Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 3
Doch, helaas! ook deze tak van nijverheid ging door de concurrentie achteruit, en in 1876 was er slechts één fabriek over, "de Porceleine Fles", waar alleen gebruiksaardewerk en vuurvaste steenen vervaardigd werden. In dien tijd echter trad Joost Thooft op als een nieuwe baanbreker voor dezen tak van kunstnijverheid. Hij nam de fabriek over, en met behulp van den laatsten oud-Delftschen plateelschilder, den bejaarden Tulk, werden de eerste proeven in blauw en wit met succes genomen, om de oude industrie te doen herleven. Later vereenigd met Labouchère, werd de zaak uitgebreid, en in 1889, toen op de Parijsche tentoonstelling door haar de gouden medaille werd verworven, was zij voor goed gevestigd. Sedert dien tijd is de aardewerkfabrikatie op groote schaal vooruitgegaan, en ook de tentoonstelling van Chicago heeft den afzet veel vermeerderd. Het oud-Delftsche fabrikaat is thans niet meer het eenige; ook andere methoden worden toegepast en andere kleuren gekozen. Verder is Delft niet de eenige stad, die het prachtige aardewerk levert: Rozenburg in Den Haag staat hiernaast, en in Utrecht vindt eveneens de fabrikatie plaats. Doch Delft heeft de oudste brieven bij de herleefde industrie en den stoot gegeven tot het nieuw opkomen van dezen tak van kunstnijverheid, die van zoo groote beteekenis is. Niemand zal dan ook verzuimen in deze stad een bezoek te brengen aan een der winkels met het mooie Delftsche aardewerk, om daaruit misschien iets te kiezen tot herinnering.
Van hier richten wij onze schreden naar een andere inrichting, voor Delft niet alleen belangrijk als een grootindustieel bedrijf, maar bovenal eigenaardig en bekend wegens het in praktijk brengen van nieuwe sociale humaniteits-ideeën. Daar, ten N.NW. van de stad, verheffen zich hooge fabrieksschoorsteenen en verder westelijk, over den spoorweg, te midden van de effene graslanden, ligt een vriendelijk park, welks nette huizen, te midden van waterpartijen en tuintjes half in 't lommer verscholen liggen. Dit is het Agneta-park, de verblijfplaats der arbeiders, die op gindsche fabrieken, de Nederlandsche Gist- en Spiritus-fabriek en de Oliefabriek, arbeiden. De directeur-oprichter, de heer Van Marken, heeft op zijn fabrieken een arbeids-stelsel toegepast, dat den strijd tusschen kapitaal en arbeid zal opheffen en waarbij de arbeiders deelgenooten zijn in de groote onderneming. Zelf woont hij te midden van zijn arbeiders in het Agneta-park op de villa "Rust Roest".
Vóór wij Delft verlaten moeten wij ten slotte nog wijzen op de Polytechnische Hoogeschool, waar zoo vele beroemde ingenieurs gevormd zijn, en zeggen hiermede deze merkwaardige stad vaarwel!
Als wij buiten Delft van het Agneta-park over de graslanden naar het N.W. den blik laten rond weiden, zien wij tusschen laag hout in de verte eenige tuinlanden te midden der weiden. Daar in de nabijheid staat het "Bonte Huis", een uitspanning. Eenige minuten van het Bonte Huis bevindt zich aan de overzijde der vaart een zeer oude brug, schilderachtig door geboomte omgeven. Twee vierkante, door ouderdom eerbiedwaardige pilaren toonen hier nog de plaats aan, waar zich oudtijds het klooster Sion verhief; die zuilen zijn de eenige overblijfselen van het eens zoo bekende gebouw, waar Erasmus zijn eerste leerschool gehad heeft. Dit klooster, reeds in 1438 in bloei, werd den 30en Januari 1544 in brand gestoken door een priester van Schoonhoven. Na den herbouw werd het in den tachtigjarigen oorlog door de regeering van Delft verbrand, om te voorkomen, dat de Spanjaarden zich hier zouden vestigen.
Thans verlaten wij de buurt der stad langs den straatweg over Overschie naar Rotterdam. De weg loopt eerst op korten afstand van en vervolgens langs de Schie, welke zich bij Overschie splitst in drie armen, die naar Rotterdam, Delfshaven en Schiedam loopen. Oorspronkelijk heette dit water de Delf, waarnaar de stad Delft haar naam heeft; het maakte zeker een deel uit van de gracht, die Corbulo heeft laten graven, zoowel met het doel, om het lage moerassige land achter de duinen een afwatering te geven, als om voor de schepen een binnenvaart van de Maas naar den Rijn tot stand te brengen. Waarschijnlijk moet de gracht van Corbulo beschouwd worden van Hoornbrug naar Overschie te hebben geloopen.
De weg biedt weinig belangrijks aan. 't Is een echt Hollandsch polderland, dat zich hier aan beide zijden van de Schie uitstrekt, in het zuiden bestaande uit de diepe kommen der droogmakerijen, welke met hun vele wind- en watermolens een eigenaardig karakter aan het polderland geven.
Buiten Delft zien wij zoo hier en daar op de vlakte enkele dorpen en tal van boerenhuizen over de landen uitsteken, alle van het Zuid-Hollandsche type zooals veehouders die bouwen. Ten oosten bemerken wij van verre het vriendelijke gehucht Delfgauw en verder het nette dorp Pijnakker, met een frissche Hollandsche natuur, welks torentje in de verte boven de boomen van het dorp opspitst. Wij zullen die dorpen echter niet bezoeken.
Op korten afstand ten westen van de Schie loopt, evenwijdig daarmede, door den Abtswouderpolder een landweg, van boerenwoningen begrensd. 't Is het streekdorp Abtswoude.
De vreemdeling, die bij toeval dezen weg bewandelt, zal ongetwijfeld eigenaardig getroffen worden door de rijmpjes, welke op de hekken der landhuizen geschilderd zijn. Woont hier, te midden der onafzienbare graslanden, een dichterlijke boerenstand? Ontspringt de Hippokrene in de kroozige slooten van Abtswoude?
Ja waarlijk, in den volksaard schijnt hier een dichterlijk vonkje vlam te hebben gevat. In dit dorp is in 1689 H. K. Poot geboren, een boerenzoon, die zonder wetenschappelijke opleiding dan op de dorpsschool, "door de natuur als met eigen handen in den schoot der zanggodinen werd nedergezet", zegt zijn levensbeschrijver. Zeker zijn vele dier rijmpjes afkomstig van den "boerenzanger", zooals hij zichzelf noemde, door zijn dorpsgenooten met bewondering aangestaard, en die door deze eenvoudige hulde de herinnering aan hun bekenden dorpsgenoot bewaren.
Nog verder westelijk zien wij in de verte het oude, reeds onder Dirk V in 1083 genoemde (Schipleden) Schipluiden verrijzen uit het groen der vlakte, een dorp, bestaande uit een frissche, breede gracht, door twee lange rijen huizen omringd en met een fraai, oud kerkje. Het was van dit dorp, dat Antonius Hambroek, toenmaals hier predikant, in 1647 naar Indië vertrok, om in 1663 op het eiland Pormosa, gelijk de geschiedschrijvers het uitdrukten, "als een andere Regulus vrijwillig zijn leven ten offer te brengen," daar hij zijn aan den vijand gegeven woord niet wilde breken.
Wij passeeren het flinke dorp Overschie, ontstaan aan het punt van samenkomst der Schiearmen, waar de scheepvaartwegen van Rotterdam, Delfshaven en Schiedam landinwaarts elkander ontmoeten. Oorspronkelijk liep de Schie onvertakt naar Schiedam, dat de voorhaven van Delft vormde aan den mond der Schie en de Maas. Doch in 1340 gaf graaf Willem IV een handvest aan Rotterdam, waarbij deze stad vrijheid kreeg, om een kanaal naar de Schie te graven, teneinde hierlangs verder den Vliet te kunnen bereiken, den hoofdverkeersweg met het overige Holland. Deze nieuwe waterweg, voor Rotterdam van het grootste belang, kwam in 1348 tot stand. De plek, waar beide wateren elkander ontmoetten, werd verder bebouwd en dit was de oorsprong van het dorp Overschie.
Terwijl de Rotterdamsche en Schiedamsche armen der Schie met elkander concurreerden, wist Delft in 1389 nog het recht te verkrijgen, om een derden arm te graven van Overschie naar de buurt Schoonderloo aan de Maas. Deze loopt tusschen de beide genoemde armen in. Aan den mond bouwde het ondernemende Delft een eigen voorhaven, Delfshaven, om aldus een zeestad te worden en met Rotterdam te kunnen wedijveren. Delfshaven is dus een schepping van Delft en bleef aan deze stad behooren tot 1795.
Wanneer men het fraaie kerkgebouw van Overschie, met den artistieken toren, welke na den brand met smaak is herbouwd, gezien heeft, biedt dit dorp geen bezienswaardigheden meer aan. Van hier kan men, langs een omweg, door verscheidene polders nog het aanzienlijke dorp Hillegersberg bereiken, dat ten noorden van Rotterdam zoo pittoresk te midden van uitgeveende plassen gelegen is.
"'t Grijze Hilgersberg, weleer Der Romeinen welbehagen, Wijl ze van zijn schedel zagen Over 't ruim van 't Hela-meer, Dat wij thans den Maasstroom heeten",
rijmelde Smits, naar aanleiding eener onwaarschijnlijke overlevering, dat deze plaats in den Romeinschen tijd zou zijn ontstaan op een berg, die destijds aan de Maas gelegen was. Een mooi plekje is de kerkhofheuvel met de bemoste, afgebrokkelde muren van een oud gebouw, het in den volksmond bekende Reuzenhuis, terwijl daarnaast het kerkje zich zoo rustig in 't gebladerte verschuilt, en van verre de heldere plassen hun zilver in het zonlicht weerspiegelen, te midden van frisch-groene omlijsting der graslanden.
Hillegersberg is de uitgangsplaats der Rotterdammers; de weg van het dorp naar de stad is met kleine villatjes omzoomd, welker tuinen aan beide zijden van den weg door plassen worden ingesloten. Zoo naderen wij de drukke Rottestad, maar wij treden haar thans niet binnen, omdat wij vooraf ten noorden van de Maas nog andere streken willen bezoeken.
II. DOOR HET WESTLAND.
Wie van Den Haag de lijn van den Westlandschen stoomtram naar het zuidwesten volgt, komt spoedig in een der meest typische gedeelten van Nederland, dat door zijn eigenaardige cultuur en produkten een algemeene beroemdheid heeft verworven, zoowel in het buitenland als in Nederland zelf. Wij bedoelen hiermede het Westland, het bekende land van den intensieven tuinbouw, de kweekplaats van allerlei vroege groenten en fijne ooftsoorten, het tuinbouw-district van Nederland bij uitnemendheid.
Onder "Westland" verstaat men het westelijk gedeelte van Delfland, het voormalig baljuwschap van het Graafschap en later van de provincie Holland, dat zich van 's-Gravenhage tot de Nieuwe-Maas uitstrekt.
Het Westland omvat de stad Maassluis en verder de dorpen het Woud, Wateringen, 's-Gravenzande, Rijswijk, Loosduinen, Monster, Ter-Heide, Poeldijk, Naaldwijk, de Lier, Maasland en Schipluiden. De duinzoom, die van Scheveningen en Den Haag naar het zuidwesten langzamerhand smaller wordt, om bij Ter-Heide geheel te eindigen en in een kunstmatige zeewering over te gaan, welke het bijna afgeslagen duin tot nabij den Hoek-van-Holland vervangt, vormt de westelijke grens van het Westland naar den kant der zee. Een reeks van hoofden, buiten de duinen in zee gebouwd van Scheveningen tot den Maasmond, belet de verdere afschuring der kust en doet het strand thans standhouden. Over 't geheel sluiten de naakte duinen zich aan bij het achterland; alleen ten zuiden van Loosduinen strekken zich de bosschen van het buiten Ockenburgh aan den binnenkant over en langs de duinen uit.
Achter de duinen ligt een strook van effene geestgronden, gedeeltelijk afgezande duingrond, welke verder binnenwaarts overgaat in kleilanden, afgewisseld met strooken laagveen.
Zoo vormt het Westland tot de duinen een streek met effene terreinen, bijna zonder afwisseling in hoogte. De bodem van dit gewest is uiterst vruchtbaar, in het westen meestal niet te zwaar en niet te zanderig, en leent zich hierdoor tot de fijnste cultures, terwijl het overige land wordt ingenomen door bouwlanden en meest door malsche weiden.
Door den bodem van het Westland werd zijn oudste geschiedenis en zijn eigenaardige economische ontwikkeling bepaald. In den vroegen tijd der historie, vóór den aanleg der dijken, lagen de klei- en laagveenstreken nog te drassig, zij het al niet voor de bewoning, dan toch voor geregelde cultuur. Daardoor worden de oudste nederzettingen van het Westland op den duinzoom en de geestgronden gevonden, waar de vastere bodem beter grondslag en gunstiger gesteldheid aanbood tot een duurzame vestiging der bewoners. De hoofddorpen van het Westland: Loosduinen, Monster, 's-Gravenzande en Naaldwijk zijn in zeer ouden tijd op de zandgronden ontstaan en Poeldijk ligt in de nabijheid van den geestgrond. Langs deze streek worden sporen gevonden, die bewijzen, dat de Romeinen hier vertoefd hebben, en ook kan men met grond een vóór-Romeinsche bewoning van het Westland aannemen.
Op dien oudsten grondslag heeft de bevolking van het Westland zich ontwikkeld. Gedurende de middeleeuwen, toen er dijken gebouwd waren langs de Maas, vormde dit gebied een aanzienlijke streek, waar adel en geestelijkheid onderscheidene voorname gebouwen deden verrijzen.
Een grafelijk paleis en vele buitens vond men bij 's-Gravenzande, onderscheidene kasteelen of adellijke huizen nabij Naaldwijk, als: Lagerwoerd, Hoogewoerd Patijnenburg of Endeldijk en Hunsel, later Hondsholredijk; het Hof-te-Wateringen was in de 13e eeuw een sterk slot; de Lier had het uitgebreide kasteel Boekestein en het Hof te Lier; Loosduinen had een beroemd klooster; tusschen Monster en Poeldijk stond het aanzienlijke slot der Heeren van Polanen, dat in 1358 in den strijd der Hoekschen en Kabeljauwschen verwoest werd; tusschen Loosduinen en Monster, midden in de weilanden, verhief zich het adellijk huis Madestein. Zoo was het Westland in de middeleeuwen de verblijfplaats van talrijke aanzienlijke geslachten. Onder hun invloed werd door de noeste vlijt der bewoners de bodem langs de duinen ontgonnen en in het vruchtbaarste cultuurland veranderd. Daardoor was het Westland al vroeg beroemd.
"Wie spelevaren wil door 't schoone korenland, Door 't tarwrijk Westland heen, moet deze baan ook houen, Vanwaar hij langs een vliet ziet roggenakkers bouwen, En vaers en koeien treên ten knieën toe in 't gras, Daar eertijds voor het vee geen groene pijl en was. Daar de nature mist, daar helpen 's menschen handen, Dat hier nu weiden zijn, dat waren schrale zanden. Men voert hier geesten [6] weg",
aldus zong Westerbaen [7] van zijn geliefd Westland, dat hij verre verkiest boven
"den valschen grond van venen en moerassen; Weg met de bolle moer, en met den weeken brij! Hier staat men zonder zorg en voor het zinken vrij, Hier staat gij op het zand en buiten wei- en kleiland, En nogtans midden in het beste klei- en weiland, Ten zuiden is het hei, ten noorden hebt gij wei, Zoo is m' er midden in, al is men in de hei".
Wij zullen thans ons bezoek aan het Westland van Den Haag uit aanvangen, om het tot de Maas te doorwandelen.
De straatweg van Den Haag naar Loosduinen, welke ook door den stoomtram gevolgd wordt, loopt door een bloeiende streek, waar warmoezerijen en vruchtbare weiden met elkander afwisselen, terwijl in het westen de duinen met hun naakte toppen schilderachtig den horizon begrenzen. Langs den straatweg vindt men enkele kleine villa's, burgerlijke huizengroepen, zoo hier en daar tot bescheiden dorpskommen in de lengte langs den weg gegroepeerd, en tuindershuisjes te midden van het tuinland, dat veelal door schuttingen of muren wordt afgesloten. Belangrijke gebouwen vindt men hier niet; alles ziet er burgerlijk-welvarend uit en de huizenreeks ondergaat steeds uitbreiding, zoodat Loosduinen eindelijk door een lange, hol bebouwde straat met Den Haag zal worden verbonden.
Vroeger was deze weg met vele aanzienlijke buitens bezet, die echter meest alle geheel verdwenen zijn of enkel door hooge steenen bruggetjes en poortpilaren met de namen der vroegere huizingen eenige sporen van hun aanwezigheid hebben achtergelaten, terwijl de grond in tuinland is veranderd. Een enkele dier buitens, welks gebouw en boschen daar verrijzen over het tuinland op korten afstand ten westen van den weg, wijst reeds bij de poort aan, dat hier een rustplaats wordt aangeboden aan hen, die den aardschen strijd hebben volstreden. Het is de begraafplaats "Nieuw-Eik-en-Duinen", die hier werd aangelegd.
Nog enkele minuten verder en wij staan in het gehucht Eik-en-Duinen, een eenvoudige reeks van huizen, langs de straat. Een smalle zijweg voert duinwaarts, en weldra staan wij voor de oude begraafplaats "Eik-en-Duinen", schilderachtig en vreedzaam gelegen onder het lommer van 't hooge geboomte. Tal van grafteekens op Eik-en-Duinen herinneren aan bekende personen uit onze staatkundige of letterkundige geschiedenis van de jongste tijden, die hier hun laatste rustplaats vonden.
Wees mij gegroet, gij slaapvertrek der dooden, Omsponnen met dat statig loofgordijn! Hoe lieflijk komt gij den vermoeide nooden: "Laat dit voor u een plek der ruste zijn!" Hier, waar zoo mild de geur'ge heesters bloeien, Als een priëel om d'open bloementuin, Jasmijn en roos naast lijkcypressen groeien, Wees mij gegroet, gij heuv'lig Eik-en-Duin!
Ontsluit me uw schâuw, gij breedgewelfde linden En eiken, die een bouwval houdt omkranst, Wier hoogste top, doorschuifeld van de winden, In 't vonklend goud der avondzonne glanst. Hier aan 't gewoel der trotsche stad ontweken, Waar ook een vorst met koningsmacht gebiedt, Hier luister ik, wat taal de dooden spreken, Al breekt die stem de ontzagbre stilte niet.
Gij, Eik-en-Duin! zult ge ook mijn rustplaats wezen? Wacht naast mijn Gâ die open plek op mij? Waar reeds mijn naam staat op de zerk te lezen, Voegt slechts den dag van 't heengaan nog daarbij.
Aldus zong de dichter B. ter Haar. Deze wensch werd niet vervuld; ter Haar's laatste rustplaats ligt te Rozendaal in Gelderland.
Niet alleen uit de laatste tijden, ook uit het grijze verleden vindt men hier herinneringen.
"Op 't kerkhof "Eik-en-Duinen" Rijst aan uw linkerhand Het muurstuk van een kerke, Verbrok'lend te allen kant; Een enkel poortje als doorgang Bleef in den muur gevest, En boven op de spitse Heeft de ooievaar zijn nest. 't Klimop weeft om de steenen Zijn altijd glanzend loof En donzig mos tiert welig In elke spleet en kloof."
Ant. L. de Rop.
Al is het ooievaarsnest sedert verdwenen, het muurstuk staat er nog als altijd. Het is een overblijfsel der oude parochiekerk van het vroegere dorp Eik-en-Duinen, dat vrij aanzienlijk was. De kapel van het dorp werd in 1320 tot parochiekerk verheven. Een stuk van het heilige kruis heette in deze kerk bewaard te zijn en vormde een merkwaardige reliquie, die duizenden bedevaartgangers hier samenbracht. De Hervorming heeft hieraan een einde gemaakt; in 1581 werd de kerk afgebroken, op de enkele grijze muren na, welke hier nog bewaard worden. Ook het dorp Eik-en-Duinen is geslonken in omvang, doch breidt zich tegenwoordig weer uit door de warmoezerijen in de nabijheid van Den Haag.
Het landschap blijft hetzelfde, als wij den weg vervolgen naar Loosduinen. Het oude landgoed Rozenburg is in den laatsten tijd in een Krankzinnigengesticht veranderd. Vóór wij aan het oude dorp Loosduinen komen, zien wij reeds de jonge uitbreiding dier nederzetting, en de gedenknaald, welke hier ter eere van Gevers van Deynoot door de Hollandsche Maatschappij van Landbouw in een weiland werd geplaatst, staat thans midden in de huizenrij.
Loosduinen werd door Huygens met zijn eigenaardige woordkunst nog beschreven als:
Loos duinzand, mager staal van overstoven heigrond, Daar 't hongerig konijn ter nauwernood zijn wei vond En voedde mensch noch vee, als Brandwijks noeste schop Dat schraal bezwangerde met allerlei volop.
Aan den kant van Den Haag opent zich Loosduinen door een fraaie, nieuwe Katholieke kerk en eenige kleine villa's en tuindershuisjes, terwijl verder het plaatsje uit eenvoudige dorpshuizen bestaat. Het dorp is gebouwd in straten langs een kruisweg en wordt rondom ingesloten door warmoeslanden, die hier hun middelpunt hebben.
Een echt landelijke weg loopt van het dorp dwars door de duinen naar zee, waar een eenvoudig badhuis gebouwd is, en een goed strand gevonden wordt.
Loosduinen is van oude dagteekening. Door velen wordt het Lugdunum der Romeinen hier gezocht. Dat er reeds in den Romeinschen tijd en vroeger bewoners gevonden werden, lijdt geen twijfel. Uit den grafelijken tijd zijn verschillende herinneringen aan deze plek bewaard. De voorouders van graaf Floris IV hadden reeds lang vóór 1224 te Loosduinen een kapel, en Floris IV stichtte bij deze kapel op zijn eigen landgoed een vrouwenklooster voor adellijke maagden van de Cistercienser orde, zooals blijkt uit een brief van 1224. Rijk werd dit klooster begiftigd met allerlei voorrechten en wereldsche bezittingen. Maar, of het laster is of waarheid valt moeilijk te beslissen--tegelijk met die weelde en overvloed verspreidden zich geruchten omtrent de zeden binnen deze kloostermuren, welke den goeden naam der vrome zusters schade deden.
Dat de kloostertucht er werkelijk te wenschen overliet, blijkt hieruit, dat in 1347 Ludolphus, abt van Eiteren bij IJselstein, op verzoek van Graaf Willem naar Loosduinen werd gezonden, om met alle gestrengheid de kerkelijke wetten en straffen toe te passen. Hoe dit geschiedde, is ons niet bekend. Het klooster is blijven bestaan tot den tijd der Hervorming, toen het in 1579 geheel werd verwoest. Alleen de Kloosterkerk bleef over en werd door de Hervormden in gebruik genomen. Doch toen die kerk bouwvallig werd, is ook zij in 1791 geheel vernieuwd, zoodat van de schoone abdij niets meer aanwezig is. In Loosduinen vindt men over 't geheel niets, dat aan de vroege oudheid der nederzetting herinnert.
De oude geschiedschrijvers verhalen van Loosduinen een vreemde historie, welke heel wat pennen in beweging heeft gebracht. In de abdijkerk te Loosduinen zou begraven geworden zijn Margaretha, dochter van Floris IV, gemalin van den Graaf van Hennenberg, met haar 365 kinderen, welke zij, "t' eenen dragt gebaard zoude hebben". Hoewel enkele oude geschiedschrijvers reeds twijfelden aan de waarheid van het verhaal, en ook Erasmus het als een fabel beschouwde, waren er anderen, die met bewijzen en tegenbewijzen aan de overlevering een schijn van waarheid wilden schenken. H. v. Heusden kwam tot de volgende verklaring, dat de Gravin van Hennenberg op Goeden Vrijdag zoovele kinderen gebaard heeft, als er dagen in 't jaar waren, d. i. twee, want daar het nieuwe jaar destijds nog met Paschen inviel, waren er nog slechts twee dagen in het jaar over.
Wij behoeven niet bij de critiek of de verklaring van 't geval stil te staan. Alleen wijzen wij er op, dat het verhaal oudtijds een algemeen bekende volkslegende was voor deze streken. Zelfs werden de bekkens, waarin de 365 kinderen gedoopt zouden zijn, nog lang in de kerk getoond, en gehuwde lieden, wier echt niet spoedig met kinderen gezegend was, gingen niet zelden biddend naar de kerk te Loosduinen, om de handen te waschen in het doopbekken, waaraan zooveel kinderzegen verbonden was. Ook verhaalt Westerbaen, dat in zijn tijd vrouwen, die de hoog opgehangen bekkens niet konden aanraken, den handschoen of neusdoek er tegen wierpen, in de hoop, dat dit een gezegende uitwerking zou hebben.
Wij stappen af van deze "fabelen en verdichtingen", en verlaten het dorp.
Langs den binnenkant van het duin, gedeeltelijk overschaduwd door eiken en olmen, die verderop lager worden en onder den invloed van den zeewind verschrompeld, haagvormig zijn samengegroeid, zoodat zij slechts wanden langs den smallen weg vormen, loopt de oude weg naar Monster. Op korten afstand van Loosduinen zien wij in het duin de schilderachtige bosschen van het buiten Ockenburg, door Westerbaen bekend geworden en ook bezongen, zooals wij zeiden. Het was in den tijd, toen Cats zijn Zorgvliet, Huygens zijn Hofwijk deed verrijzen, dat ook dit buiten werd aangelegd, of in elk geval van een vervallen buiten weer in aanzien werd gebracht door schoone plantsoenen, door de teelt van fijne ooftsoorten, uit verschillende deelen der aarde aangevoerd, zooals het Nederlandsche handelsvolk dit kon doen.