Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 25

Chapter 253,659 wordsPublic domain

De vreemdelingen, die uit de Zuidelijke Nederlanden zich te Middelburg vestigden, hebben niet weinig tot den bloei der stad bijgedragen. Het waren ondernemende lieden, vurig in geloof, dat van geen wijken wist, maar ook energiek in hun handelen, niet wankelmoedig, als een tegenstroom hun plannen bemoeilijkte. Zij stortten een krachtig, nieuw leven uit in de geheele bevolking, en daardoor loken handel en nijverheid op tot een vroeger ongekenden bloei. Kooplieden als Ten Haefs, de Moucheron's, Coolen e. a. deden de Middelburgsche vlag met de Bourgondische kleuren: geel, wit en rood, op alle zeeën wapperen. In de vroegste tochten der Nederlanders op Indië hadden deze handelaren een belangrijk aandeel; met klokgelui en feestgezang werden in 1599 de eerste Oost-Indievaarders: "De Lange Berdsche" en "De Zonne" verwelkomd. En toen later de afzonderlijke maatschappijen voor de vaart op Indië tot de groote "Vereenigde Oost-Indische Compagnie" samensmolten, was de Kamer van Zeeland te Middelburg van niet geringe beteekenis. Daarvoor werd in 1670 het kolossale Oost-Indische Huis gebouwd op de Rotterdamsche Kade. Ook in de West-Indische Compagnie had Middelburg een aanzienlijk aandeel; deze Compagnie bezat hier een eigen gebouw in de Langedelft.

Kooplieden, rijk geworden door den Indischen handel, bouwden hier huizen als paleizen. Een dergelijk gebouw was "de Gouden Sonne" met kostbaar bewerkten en rijk versierden gevel van basreliefs in gehouwen steen, in 1628 gebouwd door Guililmo Quirijnssen, een Middelburgsch koopman, later door den Engelschen Koning tot ridder-baronet verheven.

Doch 't ging den handel niet steeds voor den wind. Hij schommelde in de 17e en 18e eeuw op en neder. Daarbij kwam, dat de verzanding van de haven de geographische ligging van Middelburg deed achteruitgaan. Telkens had men daarmede gesukkeld en verbeteringen hierin gebracht.

De eerste haven van Middelburg werd omstreeks 1100 gegraven, van de groote reede af, die destijds te Arnemuiden was. De tweede werd gegraven volgens octrooi, door Karel V verleend in 1530, en in 1535 geopend. Deze kwam in een rechte lijn uit het kanaal van Welzinge, doch was spoedig onbruikbaar door de dichtslibbing. In 1610 verkreeg de stad verlof voor den aanleg van een nieuwe haven. Doch de naijver van Vlissingen en Veere belette het totstandkomen daarvan en vruchteloos werden er veel sommen gelds verspild, om de oude haven diep te houden.

Door den slechten toestand der haven, in verband met de veranderde tijdsomstandigheden, ging de handel van Middelburg achteruit; de scheepvaart verliep. In de 14e, 15e en 16e eeuw was Middelburg herhaaldelijk uitgelegd, maar in 1593 had de stad haar hoogsten bloei bereikt. Zij stond nu stil en ging allengs kwijnen. In het laatst der 16e eeuw telde Middelburg 30000 inwoners, in 1739 nog 25000; in 1796 had het niet meer dan 20146, welk aantal nog verminderde tot 13000 in 1822.

Wel trachtte Koning Willem I Middelburg op te beuren en verkreeg de stad in dien tijd een nieuwe haven, in 1817, doch deze voldeed niet. Eerst met het graven van het kanaal door Walcheren, in 1873, heeft Middelburg een betere verbinding met de Schelde verkregen. Maar het getij was thans verloopen en de eens zoo fiere stad heeft van haar vroegere handelsbeteekenis weinig teruggewonnen. Middelburg is meer een marktstad voor het eiland gebleven met slechts eenigen buitenlandschen handel, doch de laatste is onbeduidend. Het aantal inwoners nam slechts langzaam toe. In 1830 bedroeg het 14700, in 1850: 15800, in 1890: 17100 en in 1900: 18800.

Van het rijke verleden heeft Middelburg nog onderscheidene herinneringen in het stadsbeeld en vele aanzienlijke gebouwen bewaard. Duidelijk ziet men, dat Middelburg een oud-aristocratische, stad is en voorheen bepaald deftig en rijk moet geweest zijn. Talrijke oude burger- en heeren-woonhuizen, waarvan vele thans van bestemming veranderd zijn, vertoonen nog genoegzame sporen van de ruimte van middelen, waaruit ze gebouwd werden. Vele huizen in Middelburg bezitten nog fraaie onderdeelen, zooals gevelankers, cartouches, slotplaten, gebeeldhouwde draagstukken onder de goten, deuren, poortjes, enz., terwijl menig aardig trapgeveltje gunstig afsteekt tegen de platte, vormlooze lijsten van lateren tijd. Door dit alles was Middelburg een artistieke stad geworden, die geroemd werd als "de schoonste bloeme in 't Zeeuwsche priëel".

Wij wenden ons vóór alles naar het midden der stad.

De groote markt is een der ruimste stadspleinen in ons land, 7800 M2. oppervlakte, waarop acht straten uitkomen. In zeer ouden tijd verrees hier de St. Maarten- of West-Monsterkerk, die reeds in 1188 bestond, doch in 1575 wegens bouwvalligheid werd afgebroken. In de afbeelding op de volgende pagina wordt de markt voorgesteld, zooals zij gezien werd ten jare 1605. De afbeelding is een photographische reproductie op ruim 1/4 der grootte van een teekening in O.-I. inkt, voorkomende in de Zeelandia Illustrata; zij geeft daar de samenvatting van de Markt met het Raadhuis, de pomp en het versterkte huis Domburg, terwijl nog tal van houten en geluifelde geveltjes met de huifkar en het costuum dier dagen een kijkje bieden op het stadsleven in het begin der 17e eeuw.

Vele der gebouwen, welke de plaat te zien geeft, zijn verdwenen. Maar nog altijd verrijst daar het prachtige Raadhuis met de Vleeschhal er naast.

Het stadhuis te Middelburg vervangt een vroeger, in 1468 gebouwd, dat in 1492 door brand vernield werd. De voor- en westelijke zijgevel zijn gebouwd in 1512-1513, de toren van 1507-1513, de vleeschhal 1513-1518. De kunstenaarsfamilie Kelderman: Anthonius Kelderman, de oude, diens zoon Anthonius, Joos Kelderman, Rombout van Mansdale, gezegd Kelderman, allen van Mechelen, en Mattheus Kelderman van Leuven waren de bouwmeesters; verbouwd en uitgebreid werd het stadhuis nog in 1670 en 1780-84. De 25 beelden in den gevel zijn gemaakt in 1514-1518 door Michiel Ywyns uit Mechelen.

De gevel van het stadhuis kan als een van de schoonste overblijfselen der latere Gothiek beschouwd worden, toen de invloed der Renaissance reeds merkbaar was. Door zuiverheid der lijnen en harmonie der deelen kan hij als een der beste typen van dien bouwvorm worden aangemerkt. De voorgevel is van Bentheimer steen en buitengewoon rijk versierd met lijsten, rosetten, consoles en steenen loof- en kantwerk. In den gevel vindt men vijf en twintig bijna levensgroote beelden der graven van Holland, beginnende met Dirk V en eindigende met Karel V. Oorspronkelijk waren die figuren gekleurd en verguld; dit is later weggelaten. De toren is 55 meter hoog; een zeeridder dient tot windwijzer.

Inwendig was het stadhuis niet minder grootsch ingericht dan uitwendig: dat blijkt nog uit de teekenachtige vierschaar, in 1639-40 gebouwd door Mahy van Seel. Doch in het begin der 19e eeuw is het schoone binnenwerk door muurtjes en beschotten weggeknutseld en bedorven. Eerst toen in het laatste kwart der 19e eeuw de stedelijke geldmiddelen door liquidatie der weeskamers en de opheffing der wisselbank eenigszins werden versterkt, kon men er toe overgaan, om met krachtige staatshulp den bouwvalligen toren weder te herstellen. En na opheffing van het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland en de daarop gevolgde verhuizing der rechtbank kwamen in het stadhuis eenige ruime vertrekken vrij, welke toen werden ingericht voor de verzameling der stedelijke oudheden. Daar werd ook de reeds genoemde, kunstig met eikenhout bewerkte vierschaar geplaatst.

Het is een rijke verzameling van kunstprodukten uit den bloeitijd der historie. Men ziet er sierlijk met lofwerk en figuren gebeeldhouwde portalen, kasten en deuren, waaruit de kunstontwikkeling der 16e en 17e eeuw spreekt; fraai beschilderde glasramen; met smaak gestikte vaandels; wapenen en oude muziekinstrumenten, alsmede eenige doelenstukken met portretten van fiere schutters. In een der glazen toonkasten kan men de oorspronkelijke keur zien, in 1253 door den Graaf en Koning Willem aan Middelburg gegeven, een der oudste in het Nederlandsch geschreven staatsstukken, zoo niet het oudste. In een der kamers vindt men de portretten van de Evertsens, "een heldengeslacht zonder weerga", waarvan de admiralen Jan en Cornelis Evertsen wel het meest bekend zijn. De laatste kon een maand voor zijn sneven in 's lands vergaderzaal getuigen:

Vier mijner broeders en mijn vader en mijn zoon Zijn strijdend voor 's lands recht gesneuveld.

Wanneer men van de Markt de lijn van de stoomtram naar Vlissingen volgt, komt men door de "Langeviele", waar de fraaie gevel van het huis "De bonte Olymolen" de aandacht trekt. De gevel is in 1899 gerestaureerd. Dit huis en het huis "de Vijgeboom" op de Markt, waar het "Bureel der Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer" gevestigd is, zijn de eenige antieke gebouwen met luifels in Middelburg.

Wij richten thans onze schreden naar de meest klassieke plek van Middelburg, de Abdij.

Nauw verwant aan de geschiedenis der stad is de O. L. Vrouwe of St. Nicolaas-abdij. Met zekerheid valt niet te zeggen, wanneer zij gesticht is. Volgens sommigen vond de bouw der Abdij plaats in 1106 en ging zij in 1125 of 1128 reeds over aan de Norbertijnen. Volgens anderen zou zij gesticht zijn in 1123 door den prior van Wormezeele, Albaldus, die als eerste abt optrad en er in 1130 werd begraven.

Het eerste gebouw der Abdij schijnt niet zeer veel weerstand te hebben kunnen bieden aan den tand des tijds, want in 1156 was het sterk beschadigd en bleek herstel reeds noodzakelijk.

Willem II, de Roomsch Koning, was Middelburg goed gezind en schonk de Abdij bijzondere rechten en gunsten, terwijl hij ruime giften toestond tot den herbouw, die met veel pracht kon worden uitgevoerd. De rijkdom der Abdij werd vervolgens zeer vermeerderd door Graaf Willem III en andere aanzienlijken en zij verkreeg aldus bezittingen van grooten omvang over verschillende landstreken.

De Abdij werd als zoodanig opgeheven door Paus Paulus III den 12en Mei 1559, wegens de oprichting van het bisdom Middelburg. De toenmalige abt van de Abdij, Nicolaas de Gastro, werd _de_ eerste bisschop van Middelburg. Doch niet lang mocht hij den bisschopshoed dragen; hij stierf in 1573 tijdens het beleg der stad. Het Katholicisme had toen in Middelburg zijn tijd gehad; zijn opvolgers konden den zetel niet meer innemen, doordien alles aan de Hervormden was overgegaan.

Sedert was het met den glans der Abdij gedaan en een treurige tijd van vandalisme brak aan voor dit monument uit het verleden. Hoewel de Abdijgebouwen nog een merkwaardig geheel vormen, zijn toch overal de sporen te bemerken van de vernielzucht en onkunde, welke deze eens zoo schoone stichting beschadigd en het smaakgevoel beleedigd hebben. Om onbeduidende redenen werden torentjes gesloopt, prachtige kruisgangen weggebroken.

De Abdij werd in de 18e en in de eerste helft der 19e eeuw geheel bedorven en verwaarloosd, zoodat men haar nauwelijks meer herkende. Sedert 1884 is men echter dit schoone gebouw onder toezicht van den kunstlievenden architect voor de Rijksgebouwen, J. A. Frederiks, weder in zijn ouden toestand gaan herstellen. Veel is daaraan reeds geschied.

De schoone hoofdpoort heeft haar ouden vorm herkregen. In de hoofdgebouwen aan de zuidwestzijde, het zoogenaamde paleis, woonde de abt, later de bisschop, en tijdens de Republiek noemde men die "het logement van den Graaf van Zeeland". Tegenwoordig dient dit "paleis" als woning van den Commissaris der Koningin, tevens tot verblijf van de koninklijke familie bij een bezoek aan Middelburg. Daaraan grenst de vergaderkamer der Staten van Zeeland,

de deftige zale, Waar menige zeestrijd herleeft op den wand,

en waar het "saevis tranquillus in undus", "rustig te midden der golven" boven den schoorsteen te lezen staat.

Dit was eens de eetzaal of reefter der Abdij, waar in haar bloeitijd menig vorst, die de Abdij bezocht, heeft aangezeten met zijn schitterenden stoet. Hier belegde Filips de Schoone, vóór hij in 1505 naar Spanje vertrok, een kapittel der ridders van het Gulden Vlies.

De vergaderzalen der Staten van Zeeland in de Abdij zijn hoogst interessant, niet alleen door hun restauratie in ouden stijl, maar bovenal omdat zij weder zijn "aangekleed", ten deele door de wederophanging der gobelins en verder door een viertal groote schilderstukken van Ferdinand Bol (1616-1680).

Men vindt er thans zeven gobelins, alle oorspronkelijk op last der Admiraliteit van Zeeland vervaardigd in de fabriek van Jan de Maeght te Middelburg, ter versiering van haar lokalen. Al deze stukken zijn nu gerestaureerd. De meeste stellen zeeslagen voor, een bijzonderheid, want gobelins met schepen zijn zeldzaam.

Aan den grooten wand van de Statenzaal hangen de drie grootste. Links ziet men de afbeelding van den slag bij Bergen-op-Zoom (31 Januari 1574, onder Romero en Boisot). Dan volgt achter den zetel van den voorzitter de slag bij Lillo, waar door de Zeeuwen een overwinning werd bevochten op 23 Spaansche oorlogsschepen; rechts hangt de zeeslag op 't Sloe, waarop men de kust van Walcheren met Veere en het fort Rammekens ziet. De kleuren van het middenstuk zijn veel helderder dan die der beide andere, waarschijnlijk een gevolg hiervan, dat het zoo langen tijd opgeborgen bleef en dus niet aan het licht was blootgesteld.

Het schoorsteenstuk aan den wand bij den ingang geeft een portret van Willem den Zwijger te zien, met het wapen van Zeeland en die van verschillende steden uit de provincie er omheen.

Daarnaast hangt de afbeelding van 't z.g. admiraalschip, een gobelin, dat één geheel vormt met een ander, waarvoor echter geen plaats was in deze zaal, zoodat het met het zevende gobelin is gehangen in de voorkamer, die leidt naar een van de sectiekamers boven.

Den grootsten indruk maken echter de vier kolossale doeken van Ferdinand Bol, aangebracht in de sectiekamers. Zij zijn oorspronkelijk geschilderd als wandversieringen in een heerenhuis te Utrecht en later aan het Rijk geschonken.

In de andere gebouwen der Abdij zijn gevestigd: het Rijksarchief, het Polderbestuur van Walcheren en de bureaux der Provinciale Griffie. Een prachtig gedeelte vormen de zuilengangen rondom het plein van de Munt der grafelijkheid van Zeeland; niet minder schilderachtig is de noordzijde met haar krans van slanke torens.

Het stille binnenplein, omringd door zooveel gebouwen in schoonen stijl, is een eenig stadsgedeelte, bekorend door ernstige rust. Op de Abdijplaats werden menigmaal, al wandelend onder de statige olmen en linden, die het plein overschaduwden, door de vertegenwoordigers van den Eersten Edele en de stemhebbende steden de belangrijke staatszaken besproken, waarover men had te beslissen. En in vroeger eeuwen kunnen wij ons voorstellen, dat daar de abt met de aanzienlijke geestelijken zich dikwijls verpoosde, als hij niet buiten kon zijn op het landelijk Westhoven aan de duinen.

Bij de Abdij sluit zich de vroegere Kloosterkerk aan, die in 1575 den naam van Nieuwe Kerk heeft verkregen, waaronder zij nog bekend is. De naam Nieuwe Kerk heeft geen betrekking op de stichting der kerk, want zij is van vroeger dagteekening dan de zoogenaamde Oude Kerk, die in het midden der 19e eeuw werd afgebroken. De Nieuwe Kerk is echter later dan de Oude Kerk door de Hervormden tot hun eeredienst geopend, nl. den 1en April 1575; op dien dag althans is er het eerst door de Hervormden in gedoopt. Vóór de Kerkhervorming droeg zij den naam van "Oostmonster", als een der drie parochiekerken der stad. De andere waren de Noordmonster of St. Pieters (Oude) Kerk en de Westmonster, die op het midden van de Markt stond en in 1575 is afgebroken. Van deze was de Nieuwe Kerk of de Abdij- of Kloosterkerk, gelijk zij ook heette, verreweg de voornaamste, want zij was het heiligdom van de rijke Abdij. Men mag aannemen, dat de bouw dezer kerk in het midden der 12e eeuw heeft plaatsgevonden, toen ook de Abdij gegrondvest werd, hoewel met het toenemen van den rijkdom der Abdij ook de kerk zal zijn uitgebreid. De kerk was destijds gewijd aan de Maagd Maria.

Toen het gedeelte ten oosten van den toren er was bijgebouwd--wij weten niet wanneer--dat thans is afgesneden en den naam Koorkerk draagt, was de Middelburgsche Abdij-kerk een groote en prachtige kerk, die hoog geroemd werd wegens haar prachtige altaren, kunstige beelden en rijke inrichting. Geen gering deel van haar luister had zij te danken aan Willem II, den Roomsch-Koning, die haar met geschenken overlaadde en wiens stoffelijk overschot binnen deze muren moet rusten. Wel werd de schoone kerk in 1492 door brand zwaar geteisterd, maar rijkdom en godsdienstliefde deden haar weldra schooner en prachtiger dan te voren herrijzen. De mildheid van den abt Maximiliaan van Bourgondië schonk de kerk een zeer beroemd altaarstuk, in 1524 door Jan van Maubeuze geschilderd, de afneming van het kruis voorstellend. Toen Albrecht Dürer in Antwerpen vertoefde, maakte hij, alleen om dit stuk te zien, een reis naar Middelburg en hij verklaarde in de Nederlanden geen kunststuk te hebben aanschouwd, dat hiermede te vergelijken was.

De abt Floris van Schoonhoven liet in de kerk een prachtige graftombe voor Graaf Willem II oprichten, den Graaf, aan wien Zeeland en bovenal Middelburg en de Abdij veel te danken hadden.

Doch niet lang zou die heerlijkheid meer duren. De beeldstormerij sloeg in 1566 haar woeste handen aan de Abdijkerk en nevens beelden en schilderijen werd ook de kostbare tombe verbrijzeld door breekijzer en hamerslagen. In 1567 tastte het vuur des hemels door brand aan, wat nog gespaard of verborgen was; het kostbare altaarstuk verbrandde bij die gelegenheid. En toen in 1575 de kerk aan de Hervormden kwam, werd het laatste weggeruimd, wat nog aan den prachtigen Katholieken eeredienst herinnerde.

De stijve eenvoud van het Calvinisme heeft de kerk jaren lang in een somberen toestand gehouden. Het koor was afgesloten en de kerk bestond alleen uit het voormalig schip, een langwerpig vierkante ruimte, met twee rijen pilaren, zonder verwulf of koperwerk, slechts met een beschoten dak. In 1603 had de kerk weder een orgel, doch in 1712 werd zij opnieuw door het hemelvuur in brand gestoken en grootendeels vernield. Na twee jaren evenwel werd de kerk herbouwd.

Spoedig daarna verkreeg zij den predikstoel, dien men er nog vindt. Gedurende de 19e eeuw werden eenige pogingen aangewend, om de kerk te verfraaien.

De tombe op het graf van Graaf Willem II was bijna geheel vernield geworden, doch in 1817 werd de plaats toevallig ontdekt in een der kapellen. Daarna werden door het Rijk in 1820 tegen den noordelijken muur der kerk twee gedenksteenen geplaatst, ter eere van Graaf Willem II, en het gebeente werd hieronder later weder begraven.

In deze kerk vindt men het schoone, marmeren praalgraf der admiralen Evertsen, een monument, dat de Staten van Zeeland terstond na het sneuvelen van Cornelis Evertsen besloten op te richten. Aanvankelijk was het in de Oude of St. Pieterskerk geplaatst, waar het aan verwaarloozing ten prooi was; door het Zeeuwsch Genootschap, dat zooveel deed voor het behoud van merkwaardige gedenkstukken, werd bewerkt, dat het hersteld en overgeplaatst werd in deze kerk in 1818. Het gedenkteeken is het werk van Rombout Verhulst, van 1680-82 gebeiteld. Op twee donker gekleurde grafsteden rusten de wit marmeren beelden der beide zeehelden, in volle wapenrusting, met den staf van gezag in handen. Het vroeger Latijnsche grafschrift werd bij de verplaatsing door het volgende Nederlandsche vervangen:

TER EEUWIGE NAGEDACHTENIS VAN DE ONSTERFELIJKE ZEEHELDEN DE GEBROEDERS JOHAN EN CORNELIS EVERTSEN LUITENANT-ADMIRALEN VAN ZEELAND BEIDEN STRIJDENDE VOOR HET VADERLAND GESNEUVELD IN DEN JARE _MDCLXXVI_.

In 1842 werd door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in deze kerk een gedenkteeken opgericht ter eere van Adrianus Junius, den geleerde, dien Lipsius na Erasmus voor den geleerdsten Nederlander verklaarde, in 1575 in het koor van deze kerk begraven.

Het inwendige der kerk heeft in 1846 een geheele verandering ondergaan.

Het uitwendige der kerk werd door de haar omsluitende huisjes te veel aan het oog onttrokken. Een daarvan, dat reeds lang is afgebroken, was de woonplaats van Zacharias Janse, den uitvinder der verrekijkers: een arduinsteen, in den kerkmuur gemetseld, zegt:

Tegen dezen muur stond het Huis van ZACHARIAS JANSE Uitvinder der verrekijkers in den jare MDXC.

Aan de noordzijde der beide kerken bevindt zich het kleine Binnenhof, het zoogenaamde Muntgebouw. Vroeger was dit met kruisgangen versierd, die in 1827 noodeloos werden afgebroken. Gelukkig heeft men de overblijfselen daarvan teruggevonden, zoodat zij thans in den ouden toestand hersteld werden, en, gelijk wij reeds zeiden, een prachtig geheel vormen.

Tusschen de Oud-Munster of Nieuwe Kerk en de Koorkerk is de hooge toren gebouwd, in den volksmond Lange Jan geheeten, die zich tot 86 Meter hoogte verheft. Deze toren van achthoekigen vorm dagteekent uit het eind der XVe eeuw; na den brand van 1712 werd hij schooner dan vroeger gerestaureerd; de houten spits is van 1713-1720. Iets meer dan de helft der hoogte is van steen, het overige van meest met koper beslagen hout, vervaardigd.

Van de "Lange Jan" heeft men een schilderachtig uitzicht over den naasten omtrek der stad en verder over het geheele eiland. Men ziet, hoe Middelburg in een krans van veelkleurig groen is vervat, dat over de vroegere bolwerken in schilderachtige lanen kronkelt, te midden van zacht hellende gras- en bloemperken. En verderaf, den straal van het gezichtsveld uitbreidend, liggen de welige akkers en grazige weiden, de dichte bosschen en schilderachtige dorpen. Ver in het westen slingert een grijswitte streep, bochtig opbuigend langs den horizon: dat zijn de duinen, die het eiland aan den zeekant begrenzen.

Bij helder weer ziet men in het zuiden de breede Schelde als een glinsterend lint den landzoom omslingeren en van verre ontdekt het gewapend oog zelfs den toren van Antwerpen.

De St. Jorisdoelen is een societeitsgebouw op korten afstand van de Abdij, aan een plein, "de Balans" genoemd. Dit gebouw, een herinnering aan krachtig ontwikkelden burgerzin, werd in 1582 voltooid, maar toen de staatkundige invloed der schutterijen afnam, ging de Doelen te niet en bleef er alleen een uitspanning van over, waar nog in het midden der 18e eeuw in den tuin ridderspelen en optochten plaats hadden. Sedert 1758 werd hier een societeit gehouden en thans dient het gebouw, dat in 1894 gerestaureerd is in den oorspronkelijken stijl, daartoe nog. De mooie gevel drukt een gezelligen stempel op dit gebouw en dat binnen deze muren ook gezelligheid kan heerschen, is bekend.

Tegenover den St. Jorisdoelen ziet men aan het "Balans-plein" nog drie antieke gevels, waarvan in 1896 twee geheel in den oorspronkelijken stijl van het begin der 16e eeuw zijn opgetrokken, dank zij den onbekrompen kunstzin van Mr. G. N. de Stoppelaar. Een ervan werd in 1896 hersteld door de provincie om te dienen voor den Provincialen Waterstaat. Een antiek poortje met gekanteelden muur geeft tot dit laatste toegang. Op het plein is in 1894 een fontein geplaatst, ter eere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan de stad.