Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 30
In de consistoriekamer van de Luthersche kerk te Groede hangt nog een plaat, gemaakt naar een schilderij uit die dagen, welke de uitdrijving dier verdrukten voorstelt. Hier wordt een drietal afgebeeld, in eenigszins theatrale houding voortschrijdend, het hoofd omhoog geheven, den bijbel aan het hart gedrukt, terwijl verder een moeder haar zuigeling in de armen heeft en een paar kleine kinderen met zich voert. Een man is neergevallen op den kruiwagen, waarop hij zijn bundeltje heeft geladen: alles, wat hem overbleef van zijn welvaart; hij is door smart overmeesterd. Een vrouw heeft zich omgekeerd; zij is op de knieën gezonken en strekt de armen uit naar de heerlijke bergen van haar vaderland. Zij kan niet scheiden. Maar naast haar, achter de anderen, overal staan de dragonders, om hen weg te drijven in ballingschap, naar een vreemd, onbekend land.
Doch hoe goed ook bedoeld, het leven hier viel den Salzburgers tegen, terwijl zij evenmin de behoefte aan werkkrachten op het land aanvulden. De Hollanders meenden, dat zij volstaan konden met de Salzburgers zoo goed mogelijk in hun huishouden te zetten en gaven nog eenige voorschotten in den eersten tijd. Voor de verzwakte lieden evenwel was het verschil in stand en arbeid te groot. Gewoon, in goud- en zoutmijnen te werken, bij metaalsmelterijen te arbeiden, konden zij niet gewennen aan den arbeid op de zware klei. Van den aanvang af zag men rusteloosheid, teleurstelling en moedeloosheid bij velen hunner. Bij troepen trokken zij het land door, in alle dorpen zoekend naar iets, wat op hun vaderland geleek. Er werd een kunstmatige werkverschaffing voor hen in 't leven geroepen; een wolfabriek o. a. werd opgericht, om daardoor de schapenteelt aan te moedigen en den Salzburgers een arbeid te verschaffen, zooals zij dien wenschten. De Salzburgers zijn in aantal verminderd; velen vertrokken weder en hoofdzakelijk komen zij nog voor in Groede, waar de Luthersche gemeente een kerk heeft.
Na dit algemeene overzicht zetten wij onze wandeling voort door het landschap. Wij zullen eerst het Land-van-Kadzand in Zeeuwsch-Vlaanderen, ten westen van den Braakman, doortrekken. Wij bevinden ons in Breskens, een flink dorp, waar de nette, lage huizen grootendeels langs een breede straat zijn gebouwd. Er ligt reeds een Belgische tint over dit dorp. De bloei van Breskens dagteekent voornamelijk van den aanleg van den grooten weg, den breeden "Calcey-weg", dien Napoleon I van Gent tot hier, in 1808, liet leggen, om de verbinding met Middelburg te verkrijgen, en die eerst tien jaren later voltooid werd.
De polders van deze gemeente zijn pas in 1619 op het water teruggewonnen. Toch was deze plek al in den Romeinschen tijd bewoond, zooals uit opgegraven penningen blijkt. Doch het oude Breskens werd in de 15e eeuw overstroomd. Hoewel in 1480 (of 86) op de golven herwonnen, ging het in 1570 door het bezwijken van den zeedijk opnieuw te gronde, om eerst later weer te worden aangelegd.
De weg van Breskens naar Groede, over de klinkers, is een lieve wandeling; olmen en populieren spreiden er hun beschuttend looverdak uit. Aan afwisseling ontbreekt het niet. Ter weerszijden zien wij nu eens uitgestrekte bouwlanden, waarop de voortreffelijke Zeeuwsche tarwe golft, dan weer heldergroen vlas, sierlijk gepluimde gerst, frissche suikerpeeën of welige weilanden, waarop het vee rustig graast in de schaduw der bloeiende, hooge meidoornstruiken. Houtgewas wordt niet gemist en de groote bouwhoeven liggen soms als in een bosch verscholen. De arbeiderswoningen zien er meer schilderachtig dan welvarend uit, en waar gij er enkele aantreft bij een klein, ouderwetsch, houten molentje, kunt gij u een paar eeuwen terugdenken, in den tijd, toen onze landschapsschilders dergelijke tafereeltjes zoo schoon op het doek wisten te brengen. De menschenbeweging is echter schaarsch in deze streken; het is er buitengewoon stil, zelfs tot het drukkende toe. Of die stilte ook invloed heeft op den geest en de opgewektheid der bewoners? De heer Nagtglas meende bij de arbeidersbevolking hier niet dat pit te vinden als elders.
Boven het lommer steekt een torentje uit: dat is Groede, een goed bevolkt dorp, met een schier uitsluitend Protestantsche bevolking. In den tijd der worsteling tusschen dwang en vrijheid stak men hier de dijken door en het land liep onder water. De kerk bleef toen achter te midden van het verwoeste land. Doch in de 17e eeuw ving men opnieuw met het dijken aan, en toen het land weder droog lag en in bezit genomen werd, is ook het oude kerkje in eere hersteld. Op een pleintje, tusschen frisch en bloemrijk plantsoen, staat daar het eerwaardige bedehuis, omringd door kleine, maar nette woningen.
In Groede vindt men een Luthersche gemeente met een eigen predikant en school. Zij dankt haar ontstaan aan de Salzburgers, wier komst in deze gewesten wij beschreven. Hoewel deze kerkelijke gemeente door belangrijke giften gesteund werd,--de wonderdokter Ludeman te Sloterdijk o. a. schonk er in 1749 tienduizend gulden aan--bleef zij kwijnen. De nakomelingen der Salzburgers zijn thans zoo verstrooid, dat men er nauwelijks meer sporen van kan vinden.
Ook de Fransche gemeente, uit rijker en arbeidzamer réfugié's ontstaan, ging in het eerste gedeelte der 19e eeuw teniet, evenals de Doopsgezinde.
Vervolgens loopt de weg verder door de vruchtbare kleilanden naar Kadzand. Overal op dezen tocht zien wij, dat wij ons in een uiterst vruchtbare streek bevinden. Nergens ruischt de gerst voller en zwaarder dan in het land van Kadzand en het kan gebeuren bij donkeren avond, dat de boer op den weg stilstaat, om te onderscheiden, wat daar zoo ruischt: zijn "baardtarwe" of de zee. Nergens vlammen de klaprozen heller op uit de zwartgroene, zoetrokige klaver of trappelen de breedschonkige, fijnschoppige paarden luchtiger voor zware vrachten over de hooge kleidijken dan in het land van Kadzand.
Waar bloeien de boonen zóó rijk, als wilden ze met hun zoete, zware geuren bedwelmen, die langs de akkers gaat, en waar lachen de blauwe vlasbloempjes zoo koketjes uit het lichtgroen omhoog? Waar schuilen oude boerderijen en felrood bepande, zwarte schuren in hun blauwe wilgen deftiger en ongenaakbaar vriendelijker onder de hooggesnoeide, donkere olmen, en waar zijn ouderwetscher ploegen, waar wagens, die zóó hotsen, vrouwen, die zoo kunnen "commeeren", en rijke boeren, die zoo statig kunnen rentenieren als in het land van Kadzand? Aldus schetst de heer G. Haspels den indruk van dit land door het doen uitkomen van de sprekende contrasten.
Het oude eiland Kadzand is al sedert lang door bedijkingen van verslijmde en opgeslibde stroomen aan het vasteland verbonden. Het dorp komt met zijn oud kerkgebouw schilderachtig uit tegen de duinen op den achtergrond. Van deze plaats maakt Dante gewag in zijn Divina Commedia, als hij in zijn XVen zang der Inferno, volgens de vertaling van Hacke van Mijnden, zegt:
"Gelijk de Vlamen 't land, aan zee gelegen Bij Brugge en Kadzand, tegen hooge vloeden Door zware dijken te beschermen plegen".
Stiller dorp dan Kadzand kan men zich op dit oogenblik nauwelijks denken. De vrij nette woningen zijn aan de voorzijde veelal gesloten en op de kunstig gesnoeide palm- en taxisstruiken, tusschen de bloembedden der kleine tuintjes, sjilpen de musschen rustig.
Het dorp Retranchement, of eigenlijk: "Retranchement Cadsandria", door het spraakgebruik tot "Trezjement" verbasterd, dankt zijn naam aan de versterkingen, door Prins Maurits aangelegd, om meester te blijven van den zeearm het Zwin.
Waar gij thans onafzienbare akkers aanschouwt, door bloeiend koolzaad als verguld, waar het kostelijk graan golft of bieten groeien, zag men voor niet lange jaren alleen kale schorren en slikken, waarop slechts wat zeekraal werd ingezameld en de scheper zijn kudde weidde. De smalle, ondiepe kreek, welke er doorheen kronkelde, was het overschot van de beroemdste der zeeboezems van Europa, de reeds besproken "Sincfala", de zuidelijke grens van het oude Friesland, aan welker oevers Brugge eens tot een der aanzienlijkste havens van Europa werd.
Wij naderen het stedeke Sluis. Een hoogte buiten de stad, achter de begraafplaats, wijst de plek aan, waar eens het vermaarde kasteel van Sluis stond.
Filips van Bourgondië, gehuwd met Margaretha, erfdochter van Vlaanderen, en sinds 1384 graaf van Vlaanderen, wilde de dikwijls onstuimige Vlamingen, die vrijheid niet zelden met bandeloosheid verwarden, in bedwang houden. Om verder ook den Engelschen, hetzij een inval in of een gemakkelijke verbinding met het licht tot opstand geneigde Brugge te beletten, besloot Filips, den doorgang van het Zwin door een sterkte te verzekeren. Daar lag, op den meest westelijken uithoek der schor Bewester-Eede, tegenover den mond van den Budansvliet en waar deze zich met het Zwin vereenigde, het plaatsje Sluis, dat Filips had ingeruild en aan Vlaanderen bracht. Hier wilde hij een kasteel bouwen, dat zoowel het vrije verkeer van Engeland met Vlaanderen kon beletten als de Vlamingen in toom houden. In 1385 werden er de grondslagen voor gelegd, ten N. van de stad, aan de oostzijde der haven, en er verrees een bouwgevaarte, in vorm aan de Bastille te Parijs herinnerend, sterk en hecht van metselwerk, geschikt, om den stormram te trotseeren. De zware muren vormden een vierkant, welks buitenzijden, binnen de grachten, van het oosten naar het westen 86 M. besloegen en van het oosten naar het zuiden 80 M. Op regelmatige afstanden waren de muren door ronde torens versterkt; aan de hoeken verrezen de zwaarste torens. Het muurwerk had een dikte van 3,8 M. Aan de binnenzijden liepen, zoowel langs de torens als aan den wal, twee rijen gewelfde gangen boven elkander, die een veilige gemeenschap van het eene punt met het andere verleenden. De benedenste gang, welke ongeveer een meter onder den beganen grond van het plein lag, voerde naar de kelders of onderste gewelven der torens:
Grauwe kluizen, donk're holen, Nimmer door de zon bestraald, Waar geen lichtglimp heen kwam dolen, Dan in scheemring gansch verdwaald;
Waar de wanden en gewelven Altoos biggelden van 't vocht, Of zij weenden om zichzelven Of om 't wee van zulk een krocht,
aldus Hofdijk. Het geheel bevatte 36 kelders en vertrekken.
Hertog Jan zonder Vrees deed aan de westzijde der haven, tegenover het kasteel, nog een nieuwe sterkte bouwen, kleiner, doch niet minder sterk, die gewoonlijk "de toren van Bourgondië" genoemd werd; met een keten tusschen beide gespannen, kon de haven worden afgesloten. Nog in 1794 was die keten op het raadhuis te Sluis aanwezig.
Het reusachtig slot vervulde een belangrijke rol in de geschiedenis van Sluis; het heeft menige belegering moeten doorstaan en onderscheidenen aanzienlijken diende het tot gevangenis. Dit was het geval met den hertog van Bouillon in 1553, met den Admiraal de Coligny in 1557 en met Lamoraal van Egmond, den zoon van den onthoofden graaf van dien naam, in 1582.
De veranderde krijgskunst had in de 16e eeuw reeds den toren van Bourgondië nutteloos gemaakt, zoodat die werd afgebroken, doch het groote slot werd versterkt. In de 17e en 18e eeuw verviel het kasteel al meer en meer; in 1794 hebben de Franschen het sterke slot gedeeltelijk doen springen en in 1840 zijn de bouwvallen voor afbraak verkocht. De steenklompen zijn grootendeels gebruikt als zinkstukken voor de dijken te Ellewoudsdijk. Zoo werd, in puin gevallen, het kasteel nogmaals tot een bolwerk des lands bestemd.
"Sluis" of "Sluis in Vlaanderen" is onder den naam Lammensvliet ontstaan aan het Zwin en verkreeg in 1290 stadsrechten van Guy van Dampierre. Door visscherij, scheepvaart en koophandel wies de stad aan en in het begin der 15e eeuw bedroeg het aantal makelaars te Sluis reeds 87. Het dichtslibben van het Zwin bij Brugge en boven Sluis deed den handel verder benedenwaarts verplaatsen. Kooplieden en schepelingen uit alle landen van Europa ontmoetten toen elkander hier, en Sluis bloeide in het Bourgondische tijdperk zoozeer, dat de vorsten er dikwerf vertoefden en feestvierden.
Isabella van Portugal, de bruid van Filips den Goede, toen graaf van Vlaanderen, kwam op Kerstdag 1429 te Sluis aan en werd hier door haar bruidegom opgewacht; volgens enkelen zou het huwelijk te Sluis zijn voltrokken. Margaretha van York, de zuster van den Koning van Engeland, kwam den 25en Juni 1468 met 16 schepen te Sluis binnen, waar zij door een stoet van aanzienlijken en haar bruidegom werd ontvangen; de ondertrouw had hier plaats. De bloeitijd van Sluis viel in het midden der 15e eeuw; destijds telde Sluis 7 markten, 69 straten, 2 parochiekerken, 3 openbare kapellen, 3 kloosters en tal van openbare gebouwen.
De onrustige tijden aan het eind der 15e eeuw, de belegering in 1492, die een groot gedeelte van de stad vernielde, den handel knakte, brachten den eersten slag toe aan Sluis. Het ondieper worden van het Zwin, waardoor groote schepen niet in de stad konden komen, deed het verdere, en in de 16e eeuw ging Sluis snel achteruit, zoodat geheele straten vervielen. De stad kwam aanvankelijk geheel onder Brugge te staan, en hoewel zij gedurende den opstand tegen Spanje meer zelfstandig werd, zich van Brugge afscheidde en zich bij de Unie van Utrecht aansloot, toch stond Sluis gedurende den oorlog en ook later als grensstad aan vele belegeringen bloot en nooit kwam zij tot haar ouden bloei terug. Het aantal bewoonde huizen en inwoners kromp in en in 1840 telde Sluis niet meer dan 257 huizen binnen de kom. Sedert is het aantal bewoners wel weder iets toegenomen, zoodat dit bedroeg 2300 in 1900, maar het is toch een rustig, stil landstadje gebleven, alleen kleinhandel op den omtrek drijvend. Van de eens zoo aanzienlijke haven is niets meer over dan een ligplaats voor de schepen in het kanaal naar Brugge. Zoo is Sluis een dood stadje geworden, met smalle straten. Het bombardement van 1794 verwoestte een gedeelte der nederzetting; de prachtige St. Janskerk geraakte in 1811 in brand en werd vernield en aldus zijn vele schoone gebouwen van Sluis te gronde gegaan.
Het belangrijkste gebouw van Sluis is nog het stadhuis, in 1396 gebouwd, met zijn in den trant der Vlaamsche belfroits gebouwden toren, die zich trotsch verheft met zijn vier spitsen. Dit gebouw is gerestaureerd en in den oorspronkelijken toestand teruggebracht.
Bij het uurwerk van den toren, in een der galmgaten, zetelt de oudste burger van Sluis, een houten beeldje, in 1424 vervaardigd, dat bij het slaan enkele tonen aangeeft en als "de klokman Jantje van Sluis" bekend staat.
Al is Sluis in verval, toch getuigt menig geveltje nog van de ruime beurs, waaruit het eens is gebouwd.
Een eenvoudige grafnaald op de begraafplaats van Sluis wijst de rustplaats aan van den bekenden geschiedvorscher en taalkundige, J. H. Van Dale, den 21en Mei 1872 hier overleden, waar hij als onderwijzer werkzaam was. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, door Van Dale vervaardigd, is nog altijd een vraagbaak en draagt, hoe ook herzien, steeds nog zijn naam.
Aan den buitenkant van Sluis ontwaart men op korten afstand over de bouwlanden een zwaren, stompen toren, die boven eenig geboomte en enkele huizen uitsteekt. Dat is de toren van St. Anna-ter-Muiden, eens ook havenstad van het vermaarde Brugge, doch thans slechts een gehuchtje.
St. Anna-ter-Muiden is een zeer oud plaatsje, welks jaar van opkomst men niet kent; het is ontstaan aan de monding of samenkomst van een paar wateren met het Zwin, naar welke uitmonding het zijn naam kreeg. In 1241 werd deze plaats verheven tot een smalstad met tol vrijheid. Toen het land aan de westzijde langzamerhand aanslibde, geraakte de stad verder van zee verwijderd. De bewoners verplaatsten nu hun huizen meer zeewaarts, doch bij brieven van 1445, gegeven door Filips van Bourgondië, werd hun dit verboden, omdat de vijand zich in oorlogstijd daarachter ging verschuilen bij de aanvallen op Sluis.
De haven van St. Anna-ter-Muiden in het Zwin was oudtijds hoogst belangrijk en de stad had een aanzienlijke visscherij. Doch in de 16e eeuw was de stad reeds in verval; Ter-Muiden was in 1650 bijna geheel afgebrand en werd grootendeels door de inwoners verlaten. Aan opkomst van het plaatsje viel sedert niet meer te denken en het verviel tot een gehucht, dat er arm, maar schilderachtig uitziet. Hoewel hier sinds eeuwen geen schepen meer gezien werden, sprak men tot voor kort nog van "de kaai", als ware het een havenstad.
Van Sluis richten wij ons naar het oosten en vervolgens naar het zuiden; over de vruchtbare landouwen zien wij eindelijk vóór ons, te midden van het geboomte, het stedeke Aardenburg verrijzen, dat algemeen bekend is in den lande door zijn beroemde verdediging in 1672.
Wie heft daarginds, aan Vlaandrens boorden, Uit bosch en beemden 't hoofd omhoog, Ten sieraad dier bekoorlijke oorden, De lusthof voor des vreemdlings oog? Wie prijkt daar in die vruchtbre streken, Maar schier den strakken blik ontweken, Die langs de golvende akkers weidt, En toont ons, door 't verblindend pralen Van vorstenhof en marmren zalen 't Bekoorlijk beeld der needrigheid?
O, wandlaar! voor geen plaats op aarde Wijkt die vergeten, kleine stad! Zij is een steen van hooge waarde, In Neerlands gloriekroon gevat; 't Is zij, die eens de slaafsche keten Met forsche vuist heeft losgereten, Die 't zuchtend vaderland omgaf; Zij dreef in 't barnen der gevaren Den roem van Frankrijks legerscharen Grootmoedig van haar muren af.
Aldus bezong P. Ph. de Kanter deze stad in 1835.
Aardenburg doet zich kennen als een net stadje; het ziet er uit, of het pas uit een doosje kwam, zoo proper lijkt alles, en geen hout, dat ongeverfd is. Ook vindt men er menig sierlijk en met kosten gebouwd huis, zoodat de plaats, hoewel sedert lang geen havenstad meer, toch de welvaart niet ingeboet heeft. Een oude poort verleent toegang tot de hoofdstraat der stad. Het sieraad van Aardenburg is de prachtige St. Bavokerk, zeker een der fraaiste kerken van Zeeland, in middeleeuwschen stijl gebouwd, gelegen tusschen hoog opgaand geboomte. Het weeshuis met twee spitse gevels, uit 1631, valt terstond in het oog. Naar den buitenkant, aan een met olmen beplant plein, staat het raadhuis, een net gebouw, dat aan een villa doet denken.
Aardenburg is een oude stad, die vóór de opkomst van Brugge van zooveel beteekenis was, dat zij als een der aanzienlijkste steden van Vlaanderen en als de hoofdstad der zeeplaatsen van dat gewest werd beschouwd. Zij had een haven, waarvan vermeld wordt, dat zij wel 600 schepen kon bevatten, terwijl haar wallen ongeveer 70 bunder besloegen. Belangrijk was de handel van Aardenburg, die o. a. op de Oostzee gedreven werd, en door de privilegiën, welke de graven van Vlaanderen aan Aardenburg schonken, werden Spaansche, Duitsche en andere kooplieden naar deze stad gelokt. Ook bloeiden er in de 12e en 13e eeuw reeds wol- en lakenweverijen. Een kanaal, dat in de 13e eeuw naar zee werd gegraven, bevorderde den handel niet weinig.
Doch oorlogsrampen, watervloeden, het dichtslibben van de haven vernietigden de welvaart der plaats, die van een havenstad in een landstad veranderd werd.
In 1604 werd Aardenburg door Prins Maurits voor de Unie veroverd. De stad werd nu aanzienlijk versterkt en van bezetting voorzien. Na 1648 liet men de vestingwerken vervallen en in 1672 besloot men zelfs ze te sloopen. Op aanhouden der bewoners en der Zeeuwen werd dit nog uitgesteld. Doch toen de Franschen in dat jaar op den morgen van den 26en Juni voor Aardenburg kwamen met 8000 à 9000 manschappen was de stad schier zonder voorraad, waren de wallen niet versterkt en had men slechts vier bruikbare stukken. Terwijl de bezetting kort van te voren naar Sluis was vertrokken, scheen er voor de overgebleven 30 manschappen onder den vaandrig Elias Beekman en de 175 weerbare burgers, die op de been waren te brengen, geen kans op behoud.
De Franschen besprongen in dezen hachelijken toestand de veste, vielen onder het geschreeuw: "sla dood, sla dood!" op de landpoort aan, maar door den dapperen Elias Beekman aangevoerd, werd niet alleen de aanval der Franschen afgeslagen, doch werden er zelfs 620 krijgsgevangenen gemaakt, waaronder 9 officieren, terwijl de Aardenburgers geen enkel man verloren. Evenals eens in Haarlem, hadden ook de vrouwen dapper medegewerkt tot het behoud der stad, Margaretha Sandra, huisvrouw van den voorzittenden schepen, zat met een hoop jongens op een stoep, om de kogels, die te groot waren, door te hakken, welke bij hoedenvol naar den wal werden gebracht. Zoo bleef de stad in dit ongeluksjaar voor Nederland behouden.
Den roem dezer overwinning houdt men in Aardenburg hoog, en van Beekman zegt een dichter der stad:
Uw roem, door moed en trouw verkregen, Blijve, als uw fiere heldendegen, Voor 't laatste nageslacht bewaard,
hierbij zinspelende op den degen van den vaandrig, die op het stadhuis berust. Het tweede eeuwfeest dier gebeurtenis, waartoe Tollens reeds opwekte,
Dan loov' men God en vier' men feest, Opdat de naneef niet vergeet, Wat Aardenburg voor Neêrland deed,
werd op 26 en 27 Juni luisterrijk gevierd.
Aardenburg ligt in de schoonste kleistreken van Zeeuwsch-Vlaanderen.
Het goud der koopmanswinsten op de stroomen is vervangen door de voordeelen, die de landbouw oplevert. Het stadje ligt echter nabij den zoom der zandgronden. Niet heel ver van hier, te St. Kruis en Eede, kunt ge reeds den overgang van den zwaren Zeeuwschen kleibodem tot den Vlaamschen, meer boomrijken zandgrond ontdekken.
In de met zooveel zorg overal bebouwde akkers zult gij thans moeielijk de woeste wouden van Hulsterloo herkennen, waar de dichter den Reinaert-roman spelen laat. En toch zijn hier overal nog herinneringen aan dit gedicht levendig. Bij Aardenburg moet een schuur staan, welke "Malpertuis" heet, naar het kasteel van den slimmen vos, en onder Schoondijke, bij Waterlandskerkje, ligt het aloude gehucht Steenhove, een overblijfsel van het verdronken Elmare, waar Reinaert zijn zoogenaamden oom Isegrim aan het klokketouw bond, zoodat men in den omtrek
Zwoer, 't Was of de duivel òf zijn moer, Die de klok zoo geweldig deed gaan.
Van Aardenburg begeven wij ons naar Oostburg, een plaats met een vriendelijk, niet onwelvarend voorkomen, die evenveel van Sluis en Aardenburg verschilt als deze twee plaatsen onderling. Op marktdag komt er in het stadje meer leven; dan ziet gij hier de stille, stijve, Zeeuwsche boeren met de vlugge, babbelende, blauwgekielde Vlamingen handeldrijven en menig "kapke" bier te zamen verschalken.
Ook Oostburg is een zeer oude nederzetting, waar Eligius in het begin der 7e eeuw het evangelie predikte en waar de Noormannen plunderend doordrongen. Eens door den koophandel bloeiend als een volkrijke havenstad, ging het in den Spaanschen tijd sterk achteruit, en in 1673 werden de vestingwerken geslecht.
Wij vinden geen tijd, om verder bij de historische herinneringen dezer plaats stil te staan.
Door een landschap, dat de Zeeuwsch-Vlaamsche dichterboer Faro aldus schetst:
Hier ziet men popels, daar abeelen, Ginds bloeiend vlas en golvend graan Door zoele westenwindjes streelen, Of wieglend op en nedergaan. Waar eens bij 't argloos rijzen, duiken, Het kroost der zee door net en fuiken En raaf en meeuwen werd bespied, Stijgt nu de leeuwrik fier naar boven En 't looverdak en bosch en hoven Weergalmt van 't juublend lentelied,
bereiken wij IJzendijke, eveneens een overoude nederzetting, waarvan reeds in 984 melding wordt gemaakt, die in de 12e eeuw onder de steden werd geteld, en in de 13e eeuw lid der Hanze was. Deze stad ging in de 14e eeuw grootendeels te gronde en het overgebleven deel werd in 1570 door overstrooming vernield.
Doch ongeveer 800 meter zuidoostwaarts ontstond een nieuwe nederzetting, het tegenwoordige IJzendijke, in deze gewesten "Isendieke" genoemd.