Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 31
Een welbebouwde straat voert ons naar de markt, een ruim, langwerpig plein, ingesloten door vele nieuwe gebouwen, maar eveneens eenige met trap- en puntgevels. Enkele dagteekenen nog uit den tijd, toen prins Maurits, na een beleg van zeven dagen, deze bijna onneembare vesting innam, 10 Mei 1604. Maurits deed dien voorburcht van Zeeland met geduchte versterkingen omringen. In Oct. 1830 deed het bendehoofd, Ernest Gregoire, de Belgische vlag hier op den toren plaatsen, maar spoedig daarna werd die weder door Nederlandsche troepen verwijderd. De vestingwerken zijn in 1842 voor goed geslecht.
Belangrijke gebouwen vindt men er niet. De achtkante koepelkerk (Herv.), die spits toeloopt en in een peer eindigt, is een net gebouw van 1612, maar heeft weinig bijzonders.
Ten N.W. hiervan ligt Schoondijke, eigenlijk Willemsdorp geheeten, een vriendelijke plaats. Tusschen de lage doch nette woningen zien wij hier en daar gezellige tuintjes, in den zomer kleurrijk door tal van pioenen, goudsbloemen en duizendschoonen, omsloten door met zorg geschoren palm- en taxisstruiken. De nederzetting ontstond in 1651 bij het bedijken van het tweede gedeelte van den Prins-Willempolder en werd aanvankelijk Willemsdorp genoemd, maar de herinnering aan de door overstrooming vernielde parochie Schoondijke was nog zoo levendig, dat men de nieuwe plaats aldus noemde.
Van IJzendijke bezoeken wij het door Willem Beukelsz. algemeen bekende Biervliet, thans een dorp met verstrooide huizen. Biervliet was eens een bloeiende stad, waar aanzienlijke edelen en zelfs vorsten van tijd tot tijd, willig of onvrijwillig, vertoefden. Graaf Floris V werd hier een tijdlang door den Vlaamschen graaf Guy van Dampierre gevangen gehouden, en Keizer Karel V zou hier met zijn beide zusters op het graf van Willem Beukelsz. haring hebben genuttigd. Een straat in het vervallen, kleine plaatsje, kaai genoemd, herinnert nog aan de welvarende, machtige zeestad, wier krijgshaftige burgers hun landvorst naar "die landen van over zee" volgden, en de eersten zouden geweest zijn, die de banier met den zwarten leeuw van Vlaanderen op de wallen van Jeruzalem plantten.
In de in 1660 gebouwde, nette kerk herinneren een paar overblijfselen van geschilderde glazen aan Willem Beukelsz., die als de uitvinder of verbeteraar van het haringkaken wordt beschouwd.
Hiermede hebben wij den Braakman bereikt, die Zeeuwsch-Vlaanderen nog in twee gedeelten scheidt. Dit water heeft echter zijn besten tijd reeds gehad en voortdurend wordt het verkleind door vernieuwde inpolderingen. Het gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen ten W. van den Braakman wordt door de Zeeuwen veelal onder den algemeenen naam van "Land-van-Kadzand" aangeduid en de bewoners als Kadzandtenaars.
Wij overzien ten slotte nog, vóór wij dit gebied verlaten, de kleederdracht der landbevolking, hoofdzakelijk in dezen geleid door Dr. de Man.
De Kadzandtenaars zochten in de onrustige tijden, toen dit land veel door de Spaansche of door de Staatsche troepen te lijden had en later bij de invallen van de Franschen, dikwijls veiligheid op het eiland van Walcheren, om later naar hun woonplaats terug te keeren. De overeenkomst in godsdienstige opvatting en strengheid van zeden deed de Kadzandtenaars nader aansluiten bij Walcheren dan bij het zuidelijk Vlaanderen, waarvan zij door religie gescheiden waren. Daardoor had de Kadzandsche kleeding vroeger veel overeenkomst met die van Walcheren, hoewel een gedeelte in dit land ook Vlaamsche kleeding droeg.
Toch bleven in het Land-van-Kadzand de Walcherensche invloeden niet overheerschend. De vele uitgeweken Walen, Franschen, Doopsgezinden en Salzburgers, welke zich hier van lieverlede met de oorspronkelijke bewoners verbonden, terwijl men er tevens veel Katholieken vond, waren oorzaak, dat de bevolking zeer gemengd werd. Wel bleef de grondtrek lang iets Walcherens behouden, doch de invloed van het Belgisch-Vlaamsche neemt hier in de laatste halve eeuw sterk toe wegens de nadere aanraking met België, en doordien het grondbezit voor een groot gedeelte in handen van Belgische heeren is gekomen. Het Walchersche karakter der kleeding is daardoor verloren gegaan.
De kleeding der mannen in het Land-van-Kadzand is geheel burgerlijk geworden. De vrouwenkleeding heeft er nog iets eigenaardigs en is niet Zeeuwsch en niet Vlaamsch, hoewel het eenvoudige, stemmige aan het Walchersche herinnert. Over 't geheel komen de kleeding en mutsen der vrouwen wel iets overeen met die der vrouwen in Overijsel, bij Zwolle. Vroeger had de echte Kadzandsche muts een door karkas rondom het gelaat en ook om de kin gespannen, breeden rand, welke wijd van de wangen af stond. Thans is de muts veel enger, de rand veel smaller en veranderd in een ouderwetsche Hollandsche neepjesmuts, zooals die voor een halve eeuw bekend was. Vroeger droegen de vrouwen hoeden, doch thans ook niet meer.
Van krullen en strikken of van een beugel rondom het hoofd is geen sprake. De ooren zijn vrij en men hangt er lange sieraden in, die men bellen noemt; het zijn puntbellen van nieuwerwetschen vorm en van goud. Het jak der vrouwen is stemmig, veelal donkerbruin van kleur, en wordt van voren zonder eenige elegantie zoo hoog mogelijk tot den hals gesloten. Het onderstuk, de schoot, dien men in Kadzand het "zet" noemt, is buitengewoon lang; de beuk ziet men in 't geheel niet. Een satijnen schort wordt hierbij gedragen, en hoewel de rokken niet zoo talrijk zijn als op Walcheren, kan men toch aan de vrouwenfiguren zien, dat men die meer in aantal draagt dan noodig is tot bescherming tegen de koude.
Wij wenden ons thans naar het oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen. De ruimte verbiedt ons, lang te verwijlen bij dit gewest. Wij zullen er daarom meer een overzicht van nemen dan in een gedetailleerde beschrijving treden, en bezoeken slechts kortelijk enkele plaatsen.
Op de smalle landstrook, die ten Z. van den Braakman nog tot Nederland behoort, ligt het visschersplaatsje Philippine (mosselen en garnalen), eens een vesting, thans niet meer dan een armoedig dorp met veel herbergen. Als eenmaal de Braakman geheel is ingedijkt, wat in een niet ver verschiet het geval moet zijn, zal de visschersbevolking zich van hier moeten verplaatsen.
Zoo komen wij ten O. van den Braakman.
Het westelijk gedeelte van oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen wordt veelal aangeduid als het Land-van-Axel, waartoe ook Ter-Neuzen en Zaamslag behooren, het overige als het Land-van-Hulst. Het valt al spoedig in het oog, als wij het Land-van-Axel doorwandelen, dat de bevolking zich in kleeding, gewoonten en denkwijze onderscheidt van die in het 4e District, maar eveneens van die van het Overkwartier en het Land-van-Hulst. In het oogvallend is in vele opzichten de overeenkomst van de bevolking in het Land-van-Axel met die op Walcheren. Dit verschijnsel valt te verklaren uit de geschiedenis. In het Land-van-Axel kende men slechts één kerk, en wel de oud-Hervormde, doch vroeger gewijzigd door de gestrenge Walcherensche artikelen, en men was er dus kerkelijk in overeenstemming met dat eiland. Verder behoorde het Land-van-Axel in den tijd der Republiek tot het zoogenaamde "Committimus", een gebied in Staats-Vlaanderen, waar Gecommitteerde Raden van Zeeland het hoogste gezag hadden en Zeelands hoofdstad den toon aangaf, terwijl de Generaliteit elders heerschte.
Hierdoor vond men in Axel oudtijds navolging van de Walchersche kleeding, van geloofsijver, van kerkelijke tucht, enz. en toen het aan de zijde der Staten gekomen was, ook afscheiding van het naburige Land-van-Hulst, dat meer Katholiek bleef. In het Land-van-Axel vindt men strenge orthodoxie, die zich scherp onderscheidt van het Katholieke element en ook in kleeding en gebruiken daarvan afwijkt. De Axelaar wil geen Vlaming zijn: hij wil blijven, wat hij was, en heeft daardoor van zijn oud-nationale kleeding nog veel bewaard. Wij leeren de Axelsche kleeding kennen door de voorbeelden op de gekleurde plaat. (Zie ook de fig. op pag. 176).
De mannen hebben de oude kleeding niet zoo goed bewaard als de vrouwen; toch hebben wij daarvan op de plaat nog een voorbeeld. De Axelaar had vroeger, als alle Zeeuwen, zijn knoopen en broekstukken, zijn gebloemden hemdrok, zijn signetten en cachetten, zijn pijpekot en zijn gespen. Fluweel was hier veel meer in gebruik dan op Walcheren, en omdat het een rijke streek was, waren de sieraden er grooter. Veel er van wordt door de erfgenamen bewaard, maar niet gedragen; het ronde hoedje wordt door een pet vervangen, maar de ernst van het karakter en het uiterlijk blijven nog dezelfde als voorheen. Vroeger was het des Zondags aan den hoed te zien, of men een gewoon mensch dan wel een magistraat voor zich had.
De Axelsche boerenmeisjes, vooral de gegoede boerendochters, zijn nog eigenaardig gekleed (zie 6, 7, 12 en 13 der gekleurde plaat). De hooge schoudertoppen, waartusschen het hoofd als is weggezonken, herinneren min of meer aan de kleeding in den tijd van vader Cats, en het geheel dezer vrouwendracht doet denken aan de rijke, maar stijve kleederen der Spanjaarden. Waar de Axelsche kleeding vandaan komt en wanneer deze is ingevoerd, weet men niet. Op de hofsteden wordt de oude kleeding nog gedragen door de meisjes; in de grootere plaatsen, als Axel en Ter-Neuzen, is de gewone burgerkleeding al meest ingevoerd.
Gaan wij enkele deelen dier kleeding nog nader na. Vroeger droeg men hier een stijve Walcherensche muts, en onder den arbeid doet men dat nog, een herinnering aan de betrekking tusschen beide gewesten. In de dorpen en steden dragen de meisjes thans reeds mutsen, overeenkomende met die op Tolen of Schouwen, terwijl overigens de kleeding burgerlijk is.
De oude Walcherensche versierselen worden nog door de landmeisjes gedragen, maar de vormen zijn anders en rijker. De "naelde" van vroeger is afgeschaft, maar de Walcherensche krullen ziet men hier weder. Zij staan loodrecht en worden veel hooger gedragen, niet naast, maar boven de oogen. Naast de krullen schitteren bij ongehuwden twee prachtige spelden of knoppen, zooals men ze niet op Walcheren, maar wel op Tolen ziet; zij zijn van goud, met of zonder pareltjes er bij. Aan de krullen hangen geen bellen, zooals bij de dames in de steden, maar andere "hangers", die prachtig en zeer groot zijn, met steentjes of parelen. Men spreekt hier ook van "strikken", zooals men op Walcheren gewoon is te dragen. Uit alles blijkt, dat de landman hier in den regel ruimer met aardsche goederen gezegend is dan de Walcherensche boer, en dat men, bij allen eenvoud des gemoeds, toch gaarne zijn rijkdom laat uitkomen door een soliede weelde.
De beuk en het doekje, die wij vroeger bij het Land-van-Goes als eigenaardig voor de Zeeuwsche kleeding beschreven, vindt men ook hier terug, maar prachtiger. Het is Vlaamsche sier, die met Zeeuwschen eenvoud vereenigd is, zegt Dr. de Man. Het doekje is echter een doek geworden, hoewel geen omslagdoek, maar een stuk, dat bij jak en beuk tehuis behoort.
De beuk wordt door de meisjes zelf gemaakt. Zij zijn hier echter niet, zooals op Walcheren, gesteld op zuiver wit voor Zondagsche kleeding, maar houden meer van kleuren, waaruit eenigszins een zuidelijker aard spreekt. De beuk is wel dikwerf wit, maar wordt dan toch nog door levendig gekleurde koralen versierd. De koralenversiering neemt van Walcheren af naar het oosten en zuiden toe. Op Walcheren vindt men aan de beuk somtijds een rand van glasheldere koralen; bij de Nieuwlandsche meisjes komen die al meer voor en de Roomsch-Katholieke meisjes op Zuid-Beveland dragen reeds boven de beuk een kraag van gekleurde koralen. Doch Axel gaat in dezen het verst.
De doek tusschen beuk en jak is een voornaam deel van de vrouwenkleeding alhier, evenals in andere streken van Zeeland. Doch die doek wordt in Axel anders gebruikt. Voor de meisjes uit Axel moeten de doeken afzonderlijk geweven worden en zij kosten dan ook wel 25 gulden. Zij hebben, uitgespreid, een oppervlakte van een vierkanten meter. De doek wordt geweven van gekleurde zijde en die kleuren moeten echt sprekend zijn, terwijl een groote bloem met randen of rosetten moet uitkomen. Hij versiert niet alleen boezem en rug, maar geeft door de plooien met hooge schouders, die verder worden aangevuld met een onderstuk, een zeer eigenaardig postuur aan de vrouwengestalte, dat voor Axel kenmerkend is. De opspitsende schouders schijnen in de laatste halve eeuw in hoogte te zijn toegenomen.
De rokkenomvang der vrouwen van Axel herinnert aan dien van Walcheren, is zelfs nog grooter. De wijd uitstaande buitenrok is hier altijd zeer stijf, zwart moiré, mooi opgelegd met een rand van gebloemd fluweel van scherpe, sprekende kleuren. Een rood baaien rok vormt gewoonlijk nog een van de vele, die zij dragen. De schort is bijzonder groot en omsluit al die rokken bijna geheel; de naam "voorschoot" past er dan ook niet voor. Zij is van gekleurde zijde, afgezet met blauw of ander lint, en om haar vast te binden gebruikt men veelal een breeden, doorgaans gekleurden, op fluweel gehechten band, die van voren goed te zien is.
Het Land-van-Hulst was oudtijds afgescheiden van het Land-van-Axel door het Hellegat, eens een breede waterarm van Hulst naar het noorden, doch die in 1845 binnen enger grenzen werd gebracht. Dit water bewerkte een scheiding tusschen de bewoners aan beide zijden, welke ook hierdoor bevorderd werd, dat Axel meer met Walcheren en Gent in betrekking kwam, Hulst meer met Noord- en Zuid-Brabant en het nabijgelegen Antwerpen.
De bewoners van het Land-van-Hulst zijn grootendeels Katholiek; alleen in de noorderstreek vindt men nog enkele Protestanten. Het Hulsterland vormt derhalve meer een overgang naar het Belgische.
Al is er in Hulst nog wel iets eigenaardigs in de kleeding overgebleven, waardoor de vrouwen uit het Land-van-Hulst zich van die uit de overige gedeelten van Zeeuwsch-Vlaanderen onderscheiden, toch gaat het eigenaardig landelijke en ook de Hulster kleederdracht meer en meer verloren. In de plaats Hulst ziet men alleen de stedelijke kleederdracht. Verschil in kleeding tusschen Protestanten en Katholieken bemerkt men hier niet.
De vrouwenmuts in het Land-van-Hulst, van fijne kant vervaardigd, gelijkt niet op de mutsen, elders in Zeeland gedragen, maar komt meer met de Noord-Brabantsche overeen; bij beide daalt de kant naar beneden en van achteren komen de vleugels of slippen wel bij elkander, maar eenvoudig tot den hals en niet met een lange strook langs den rug. Onder de bovenmuts wordt een zwart zijden ondermutsje gedragen, veel in kleur en stof verschillend van de Walcherensche en Goesche muts. De muts wordt naar het zuiden meer Brabantsch, zoodat men den overgang kan waarnemen. Bij de mutsen gebruikt men een weelde van spelden als nergens anders; bij haar toilet gebruikt het Hulster meisje alleen voor haar muts wel 300 à 400 kleine mutsenspelden. Het haar, dat iets donkerder is dan op Walcheren, wordt door de vrouwen in een scheiding gedragen. Oorijzers of beugels met krullen of boeken aan beide zijden van het hoofd draagt men hier niet; dit wijst er op, dat de Hulstenaars niet van dezelfde afkomst zijn als de Zeeuwen. Het haar dragen zij zonder bellen, naalden of andere sieraden, maar bellen dragen zij wèl in de ooren.
Van de aanzienlijke plaatsen in dit gewest wijzen wij op Sas-van-Gent, gebouwd aan een sluis of sas aan het einde der vaart, die de Gentenaren met vergunning van Filips II in de 16e eeuw hebben gedolven van Gent naar het Sassche Gat, om hierlangs een kortere vaart naar de Wester-Schelde te verkrijgen. Doch door de dichtslibbing van het Sassche Gat en de daarop volgende bedijking kwam Sas-van-Gent in het midden van het land te liggen, waardoor de plaats in bloei achteruitging. Zij leefde echter weder op na het graven van het Kanaal-van-Gent naar Ter-Neuzen in 1826. Door zijn ligging aan de grens heeft Sas-van-Gent veel fabrieken. Het is een nette plaats.
Aan het noordelijk einde van dit kanaal ligt Ter-Neuzen, een havenstad aan de Schelde, nog altijd met vestingwerken. De stad heeft haar bloei te danken aan het Kanaal van Gent.
Axel is een oud plaatsje, dat reeds bloeide in de 9e eeuw, doch thans niet meer is dan een klein plattelandsstadje.
Hulst is een aanzienlijk en ruim gebouwde plaats, met luchtige straten, welke meest op de markt uitloopen. De door kastanjes beschaduwde markt is omringd door nette huizen en aan het marktplein verrijst het stadhuis met vierkanten toren, die in drie achtkante omgangen uitloopt, terwijl een hooge, hardsteenen pui, met wapens in hardsteen, aan den voorkant, toegang geeft tot de vestibule.
Hulst heeft een fraaie Gothische kruiskerk, met houten toren op het kruis.
Ook Hulst is een oude stad, die in de 12e eeuw al bloeide en ontstaan is om een burcht nabij de voormalige Asscherpoort. In 1618 werd Hulst in een sterke vesting herschapen, doch na 1795 werden de verdedigingsmiddelen niet meer onderhouden. De stad bloeit thans door het marktverkeer; zij staat in nauwer betrekking tot Antwerpen dan tot Nederlandsche steden.
Wij nemen hier afscheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, gaan per tram naar Walsoorden, varen hier weder over de Schelde, wandelen naar het station Hansweerd om verder te reizen naar het vasteland en vervolgens onze wandelingen door Nederland in Noord-Brabant voort te zetten.
NOORD-BRABANT.
I. ALGEMEEN BEELD.
Noord-Brabant! Onwillekeurig kwam voor niet langen tijd bij den Hollander een onaangenaam gevoel op, als hij Noord-Brabant moest bezoeken, nog meer, als hij genoodzaakt was, daar zijn woonplaats te kiezen. Het land "aan gene zijde van den Moerdijk" beschouwde men als het uiteinde van Nederland, en Limburg werd nauwelijks tot Nederland gerekend.
Zelfs was het geruimen tijd een slechte naam voor den vreemdeling, als hij in Noord-Brabant verblijf koos of moest kiezen. Dit gewest werd aangewezen voor vele jongelieden van rijke familiën, die in den strijd met de wereld voor haar verlokkingen bezweken waren, en hier werden uitbesteed, om er te wonen en minder aan verleiding te zijn blootgesteld in de stille dorpen. Zenuwlijders, dronkaards, verkwisters en dergelijke lieden werden tot in het eerste gedeelte der 19e eeuw ondergebracht bij de Noord-Brabantsche boeren, die in deze schrale landouw met weinig economische ontwikkeling de voordeelen, daaraan verbonden, goed konden gebruiken. Op tal van dorpskerkhoven vindt men zware zerksteenen met wapens en namen der aanzienlijkste geslachten uit den lande. Men zou aanvankelijk vermoeden, dat hier de rustplaatsen van ambachtsheeren en hun familieleden gevonden worden. Veeltijds is dit niet het geval en zijn het bestedelingen uit Holland geweest, die hier door de zerk met familiewapen en naam de laatste herinnering aan een treurig bestaan hebben achtergelaten.
Gelukkig is de verhouding tot en ook de geographische kennis van het zuiden van ons land veel verbeterd, maar naar zijn rechte waarde wordt Noord-Brabant nog zelden geschat, vooral wat betreft het typisch landschapsschoon en zijn eigenaardige volkstoestanden. Zeker, Breda kent menigeen; het Liesbosch en Mastbosch, Prinsenhage en Ginneken zijn bekende plekjes geworden; een enkele verdwaalt nog wel eens in het Ulvenhoutsche bosch, maar daarmede heeft men gewoonlijk het grensgebied van zijn zomerbezoeken bereikt en wat buiten deze plaatsen ligt, is terra incognita. De meesten sporen Tilburg, Eindhoven en Helmond schier achteloos voorbij, alleen met de opmerking, dat er vele fabrieksschoorsteenen rooken, maar weinigen komen tot het besluit, deze steden te bezoeken, en nog minder, om het achterliggende land te doorkruisen of langs de overige dorpen van Noord-Brabant rond te zwerven.
En toch, die onverschilligheid kan enkel voortkomen uit onkunde. Want het Brabantsche landschap heeft veel zelfstandig schoons.
De toon der Noord-Brabantsche natuur heeft iets eigenaardigs, geheel anders dan elders op de zandgronden in ons land. Men ziet, men proeft, men ruikt en gevoelt het, dat men in Noord-Brabant is, zonder dat men zich in bijzonderheden rekenschap kan geven, waardoor.
Een zacht waas van rust ligt over de landbevolking, en het schijnt, alsof de geleidelijke overgangsvormen in den bouw van het landschap daarop invloed hebben uitgeoefend. Want terwijl de natuur rustig en lachend is, doen de bewoners, bij hun over 't geheel armoedig voorkomen, zich kennen door goedhartigheid en vriendelijkheid, door een opgewekten levenstoon, die getuigt van tevredenheid, met datgene, wat hun is aangeboden aan de tafel des levens. Van hooge aspiraties zijn zij niet vervuld. In de sombere en geenszins altijd even zindelijke keuken der kleine boertjes zal de schamel gekleede vrouw des huizes ook den vreemdeling met welwillende gastvrijheid ontvangen, en hem gaarne iets aanbieden van hetgeen keuken of kelder bezit.
Zoo paart zich het karakter der bewoners aan de natuur van het landschap in Noord-Brabant en van beide zal men houden, als men ze kent.
In Holland kreeg ik lief de zomerweiden, doorvlekt van 't loome vee; het hooge gras van 't hooiveld, bont doorbloemd; in 't veen den plas, omzoomd door riet, en 't elzenbosch bij zijde; de blanke en bochtige IJsel, die bij was den uiterwaard bestroomde; booten spreiden er golven schuin op 't vlak, dat zij doorsnijden, die slaan aan dijk in 't riet met ruischgeplas.
Hoe zou het zandig Brabant nog behagen, mij, kind van spel op dijk, in stroom en wei? wat zou ik eenzaam staan op wilde hei,
zong Is. P. de Vooys, toen hij het eerst dit land leerde kennen. Maar nadat hij er had rondgedoold over de heiden en door de bosschen, klonk het als kinderlijk dankbaar:
Mijn zomersch land, dat ik zoo vaak doorreed op gladden grintweg, dwars door bosch en hei, naast open akkers, langs de stille wei, door eik- en elzenstruik wuivend omkleed,
U dank ik vroom voor 't heldere urenblij, den akker, dien ik zwaar bearbeid weet, de hei, van eenzaamheid zoo grensloos breed, grasvlak en bosch, wier vree 'k mij vaak ontzei.
Slaan wij thans een blik op de gesteldheid en de ontwikkelingsgeschiedenis van den bodem.
Het grootste gedeelte van Noord-Brabant bestaat uit lichtgolvende terreinen van zandgronden met geringe hoogteverschillen en zacht in elkander overgaande terreinhellingen. De zandgronden nemen het geheele zuiden in beslag; zij worden alleen in het noorden en westen afgewisseld door een strook van kleigronden, die in het noordwesten de grootste breedte hebben, en welke wij reeds leerden kennen, toen wij van Oudenbosch over Steenbergen naar Tolen reisden. (Zie pag. 195).
De door geleidelijke overgangen golvende bodem is kenmerkend voor het grootste deel der zandgronden van Noord-Brabant. Alleen een uitzondering maken hierop de zandverstuivingen, welke, hetzij nog in beweging, als de wind krachtig waait, hetzij vastgelegd door de dennenbosschen, zoo hier en daar te midden der heiden worden aangetroffen. Van de bewegelijke zandverstuivingen vindt men er in den tegenwoordigen tijd niet vele meer; zij zijn meest door de uitbreidende boschcultuur aan banden gelegd.