Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 29

Chapter 293,554 wordsPublic domain

Zeeuwsch-Vlaanderen is dan ook een "achterhoek van den overkant", zooals Nagtglas het noemde; het vormt een overgang tot het Belgische Vlamenland en behoort er geographisch nader toe dan tot Zeeland. Toch bestaat er in het volkseigene dier beide streken nog groot verschil, dat men spoedig opmerkt, als men over de grenzen naar België gaat. Men vindt in het Belgische niet alleen overheerschend een anderen godsdienst, andere kleeding, andere volksgebruiken en gewoonten, maar ook een andere taal, een taal, zoozeer afwijkend van het Zeeuwsch-Vlaamsche dialect, dat de Zeeuw, die in Zeeuwsch-Vlaanderen een zusterspraak hoort, welke hij terstond herkent, waarmede hij zonder eenige moeite spoedig vertrouwd is, de taal over de rijks-grens als een vreemde taal beschouwt, grootendeels voor hem onverstaanbaar. Dit verschil is zeer in 't oogvallend, omdat beide gedeelten niet door een natuurkundige grens van elkander gescheiden zijn, maar geographisch in elkander overgaan, terwijl er een dagelijksche aanraking tusschen beide gedeelten plaats heeft, thans nog bevorderd door spoorwegen, kanalen, trams, enz. Daarenboven is dit verschil opmerkelijk omdat vóór een viertal eeuwen het volk aan deze en gene zijde van de tegenwoordige staatsgrens één was. Het oude Vlaanderen strekte zich uit tot de Wester-Schelde, en in dien tijd bestond ook dat taalverschil niet, zooals blijkt uit de geschreven stukken der 16e eeuw. Wij hebben hier dus het verloop van een scheidingsproces in historischen tijd op te merken, waardoor een volk, één van afkomst, verdeeld werd. Doch bovendien heeft in het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen de invloed van een binnenlandsche kolonisatie gewerkt, die hier volkselementen uit het overige Zeeland aanbracht, welke met het bekende conservatisme, den Zeeuw eigen, hun dialect, gewoonten en kleeding ten deele bewaarden, maar onder den invloed van het Vlaamsche toch eigenaardig ontwikkelden.

Het West-Vlaanderensche en het Zeeuwsch-Vlaanderensche (bijv. in het district van Sluis) zijn zeer verschillende dialecten. Waaruit is het verschijnsel te verklaren, dat o. a. in het gebied van Sluis de volkstaal met het Walcherensche dialect meer overeenkomst heeft dan met het West-Vlaamsche?

Niet onwaarschijnlijk werd de Zeeuwsche invloed in ouden tijd ook al tot ten zuiden van de Schelde uitgebreid, zooals o. a. hieruit valt af te leiden, dat de Zeeuwen in 1180 Damme bedijkten. Maar de invloed der Zeeuwsche taal, hoewel misschien op het eiland Kadzand het best bewaard, moest door het leven der bevolking met en in Vlaanderen wel verloopen, en uit de geschreven stukken der 16e eeuw valt overeenkomst in dialect tusschen Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen af te leiden, gelijk wij zeiden.

Na dien tijd evenwel werd de scheiding voltooid. Tijdens den Spaanschen oorlog vluchtten vele bewoners om den wille van den godsdienst uit Vlaanderen naar Walcheren, hielden daar langen tijd verblijf en brachten, van daar terugkeerend, natuurlijk de taal mede, die zij er hadden aangenomen. Zelfs werd uit het Walcherensche de vrouwenkleeding gedeeltelijk overgenomen en de ouderwetsche zeden in westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen hebben daarmede ook de meeste overeenkomst.

De invloed der staatkundige vereeniging met Noord-Nederland deed zich vervolgens in Staats-Vlaanderen gevoelen. Van West-Vlaanderen was men gescheiden, doch met Zeeland stond men door handel, rechtsbedeeling, godsdienst, bloedverwantschap en omgang in de nauwste betrekking. Daarenboven vestigden zich vele Zeeuwen in Staats-Vlaanderen. Dit alles werkte samen, om hier den Zeeuwschen tongval de overhand te doen verkrijgen, en deze werd de grondslag van de zich ontwikkelende taal.

Maar toch, het Zeeuwsch was er niet zuiver, want in Staats-Vlaanderen vestigden zich ook vele vreemdelingen, die hun eigenaardige taalelementen oplosten in het Zeeuwsche. Franschen, Walen, Luikenaars en Salzburgers kwamen hier aan. Door hun invloed werd de taal gewijzigd. "De taal is een Zeeuwsch gebouw, op een Vlaamschen grondslag omhoog gerezen, dat hier een uitheemschen vorm heeft aangenomen," zegt de heer H. Q. Janssen, die deze dialecten goed kende.

Gaat men de dialecten meer in bijzonderheden na, alsmede de nationale kleeding, dan zijn er drie gedeelten in Zeeuwsch-Vlaanderen te onderscheiden. Het westelijk gedeelte, ten W. van den Braakman, heeft een Vlaamschen grondslag, onder Zeeuwsche invloeden gewijzigd; het Land van Axel, ten O. van den Braakman, is meer Zeeuwsch getint, en het ten oosten daarvan gelegen Land-van-Hulst is meer met Brabant en Antwerpen verwant. Wij komen later hierop terug.

In de eerste plaats een blik op de geschiedenis des bodems en der bewoners.

Het is geen gemakkelijke taak de veranderingen van Zeeuwsch-Vlaanderens bodem en wateren in historischen tijd na te gaan, en wij willen dit ook geenszins beproeven. Daarvoor is buitengewone locale kennis noodig naast studie van de bronnen. Wel zijn er kaarten van het oude Zeeland en ook van Zeeuwsch-Vlaanderen geconstrueerd uit gegevens, welke men aan de geschiedenis ontleende, doch dikwijls liet men zich daarbij ten deele leiden door onbewezen gissingen. De voorstelling, welke Ab Utrecht Dresselhuis in zijn kaart van Zeeland omstreeks 1200, gegeven heeft van Zeeuwsch-Vlaanderen, wordt op vele gronden als onjuist beschouwd.

Wij hebben voor dit werk een historische kaart laten reproduceeren van Zeeland naar een voorbeeld, dat een copie is van Lieven van Thuyne, gemaakt volgens een kaart, die van 1288 heet te zijn. De echtheid dezer kaart wordt door enkelen bestreden, door anderen verdedigd. Geheel juist is ook deze kaart zeker niet, maar wij meenden haar toch te moeten overnemen, om daarmede, zij het ook niet in details nauwkeurig, toch een algemeen beeld van den vermoedelijken toestand van oud-Zeeland te geven. Voor Zeeuwsch-Vlaanderen schijnt ons deze kaart juister dan die, welke Dresselhuis ontwierp; voor de overige gedeelten heeft die van Dresselhuis misschien meer waarde.

Zonder nu in bijzonderheden te treden, gelooven wij ons Zeeuwsch-Vlaanderen, evenals het overige gedeelte van Zeeland, vóór den aanvang onzer jaartelling te moeten voorstellen als een laag kustland, van onderscheidene waterarmen doorsneden, maar toch over 't geheel droog gelegen. De lagere waterstand der zee, welken wij reeds vroeger aannamen voor dien tijd, geeft ons grond tot een dergelijke veronderstelling. Daardoor was dit kustland bijzonder gunstig gelegen voor de eerste scheepvaart en had zich hier in de eerste eeuwen onzer jaartelling reeds een bevolking gevestigd, die, evenals op de kustplaatsen van Zeeland (Domburg enz.), tot een hooge welvaart was gekomen.

De waterarmen in het kustgebied waren meest niet zoo breed als later, het Zwin misschien uitgezonderd. Het Zwin was een waterarm, die van den mond der Wester-Schelde in zuidelijke richting zich tot Brugge uitstrekte, waar het een natuurlijke haven vormde, terwijl onderscheidene smallere zij-armen er mede waren verbonden. Vóór 1180 vloeide het zeewater tot Brugge, doch dewijl deze stad gevaar liep van overstroomd te worden, versterkte men den afsluitingsdijk, die een uur beneden Brugge liep, en de stad aan dien dijk, Damme, werd daardoor de voornaamste haven van dit gewest. Aan het Zwin hadden zich ook andere nederzettingen gevormd: o. a. Sluis, Oostburg, e. a. Toen het Zwin als een doodloopend water, waarin de vloed opliep, om daarna terug te keeren, in den lateren tijd meer en meer dichtslibde in den bovenloop, werd de handel vervolgens naar Sluis verplaatst, gelijk wij zien zullen, terwijl ook deze plaats later een landstad werd.

Het Vlaamsche kustland, ten Z. langs de Schelde, werd al vroeg bewoond; hier begon St. Amand in het begin der 7e eeuw met St. Eloy de evangelieprediking, en in dien tijd bestonden Oostburg en Aardenburg reeds. De evangeliepredikers stichtten hier onderscheidene kloosters. Van het leggen van dijken en het inpolderen wordt niet gesproken vóór ± 1100, toen de genoemde dijk bij Damme gelegd werd. Het komt ons niet onwaarschijnlijk voor, dat in die eerste eeuwen het leggen van zware dijken niet noodig was, evenmin als in Holland, zoodat er enkel lagere kaden werden aangetroffen.

Toen evenwel de rijzing van het niveau der zee na de 10e eeuw zich langs de geheele kust openbaarde, die in het noorden de Zuiderzee deed ontstaan (zie I pag. 14 en 341), nam ook hier aan de kust de landvernieling aanvang. Langs de waterarmen, misschien wel door lage kaden omringd, spoelde het slappe land weg en het water drong er dieper in door. Aldus loste Zeeuwsch-Vlaanderen, voor zoover de bewoners door het leggen van dijken er geen voldoenden tegenstand aan boden, zich op in onderscheidene eilanden, door breede wateren gescheiden. Dit proces zette zich voort tot de 16e eeuw en deed heel wat land teniet gaan. Het Zwin werd breeder, hoewel tevens in het zuiden langzamerhand ondieper; de Braakman vormde zich tot een woest water (± 1440), het Land van Saeftinge in het oosten verdween in de golven (bij onderscheidene vloeden in de 16e eeuw); het Hellegat werd een breede inham, enz. In dien strijd werd de gedaante van het land geheel veranderd en weken de bewoners terug voor het water, terwijl de onrustige oorlogstijden der 16e eeuw niet de noodige zorg deden besteden aan het onderhoud van de verdedigingsmiddelen voor het land.

Doch na die woeste overwinningen der zee begon weder de aanwinst van land. Toen het proces der landvernieling gestaakt werd, toen de bevolking tot eenige rust kwam en de dijken werden aangelegd of versterkt, terwijl alleen enkele binnenwateren met de zee in betrekking bleven, voerde het vloedwater bij elk getijde nieuw slib aan, dat in die doodloopende wateren bezonk. Sliklagen vulden de binnenwateren op, en vroeger goede havensteden als Damme en Sluis konden weldra niet meer bereikt worden door de schepen uit de zee.

De ontwikkelende landbouw maakte zich meester van de aanwassen, om het verloren land te herwinnen, en zoo werd Staats-Vlaanderen in een gebied met aaneengesloten bedijkingen veranderd. Het vroegere Zwin, waar oudtijds zulk een aanzienlijke handel gedreven werd, waarvan Maerlant getuigt in de Wapene Martijn:

"Al waert al dijn, dat comt in 't Zwin, Gout, Zilver, Loot, Staal, IJzer, Tin;"

waar in 1340 voor Sluis een zeeslag geleverd werd, bij welke de Fransche vloot, 123 zeilen sterk en met 40000 koppen bemand, door de Engelschen overwonnen werd, aangevoerd onder koning Eduard in persoon; waar in 1484 aartshertog Maximiliaan met wel anderhalf honderd schepen binnenliep, is langzamerhand geheel verdwenen. In 1648 werd het uit naijver der provinciën afgesloten, waarna het door opgroeiing en inpoldering steeds verkleinde. In 1872--73 verdween het laatste gedeelte door de bedijking van den Willem-Leopoldpolder. Nog in onzen tijd zet die arbeid van landaanwinst zich voort; in den Braakman en in het Land van Saeftinge hadden de laatste inpolderingen plaats.

Zoo is Zeeuwsch-Vlaanderen van een handelsgewest met bloeiende koopsteden en levendige zeevaart in den loop der laatste vier eeuwen een landbouwstreek geworden. De steden hebben daardoor veel van hun beteekenis verloren, doch het land is er bij vooruitgegaan. Door de herhaaldelijk nieuwe ingepolderde landen kwam er grond beschikbaar en vestigden zich hier ook kolonisten van Zeeuwsche eilanden, zelfs uit vreemde landen. Dit had ten gevolge, dat men er tegenwoordig nog zooveel volkselementen kan opmerken, die niet zelden van polder tot polder verschillen in godsdienst, zeden, gewoonten en kleederdracht.

Staatkundig heeft Vlaanderen in de oudheid een groote beteekenis gehad. Men verstond daaronder in de latere middeleeuwen het graafschap, dat ten N. grensde aan de Noordzee en den mond der Schelde, zoodat het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot het graafschap Vlaanderen behoorde en de Schelde de grens ervan uitmaakte. Verder vormden in het O. het markgraafschap Antwerpen, het hertogdom Brabant en het graafschap Henegouwen de grens, in het Z. Henegouwen, het graafschap Artois en een gedeelte van Picardië, en in het W. de Noordzee. In den tijd van Lodewijk den Vrome had Vlaanderen reeds een zekere, doch beperkte uitgestrektheid verkregen en kwam het als een afzonderlijk land voor. Als zoodanig wordt het vermeld in het voorschrift, dat Lodewijk gaf omtrent de verdeeling van zijn landen in 838. Een streek bij Brugge komt in de 7e eeuw het eerst voor onder den naam van Pagus Flandrensis, waaraan de naam van het graafschap ontleend schijnt te wezen. Men meent, dat de Frankische koningen het land tot in de 9e eeuw door houtvesters (forestiers) deden besturen. Een van hen, Boudewijn met den IJzeren Arm, verwierf in 863 de hand eener dochter van Karel den Kale, die het gebied van zijn schoonzoon vergrootte en tot een graafschap verhief. De graven van Vlaanderen leefden herhaaldelijk in oorlog met hun naburen, vooral met de Graven van Holland, over het bezit van Zeeland ten westen van de Schelde (zie pag. 192), dat zijn de eilanden Walcheren, Zuid-Beveland, Noord-Beveland e. a., welke na 1323 aan Holland kwamen.

Bij de oorlogen van Vlaanderen met Frankrijk, de inwendige beroeringen, den vrijheidsstrijd van Jacob van Artevelde, waardoor de Fransche invloed in Vlaanderen bedwongen en de grond tot de zelfstandigheid van het land gelegd werd, zullen wij niet stilstaan. Door Philips den Goede werd Vlaanderen, met nog andere deelen van Nederland, onder één bestuur vereenigd, in 1429 met het graafschap Namen, in 1430 met de hertogdommen Brabant en Limburg, in 1433 met de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Al die bezittingen, vermeerderd met het hertogdom Luxemburg, vielen in 1467 ten deel aan Karel den Stoute, in 1477 aan zijn dochter Maria, en door haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk kwamen zij aan het Oostenrijksche huis. Onder Philips den Schoone kwam Vlaanderen met de andere Nederlandsche gewesten in nadere betrekking tot Spanje en deze duurde voort onder Karel V en Philips II, totdat de opstand losbarstte onder laatstgenoemden vorst. Vlaanderen nam daaraan aanvankelijk met ijver deel, schaarde zich voor en na aan de zijde van den Prins van Oranje, maar bleef ten slotte een provincie van de zuidelijke of Spaansche Nederlanden.

In het noordelijk gedeelte van Vlaanderen werd echter de grensstrijd tusschen Spanje en de Nederlanden gedurende den tachtigjarigen oorlog voortgezet. Hier werd door de noordelijke Nederlanden een gedeelte van Vlaanderen veroverd, dat in 1648 bij den vrede van Munster aan de Algemeene Staten werd afgestaan. Dit gedeelte verkreeg destijds den naam van Staats-Vlaanderen en behoorde tot de Generaliteitslanden. De grensscheiding was in het vredesverdrag niet nauwkeurig bepaald, doch nader werd die omschreven in het verdrag van 28 Sept. 1664; later kwam er in 1715 een nieuw, gewijzigd grensverdrag tot stand. Nog herhaaldelijk hadden er grenswijzigingen plaats, o. a. in 1718 en 1786.

Staats-Vlaanderen nu stond onder de oppermacht van de Algemeene Staten der Vereenigde Nederlanden, die uit hun midden jaarlijks Gedeputeerden afvaardigden om de regeering der steden te bezetten, rekeningen op te nemen, enz. De Raad van State had het beheer over de geldmiddelen. Alleen langs de noordkust was een gedeelte, "het Committimus" geheeten, dat meer onder Gecommitteerde Raden van Zeeland stond.

De ingezetenen van Staats-Vlaanderen hebben in den tachtigjarigen oorlog met warmte de zaak der vrijheid omhelsd en daardoor was hun aansluiting bij de noordelijke gewesten bepaald, terwijl zij in de afscheiding van het overige Vlaanderen geen bezwaar zagen. De economische belangen, welke het gedeelte, dat sedert Staats-Vlaanderen heette, met het zuidelijke Vlaanderen hadden verbonden, hadden na de 16e eeuw niet meer de beteekenis van vroeger, gelijk wij nader zullen aantoonen, en daardoor werd de band tusschen beide deelen van Vlaanderen losser. Zelfs zag men daar niet zelden een bijzonderen ijver aan den dag leggen voor de belangen van het noorden.

Sluis en Hulst hebben bij de Pacificatie van Gent met kracht er op aangedrongen, dat de Spaansche, Hoogduitsche en Italiaansche krijgsbenden uit het land zouden verdreven worden, en zij hielden zich aan de Unie van Utrecht. Staats-Vlaanderen werd dan ook meest Protestantsch, alleen uitgezonderd het Land-van-Hulst, dat in de macht van Spanje viel en eerst in 1645 heroverd werd, evenals eenige gedeelten van heerlijkheden en dorpen, die eerst door den vrede van Munster er bijgevoegd werden, n.l. de streek lands tegenover Axel, ten zuiden van het Canisvliet, en de Staatsche gedeelten van de heerlijkheden Watervliet en Waterland en van het graafschap Middelburg. De kapellen, die de Roomsch-Katholieken hadden te Sluis en IJzendijke, waren meer in 't belang van de bezetting dan van de burgerij.

Na de herstelling van onze onafhankelijkheid in 1815 werd het vroegere Staats-Vlaanderen tot de provincie Zeeland gerekend en is daarbij gebleven, al zijn de grenzen niet geheel dezelfde. Sedert wordt dit gedeelte van Nederland meest Zeeuwsch-Vlaanderen genoemd.

In economisch opzicht was Vlaanderen een tijdlang het belangrijkste gewest der Nederlanden. Vlaanderen trok voornamelijk voordeel van den door de kruistochten in het leven geroepen nieuwen staat van zaken op het gebied van handel en verkeer. In dien tijd werd in Vlaanderen de eerste groote tusschenmarkt voor den wereldhandel geopend. Verschillende omstandigheden werkten daartoe mede. Vlaanderen was van de zuidelijke gewesten der Nederlanden het eenige, dat door de zee bespoeld werd, en tevens het meest bevolkte gebied. De Vlaamsche steden waren in dien tijd reeds de aanzienlijkste, met een levendige nijverheid, terwijl de bodem er uitermate vruchtbaar was en goed bebouwd werd. Van de zee kon men langs de onderscheidene waterarmen in het land doordringen, en op deze inhammen had zich een drukke scheepvaart ontwikkeld met stoute zeelieden, die met de Zeeuwschen het eerst flinke tochten over den oceaan waagden. In den tijd der kruistochten werden kruisvaarders uit het westen door Vlaamsche schepen overgebracht naar de Middellandsche Zee en met Oostersche voortbrengselen kwamen die terug. Daardoor werd Vlaanderen als vanzelf de markt voor de Oostersche waren, en door zijn geographische ligging, ongeveer midden tusschen de Oostzee en Middellandsche Zee, was dit gewest in de middeleeuwen aangewezen, om de handelaren der Hanze en die der Italiaansche steden aan de Middellandsche Zee tot elkander te brengen. Vlaanderen werd het ontmoetingsgebied tusschen noord en zuid; zoo ontwikkelden zich deze havens tot centrale markten voor den wereldhandel. De Vlaamsche nijverheid gaf daaraan tevens voedsel, terwijl zij op haar beurt door den handel werd gesterkt.

Tot de belangrijkste steden van Vlaanderen behoorden Brugge, Gent, Yperen, Oudenaarden, Rijsel, Aalst en Kortrijk. In al deze steden, bovenal te Gent, bestonden lakenfabrieken. Voor de scheepvaart was vooral Brugge het gunstigst gelegen. Deze stad lag wel niet dicht bij de kust, maar zij had met de zee gemeenschap door het reeds beschreven Zwin langs Damme en Sluis. In de 13e eeuw werd Brugge de groote voorraadschuur der voortbrengselen van Europa en het Oosten, de stapelplaats van den geheelen Nederlandschen handel. De toevloed van vreemdelingen te Brugge en de toeneming der bevolking maakten de stad een tijdlang tot de aanzienlijkste der Nederlanden; hier waren in het midden der 14e eeuw ongeveer 150.000 inwoners gevestigd en de beurs van Brugge beheerschte den wereldhandel. Het Hanzeverbond, Londen, Bristol, Avignon, Lissabon, Barcelona, Pisa, Genua en Venetië, alsmede Noord-Nederlandsche steden, hadden hier hun handelskantoren; papier op Brugge was gangbaar door de geheele wereld.

Toen de waterverbinding van Brugge met de zee slechter werd in de 16e eeuw, werd Antwerpen, zoo gunstig gelegen aan de Schelde, de opvolger van Brugge en de beheerschende stad van den wereldhandel, om die rol te blijven vervullen, tot de inneming van Antwerpen door de Spanjaarden in 1585.

Door dit alles vormde de kuststreek van het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot de 16e eeuw het voorland van het aanzienlijkste handelsgebied der aarde en ontwikkelden zich hier aan de mondingen der wateren belangrijke voorhavens, die grooter welvaart verkregen, naarmate het verkeer op de hoofd-handelssteden door de dichtslibbende wateren meer bemoeilijkt werd. Daardoor waren de steden van Staats-Vlaanderen met den bloei der zuidelijke handelssteden van Vlaanderen verbonden. Doch sedert de handelsbloei van het achterland achteruitging of ophield, werd ook die betrekking minder, de behoefte aan nauwe aaneensluiting geringer. Dat was reeds het geval in het midden der 16e eeuw. Het noordelijke kustland van Vlaanderen gevoelde zich toen los van het in verval gerakende Brugge, trachtte zelf daarvoor in de plaats te komen, dewijl het nog open toegangen had uit zee, en deze omstandigheid bevorderde de scheiding tusschen noordelijk en zuidelijk Vlaanderen, deed het noordelijke nauwer bij Noord-Nederland aansluiten.

Dezen invloed der geographische ontwikkeling van den bodem op de staatkunde meenden wij kortelijk te moeten aanduiden, omdat die medegewerkt heeft, om een deel van Vlaanderen aan Noord-Nederland te verbinden, waardoor wij een strook lands ten zuiden van de Wester-Schelde als een Nederlandsch gewest kunnen doorwandelen, hoewel het in afkomst nader aan het Belgische Vlamingenland verbonden is.

Door de geschiedenis is de bevolking van Zeeuwsch-Vlaanderen in karakter Vlaamsch, maar vanouds met internationale bestanddeelen vermengd, welke door het drukke verkeer in dit bedrijvig gewest gebracht zijn. In den tijd, toen het als Staats-Vlaanderen zijn wereldhandel reeds verloren had, maar als vruchtbaar landbouw-gewest bleef bloeien, was dit gebied een grensgebied, dat verdedigd moest worden en daarvoor ook vreemde elementen in zich opnam. Vooral de nieuw aanwassende polders vormden van tijd tot tijd een nieuw gebied, geschikt tot vestiging van vreemdelingen. De gastvrijheid, binnen de landpalen der Nederlandsche gewesten verleend aan hen, die elders om hun geloof vervolgd werden, maakte Staats-Vlaanderen tot een toevluchtsoord voor vele emigranten. Tal van familienamen herinneren er nog aan Fransche afkomst. Men ontmoet er de namen Du Rieu, du Pré, Risseeuw (Rossé), Toussaint, de Hulu, Erasmus e.a. schier overal; de naam Hennequin wijst op afkomst eener familie uit Noord-Frankrijk. De hartelijke ontvangst maakte voor de vreemdelingen de vestiging in deze gewesten aangenamer, en vooral de Franschen, die hier veelal kwamen met kapitaal, waren er zeer gezien. Zij vormen nog een aanzienlijke klasse onder de bevolking, een soort van aristocratie, en hebben er veel bijgedragen tot de ontwikkeling der welvaart.

Minder in aanzien waren de Salzburgsche immigranten. Toen in de eerste helft der 18e eeuw tal van plaatsen in Staats-Vlaanderen door koortsen ontvolkt waren, kwam er behoefte aan arbeiders op het land, dewijl vele boerenzoons geen lust hadden in den landarbeid en liever te scheep gingen of zich in de steden als heerenknechts verhuurden. Om hierin te voorzien, wisten de Staten-Generaal in 1732 een 700tal Salzburgers, die wegens hun Lutherschen godsdienst vervolgd werden, over te halen, zich hier te vestigen. Die lieden, verjaagd en verdrukt, kwamen na veel ellende in Staats-Vlaanderen aan, in de hoop hier geloofsvrijheid en arbeid te zullen vinden.