welke hier ontstond als locaal handelscentrum. Het water beneden dit punt van vereeniging, de Mark, gaf gemeenschap met de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche wateren en tot Breda kon men er goed opvaren, terwijl hoogerop het verkeer per as moest plaats hebben. Zoo vormde deze plek een overgang van het verkeer te water tot dat te land en omgekeerd, een doorgangsplaats, en de bedrijvigheid, hierdoor ontstaan, alsmede het samenkomen der wegen, leverde voordeelen, welke hier al vroeg een stad deden opbloeien. Het kasteel, dat in den tijd der Noormannen tusschen 840-845 door de Denen hier gebouwd zou zijn, vormde een bescherming der bewoners, welke er zich gevestigd hadden, en men meent, dat reeds in 888 Breda een stad zou zijn geworden, doordien Witger IV, de zevende graaf van Strijen, het kasteel en de huizen door een muur omringde. Ofschoon hieromtrent geen voldoende zekerheid bestaat, kan men wel als zeker aannemen, dat in 1252 Breda stadsrechten verkreeg.
Jan van Polanen, Heer van de Lek, werd in 1350 door koop eigenaar van het Land-van-Breda en begon de stad met hooge muren te omringen, welk werk eerst in 1410 werd voltrokken en waardoor de stad een bijna ronde gedaante verkreeg. Het toen ingesloten gedeelte vormt nog de eigenlijke binnenstad, een naam, die er voor bewaard bleef. Doch de toenemende burgerij kon weldra geen voldoende plaats vinden binnen deze muren; er ontstonden om de stad kleine voorsteden, en in 1531 werd, door toedoen van Hendrik van Nassau, besloten, de versterkingen uit te breiden. De nieuwe wal was in 1536 gereed, waarna de oude versterkingen werden afgebroken. De vestingwerken werden telkens nog gewijzigd; in 1578 werden onder Prins Willem I in plaats van ronde torens bolwerken aangelegd en onder Prins Willem III werd Breda door den beroemden vestingbouwkundige Menno van Coehoorn van nieuwe wallen en versterkingen op staatskosten voorzien. Zoo verkreeg de stad de gedaante, die zij in het eerste gedeelte der 19e eeuw nog bezat. In 1865 werden de verdedigingswerken nog hersteld, doch na den aanleg der Staatsspoorwegen is Breda als vesting opgeheven en in plaats daarvan werd de stad met vriendelijke singels omringd.