Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 26

Chapter 263,731 wordsPublic domain

Van de oude gebouwen, die in Middelburg bezienswaardig zijn door hun stijl, noemen wij nog: het huis "de Gouden Sonne", in de Lange Delft, schilderachtig en rijk versierd met cartouches, basreliefs, wapenborden enz., thans een restauratie; de Morgensterre en het O.-Indisch Huis, beide aan de Rotterdamsche kade, het huis de Steenrots, (zie de fig. op pag. 258) aan de Dwarskaai, in 1590 in Vlaamschen Renaissance-stijl gebouwd, met veel reliefvoorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament. In de Noorderstraat wijst tegenover het Postkantoor een gevelsteen het gebouw aan, waar Jacob Cats van 1603-1623 verblijf hield.

Een belangrijke instelling, welke veel heeft gedaan, om de kennis van Zeeland en van de Zeeuwsche geschiedenis te onderzoeken en uit te breiden, is het "Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen", dat van Prins Willem V af Nederlandsche vorsten tot Beschermheer heeft. In 1769 werd het te Vlissingen opgericht, waar het uit een Fransch leesgezelschap voortkwam. In 1801 werd deze inrichting naar Middelburg overgebracht en gevestigd in het zoogenaamde "Museum Medioburgense". Dit museum was een stichting van Johan Adriaan van de Perre, vertegenwoordiger van den Eersten Edele van Zeeland, een vermogend beschermer der wetenschappen en zijn tijd verre vooruit. Deze vatte in het laatst der 18e eeuw het voornemen op om de verschillende wetenschappelijke instellingen in Middelburg tot één gebouw te vereenigen en daardoor nuttige kennis te verspreiden onder de bevolking. Voor dat doel liet hij ook een planetarium vervaardigen. Van de Perre, die reeds "University Extension" wilde, vóór aan dit woord gedacht werd, kon wegens vroegtijdig overlijden zijn plannen slechts gedeeltelijk uitvoeren.

De verzamelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen zijn thans geplaatst in een ruim gebouw, in 1889 door een kunstvriend aan het Museum geschonken. Belangrijk zijn de overblijfselen van reusachtige dieren, opgevischt uit de Zeeuwsche stroomen, de geloftesteenen, sieraden, munten en andere voorwerpen, opgedolven aan het strand te Walcheren. De "Zeelandia illustrata" bestaat uit een rijke collectie kaarten, platen, teekeningen, enz., betrekking hebbende op Zeeland, hoofdzakelijk bijeengebracht door Mr. J. Verheye van Citters (1769-1823), en door het Genootschap gekocht.

De oud Zeeuwsche kamer, door het Genootschap in 1882 ingericht, geeft ons een blik op het eigenaardig huiselijk leven op dit eiland in vroeger tijden en vormt een tegenhanger van de bekende Hindelooper kamer.

Wenden wij ons thans naar den buitenkant. Voorheen had Middelburg acht poorten, welke thans alle, met uitzondering van de Koepoort, zijn verdwenen. Deze poort doorgaande vindt men een schilderachtig bruggetje over de vest, dat de gemeenschap met den Singel onderhoudt. Tusschen die poorten vond men oudtijds bolwerken met breede grachten en daarlangs loopende buitensingels. Op enkele dier buitensingels zijn in den laatsten tijd nette villa's verrezen. Van de bolwerken heeft men op vele punten prachtige uitzichten over het Walcherensche landschap, met zijn Arcadia-achtig karakter.

Wij verlaten thans Middelburg onder den indruk, dat het een zeer interessante stad is, veel te weinig bekend in ons vaderland. Nog werpen wij een blik op den buitenkant, op het bolwerk en de grachten, die tal van schilderachtige partijen aanbieden (zie de afbeelding op pag. 257) en nemen afscheid van deze stad met de woorden, die Beets aan Middelburgs wapen wijdde:

Op aadlaars-borst rust, Middelburg! Uw burg van goud en keel; Uw naam worde, als op aadlaars vlerk, Gedragen door het luchtig zwerk, Naar 's werelds verste deel.

Op aardlaars-borst praalt, Middelburg! Uw schild met glans en gloed; Geen arends-oog ontdekte een vlek, Maar arends-klauw en arends-bek Waak' voor uw goed en bloed.

De Keizerskroon, die 't hoofd versiert Uws Arends, schittert schoon; Maar schooner en tot eedler vreugd Blink' 't eikenloof der burgerdeugd Rondom uw stedekroon.

VEERE.

Van Middelburg kunnen wij naar Veere wandelen, maar wij maken gebruik van de Middelburgsche boot naar Zieriksee of Rotterdam, die over het Walcherensche kanaal dicht voorbij Veere vaart.

Al spoedig zien wij van verre de hooge, zware kerk met haar stompen, afgekoepelden toren verrijzen boven de lage huizen van het doode stadje, en als wij niet beter wisten, zouden wij hier heel wat verwachten. Doch zoodra wij Veere binnentreden, zien wij onmiddellijk, dat het een afgestorven plaats is, maar die door enkele gebouwen, zij het ook, dat zij vervallen zijn, aan het rijke verleden herinnert.

Buiten de tegenwoordige dorpskom, waaromheen aardappels groeien en kool geplant wordt, werden eens flinke straten gevonden, vele met huizen van aanzienlijke kooplieden of met pakhuizen, enz. Dat alles is lang voorbij. Alleen de kerk en het stadhuis zijn nog tamelijk bewaarde overblijfselen van vroegere grootheid en een enkel bouwvallig, particulier huis wijst op den kunstzin, die hier eens zetelde. Deze bouwgewrochten staan schier eenzaam en verlaten als voelen zij zich niet te huis binnen de kleine gedeelten der weggeslonken stad.

Veere is een stille, doode stad, waar de stilte spreekt met eigen stem uit de geluidlooze straten of verdwenen huizenrijen, misschien krachtiger dan in een van onze doode steden. Zij klaagt en jammert en weent over het zwijgen, dat hier heerscht van den morgen tot den avond. Al is Veere weer een weinig bijgekomen, al wil de Veerenaar met voldoening op eenigen vooruitgang wijzen [26], bij eene vergelijking met het verleden is Veere niets meer. De hoofdstad van het vroegere Markgraafschap, de markiezenstad Veere, waar in 1862 Koning Willem III bij een bezoek nog als "de geliefde markies" werd aangesproken, iets, wat den Vorst zeer trof, is tot een onbeduidend dorpje verlaagd.

Veere, veelal Ter-Veere of ook wel Kamp-Veere genoemd naar de overvaart, die hier plaats had op het dorp Kampen op Noord-Beveland, is in opkomst een oude stad, omtrent welker stichting geen zekerheid bestaat. Floris V moet hier al verblijf gehouden hebben en men meent, dat in zijn tijd de plaats reeds versterkt was, hoewel anderen dit op 1358 stellen. In het midden der 14e eeuw was Veere een handeldrijvende plaats met tolvrijheden en daardoor bloeiende koopmanschap. De grootste bloei van Veere valt in de 16e eeuw; in de laatste helft dier eeuw begon de stad, reeds te kwijnen. De verondieping van het Veersche Gat was de oorzaak van den achteruitgang der stad, die meer en meer inkromp en door de bewoners verlaten werd. In 1700 telde men er nog 700 huizen; in 1840 werden er 173 opgegeven, in 1890: 175 waarvan 26 onbewoond en in 1890: 204 huizen. In den bloeitijd bedroeg de bevolking zeker niet meer dan 4000 zielen; in 1795: 1860, in 1840: 849, in 1870 was zij weer gestegen tot 1100, maar in 1890 weder gedaald tot 514. In 1900 telde het plaatsje 874 bewoners.

't Was een kloeke koopmansbevolking, de poorterschap van het oude Veere, ondernemend en vaderlandslievend, die, zooals Van Haren schreef, "het voorbeeld wist te geven, als men 't vaderland zag beven", doelende op den drang tot verheffing van den Prins als Stadhouder in de jaren 1672 en 1747 (zie pag. 194) die van Veere uitging.

Mag Veere's geschiedenis met eere noemen ondernemende kooplieden als Moucheron, zij draagt ook roem op dappere zeelieden, als Sebastiaan de Lange, op den menschlievenden loods Frans Naerebout, hier geboren, en op vrouwen als de geleerde Anna van Borsele, overl. 1519, tevens een beschermster der geleerden, en bovenal op Maria van Reigersbergen, de nooit volprezen echtgenoote van Hugo de Groot (zie pag. 135). Aan haar denkende, zong Robidé van der Aa in 1829 van Veere:

Hef van uit de Zeeuwsche stroomen Vrij de grijze kruin omhoog! Wat de tijd u hebbe ontnomen, Wat hij wreed aan u onttoog, Nog versiert u eeuwige eer, Klein en nederig ter Veer!

Vlissingen moog' Ruiter roemen, Brouwershaven praal' met Cats, Goes moog' op een zanger roemen, Stout, oorspronklijk vol van schats; U versiert nog hooger eer, Klein en nederig ter Veer!

De Groote Kerk te Veere aan den buitenkant haar zwaren koepel ten hemel beurend, hoezeer ook vervallen, is toch belangwekkend en mooi als een gedenkstuk van het verleden. De stichting der kerk dagteekent van 1479; de bouw werd opgedragen aan Antonius Kelderman, den oude. Sedert 1812 tot op onzen tijd werd zij achtereenvolgens voor militair hospitaal, werkhuis, kazerne en bergplaats gebruikt. De toren heeft een hoogte van 68 meter, de kerk is 53 M. lang en 50 M. breed. Deze kerk staat thans in geen verhouding tot de bewoners, die er allen in zouden gehuisvest kunnen worden, en is ook slechts gedeeltelijk in gebruik.

Zelfs in den tijd van de grootste welvaart der plaats kon de kerkgaande bevolking, hoewel nog niet verdeeld in sekten, de ruimte niet vullen. Het was een bedehuis, gesticht als een monument ter eere des Allerhoogsten, om Zijn grootheid voor te stellen. Zelfs kon het middeleeuwsche Veere daarvoor de middelen niet bijeenbrengen, doch een kapel te Lieve-Vrouwepolder, waar jaarlijks duizenden bedevaartgangers samenkwamen, verschafte de gelden tot dien bouw, waartoe waarschijnlijk ook de Bourgondiërs en Borselens bijdroegen.

Op het kerkhof trekt een klein monumentje de aandacht: een achthoekig gebouwtje, door ronde zuiltjes omgeven, die een Gothiek gewelf met het jaartal 1551 dragen, gedekt door een leien dakje. Het heet een fontein, doch is eigenlijk een waterput, zooals wij het noemen.

Het stadhuis is een sierlijk gebouw uit het laatst der 15e eeuw (1474), met gevelbeelden der heeren van Borsele en Bourgondië, en gekroond door een slanken toren met klokkenspel. In de zoogenaamde vierschaar, met banken en beschot van donker eikenhout, zijn tafel en zitplaatsen met rood laken bekleed en prijkt de doornstaf der justitie nog nevens de zitplaats van den baljuw.

De beelden in den gevel stellen voor: Hendrik van Borsele, heer van Veere † 1474, diens vrouw Johanna van Halewijn, Wolfert van Borsele † 1486, diens tweede vrouw Charlotte van Bourbon, Philips van Bourgondië † 1498, Anna van Borsele, zijn vrouw, en Adolf van Bourgondië † 1540.

Een belangrijk bezit van Veere is de verguld zilveren beker, met kunstig drijfwerk versierd, door Maximiliaan van Bourgondië in 1551 aan de stad geschonken, onder voorwaarde, dat die nooit vervreemd of in pand mag gegeven worden, in welke moeielijkheden de stad ook verkeert.

Onvergelijkelijk is het uitzicht van den Kampveerschen toren op den omtrek. Daar vóór u ligt het Veersche Gat, met het in groenen weerschijn schemerende water aan uw voet, dat verderaf opkleurt tot zacht matblauw en van verre in schitterende glanzen opkabbelt tegen de witte helling, waarmede Walcherens westelijke duinzoom uitsteekt naar het noorden. En als gij u om wendt, ligt het schilderachtige eiland vóór u, met die talrijke treffende tafereeltjes van eenvoudige schoonheid, die dieper indruk maken dan het overweldigende bergland. Dat zijn de wonderlichte landschapjes der Hollandsche en Vlaamsche landschapschilders. Aan de overzijde ziet ge van verre Noord-Beveland met zijn overal verspreid liggende hofsteden, welker roode daken mooi tegen het frissche groen afsteken. En naar het zuiden glinsteren de naakte schorren van het Sloe van verre, grijszwart, terwijl nog verder de dam wordt ontwaard, die Zuid-Beveland met Walcheren verbindt.

De contrasten van het kunstzinnig verleden met het heden maken Veere tot een interessante plaats, die veel bezocht wordt en waar schilders uit den vreemde vele elementen opdiepen voor hun scheppingen. Aan de zuidzijde der haven vindt men nog eenige bezienswaardige gevels, o. a. het Schotsche huis en het huis "Lammetje van Veere", dagteekenend uit het midden der 16e eeuw. Eenige van deze monumenten zijn door Haagsche kunstbevorderaars gekocht, om ze te bewaren in hun oorspronkelijke gedaante.

ARNEMUIDEN.

Naar Middelburg terugkeerend, gaan wij een bezoek brengen aan Arnemuiden. Niet, dat dit oude, eens aanzienlijke stedeke belangrijke gebouwen geeft te zien,--Arnemuiden heeft niets, wat aan 't verleden herinnert--doch thans is het ons doel, om kennis te maken met de eigenaardige bevolking, de visschers van Arnemuiden.

Eens lag Arnemuiden meer zuidwestelijk, dichter bij Middelburg. Het was in de 14e eeuw een aanzienlijke, neringrijke stad, met veel handel en scheepvaart, overtrof zelfs Middelburg en had een deftig slot, waar de heeren van Arnemuiden zetelden. Destijds lagen de polders ten Z.O. van Walcheren nog diep onder water en liep voorbij Arnemuiden de breede stroom, die Walcheren van Zuid-Beveland scheidde. In het begin der 15e eeuw werd Arnemuiden onder de aanzienlijkste koopsteden van Europa gerekend en in 1418 werd het opgenomen in het Hanze-verbond.

De aanvallen der zee op het land waren aanleiding, dat men verder noord-oostwaarts de huizen bouwde en den grondslag legde tot de tegenwoordige plaats. Door grondbraken aangetast, ging de oude stad in het laatst der 15e eeuw te niet, en van dat tijdstip dagteekent de opkomst van Nieuw-Arnemuiden. In de 16e eeuw had Arnemuiden nog een belangrijke haven. Van hier vertrok in 1496 Johanna van Arragon met 135 schepen naar Spanje en in 1522 zeilden er 150 schepen uit, om Karel V uit Engeland te halen. In dien tijd wemelde het aan de haven van Arnemuiden van Nederlandsche edelen en Spaansche grandes met hun schitterende costuums. Doch, helaas! de haven verzandde langzamerhand, en zoo ging de plaats achteruit, om tot den rang van een nederig visschersdorp te dalen, welks ondiepe haven thans tusschen aangedijkte polders ligt.

Een smalle, vervaarlijk hobbelig geplaveide straat loopt door het plaatsje, aan beide zijden begrensd door lage huizen, meest van één verdieping, alle uiterst eenvoudig of sober. Sommige herinneren nog iets aan de 17e eeuw, toen de rijk geworden schipper de voordeur zijner kleine, nette woning gaarne met fraaie, in hout gesneden krulwerken en bloemen versierde. Als de mannen op zee zijn en de vrouwen op de "schorren" of aan 't "leuren", terwijl de kinderen op school zitten, is 't er buitengewoon stil.

De "Arremuenaers" zijn een bijzonder ras van menschen, zegt Nagtglas, van wiens schetsen wij hier dankbaar gebruik maken, menschen, die zich maar zelden met andere Zeeuwen vermengen. De mannen zijn doorgaans niet groot, doch forsch gebouwd, "ineengestuukt" en sterk gespierd. In den regel zijn ze donker van opslag, met een trek van ernst en stoutheid op het schraal, door wind en weer gebruind gelaat; voor vreemden zijn zij stug, tot onvriendelijk toe, en zoo teruggetrokken, dat men meenen zou, dat hun klanklooze en teemende spraak slechts met inspanning kan worden voortgebracht. Als de meeste visschers zijn zij gehecht aan het oude en afkeerig van het nieuwe; kerksch en stijf gereformeerd. Opgekweekt onder het bruisen der golven en het loeien van den storm, kennen zij op het water geen vrees, en het "saevis tranquillus in undis" (gerust te midden der woeste baren) is voor hen een eenvoudige waarheid. Een leven van rusteloozen arbeid onder dagelijksche ontbering en onophoudelijke gevaren stempelt het karakter en veroudert vroeg, maar schenkt ook aan deze zielen eigenaardige deugden, want over het algemeen zijn zij spaarzaam, trouw, ernstig en godsdienstig.

De "zeeboerinnen", zooals men de vrouwen vroeger wel eens noemde, zijn meestal krachtige vrouwlui, "kante wuven", gehard tegen het weer en onvermoeid arbeidende. Jong zijnde en "knap op er lief" (zindelijk op haar lichaam), zien zij er dikwerf jolig en frisch uit, met een blozende kleur, donker-guitige oogen en glanzende, zwarte haren, die onder een wit mutsje tegen het voorhoofd worden opgerold. Het gladde, zwarte jakje, waartegen de met zorg geplooide, zacht gekleurde doek netjes afsteekt, omsluit gevulde vormen en laat een paar stevige, roode, tot boven den elleboog ontbloote armen zien. Zij verouderen echter snel na het huwelijk, wanneer de houten wieg dikwijls maar al te spoedig bezet raakt, verscherpen de trekken, vergrijzen de haren en worden de welgemaakte beenen, zichtbaar onder de korte en zwart gestreepte baaien rokken, mager en stokkerig.

Die vrouwen verdienen zuur hun brood, want 't is een vracht zoo'n ganschen dag te "leuren mè 'n paer zwaere kurve"; het "venterswerk" mocht wel "veinterswerk" (mannenwerk) wezen en "kraekt minnig wuuf" (breekt menige vrouw). Het is waarlijk niet te verwonderen, dat men nu en dan langs den weg zoo'n troepje vrouwen puffend naast de manden ziet neerstrijken, om zich 't zweet af te drogen.

Gewoonlijk verlaat de vrouw bij 't eerste morgenkrieken haar schamel leger. Over "de guus" (het kind) houdt een buurvrouw het oog, wat niet verhindert, dat het jonge volkje den ganschen dag over de straat kruipt, in de modder wriemelt en, als ze wat grooter worden, een ouden klomp, als visschersschuit getuigd, in goot of sloot te water laten. Moeder slaat den ouden, zwarten schoudermantel om, zet een strooien hoed op, legt het juk met de gisterenavond uitgeschuurde "bennen" over de schouders en wandelt naar de "kaaie". Daar is de visch uitgeladen, door de schippers aangebracht, die nu aan de leursters ieder voor "een partje" wordt verkocht, om, naar oud gebruik, des Zaterdagsavonds af te rekenen.

De manden worden met kabeljauw, schelvisch, tongen of mindere soorten van zeebewoners gevuld en op een eigenaardig, schommelend drafje, om de zware korven in evenwicht te houden, gaan de vrouwen, des zomers meestal barrevoets, in troepjes naar de steden, of somtijds verre het land in. Aan stof tot gesprek schijnt het hun niet te ontbreken en reeds in de verte hoort men ze met lijmend stemgeluid naderen, maar hun gepraat valt moeielijk te begrijpen.

Zoo trekken zij rond, van huis tot huis, dingende en kibbelende bij den verkoop; zoo gaat het altijd door, zomer en winter, in zonneschijn en regen, door aanzienlijke wijken en geringe achterbuurten, onderwijl terende op het brood, dat zij koopen, en op 'n "bakkie" koffie, door goede bekenden geschonken.

En als de visschen in de manden hebben plaats gemaakt voor wortels, uien, kroten en andere groenten, zakjes koffie en thee, en ook wel zoetekoek en suikergoed, waarvan sommigen veel houden, keeren zij des middags, dikwijls laat, naar hun woonplaats terug. Daar wacht hun dan het huiswerk. De kinderen moeten worden verzorgd; er dient te worden gestopt en gelapt, gewasschen en geschrobd. Op deze wijze brengt de vrouw der Arnemuidensche visschers het leven door, volgens een naar de natuur geteekende schets, die Nagtglas er van gaf.

Deze vrouwen worden al vroeg aan een hard leven gewend. Als jonge meisjes beginnen zij reeds op de schorren zeekraal te zoeken. Van het laatst van April tot het einde van Juli kan men hun bij het opgaan der zon in groepen van 30 à 40 in roeibootjes naar de schorren van het Sloe of Kamperland zien roeien, om daar de zeekraal te halen. Op die in wording zijnde landen blijven de meisjes een uur of zes met bloote voeten door slik en water "dobberen", om de heldergroene, vliezige stengeltjes der zeekraal, die als kleine pijpestelen in ontelbare menigte uit het slijk te voorschijn komen, af te snijden. De gevulde bennen worden tehuis "in 't ruwe" schoongemaakt, o. a. van de alikruikjes gezuiverd, die meestal weggeworpen, doch in het voorjaar afzonderlijk gerookt en veel gegeten worden. Den volgenden dag wordt de groente als "mooie, vorsche zeekraele"! in "klusjes" uitgeleurd, waarmede een aardig centje verdiend wordt.

VLISSINGEN.

Thans terug naar Middelburg, om verder de zuidelijkste plaats van het eiland te bezoeken, de havenstad Vlissingen, met 18.900 inwoners, het eindpunt van de spoorweglijn, vanwaar men oversteekt naar Albion. Wij kunnen van Middelburg per spoor, per tram, maar ook gemakkelijk per fiets gaan.

Op een plek ten W. van de tegenwoordige stad, waar in het begin der 19e eeuw het gehucht Oud-Vlissingen nog gevonden werd, dat bij uitbreiding der vestingwerken in 1810 is gesloopt, ontstond Vlissingen. Een overzetveer naar Vlaanderen was waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het vestigen van een nederzetting; en van het oude Vlissingen trokken al vroeg (± 1227) bewoners verder oostelijk, misschien een gevolg van het verloopen der vaargeul, naar de plaats waar het tegenwoordig Vlissingen ontstond.

Schippers en visschers met hun vennooten of maats en huurknapen of bootsgezellen waren voornamelijk de eerste bewoners. Daar de zee voor hen open lag, sloot de handel zich bij het visschersbedrijf aan, gelijk op menige plek in de Nederlanden. De oudste handel was op Vlaanderen gericht. Graaf Willem III begiftigde in 1315 Vlissingen met de Nieuwe haven, welke nog in de stad aanwezig is. Ten O. hiervan werd in 1581 de Pottehaven en in 1612 een dokhaven aangelegd, thans de Marinehaven, onder den naam Oude- of Koopmanshaven. De haringvangst vooral droeg oudtijds veel bij tot den bloei van de stad.

Aanzienlijke voorrechten had Vlissingen te danken aan Prins Willem I, zoowel tot belooning van de dapperheid der burgers als wegens de bevordering der vrijheid door deze stad. De poorters en poorteressen van Vlissingen zouden niet in confiscatie van goederen vervallen, ook al konden wegens misdrijven hun lijfstraffen opgelegd worden. Aan de Vlissinger visschers werd verder vrije vaart op de reede te Arnemuiden, te Middelburg en te Antwerpen toegestaan.

Door deze bevoorrechting werd Vlissingen een belangrijke koopstad, al moest zij ook in aanzien voor Middelburg onderdoen. In oorlogstijd bloeide hier de kaapvaart, die wel groote voordeelen gaf, wel kloeke mannen vormde, maar den eigenlijken handel ondermijnde. En in de laatste helft der 18e eeuw ging ook hier de handel snel achteruit, evenals in de meeste Hollandsche steden.

In de 19e eeuw kwam de stad langzamerhand weer tot ontwikkeling, vooral na den aanleg van nieuwe havens in 1867, mede de beste van West-Europa. Met deze groote werken ontwaakte een nieuwe hoop voor de toekomst der Scheldestad.

O Vlissingen! de breede Noordzeebaren Besproeien trotsch uw welgelegen wal; 't Is grootsch, haar gang en golving aan te staren En haar gedruisch te hooren overal. Die zeemuziek galmt vroolijk langs uw boorden, Zij zingt van heil, van handel en vertier, En gij, gij hoort aandachtig naar die woorden En heft uw hoofd naar boven, vlug en fier.

Wat schoon verschiet geeft u de zee te aanschouwen! Zij brengt voor u de hoogste welvaart aan: Een handelsschat uit verre zee en ouwen, Die uit uw vest door gansch Euroop zal gaan. Mercurius vliegt ijlings naar uw wallen En plant zijn staf op uw gewenschte ree: Daar zal het lied der koopvaardije schallen, Elk groet u daar als koningin der zee.

Werk ijvrig voort aan al uw weidsche dokken, Opdat de vloot der wereld tot u koomt, Die 't voordeel zoekt en dus naar u getrokken, De winst geniet, waarvan de handel droomt. Niets hindert u; geen barre wintervlagen, Geen wind noch storm versperren uwen wal; O, breid u uit, opdat de stond moog dagen, Die Middelburg met u vereenen zal.

Zoo sprak M. H. de Graaf, uit Antwerpen, in 1871 de stad vol optimisme toe. En hoewel niet al die verwachtingen vervuld zijn, door de vestiging der stoomvaartmaatschappij Zeeland en van de scheepsbouw- en stoomwerktuigenfabriek der Kon. Maatschappij de Schelde is Vlissingen toch tot vooruitgang gekomen, terwijl de spoorwegverbinding, in 1872, voor de stad van het grootste belang werd. Van de 5700 bewoners in 1795, een aantal, in de 17e eeuw veel grooter, was de bevolking van Vlissingen in 1815 geslonken tot 4538. Langzaam nam die weder toe, in 1840 tot 7800, in 1860 tot 10700. Na eenige schommelingen telde de stad in 1890: 13100 bewoners en in 1900: 18900.