Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 28
Historisch meer beroemd en vooral bekend door Mevr. Bosboom-Toussaints geschiedkundigen roman van dien naam, is Westhoven, een kasteel, waarvan de eerste stichting onzeker is. Sommigen meenen, dat het een grenssterkte is geweest tegen de Noormannen, of misschien wel door dezen gesticht, om hun veroveringen op Walcheren te verzekeren. Men wil ook, dat dit kasteel den Tempeliers tot woonplaats verstrekt heeft, en als dat juist is, moet de stichting tusschen 1118-1314 hebben plaats gevonden. Het kasteel zou vervolgens het eigendom geweest zijn van het geslacht der heeren Van Borsele van Brigdamme, en bij een zoen over een doodslag, gepleegd door Boudewijn van Borsele van Brigdamme, omstreeks 1358 aan den Abt van Middelburg gekomen zijn.
Westhoven verstrekte vervolgens tot lustplaats aan de rijke prelaten van Middelburg, die hier een groot deel van den zomer doorbrachten en er niet zelden vorsten en andere hooge personen, die Walcheren bezochten, als gasten ontvingen. Hier zag men als zoodanig verschijnen in 1500 hertog Filips van Oostenrijk, verder prinses vrouwe Johanna en in 1515 hertog Karel van Oostenrijk, die later, in 1540, toen hij keizer was, dit kasteel nog weer bezocht. De toenmalige Abt, Floris van Schoonhoven, heeft het kasteel veel verbeterd en verfraaid.
Na de Hervorming werd dit kasteel verkocht in 1579; "met zijne vervalle huijsinge, grachten, boomgaarden en bosschen" enz. werd daarvan eigenaar Jonkheer Heinrich Balfour voor ± f 10,000. De geschiedenis der verwisseling van bezitters zullen wij niet verder volgen, doch wij gaan de plaats bezien en zullen enkel bij eenige historische personen stilstaan, die hier een bezoek brachten.
Niet ver voorbij het dorp, op den weg naar Domburg, voert een laan naar het kasteel, dat, door grachten omsloten, zijn gekanteelde muren en torens doet verrijzen te midden der bosschen van de Manteling. Wij staan voor den toegang, waar een breedgetakte linde het voorplein overschaduwt. Deze nog elk voorjaar weder verjongende boom is misschien de oudste levende bewoner van Walcheren; hij was eertijds aan de Heilige Maagd gewijd, en werd zeker door een der Abten geplant als een hulde aan zijn heilige beschermvrouw. Heel wat geschiedenissen heeft de linde aan haar voet zien afspelen. Toen Karel V hier in Juli 1540 de gastvrijheid genoot van den rijken abt Filips van Schoonhoven, geurden haar bloesems reeds heerlijk. Hier kwam bijna een halve eeuw later Louise de Coligny, die destijds het Prinsenhof te Vlissingen bewoonde, dikwijls met den toenmaligen eigenaar, Loiseleur de Villiers, den toestand van het benarde vaderland en de sluwe plannen van Leicester bespreken. De Staten van Zeeland, die tijdens de kerkgeschillen er over dachten, in deze provincie een Hoogeschool te stichten, hadden daarvoor het oog op Westhoven gevestigd. En op dit buiten beraamde, twee eeuwen later Joh. Adr. van der Perre met zijn huisprediker, den lateren hoogleeraar J. H. van der Palm, in den opgewonden tijd van toewijding en verlichting in het laatst der 18e eeuw, zijn plan om in Middelburg een museum te stichten tot verspreiding van degelijke, bruikbare kennis en volksgeluk. In 1894 zag Westhoven ook onze jeugdige Koningin Wilhelmina hier binnentreden en was het getuige van de geestdrift, waarmede de Zeeuwen de vorstin ontvingen.
Thans wordt dit schoone buiten door de mildheid der eigenares, Mevr. de Wed. de Bruijn-Boddaert, aan een schoon doel gewijd. Het strekt gedurende de zomermaanden tot een herstellingsoord voor behoeftige kinderen van Walcheren.
De rijweg door de Manteling achter Westhoven, Berkenbosch en Duinbeek slingert zich schilderachtig over de met knoestig bosch dicht begroeide duinheuvelen. Wie een flinke wandeling van Domburg uit wil maken en niet tegen een drietal uren afstands opziet, verzuime niet, die naar de Oranjezon te kiezen, door de Manteling heen en terug over de landgoederen Overduin en Zeeduin. Verrukkelijke gezichten, een voortdurende afwisseling van natuurtooneelen biedt deze tocht aan. Achter Westhoven en Berkenbosch vooral kronkelt de weg zich rijzend en dalend, nu over een vrij hoogen heuvel, aan de eene zijde begrensd door het kreupelhout der duinen en aan den anderen kant door een even dicht begroeide diepte, dan weer door een belommerde vallei. Al naarmate men de zee meer nadert, wordt het bosch lager en ruwer; de takken wringen zich zonderling door elkander en de strijd tegen den zeewind spreekt uit elken knoestigen, gebogen vorm. En daar buiten ligt het naakte duin met zijn geelwitte randen langs de zee.
Van Westhoven gaan wij voorbij de bosschen van Duinvliet en enkele villa's, en weldra zien wij het stille, vredige dorp Domburg voor ons liggen aan den binnenkant der duinen, terwijl op het duin onderscheidene villa's en gebouwen verstrooid staan.
Blonde duinen, weest gegroet! Scheidsmuur tusschen land en stroomen, Blauwe golven, groene boomen, Samenkomende aan uw voet! 'k Zie ter rechterzijde, op 't strand, Wentlen zich de wilde baren; En ter slinke rijpen d' airen, Wachtende op des maaiers hand.
Grootsche tweeklank, die hier klinkt! Ginds 't gebruis der groote waatren, Die een dondrend loflied klaatren; Hier de jeugd, die 't oogstlied zingt. O! wat liefelijk akkoord Vormt die twee verscheiden galmen Tot den heerlijksten der psalmen Voor den Bouwheer van dit oord!
Hasebroek.
Domburg is een nederzetting van zeer hoogen ouderdom. Wanneer zich hier menschen gevestigd hebben, valt niet te zeggen, maar opgegraven oudheden bewijzen, dat dit reeds in den heidenschen tijd was. In 1647 werd bij buiten gewoon laag water hier op het strand in zee gevonden het overblijfsel van een tempelvloer en daarbij fragmenten van beelden en een aantal zoogenaamde geloftesteenen, gewijd aan de godin Nehalennia, die op vele plaatsen werd vereerd. Ook in 1870 werden er nog geloftesteenen opgegraven. Van 1687-1817 ontgroef men hier ook ruw bewerkte doodkisten met een aantal geraamten, waarbij gevonden werden urnen en andere voorwerpen van huiselijken aard, stijgbeugels, messen, sleutels, ringen, naalden enz., die in het Museum te Middelburg bewaard worden.
Dit alles wijst er op, dat de zee hier het land heeft afgeslagen, maar tevens, dat er in zeer oude tijden een bedrijvige plaats moet hebben bestaan, die een levendigen handel dreef. De opgegraven Romeinsche doch voornamelijk de Frankische en Angel-Saksische munten toonen eveneens een handelsverkeer en ontwikkeling der plaats aan in dien tijd. Ook later nog was Domburg in aanzien; in 1223 wordt het een Poorte genoemd en waren de inwoners "poorters". Het was een "smalstad", die wel stedelijke voorrechten bezat, doch niet alle stedelijke rechten. De ontwikkeling van de stad ging echter niet verder; de plaats verviel en in 1452 werd Domburg door Filips den Goede als heerlijkheid verkocht. Sedert was Domburg slechts een eenvoudig boerendorp.
Een nieuw tijdperk ving voor Domburg aan, toen het in 1837 een badplaats werd. Door een gift van koning Willem I en de bijdragen van onderscheidene Middelburgers werd het eerste badhuis gesticht, waarvoor de eerste steen gelegd werd op 1 Maart 1837. Het gebouw bestond uit een groote zaal, vervolgens uit een kamer, ingericht voor warme zeebaden, terwijl aan de noordzijde een vertrek alleen bestemd was voor zwakken of vermoeiden.
Toch was het bezoek aanvankelijk nog hoofdzakelijk bepaald tot bewoners van het eiland. In het jaar 1842 werden er ongeveer bij de duizend baden gebruikt. Maar een schrijver van dien tijd zegt, dat er de gezelligheid nog gemist werd.
In plaats van het oude, eenvoudige gebouwtje is in 1889 een grooter en meer comfortabel badhuis gebouwd. Het staat op het duin vooruit, met eenige villa's meer op den achtergrond. Van deze hoogte heeft men, dikwijls half in nevels verborgen, het gezicht op de duinen van Schouwen, waarboven de lichttoren uitsteekt, die, met het vuurschip op den gevaarlijken Banjaard, den zeeman op de wateren aan deze kust waarschuwend den weg wijst.
De duinen bij Domburg hebben heerlijke gedeelten, waar alle schakeeringen en tinten van zee, lucht en land in één blik worden omvat. Hier komen ons de zangen van Helene Swarth voor den geest, als zij de blanke duinen met haar dichteroog ziet:
De zilvren wolken zijn als cherubijnen, Die spelemeien in de blauwe lucht. In teeder amethyst van mistgordijnen Wijkt, ver in zee, de laatste meeuwenvlucht.
Ik lig in duin en zie de zon verdwijnen, En luister naar het ruischen van den zucht Der blanke zee, waar pareltinten kwijnen, Die nooit kan slapen en die eeuwig ducht.
Hoewel waarschijnlijk niet met door dit landschap, heeft toch Edward B. Koster soortgelijke indrukken gehad, toen hij het voorjaar en de duinen bezong:
Hel-gele duinen en hel-blauwe lucht, 't Dorpje en zijn huizen in vogelvlucht, Veraf geruisch en een glimp van de zee, Liggen in voorjaarsschomm'ling tevreê.
Vogels, gespikkeld op 't pralende blauw, Wolkjes, verschilf'rend, totdat men ze nauw Langer kan zien in hun spreidend geel-wit, Kraaien, zich teek'nend op 't duinzand als git.
Helm, op de hellingen wuivend in wind, Dartelend huppelt hij rond als een kind, Jolig en jong speelt hij vroolijk den baas, Overal stoeiend met lentegeblaas.
Luisterend lig ik in 't mollige zand, Hoor de geluiden van zee en van land, Hoor, hoe de lente mijn vreugde weer schiep, Wekte, wat 's winters zoo vast in me sliep.
Wie een rustige badplaats wenscht, waar de zeelucht met een schoone natuur samenwerkt, om zielerust te herstellen, kan geen beter keuze doen dan Domburg. 't Is geen drukkende rust die hier heerscht, maar een kalmte, die tot nieuwe krachtsinspanning sterkt. Als de zeewind te hevig is, kan men door de wandelingen in de schoone, windvrije bosschen toch de zuivere lucht inademen.
De kermisdrukte van enkele badplaatsen vindt men hier gelukkig nog niet. Door dit alles wordt Domburg als herstellingsoord door geen badplaats in Europa overtroffen. Carmen Sylva bracht hier eenige zomers door.
Was tot voor weinige jaren Domburg nog uiterst primitief, dit is allengs verbeterd door de hôtels, die hier zijn opgericht en alle gemakken voor logies aanbieden. Merkwaardigheden heeft het dorp op zichzelf geene, waarbij wij behoeven stil te staan.
Nog willen wij wijzen op een zonderlinge vischvangst, die men hier in Augustus en September nu en dan kan waarnemen. Bij zacht, betrokken weer wordt een klein, doch volgens Bellamy smakelijk vischje, smelt, uit het bij eb droogloopende strand met een spade opgedolven en, als het te voorschijn komt, met vlugge hand gegrepen. Dat smeltvisschen schijnt in de 18e eeuw een waar volksfeest geweest te zijn, zooals blijkt uit Bellamy's schoone beschrijving van deze visscherij.
Daar leeft in Zeeland aan het strand Een kleine, ronde visch, Die naar der Zeeuwen kieschen smaak Een lekker voedsel is.
Des zomers, als de zuidewind Langs kleene golven speelt, En vriendlijk 't gloeiende gelaat, Des nijvren landmans streelt,
Dan gaat de jeugd met spade en ploeg Naar 't breede, vlakke strand, En ploegt dan, vol van vroolijkheid, Het dorre, natte zand.
Dan grijpt in de opgeploegde voor Een rappe hand den visch, En dikwijls is de vlugste hand Te traag bij dezen visch.
Slechts zelden heeft dit smeltvisschen thans nog plaats. Zoo is ook het strandfeest opgehouden, dat daaraan verbonden was, en waarvan de dichter vertelt:
Intusschen speelt en stoeit de jeugd En fladdert door het nat, Dat schuimend, met een groot gedruisch, In mond en oogen spat.
De jongling grijpt een meisjen op En draagt haar mede in zee, Het meisje roept en wringt vergeefs, Hij draagt haar mede in zee.
De treurige gebeurtenis met Roosje, die den dichter aanleiding gaf tot dit lied, is bekend; zij moet aan het strand van West-Walcheren hebben plaats gehad.
Het in zee dragen van meisjes kwam oudtijds op meer plaatsen langs het strand voor. Jacob Cats geeft hiervan op Schouwen, waar het misschien bij het stra-rijden gewoonte was, het volgende verhaal:
Een ridder uit het Brittenland Ging dwalen aan het Zeeuwsche strand En hadde (zoo het scheen) gezien, Hoe dat aldaar de jongelien Zich gaan vermaken in de zee, Niet verre buiten Zieriksee. Hij zag het als een zeldzaam ding, Dat vrij wat uit de regel ging; En daarom heeft hij 't ons vertelt, Gelijk hier onder is gesteld. Ik kwam eens treden op het strand Daar ik veel jongelieden vand; Ik zag er zes of zeven paar, Den eenen hier, den andren daer, Maar bovenal zoo was er twee, Die gingen vaardig naar de zee; Een ieder had een jonge maagd, Die hij tot in het water draagt; En of de vrijster vreeze kreeg, Ja, schier van angst ter neder zeeg, Ook hem met bleeke lippen bad, Nog ging hij dieper in het nat, Totdat het water werd gezien, Tot aan, ja, boven hare knien. En nog is 't niet genoeg gedaan: Het moest er vrij wat holder gaan; Ten leste neemt de losse kwant En giet ook water metter hand, Juist als Diana voortijds plag, Als zij Acteon bij haar zag: Hij goot het water hier en daar Tot in haar schoon gekreukeld haar, Zoodat, hetgeen eerst geestig stond, Geleek een natten waterhond. Ten lesten, als de jonker zag, Dat hij niet hooger op en mag, Zoo keert hij weder naar het droog, Want hij zag tranen in haar oog; Maar straks, zoo loopt hij naar het strand En trekt haar naar het mulle zand; Hij legt haar op een hoogen duin En rolt dan van een steile kruin, Tot onder in het lage dal, En daar eens even weder mal: Hij zout haar in het gulle zand En strooit het stof aan alle kant; Hij laat niet af hoe dat zij wijkt, En dat zij nauw een mensch gelijkt.
Welk doel had dit spel? Zeer waarschijnlijk van anderen oorsprong, heeft Cats er toch een praktische beteekenis aan gehecht. Hij zegt:
Gij, hoor toch, waarom dit geschiedt: Het is, vermits hij daaruit ziet, Hoe zich een jonge vrijster heeft, Als hij zoo zeldzaam met haar leeft; Of zij dan ook een jonkman viert, Dan of ze lui en leelijk tiert, En of haar eertijds zoet gestel Verandert in een norsch gezwel. En als het eens is uitgemald, Dan ziet hij, hoe zij hem bevalt En of hij verder dient te gaan, Dan of zijn vrijen heeft gedaan.
Het spel, om zijn meisje in zee te dragen, had niet alleen bij Roosje een treurigen afloop. Françoise van Egmond, o. a., dochter van den onthoofden graaf Lamoraal, werd er mede het slachtoffer van, wel niet door verdrinken, maar door een verwonding, die zij kreeg bij het tegenworstelen, toen zij in zee werd gedragen te Scheveningen in 1598.
Doch wij wenden ons af van de sombere geschiedenissen, welke met de zee verbonden zijn, en waarvan Zeeland ons veel zou kunnen verhalen. Liever slaan wij van het duin nog een laatsten blik op de machtige aan onzen voet, die eeuwig spreekt in duizende talen, voor alle zielen en natiën, die alle stemmingen doet leven, welke opwellen in het menschenhart.
De zee, de zee klotst voort in eindelooze deining, De zee, waarin mijn ziel zich-zelf weerspiegel ziet, De zee is als mijn ziel in wezen en verschijning, Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.
Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining, En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt, Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning En zingt een eeuwig blij en eeuwig-klagend lied.
W. Kloos.
Wij moeten thans afscheid nemen van het vriendelijke Walcheren, dat niemand, die het bezoekt, nalaten kan, lief te krijgen. De lente is er schoon door haar bloeiende meidorens en koolzaadvelden, de heete zomer door zijn frissche zeelucht; de herfst door zijn rijkdom aan tinten en kleuren, en de winter in Middelburg door zijn gezelligheid. Tot afscheid spreken wij het den wensch van Beets toe ook als de onze:
Uw vette klei zij meer en meer Met voedzaam goud beladen; Uw handel bloei', gelijk weleer, Langs nieuw beproefde paden; De ronde Zeeuw veroudre nooit; De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit; En al wat Zeeuwsch is toone Den glans van 't Goede en Schoone.
DOOR ZEEUWSCH-VLAANDEREN.
Nu wij de Zeeuwsche eilanden bezocht hebben, begeven wij ons van hier naar Zeeuwsch-Vlaanderen. Wij zullen de boot nemen van Vlissingen naar Breskens, Zeeuwsch-Vlaanderen vervolgens van het westen naar het oosten doorwandelen, om daarna van Hulst naar Walsoorden aan de Schelde het land nog eens dwars te doorsnijden, de Schelde weder over te gaan met het veer naar Hansweerd, om van hier binnen enkele minuten den spoorweg van Zuid-Beveland weder te bereiken.
Voor hem, die de breede Schelde niet wil overvaren, is er geen andere gelegenheid, om in Zeeuwsch-Vlaanderen te komen, dan over Antwerpen en van daar over St. Nicolaas met den trein naar Hulst te reizen en zoo verder. Wie ten W. van den Braakman wil zijn, moet over Gent reizen, vervolgens naar Eecloo of Maldeghem, om hier een tram te kiezen.
Wij begeven ons weder naar Vlissingen, gaan daar aan boord van een boot en bevinden ons weldra op de breede Hont of Wester-Schelde. Het bevaren van de Schelde heeft iets grootsch en indrukwekkends. Dat aan deze breede watervlakte de naam is gegeven van de rivier, welke België doorstroomt, is in strijd met de natuurlijke geschiedenis van het land. Want wij bevinden ons in werkelijkheid op een inham der zee, een schepping van de zee, waar de oceaan zijn zoute wateren bij elken vloed nog in uitstort en als een zware, rijzende golf voortstuwt tot bij Antwerpen, om daarna, vereenigd met het water, dat de Schelde afvoert, terug te keeren. De rivier de Schelde eindigt eigenlijk ongeveer daar, waar zij de Nederlandsche grens bereikt, ten einde hier in den inham, welken de zee heeft geschapen als om de rivier tegemoet te gaan, uit te monden. De oudere schoolgeographen, die als één van de drie hoofdrivieren van Nederland ook de Schelde noemden, eischten voor ons land iets op, wat Nederland niet toekomt, omdat de Schelde als rivier bijna geheel Belgisch is; wij nemen enkel haar rivierwater over en niets meer.
Achter ons begint Vlissingen langzaam weg te nevelen en aan den overkant van de Schelde zien wij de vage massa van struiken allengs aangroeien en zich vervormen tot stammen. Tal van witte zeilen zwieren lustig om ons over de zacht deinende watervlakte. Zoo hier en daar stijgt de zware rookzuil op van een groot stoomschip, dat zijn ladingen uit verre landen aanvoert naar of afvoert van Antwerpen, de eerste koopstad der Schelde. De groote buitenlandsche stoombooten worstelen en stampen tegen den ebstroom, en strepen van schuimend kielzog wijzen nog lang den weg aan, dien zij hebben afgelegd. Tusschen die vaartuigen door laveeren een paar loodskotters, die zee kiezen, om den schepen den weg te wijzen naar en door de Schelde, te midden van de gevaarlijke banken.
Wij vorderen meer en meer; de kerktorens, huizen en boomen van Walcherens zuidpunt duiken weg aan den horizon, en uit den blauwgrijzen, nevelachtigen band, welke, van Vlissingen gezien aan de overzijde lucht en water scheidde, ontwikkelt zich langzamerhand duidelijk de hooge dijk, waarboven een toren, roode daken, enkele boomen en scheepsmasten zichtbaar worden. Onze vaart heeft ongeveer een half uur geduurd; thans zijn wij voor de haven van Breskens. Als de stoomboot door het water binnen kan loopen, komen we zonder moeite aan wal, doch als het lage water ons noodzaakt, om aan het hoofd uit te stappen, hebben wij een moeielijke wandeling over de ongelijke steenen der zeewering, glibberig door de overstrooming van het vloedwater.
De zeemondingen van het delta-land hebben een eigenaardige bekoring door de voortdurende afwisseling, welke zij in hun uiterlijk aanbieden bij het dagelijksch spel van vloed en ebbe. Hier, in de Wester-Schelde, is het verschil in waterstand nogal aanzienlijk en het neemt van den mond tot dicht bij Antwerpen in grootte toe. Te Vlissingen en Breskens bedraagt het gemiddelde verval van den waterstand bij de getijden 36 d.M. (bij springtij 46 d.M.), te Terneuzen 39 (bij springtij 49), te Bath 44 (bij springtij 51) en te Antwerpen 43 d.M. Door deze groote rijzing van het water bij vloed is de Schelde zoo ver in het land voor groote schepen bevaarbaar.
Gedurende laagwater vormt de Schelde een reeks van uitgestrekte, zonnig grijze vlakten, tijdelijke rustplaatsen voor tienduizenden blanke zeevogels, meer of minder in blinkende schittering gehuld, naarmate de eb lager afloopt. Golvende, zilveren banden, van onregelmatige breedte en vorm, doorsnijden die platen langs de diepere geulen en met zijarmen strekken die zich uit, als om enkelen kleinen meertjes, op de banken verstrooid, de hand te bieden in hun eenzame verlatenheid, bijna afgezonderd van de zee.
Slechts kort duurt die toestand, want na een kwart etmaal rijzen de wateren weder, eerst schuchter, als om de eilanden onmerkbaar en spelend te naderen, en straks met meer kracht, als om ze te bestormen. Aanvankelijk nemen de golven de buitenwerken veroverend in; verder doen zij bij hoogen vloed de banken, gorzen en schorren weder verdwijnen door het overwinnend heir van de steeds krachtiger aansnellende legerscharen der golven, die over het overwonnen land met huppelenden pas voortijlen naar de bolwerken langs den oever, welke hun, dank zij den verdedigingswerken onzer waterstaatsofficieren, het "tot hiertoe en niet verder!" toeroepen. Dan worden deze groote, breede ruimten één uitgebreide watereenzaamheid, één geluidlooze ruimte zonder omlijning, zonder eenig houvast voor het oog.
Op dit oogenblik strekt de Schelde zich nog in haar volle uitgebreidheid, doch kalm en rustig, uit. Maar wild en onstuimig kan ook die waterarm worden, dreigend en jagend. Als de westenwind uit zee komt aangieren en de golven doet schuimen, bruisen en koken met donderend geraas, waar zij met de banken in strijd komen; als de zwellende vloeden in woedend geweld tegen elkander opsteigeren en, hier in de nauwte doorgedrongen, tot bergen van water en hooge kruinen van schuim opdrijven, dan dreunen de dijken bij de zware aanvallen en mokerslagen van hun machtigen vijand, dien zij trachten tegen te houden.
Als wij te Breskens voet aan wal zetten, krijgen wij door de indrukken der plaats en van het volk bijna onmiddellijk een gevoel, of wij in een vreemd land zijn. Wel hooren wij nog de Nederlandsche taal spreken, maar zij is met zooveel vreemde elementen vermengd, dat men daarin buitenlandsche invloeden onmiddellijk kan ontdekken. De bouw der woningen, de inrichting der nederzettingen, de namen der herbergen, de "estaminets", de kleeding, schier in alles bemerken wij iets, dat Zeeuwsch-Vlaanderen van het overige Nederland onderscheidt.