Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 23

Chapter 233,667 wordsPublic domain

Al vindt men hier geen afwisseling van terreinen, de eentonige vorm van het landschap wordt allerwegen afgebroken door hooge dijken, zware bolwerken, die het krachtigste getuigenis afleggen van den strijd om ruimte, door den mensch tegen de wateren gestreden, terwijl de meeste wegen met rijen zwaar iepengeboomte beplant zijn. De ruimten binnen die dijken wordt ingenomen door uitgestrekte akkers, waarop uitstekend graan golft, waar vroeger meer het vlas zijn zachtblauw bloempje deed schemeren en waar in den laatsten tijd de bietencultuur in den zomer het geel van de tarwe met het donkergroen doet afwisselen. En daartusschen liggen de landhuizen verspreid: flinke gebouwen met hooge schuren om het graan te bergen en meestal door boomen omgeven, terwijl zoo hier en daar aan de dijken of meer in de polders de kerktorens hun spitsen uit het geboomte, dat zich in de dorpen verheft, ten hemel beuren. Schilderachtige partijen, wel niet door forsche lijnen, maar door huiselijkheid en vriendelijkheid uitmuntend, vindt men er vele. Onderscheidene dorpen worden dan ook veel bezocht door schilders, zelfs uit het buitenland, die in den kleurentoon en de lichteffecten van het land en zijn wateren de inspiratie voor hun schoonste scheppingen vinden. Een dergelijk dorp is o. a. Wemeldinge, gelijk wij zeiden.

De schoonste tijd, om Zuid-Beveland te bezoeken, is de lente, als het weder gunstig is en het nieuwe leven over het land is ontwaakt. Dan geuren hier bloeiende meidorens in menigte; dan zijn de weilanden frisch en groen; op de akkers golft het koolzaad als een heldergeel kleed, geweven uit duizenden kruisbloempjes, en de boomgaarden zijn in hun rozigen feesttooi gehuld. In dien tijd wordt overal het woord van den genialen Goesenaar, Johannes Antonides, bevestigd:

De mildste Ceres heeft hier laatst den troon gebouwd En 't veld gehuldigd met een tabbaard, geel van goud.

Vroeger bood het landschap van Zuid-Beveland nog meer afwisseling aan. Toen was ook dit eiland met tal van kloosters en kasteelen overdekt, die door hun statigen bouw en boschrijke omstreken de schoone tegenstellingen verhoogden. Wij noemen enkele. Goes had zijn slot Oostende, Heer Hendrikskinderen zijn slot Huis te-Werf; 's Heer Arentskerke had een stout kasteel, dat uit het water oprees; men vond kasteelen of ridderhofsteden te Baarsdorp, Baarland, Heinkenszand, Nisse, Kloetinge, Kapelle, Ellewoudsdijk en elders.

Doch met den adel zijn ook de kasteelen op Zuid-Beveland alle verdwenen; het is een eiland met boeren bewoners, waar Ceres den schepter voert, dien zij Neptunus ontworsteld heeft. Groote buitenverblijven vindt men zelfs op Zuid-Beveland niet meer; hier woont een ijverig arbeidende bevolking, die in de bewerking van den vruchtbaren bodem haar bron van welvaart ziet. Zuid-Beveland wordt dan ook de "korenschuur van Zeeland" genoemd, een naam, die niet onverdiend is, omdat de bouwlanden hier de beste van Zeeland zijn, de landen er veel opbrengen. De Bevelander, die wel de heerlijke atmosfeer der zandgronden miste, vond in de rijke opbrengst des lands een ruime schadeloosstelling, en drukte dat spreekwoordelijk uit: "Brabantsche lucht, maar Zeeuwsche renten".

Verder draagt Zuid-Beveland roem op zijn uitstekende boomkweekers. Den eerenaam "Paradijs van Zeeland" heeft het zeker mede te danken aan de rijke boomgaarden met heerlijk ooft, die men hier vindt, terwijl de vriendelijke, schoone vrouwen uit het Land-van-ter-Goes de gedachte aan het Paradijs nog versterken. De volkseigene kleeding wordt in deze streken nog het meest bewaard en wekt algemeene bewondering.

De kleeding in het land van Goes kan als de meest schilderachtige van geheel Zeeland beschouwd worden; vooral bij de vrouwen is zij het best in stand gehouden. Zij gevoelen het, dat in hun costuum iets bekoorlijks, iets verhevens ligt, hetwelk aan hooger komaf doet denken, iets adellijks met een stamboom in het verre verleden wortelend, en leggen daarom de nationale kleeding niet af, wanneer zij in den vreemde gaan. De dienstmeisjes uit het Goesche in Den Haag, waar zij veel voorkomen, en in Amsterdam, waar slechts enkelen zijn, trekken de aandacht; niet de nieuwsgierige aandacht, welke den lachlust opwekt, zooals bij den grootstedeling te licht geschiedt, als hij den provinciaal in eigen dracht aanschouwt, maar de eerbiedige aandacht, die tot bewondering stemt voor het schoone en aristocratische, dat er uit spreekt.

Wij willen hier tot afwisseling in ons reizen en trekken een kleine geschiedenis verhalen, welke duidelijk bewijst, hoezeer de Zuid-Bevelandsche meisjes in hun nationaal costuum de aandacht van vreemdelingen boeien. Het verhaal, dat waar is, betreft niemand minder dan Keizer Napoleon I. Deze bracht den 11en Mei 1810 een bezoek aan den Zuid-Bevelandschen polder "Zuid-Kraaijert", van welken polder uit de Franschen, na den terugtocht der Engelschen naar Walcheren in 1809, dikwijls, doch vruchteloos gepoogd hadden, de vijandelijke schepen uit het Sloe te verdrijven. Napoleon wilde zelf deze plek zien en had het déjeuner besteld in een hofstede, destijds bewoond door Nicolaas Willemse Honderd. Toen het déjeuner, dat in Goes was klaargemaakt, helaas! niet op tijd gebracht werd en de groote Keizer op het punt stond, gramstorig uit te barsten, wierp hij een blik op de 17-jarige dochter van den boer. Haar lief gezicht en vorstelijk Zeeuwsen costuum deden de zwarte wolk bij den machtige spoedig verdwijnen en hij beval, dat er dadelijk eieren gekookt, boterhammen gesneden en koffie gezet moest worden, maar wijl het eten nu toch op zijn boersch was, wilde de Keizer ook door een boerin bediend worden en wel door de dochter des huizes.

Spoedig was het bestelde gereed en de Keizer knoopte een gesprek aan met het jeugdige boerinnetje, dat door de Fransche troepen, die hier gelegen hadden, een weinig Fransch kon spreken.

Het eerste, wat de belangstellende Keizer haar vroeg, was, of zij getrouwd was. Toen het antwoord ontkennend luidde, volgde de vraag, of zij al een vrijer had? Het meisje lachte schuchter, zooals gewoonlijk met boerenmeisjes bij dergelijke vragen het geval is, en toen de Keizer aanhield, bekende zij, dat haar hart niet meer vrij was. "Dat had ik wel gedacht," zei Napoleon en streek het boerinnetje over de wang, "gij zijt een veel te knap meisje, om niet gevrijd te worden". "Maar," hervatte hij verder, "laat dien vrijer loopen en ga met mij mede naar Parijs; ik zal goed voor u zorgen." Ofschoon Napoleon dit bij herhaling vroeg en het meisje reeds bijna bezweek voor dat schitterend aanbod, bleef zij toch op het eiland: haar ouders konden niet met het plan instemmen. Toen Napoleon echter vroeg, waarom zij niet huwde, antwoordde het boerinnetje, dat haar minnaar nog geen middel van bestaan had. Napoleon was zoo getroffen door het bekoorlijke gezichtje, dat hij haar vroeg, wat er aan ontbrak. Zij vertelde hem, dat dit ongeveer f 300 's jaars was. "Welnu," antwoordde de Keizer, "gij moogt wel iets hebben, omdat gij ons goed bedient." Napoleon beloofde nu het meisje, haar jaarlijks f 300 te zullen uitkeeren en als zij getrouwd was het dubbele, terwijl hij haar als handgeld twee dubbele gouden Napoleons schonk.

Werkelijk moet dit meisje als loon voor haar vriendelijk optreden bij den Keizer en voor haar bekoorlijkheid het eerste jaar dit bedrag hebben ontvangen, doch de val des Keizers deed het jaargeld spoedig voor de Zeeuwsche schoone verloren gaan.

De Zeeuwsche costuums te beschrijven is voor een niet-Zeeuw, ook al heeft hij hun land in alle richtingen doorkruist en veel met het volk omgegaan, een moeielijke taak, vooral waar de costuumkunde niet tot zijn eigenlijke studie behoort. Doch door het gelukkig denkbeeld der Zeeuwen, om bij het bezoek van H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes op 21 Aug. 1894 aan H.H. M.M. de echt nationale kleederdrachten te toonen en in een beschrijving te verduidelijken, een boek, waarvan slechts weinige exemplaren gedrukt werden, zijn wij in staat, hieraan een en ander te ontleenen, dat betrouwbaar is en op nauwgezette kennis berust. Aan Dr. J. C. de Man, den kenner van Zeeland, hebben wij de beschrijving der tegenwoordige kleederdrachten te danken, aan den heer J. A. Frederiks een inleiding over het historisch costuum, en beiden zullen wij dankbaar raadplegen.

In de eerste plaats een korte schets van het Zuid-Bevelandsche vrouwencostuum en de versiering. Onmiddellijk wordt de aandacht van den vreemdeling getrokken door de vierkante gouden platen of boeken, hier stikken genoemd, de Zeeuwsche naam voor stukken, welke aan beide zijden van het voorhoofd iets boven de oogen schuin uitsteken, terwijl hooger, aan beide zijden van het kuifje veelal zwarte haar, dat, op het voorhoofd naar achter omgebogen, iets onder de muts uitkomt, gouden bollen zijn aangebracht. Deze platen, die soms wel zes c.M. hoog en vier breed zijn, worden aan een hoepel om het hoofd bevestigd, een echte, oude haarband.

Over een nette, witte ondermuts draagt de Goesche een buitenmuts van doorzichtig borduurwerk, die breed uitstaat terzijde van het hoofd, aan de kanten rond afloopt en van voor en achter den fijn gevormden hals goed laat zien, terwijl ook het gouden slot met de kralen duidelijk zichtbaar zijn. Die mutsen met gouden stukken geven aan de Goesche vrouw een schilderachtig, voornaam voorkomen en de breede, uitstaande kanten zijn uitingen van een levenslustig karakter, waardoor de vroolijke meisjes uit het land van Goes zich van de meer stemmige op Walcheren onderscheiden. Ook kan men aan den vorm en grootte der mutsen in het Goesche een verschil vinden bij Protestanten en Katholieken. De laatsten hebben grooter muts met langer, op de schouders afhangende kant, meer vierkant afgesneden.

Ter zijde van de muts zit gewoonlijk van achteren een gouden haarknop of parel. Deze "gouden paerde", zooals de naam luidt in de taal der bevolking, d. i. parelspelden, zijn òf effen, òf gewerkt; er behooren in den regel nog kleine cantille spelden bij. Hierin is geen verschil bij Roomschen en Protestanten.

De hoed moet passen bij de muts. Vroeger droegen de vrouwen hier schelphoeden, die veel sierlijker waren dan die van Walcheren. Zij hadden strooien randjes en een bol met velerlei lint. Doch die ziet men thans niet meer. Ook de hedendaagsche hoed op Zuid-Beveland, die voor een halve eeuw algemeen was, wordt weinig meer gedragen, omdat men dien ouderwetsch vindt. Toch bezitten de meesten een hoed. Hij is van fijn stroo, en evenals de geheele kleeding zwieriger dan de Walchersche; aan den rand is hij omzoomd met een strooien biesje van roosjes of pikkeltjes; de voering is fijn en niet altijd blauw en op den hoed zelf zijn onderscheidene rosetten, of, zooals men ze noemt, kransen van stroo, die men als navolging ook vindt in het Walchersche Nieuwland, maar niet op Walcheren zelf. Het eigenaardige van den Zuid-Bevelandschen hoed is, dat er noch van voren, noch van achteren linten aan zijn, iets, waarvan men op Walcheren juist veel werk maakt. Wil de wind zich van den hoed meester maken, dan moet men hem met een speldje vaststeken.

Bij deze mutsen behoort ook de overige kleeding iets levendigs te hebben. Daartoe leent zich de schilderachtige doek, om de schouders geslagen, welke aan den voorkant een driehoekige beuk voor de borst openlaat, eveneens met een gekleurden doek bedekt en omhangen met een kantvormige versiering van gekleurde kralen. De bijna geheel bloote armen passen bij dit costuum en verhoogen de aantrekkingskracht der Goesche schoonen.

Een eigenaardigen indruk maakt de Goesche vrouw met deze kleederdracht in het landschap. Altijd ziet men haar met de blinkende gouden stukken; melkmeisjes ziet men in de weide de koeien melkend, terwijl de gouden platen van verre schitterend uitkomen in het licht der dalende avondzon, als waren zij feeën afgedaald naar het lage land aan den mond der Schelde. Hier komen ons de woorden van Cats voor den geest, die de Zeeuwsche "jonckvrouwen" tot half bovenaardsche verschijningen verhief, toen hij schreef:

Ghij, Zeeus en soet geslacht; ghij, Venus lantgenooten, (Want Venus is weleer oock uytter zee gesprooten) Ghy, die met Venus hebt het eyghen Vaderlant, Het eygen geestigh oogh en minnelijck verstant; Jonckvrouwen, aerdig volck, die met verholen krachten Een onbekenden brant ontsteeckt in ons gedachten, Die met uw soet gelaet en lodderlijk gesicht Een droeve ziel geneest, een treurig hert verlicht.

De vrouwen hebben hier nog het best hun nationale dracht bewaard; die der mannen is meestal opgelost in de algemeene, maar toch zien wij nog enkelen in een landskleeding, zij het ook reeds verzwakt in bijzonderheden. Het typische oude hoofddeksel van den Zuid-Bevelandschen boer is een lage, bolvormige hoed met naar achter omgeslagen rand, een type, dat reeds in de 13e eeuw werd aangetroffen. De hoed is niet effen, maar wollig, vooral in de duurdere soorten, en dat wollige en pluizige staat goed en doet den Goesenaar dadelijk herkennen. Men kent hem ook aan zijn twee zilveren broekstukken; zij zijn niet, als de Walchersche, bezet met het wapen van Holland met de leeuwen, maar keurig bewerkt met glinsterende punten en vlokken, zoodat ieder ze mooier vindt. De Katholieke boeren gaan evenals de anderen gekleed; alleen kan men de verschillende gezindten leeren kennen door een wijziging van voren aan den hoed.

Wat heeft aanleiding gegeven tot dit verschil van kleeding tusschen Katholieken en Protestanten? Bij de eersten heeft het kleurrijke steeds meer geheerscht in de kerken, werd het schoone meer gehuldigd. De kleederdracht der Goesche vrouwen dagteekent ongetwijfeld uit den tijd vóór de Hervorming. Het vermoeden ligt voor de hand, dat de Katholieken zich hier uit Brabant later gevestigd hebben. Zij namen het schilderachtige costuum over, dat met hun aard niet in strijd was, maar wijzigden dit eenigszins naar hun smaak en zoo bleef het verschil bestaan. Wij erkennen echter, dat dit slechts een veronderstelling is.

Noord-Beveland, Schouwen, Tolen en Duiveland verschillen in kleeding van Goes en Walcheren en sluiten zich alle nader aan bij de Zuid-Hollandsche delta-eilanden. Noord- en Zuid-Beveland, hoewel sedert negen eeuwen den naam van "Beveland" dragend, hebben een verschillende bevolking, hetgeen blijkt uit lichaamsvorm, gewoonten, uitspraak der woorden en ook uit de kleeding. Op eerstgenoemde eilanden hebben de boeren echter meest hun nationale kleeding afgelegd; alleen de vrouwen hebben de nationale staartmutsen bewaard. Slechts kleine variaties komen daarin voor op de verschillende eilanden. Zoo is de "Schouwsche" of "Toolsche muts", gelijk men haar noemt, op Noord-Beveland meer vierkant, elders meer rond. Het algemeen model is een ronde bol met daaromheen een rijke kant, die op Tolen weer anders is dan op Noord-Beveland. Zij ligt over de schouders en een deel van den rug, niet stijf, maar zwierig met plooien en golvingen.

Aan beide zijden van het hoofd worden spiraalvormige krullen gedragen op deze eilanden. Die krullen zijn op de Zuid-Hollandsche eilanden het grootst, op Schouwen, Duiveland, Tolen en Noord-Beveland kleiner. De kleine Schouwensche krul is, evenals de Walchersche, misschien nog een overblijfsel van het volk, dat in lang vervlogen tijden de kust van Schouwen bewoonde.

Onderscheidene oude gewoonten en gebruiken hebben op Zuid-Beveland lang standgehouden. Nog voor weinige jaren werd in Juli, als de "zaedoest" (zaaddorsch) daar was, waarbij vrouwen en meisjes de "stukken" naar het zaaddorschzeil droegen (zie een afbeelding bij Walcheren), dat op het veld werd uitgespannen, en de mannen met forschen, gezwinden maatslag "de vlui" hanteerden, na afloop van het werk de "Meie" gevlochten, een krans van groen en bloemen, die door een paar jonge meisjes, gevolgd door een joelenden hoop, naar den baas werd gedragen "om hem met den geëindigden dorsch" geluk te wenschen, waarop een feest volgde. Handboog- en gaaischieten behooren hier nog tot geliefde uitspanningen, waarbij de koning gekroond wordt. In elk Zeeuwsch dorp bijna vindt men de "klapbank", een plaats onder een linde of een afdak, waar de dorpsjongens 's avonds, na afloop van den arbeid, samenkomen om te praten en allerlei nieuwtjes te bespreken; als het mogelijk is, vindt men die tegenover de smidse, waar het helder vlammende vuur in den donker licht werpt op de verzamelplaats.

Eigenaardig zijn de dorpsjongelingen-vereenigingen, een soort van jongelieden-gilden, met een bestuur en bijeenkomsten, soms ook terloops op de "klapbank", en door wie de zaken van algemeen belang voor 't jonge volkje geregeld worden. Wanneer een jonkman uit een naburig dorp komt, om een meisje te vrijen, zal de jongelings-vereeniging zich daarmede bemoeien, en de huwelijkskandidaat wordt niet toegelaten, vóór hij van haar toestemming heeft verkregen, een toestemming die gemakkelijk gekocht kan worden tegen een tractatiegeld.

Een schaduwzijde van de maatschappelijke toestanden op vele Zeeuwsche eilanden is, dat rijke Belgische heeren hier eigenaars van groote boerenplaatsen trachten te worden, zoodat de Zeeuwsche boeren voor een groot gedeelte pachters zijn. Die vreemdelingen, "poepen" genoemd, ziet men niet gaarne; als uitlanders deelen zij niet in de lasten en staan zij in geen nauwe betrekking tot hun pachters, zoodat het hun eenige doel is, van de "Zeeuwsche renten" te profiteeren.

Wij zetten thans ons tochtje voort naar het eiland Walcheren.

WALCHEREN

Roem vrij, o Holland! op uw schatten, Noem u de kroon van Neerlands macht, En blijf het rijk tresoor bevatten Van 't geen de kunst heeft voortgebracht; Doe, Geldersch Tempe, uw luister stralen, Verhef u vrij op al uw schoon, En sprei uw heuvlen en uw dalen Voor 't opgetogen oog ten toon; Maar laat geen trotschheid u verleiden, Als hieldt ge alleen den staf in hand: Ook elders prijken bosch en weiden, Ook elders vindt ge een lustwarand. Vertrouw u aan de Zeeuwsche stroomen, En zet uw voet op Walchrens grond, Waar de olmen fier zijn vest omzoomen, Die pal voor Spanje's heerschzucht stond. Wend daar langs kaai en wal uw schreden, En richt uw blik naar 't Raadhuis heen: Daar toont verbeelding u 't verleden, Daar prijken nog der vaadren zeên. En gaat gij dan uit spelemeien, Waar 't voorgeslacht reeds vreugd in vond, Dan leert ge er in de gulle reien De waarheid van 't "goed Zeeuwsch, goed rond"! Dan klimt gij op de hooge duinen, De vesting, die het land omzoomt, En schouwt met wellust van hun kruinen Het welig groen en dicht geboomt. Dan zegt gij: heerlijke landouwen, Ook gij, bekoorlijk lustwarand, Moogt roemen op uw schoonste vrouwen, Ook gij zijt Neêrlands diamant.

P. Bosscha. 1839.

'k Doolde vol vreugd door uw malsche landouwen, 'k Heb aan uw duinzoom weldadig gerust; 't Oog mocht uw lieflijke Mantling aanschouwen En heeft bewondrend gestaard op uw kust.

S. J. v. Den Berg.

Het schoonste, meest afwisselende eiland van Zeeland is ongetwijfeld Walcheren, door tal van bezoekers reeds sedert lang met allerlei vleiende eerenamen aangeduid. Keizer Karel V roemde Walcheren reeds om de heerlijke vruchten, welke het land opleverde, en die de produkten van de zuidelijke landen nabijkwamen of zelfs overtroffen. Lodewijk Napoleon noemde Walcheren "een aardsch paradijs"; in den mond van velen is het "de tuin van Zeeland", en wegens zijn vierkanten vorm te midden van de wateren spreekt men dichterlijk van "een fraaie bloem op een schaal van zilver".

Wel is Walcheren niet meer, wat het was voor een paar eeuwen, toen het nog prijkte in al den glans van welvaart, rijkdom en weelde des tijds, zoodat een reiziger zich gemakkelijk kon voorstellen, hier in een grooten lusthof te wandelen, waarin de bekoorlijkste tooneelen van bosch en akkers, dorp, duin en zee voortdurend afwisselden.

Nergens toch vond men in onze toen nog zoo rijke Republiek binnen een eng bestek drie volkrijke steden en een zoo talrijke menigte schoone dorpen, terwijl meer dan honderd kasteelen en vele flinke landhuizen over het eiland verspreid lagen, te midden van de schoone, bloeiende velden, met een hoog ontwikkelden landbouw. In het werk van Z. Paspoort, verschenen 1820, wordt een lijst van 74 buitenplaatsen op Walcheren vermeld, welke toen reeds gesloopt of in boerenhofsteden veranderd waren. Toch telde men twintig jaren later nog 51 buitenplaatsen op Walcheren. Zoo was het oude Walcheren, meer dan eenig ander deel van Nederland, een uitgezocht gewest voor den Arcadia-beschrijver, en de gemoedelijke predikant Mattheus Gargon trok dan ook in 1715 met zijn speelwagen vroolijk over het eiland, om de heerlijkheid er van in scherts en ernst te beschrijven.

Wel zijn talrijke buitens sinds lang verdwenen en vindt men er niet meer den rijkdom en de weelde van den tijd, toen Middelburg, Veere en Vlissingen bloeiden door handel en scheepvaart, toen de rijke kooplieden der steden zich bij gemis van snelverkeer op het land of aan de duinen een vriendelijk buitenverblijf schiepen op het eiland, maar toch blijft Walcheren nog steeds een heerlijk oord.

Nergens in ons vaderland wordt men nog zoozeer aan de 18e eeuw herinnerd als op Walcheren. "Als men de smalle, kronkelende wegen volgt, door boomen of geschoren heggen netjes omzoomd, waar hier en daar de elegante steenen palen van een groot rococo-hek de aanwezigheid of het vroeger bestaan van een buitenplaats verraden aan het einde van rechte lanen of wegen; wanneer men die lange risten van zeven of acht gelijke en gelijkvormige boerinnetjes ontmoet, welvarende gezichten in stijve, doch kleurige kostuums, en de nette, stille dorpjes doorkruist, de eenvoudige, welonderhouden kerkjes opmerkt met hun zware, kort gespitste torens in het vriendelijk groen--dan denkt men onwillekeurig uit een der steeds gesloten huizen de landschapteekenaars der 18e eeuw als Jan de Beyer of Cornelis Pronk te zullen zien buitenkomen, in gebloemde kamerjapon en gepoederde pruik, de lange pijp even uit den mond nemend, om ons deftig te presenteeren: "'t dorp Serooskerke op Walcheren, 1747", aldus ongeveer geeft Mr. S. Muller zijn indrukken van dit eiland weer.

Walcheren is rijk aan innige, intieme schoonheid door een natuur, die in haar kunsteloosheid nooit vervelen zal, die een zekere charme heeft, welke niet onder woorden valt te brengen, een afwisseling, die niet vermoeit, maar opwekt.

En naast het echt landelijke, dat idyllische van rust, die niet drukt maar doet leven, wordt overal op Walcheren de gunstige invloed van de zee gevoeld of zelfs haar eeuwig lied gehoord.

Door Walch'rens hof ruischt d' echo van de zee; De zwoele nachtwind zendt die zoete klanken Terug naar 't hooge helm, dat met de ranken Der wilde winden fluistert van de zee.

Het licht der kusten flikkert langs de zee, Door wolkensluiers glimm'ren bliksemspranken, Een hooge pijl doorklieft de nevelbanken, De stemma Zeus rolt dreunend langs de zee.

De roode maan rijst boven donkre kruinen, De starren fonklen boven donkre duinen, Een roode slang schiet over 't zwart kristal.

Natuur wordt stil; de maan schuilt weg in 't duister, En Zeus keert lichtend naar der goden hal, Zijn echo is de zee--in 't phosphorluister,

zong Louise v. Nagel.