Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 33

Chapter 333,693 wordsPublic domain

Kloosters treft men er schier overal aan, in vele plaatsen meer dan een. Het aantal geestelijke zusters in deze provincie is zeer aanzienlijk; schier in elk dorp en voor een groot gedeelte ook in de steden hebben zij het onderwijs van de vrouwelijke jeugd in handen. Maar ook de monnikenkloosters nemen er in de laatste halve eeuw weer sterk toe; de monniken deden hier soms groote gebouwen met een uitgebreide industrie verrijzen, zooals de Trappisten in de Schaapskooi bij Tilburg; elders wisten zij de oude kasteelen in hun bezit te krijgen. Sedert de aanzienlijke heeren met het te gronde gaan der heerlijke rechten en de gewijzigde eischen des levens in den modernen tijd hun groote buitens meer en meer verlieten, werden die veel door monnikenorden gekocht en in kloosters veranderd. Op de binnenplaatsen en in de schoone slotgaarden, waar eens de adellijke jonkvrouwen zich vermaakten, waar die slanke gestalten rondzweefden in zijde en satijn, ziet men thans de monniken of geestelijke zusters rondwaren, gebeden opzeggend of penitentie oefenend.

Vroeger vond men veel meer kasteelen in Noord-Brabant; bijna elk groot dorp had er een. In de werken van Jakob le Roy, "Groot wereldlijk tooneel des hertogdoms van Brabant", in 1730 verschenen met 188 kopergravuren, vindt men die kasteelen afgebeeld en eveneens kan men ze leeren kennen in het werk van de Cantillon, "Vermakelijkheden van Brabant en deszelfs onderhoorige landen", met 200 kunstplaten, van 1768-70 verschenen. De trotsche kasteelen, die hun muren uit de grachten deden verrijzen en door hun bouw herinnerden aan den riddertijd, zijn meest alle verdwenen; enkele overgeblevene zijn gemoderniseerd. De bevolking is er echter nog mild met de benaming "kasteel", welke niet zelden ook aan een gewoon heerenhuis gegeven wordt.

Als echte kasteelen kunnen wij nog wijzen op dat van Helmond, Croy (thans klooster) en Heeswijk; ook Bouvigne heeft nog een kasteelachtig uiterlijk.

Noord-Brabant ontleent zijn naam aan het oude landschap Brachbant, bij Latijnsche schrijvers Bracbantum of Bracbantia geheeten, dat ten W. en N. aan de Schelde, ten O. aan de Dender en ten Z. aan de Haine grensde en dus het zuidoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Oost-Vlaanderen en het westelijk gedeelte van Henegouwen besloeg. Dit oude Brachbant breidde zijn grenzen uit over de nabijgelegen landstreken en verkreeg den rang van een hertogdom. Het hertogdom Brabant grensde ten N. aan Holland en aan de Maas, die het van het hertogdom Gelder scheidde, ten O. aan het hertogdom Gelder en het Prins-Bisdom Luik, ten Z. aan het graafschap Namen, ten Z.W. aan het graafschap Henegouwen, ten W. aan het graafschap Vlaanderen en voor een klein gedeelte aan het markgraafschap Antwerpen. Door die uitbreiding en door den rang van hertogdom was Brabant voor het einde der grafelijke regeering een aanzienlijk gewest der Nederlanden, welks staten bij de algemeene vergaderingen een eersten rang innamen en de eerste stem voerden. Daar Brabant ongeveer te midden der andere provinciën gelegen was, had ook de Gouverneur- (of Gouvernante) Generaal zijn zetel in dit gewest, nl. te Brussel, en het opperste gerechtshof, dat zijn rechtspraak over alle Nederlanden uitstrekte, werd door Filips den Schoone in 1504 binnen een der steden van Brabant, nl. te Mechelen, geplaatst.

Gedurende den tachtigjarigen oorlog werd het vroegere hertogdom verdeeld en het noordelijk gedeelte vermeesterd door de Staten der Vereenigde Nederlanden. Dit gedeelte stond gedurende den tijd der Republiek als Staats-Brabant bekend en behoorde aan de Generaliteit. Het omvatte het vroegere kwartier van 's-Hertogenbosch, d. i. de stad en de Meierij van 's-Hertogenbosch, de stad en het Markgraafschap Bergen-op-Zoom, de stad en de Baronie van Breda, de heerlijkheid Steenbergen, de heerlijkheid Willemsstad, de stad Grave en het Land-van-Kuik, de vrije heerlijkheden Ravestein en Megen en nog enkele kleinere deelen. De noordelijke streek, ongeveer tot de lijn 's-Hertogenbosch-Klundert, waartoe de dorpen der Langstraat, Geertruidenberg, Lage-Zwaluwe, enz. behoorden, maakten in dien tijd deel uit van Holland.

Uit dit Staats-Brabant werd de provincie Noord-Brabant gevormd, met eenige wijziging der grenzen. In het noorden werd Noord-Brabant uitgebreid tot de groote rivieren en werd er dus een deel van Holland aan toegevoegd. Hier kan men nog duidelijk den vroegeren Hollandschen invloed ontdekken bij de bewoners. Terwijl overigens Noord-Brabant meest Katholiek is, vindt men hier nog de meeste Protestanten.

Noord-Brabant is een vroeg bewoond gewest. Hier woonden, volgens Plinius, in het westen de Taxandriërs en in den Karolingischen tijd strekte zich hier de gouw Taxandrië uit, naar de Taxandriërs aldus genoemd, terwijl in het oosten, langs de Maas, de Mosago, de Maasgouw, lag.

Zijn vaste bevolking ontving het land door Frankische stammen. De sporen van deze oorspronkelijke bevolking zijn nog bewaard gebleven in de taal, die een zuiver Frankisch dialect vormt. Prof. Te Winkel verdeelt deze taal in twee afdeelingen: in West-Frankisch en Oost-Frankisch. Het zuiver West-Frankisch wordt gevonden in: 1. Oost-Vlaanderen, 2. het westelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 3. het westelijk gedeelte van de provincie Antwerpen, 4. het westelijk gedeelte der Bommelerwaard, de Tielerwaard en de Betuwe. Het zuiver Oost-Frankisch wordt gevonden in: 1. het Land-van-Maas-en-Waal, 2. het oostelijk gedeelte der provincie Noord-Brabant, 3. het oostelijk gedeelte der provincie Antwerpen, 4. het oostelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 5. in Belgisch Limburg, 6. in het grootste gedeelte van Nederlandsch Limburg.

In het oosten van Noord-Brabant is de Peel, die eeuwen lang een moeras vormde, dat moeilijk kon worden overgestoken, de grens van het zuiver Oost-Frankische taalgewest. Ten oosten van de Peel, langs de Maas, in het Land-van-Kuik en in het Land-van-Nijmegen, is het Oost-Frankisch met Saksische elementen vermengd, al is het ook weinig. De Saksische elementen, die zich ten O. van de Peel in het Frankisch oplosten, bleven door gemis van verkeer voor de gewesten ten W. van de Peel uitgesloten. Daardoor werd de Peel een grens voor de dialecten.

Het oud-Frankische karakter spreekt ontegenzeggelijk duidelijk uit de landbevolking van Noord-Brabant. De Franken worden gekenschetst als vriendelijk, zacht van karakter, met goedhartige, gulle inborst en met gehechtheid aan het oude, eigenschappen, welke men hier meer dan ergens elders terugvindt. De Franken zijn gehecht aan hun geboorteland, geen landverhuizers, en zoo is ook hier de landverhuizing geringer dan in eenige andere provincie van Nederland hoewel de economische toestanden er minder gunstig zijn.

Eenvoudig zijn de Brabanters in hun leven, in hun huis, op hun akker, met hun rijtuig, op den weg. Welk een verschil tusschen den Brabantschen boer op den weg met den Hollandschen, Groningschen of Frieschen vergeleken. Geen sierlijke rijtuigen vindt men in Noord-Brabant bij de boeren, waarmede zij uitgaan of naar de stad rijden. Men ziet hier enkel de zwaar gebouwde, ruw bewerkte karren, met witte huiven overdekt en nauwelijks geverfd, vervoermiddelen, welke weinig zullen verschillen bij die uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Het paard schommelt in rustigen stap over den weg, terwijl veelal de voerman er naast loopt of op zijde van het inspan zich plaatst en door het klappend geluid van de zweep en het eigenaardig geroep, dat het paard verstaat, het dier leidt. Zij kennen elkander, de omgang is vertrouwelijk. Nergens wordt ook zooveel zorg besteed om de paarden tegen den hinder van vliegen te beschermen, als hier. Overal ziet men in den zomer vliegennetten, terwijl groene struiken het dier om den kop wuiven. Zoo gaat het in eentonige cadans over de wegen.

Melancholiek is 't klinken van de bellen Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand; Het opgeschoffeld zand zweeft naar den kant En gansche zwermen vliegen vergezellen

Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen; Den kop omlaag, door 't kwastig net omrand, Zoo trekt het dier langs 't hooge, dorre land De tweewielskar en blijft eentonig schellen.

En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld, In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang; Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt, Hoog klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang; Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld En sukk'len samen voort, hun leven lang.

Aldus teekent Dr. Schepers den Noord-Brabantschen boer op weg. In die stootende karren en het belgeklank ruischt een weemoedige landschapsmuziek, welke men in de noordelijke gewesten, waar wagens op vier wielen gebruikt worden, mist. Ook Guido Gezelle had die muziek opgemerkt in zijn land.

Ze stappen, hun bellen al klinken, de vrome twee horsen te gaar; ze zwoegen, ze zweeten, en blinken doet 't blonde gelijm van hun haar.

Ze stappen, ze stenen, ze stijven de strengen, en 't ronde gareel het spant op hun spannende lijven, de voerman beweegt ze aan een zeel.

Daar Noord-Brabant langen tijd als een overwonnen gewest beschouwd werd, twijfelde men wel eens omtrent zijn gehechtheid aan de Republiek, te eerder daar de overheerschende godsdienst meer overeenkwam met dien van de zuidelijke Nederlanden. Maar al was de behandeling dezer landen vroeger geenszins die van een gelijke, al misten de Brabanters de rechten der overige provinciën, toch bleven zij trouw aan den staat, waarmede zij vereenigd waren, aan den Prins, dien zij beschouwden als hun heer. "Onder die burgers blijkt ingeboren getrouwicheyt tot haeren naturelycken landsheere, want sy altoos bereit syn geweest mit haren prince te leven ofte sterven", werd van hen getuigd.

Den Landsheer trouw tot in den dood! Zwoer Brabant eeuwen lang, Der vaadren leuze in vrede, in nood, Zij nu der zonen zang.

U klinke ons lied, 's lands Hooge Vrouw, U, vorstlijk maagdelijn, 't Moge U de tolk van Brabants trouw, Van Brabants liefde zijn.

klonk het in Mei 1894, bij het bezoek van H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes, in Den Bosch den Vorstinnen uit volle borst tegemoet. En waar wij reisden in Brabant, overal vonden wij er trouwe gehechtheid aan ons vorstenhuis. Ik zag dat het sterkst in de sombere dagen der ziekte van H. M., toen ik hier ronddoolde. Schier geen afgelegen dorp, dat ik bezocht, of de eenvoudige menschen, die vernamen, dat ik uit Den Haag kwam, vroegen het eerst naar de gezondheid van H. M. de Koningin.

Wij zullen thans ons tochtje door Noord-Brabant gaan maken en aanvangen in het westen.

II. DOOR NOORD-BRABANT.

BERGEN-OP-ZOOM.

Wij beginnen onze wandelingen door Noord-Brabant in het westen, om aan te sluiten bij het vroeger betreden gebied. Daar, op de helling der hooge zandgronden, die zoo hier en daar met boschrijke heuvelrijen opdoemen voor het oog, als men van Zuid-Beveland over den dam door de Ooster-Schelde en langs de aangeslibde bedijkingen in dezen vroegeren waterarm Noord-Brabant nadert, ligt Bergen-op-Zoom. Valt het te bevreemden, dat men hier sprak van "bergen op den zoom" der zandgronden, waar die aan het water grenzen? In elk geval, welke etymologie ook wordt gevonden, de naam der plaats wordt voldoende verklaard uit de natuurlijke gesteldheid des lands en de ligging. Want Bergen-op-Zoom is gebouwd op een afwisselend, heuvelachtig terrein en ook in den omtrek worden vele, betrekkelijk hooge heuvelen gevonden, waarvan echter in 1622 bij de belegering der stad door de Spanjaarden enkele werden weggegraven. Dat de naam der stad afgeleid zou zijn van het onbeduidende watertje de Zoom, is al zeer onwaarschijnlijk.

Naar het westen schuift Bergen-op-Zoom langs de haven vooruit tot nabij den oever der Ooster-Schelde, terwijl de haven, met een reeks van oesterputten daar langs, als een scherp toeloopende neus in het water vooruitsteekt tot de vervallen Waterschans, aan welken uithoek men de Schelde voor zich ziet liggen in al haar eigenaardigheden. Bij vloed schuimt het breede water met woeste slagen als een woelige zee op het land aan, om zijn vraatzucht hier bot te vieren, gramstorig, dat het niet meer kan heerschen als voorheen. En bij eb laat de Schelde sarrend nog de overblijfselen van verloren land aan den toeschouwer zien: de Molenplaat in het westen en het Verdronken Land van het Markiezaat van Bergen-op-Zoom in het zuiden--slibvlakten, grijszwart glinsterend in het zonlicht, van enkele kreeken doorsneden.

Bergen-op-Zoom is een oude nederzetting. Ongetwijfeld heeft de vestiging van visschers op een veilig punt in de nabijheid van het breede water medegewerkt tot het ontstaan van het plaatsje in de bergen op den zoom, die min of meer herinnerden aan de nederzettingen der visschers in de duinen. Reeds in de 8e eeuw werd door Geertruida, de dochter van Pepijn van Landen (den hofmeier van Dagobert, koning der Franken) hier een kapelletje gesticht. Deze kapel stond aan den oever der Schelde nabij een bron, die onophoudelijk zoet water gaf en als de St.-Geertruidsbron bekend was. Aan het water van deze bron werden lang geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven, zoodat de geneesheeren van den zieken Frederik Hendrik nog voorschreven, het naar Den Haag te voeren, om het den Prins aan tafel te doen gebruiken, hetgeen bij de ambassadeurs van Frankrijk navolging vond. Doch sedert het begin der 17e eeuw is deze bron langzamerhand vergraven en in haar voedingsvermogen verzwakt, zoodat zij geheel verloren is gegaan. Het komt ons voor, dat ook de Geertruidapolder bij de stad ter herinnering aan Geertruida aldus is genoemd.

Bergen-op-Zoom was gedurende de middeleeuwen tot een welvarende, levendige handelsstad opgebloeid. De ligging aan den bevaarbaren stroom, waarlangs de Engelsche schepen konden naderen, de vrijheid van tollen in geheel Holland en Zeeland, door Hertog Albrecht van Beieren aan haar bij giftbrief van 1395 verleend, deden haar opkomen tot een belangrijke handelsplaats, waar groote missen werden gehouden, welke zelfs met die van Antwerpen concurreerden. Vreemde kooplieden vestigden zich hier en vooral Engelschen zag men er, zoodat een straat naar hen genoemd werd; de naam Engelsche straat herinnert nog hieraan. Men had hier zelfs een beurs, vóór die te Amsterdam; een lakenhal, een huis voor de Hanze en een levendige goud- en zilversmidsnijverheid. Maar Bergen-op-Zoom moest weldra voor het gunstiger gelegen Antwerpen onderdoen, en in den tijd der Spaansche beroerten, toen Antwerpen zijn bloei zoozeer aan het kwijnen zag geraken, ging Bergen-op-Zoom nog meer achteruit en werd de beursstad van voorheen een kleine, landelijke vesting met een beperkten, localen handel en eenige visscherij.

Als vesting heeft Bergen-op-Zoom onderscheidene belegeringen doorstaan. In 1577 werd de stad aan de Staatsche zijde gebracht en in 1588 en 1622 werd zij vruchteloos door de Spanjaarden onder hun grootste veldheeren, Parma en Spinola, belegerd. Vóór 1747 was deze veste nooit door een vijand ingenomen, doch den 16en Sept. van dat jaar werd zij na een zwaar bombardement, dat haar verschrikkelijk teisterde, door de Franschen onder Löwenthal bemachtigd. Den 18en Maart 1814 poogden de Engelschen haar bij verrassing te nemen, doch toen zij in de stad waren, werden de aanvallers door de bezetting gevangen gemaakt of verdreven met groote verliezen.

Bergen-op-Zoom werd, vooral in den tijd van Willem III, onder leiding van den beroemden Menno van Coehoorn, tot een meesterstuk van vestingbouwkunst gemaakt. Sedert 1867 evenwel is de stad ontmanteld; zij breidt zich thans uit met nieuwe gedeelten over de geslechte wallen en vestingterreinen.

Wanneer wij Bergen-op-Zoom doorwandelen, zien wij in het stadsbeeld, met zijn geconcentreerden bouw, met het marktplein in het midden en de daarop uitloopende, smalle straten, nog duidelijk het karakter van de vroegere vesting. Groote gebouwen en belangrijke pleinen vindt men er niet vele, het marktplein uitgezonderd; over 't geheel heeft de stad een niet onwelvarend, burgerlijk aanzien.

Aan het driehoekige marktplein trekt het stadhuis door zijn hoog dak en gekanteelden trans, doch overigens met renaissance karakter, met gevelbeelden en hardsteenen bordes, onze aandacht. Waarschijnlijk dagteekent de bouw gedeeltelijk van den oudsten tijd, omdat het raadhuis bij den brand van 1397 gespaard bleef, gedeeltelijk van na 1611. In de ruime vestibule van het stadhuis vindt men de wapenschilden der heeren, die vroeger over Bergen-op-Zoom hebben geregeerd. Sedert 1533 toch was Bergen-op-Zoom door Keizer Karel V tot een markgraafschap verheven, dat door de geslachten van Merode, Wittem, Bergh, Hohenzollern, de la Tour d'Auvergne, Aremberg en Sulzbach achtereenvolgens bezeten werd, totdat bij de revolutie in 1795 de waardigheid van markgraaf met andere heerlijke rechten vervallen werd verklaard.

In de trouwzaal van het stadhuis vindt men de prachtig gebeeldhouwde schouw, welke, evenals de hier aanwezige geschilderde portretten, afkomstig is uit het Markiezenhof. Deze schouw wordt als een der vroegste voortbrengselen der renaissancebeeldhouwkunst beschouwd en toegeschreven aan den beeldsnijder Mattheus Keldermans uit Antwerpen. Sommige onderdeelen dragen zeer duidelijk een klassiek karakter; andere, evenals het plan der versiering, herinneren sterk aan de Gothiek.

Ook de zoogenaamde "Witte zaal", die gewoonlijk gebezigd wordt voor de zittingen van den Raad, geeft kunstig beeldsnijwerk te bewonderen en onderscheidene portretten van doorluchtige personen.

Van het raadhuis schuin de markt overgaande verrijst vóór ons de Hervormde kerk, die met haar zwaren, langen toren zich verschuilt achter burgerlijke huizen. Nadat de eerste kerk, door de H. Geertruida in 654 gesticht, in 1397 in de asch gelegd was, werd in 1442 door Jan van Glimes terzelfder plaatse een nieuw kerkgebouw gesticht, veel prachtiger dan het vorige, met een fraaien toren aan de westzijde en een torentje op het kruis. Doch bij de belegering in het jaar 1622 werd het oostelijk gedeelte van dit sierlijke gebouw verwoest, en gedurende de belegering van 1747, toen de stad door de bommen en gloeiende kogels der Franschen geteisterd werd, geraakten kerk en toren in brand, waardoor beide binnen korten tijd geheel vernield werden. Nadat eerst het houtwerk was uitgebrand en alleen het geraamte bleef staan, viel dit later ook in. Uit liefdegaven, in 1749 door het geheele land ingezameld, werd een nieuwe kerk opgebouwd, die in 1752 werd ingewijd, maar op verre na zoo groot en fraai niet is als de vroegere kerk.

Het merkwaardigste gebouw van Bergen-op-Zoom is het Markiezenhof, tegenwoordig de kazerne, in de Steenbergsche straat. Al kan men thans nog gemakkelijk zien, dat dit gebouw een groote architectonische beteekenis moet gehad hebben, maakt het geen diepen indruk meer, behalve op den kunstkenner. Hier resideerden eens de markiezen van het markgraafschap. Het Markiezenhof werd tusschen 1470 en 1480 door heer Jan van Glimes, bijgenaamd "Jan met de lippen", gebouwd, die het vorstelijk liet inrichten met eigen bierbrouwerij en broodbakkerij op de terreinen. Ook de latere heeren hielden hier verblijf en trokken van het Markiezenhof dikwijls ter jacht in hun gebied. Van het tegenwoordige Beursplein voor de kazerne, vroeger een veel grootere ruimte, met linden beplant, klonken destijds herhaaldelijk de vroolijke tonen des jachthoorns.

Het Markiezenhof is inwendig geheel veranderd; alleen de mooie, lange, gerestaureerde voorgevel met zijn kunstig gesmede ijzeren tralies voor de vensters, in onderscheidene trapjesgevels uitloopend en met fraaie boogpoort, geeft nog een denkbeeld van de vroegere pracht van het gebouw in zijn welstand. De hooge, achtkante toren, waarvan op de binnenplaats een gedeelte nog te zien is en die vroeger hoog boven het dak van het gebouw uitstak, van welks platform men een verrukkelijk gezicht had over het schilderachtig terrein der omstreken, werd waarschijnlijk bij het bombardement in 1747 vernield.

Veel belangrijke gebouwen zien wij in Bergen-op-Zoom niet. Van de oude stadspoorten is de Gevangenpoort in het westelijk eind der Lieve-Vrouwestraat nog in wezen, die aan deze straat een schilderachtig voorkomen geeft. Het is een zwaar gebouw, met trapjesgevel in het midden en zijtorens, thans midden in de straat staande, omdat de stad zich sedert zijn bouw naar den kant der Schelde uitbreidde en meer vooruitgeschoven verdedigingsliniën de poort in tweede linie brachten. Die geschiedenis der stadsuitbreiding geeft aan de poort een ethnographische beteekenis. Deze poort verdeelt eigenaardig de bevolking der stad in twee gedeelten, die in afkomst verschillen. Aan den kant der Schelde wonen uit den aard der zaak meest visschers en schippers, die voor het meerendeel Protestanten zijn. Aan dien kant draagt de stad, evenals het geheele landschap, een Hollandsch karakter.

Doch aan de oostzijde der Gevangenpoort mist men vaarten en bruggen en bemerkt men onmiddellijk, op Brabantsch grondgebied te zijn. Hier hebben weinigen iets met de Schelde te maken; hier is men in een landstad, waar de meesten hun bedrijf hebben in handwerken, nering en landbouw. In dit gedeelte is de bevolking voor de meerderheid Katholiek.

DOOR HET WESTEN VAN NOORD-BRABANT EN NAAR BREDA.

Wij verlaten het stille stedeke, om Brabant in te trekken.

Naar het noorden kunnen wij den weg kiezen langs Halsteren. Ongeveer midden tusschen Bergen-op-Zoom en Halsteren loopt links een zandweg met eenige bochten naar een tamelijk hoogen heuvel, met kreupelhout begroeid, den Heiberg of Spinolaberg. Een pad voert door het dichte bosch naar boven en van deze hoogte heeft men prachtige vergezichten over het lage polderland.

Op den voorgrond verrijst Tolen, welks zware kerktoren zich plomp opbeurt tegen de blauwe lucht; in het midden ligt Halsteren, waar de gewitte muren der huizen en van den St. Anthoniusmolen met de spits der kerk wedijveren om in dit landschapsbeeld het meest uit te komen. Van zijn kwartier op deze hoogte zou Spinola in 1622 Bergen-op-Zoom met begeerige oogen hebben gadegeslagen, zonder dat het hem evenwel gelukte, de stad te vermeesteren.

Het dorp Halsteren is evenals Bergen-op-Zoom op den rand der hooge zandgronden gelegen. Het is een schilderachtig dorp met een kerk uit de 14e eeuw, een bouw, zooals men slechts weinig in het zuiden van het land aantreft; te Nuland-Geffen vindt men er een in dien geest. Te Halsteren buigt een weg zich af, die door de lage aangeslibde landen en over de Eendracht naar Tolen loopt. Voorbij Halsteren gaat de andere weg in noordelijke richting naar het oude stadje Steenbergen, dat wij reeds vroeger, pag. 196 van dit deel, leerden kennen.

Wij willen in gedachten den weg nog vervolgen naar het oude stadje Zevenbergen. Hoeveel overeenkomst ook het landschap met Holland aanbiedt, te Zevenbergen bemerken wij toch onmiddellijk, dat wij niet in een Hollandsch stadje zijn. De echt Hollandsche zindelijkheid vindt men hier niet meer; de muren der huizen geven daarvan zelfs blijken. Het plaatsje heeft niets merkwaardigs; het is grootendeels uit lage, burgerlijke huizen gebouwd en heeft een verbreeding in het marktplein, dat met iepeboomen is beplant. Thans is het er, buiten den tijd der suikercampagne, benauwend stil.

De suikerfabrieken, die hier goede grondstof vinden, brengen er tijdelijk eenig leven in het najaar. Eens moet Zevenbergen een vrij aanzienlijke handelsstad geweest zijn. Dat was in den tijd vóór de groote overstrooming van noordelijk Noord-Brabant in 1421. Zelfs was hier korten tijd de munt van Holland gevestigd, toen Filips van Bourgondië haar wegens twisten met Dordrecht aan deze stad ontnam. Doch reeds in 1433 werd deze munt te Zevenbergen weder opgeheven en sedert lang ligt het stadje in de stille rust van een vergeten landplaatsje. Het slot, dat zich hier eens verhief, werd reeds in 1427 verwoest en is nooit meer opgebouwd.