Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 22
Op deze wijze werd het westelijk Zuid-Beveland uitgebreid door verschillende bedijkingen en aanhechtingen van omliggende eilanden, waarvan wij slechts eenige noemden, tot het zijn tegenwoordige gedaante verkreeg. Verliezen had het eiland echter ook te lijden, doch niet zoo aanzienlijk als het oosten van Zuid-Beveland.
Het Land van Ter-Goes draagt nog de sporen van die ontwikkelingsgeschiedenis op 't gelaat; de wateren, welke vroeger de eilandjes scheidden, kan men dikwijls gemakkelijk herkennen aan de lange, smalle polders tusschen twee hooge dijken. Op vele plaatsen evenwel is die herkenning moeilijker, omdat de wateren bij gedeelten werden ingedijkt en daardoor de vorm van het oorspronkelijke water niet altijd in dien der polders bewaard bleef.
Wij vangen onze wandelingen aan in de stad Goes, een vriendelijk provinciestadje met ongeveer 7000 zielen. Zeer zeker heeft de stad haar ontstaan te danken aan de nederzetting bij een sterkte, welke op den oosthoek van het westelijk gelegen hooge land aan de Gosaha werd opgeworpen en later als het slot Oostende bekend was. De huizen, die in den omtrek van dat slot gebouwd werden, vormden het dorp ter-Gosaha, waaruit volgens de meening van sommige schrijvers de naam der latere stad Goes zou ontstaan zijn.
Het slot Oostende (Ostende) is waarschijnlijk door een der heeren van Borsele gesticht; het verkreeg zijn naam naar de ligging op het oosteinde van het eiland. In zijn bloeienden toestand had het binnen den zwaren muur van het opperhof, behalve de woongebouwen, ook nog een fraaie, met een toren versierde slotkapel.
Het slot Oostende heeft een niet onbelangrijke geschiedenis voor Zuid-Beveland en herhaaldelijk werd de belegering om de zware muren geslagen, o. a. in 1300 door Jan van Renesse, toen het door de bewoners van Reimerswaal ontzet werd. Maar de meeste bekendheid erlangde dit gebouw als de verblijfplaats van Jacoba van Beieren.
Niet dat bewaart uw naam, dat Vlaandrens krijgrenstoet, Door Zeeuwschen adeltrots naar Zeeland heengedrongen, Vergeefs uw vestingmuur met woede heeft besprongen En 't ongehoord bedrijf geboet heeft met zijn bloed;
Niet dat ook schenkt u roem, dat Beaumonts eedle heer, Van 't krijgstooneel gekeerd en moe van 't roem behalen, Een stille rustplaats zocht in 't lommer van uw zalen En zorgde voor 's lands bloei en zorgde voor 's lands eer;
Niet dat, o grijze burcht! maar dat in vroeger stond Graaf Willems eenge spruit, door vriend en maag verraden, En met des lijdens last tot stervens toe beladen, Een welgemeend onthaal in uwe hallen vond.
't Is of ons oog haar ziet, als ze, uit den strijd gekeerd, In 't vorstelijk verblijf verheugd is neergezeten, Wijl 't opgewonden volk, bij luide jubelkreten, Als schutterkoningin haar huldigt en vereert.
't Is, of zij voor ons rijst, wanneer zij met den man, Voor wien zij rang en macht heeft willig prijsgegeven, In 't zwijgend avonduur ginds omdoolt door uw dreven En, hoe door 't lot getergd, zich zalig wanen kan.
't Zij vrij den tijd gelukt, te sloopen, wat hier stond, Den steilen vestingmuur met borstweer en kanteelen; Vrij moog' de storm des tijds met uwe puinen spelen, En strooien, wat er rest, gevoelloos in het rond.
R. C. H. Römer.
Dit slot Oostende behoorde tot de weinige goederen, die in 1428 aan de ongelukkige gravin Jacoba van Beieren overbleven. Terwijl zij hier haar verblijf hield, trachtte zij haar leed te vergeten door den omgang met den adel en het landvolk, die de gravin gaarne hulde bewezen. Zij gaf hier wedstrijden in het gaai- of vogelschieten, waaraan zijzelf deelnam, en werd soms tot koningin van het feest verheven. Niet alleen door de edellieden en haar deelgenooten, maar ook door een deputatie van edelvrouwen en van het landvolk, in nationale kleeding gedost, met korte jakjes en lange rokken, het hoofd met een muts of aan de zijden loshangenden doek bedekt, werden der gravin hier huldigingsgeschenken gebracht. En deze, verrukt over zooveel trouw, zooals zij maar al te weinig had gekend, beloonde hen rijkelijk: aan de ingezetenen van vijf dorpen werd vrijheid van de vlastienden geschonken, welke vrijheden steeds bleven bestaan. Het gaaischieten is op Zuid-Beveland sedert nog een geliefd volksfeest gebleven; en bij tal van dorpen ziet men nog de hooge palen verrijzen, met een "prang" en een "hoofdvogel" in het midden gekroond, die dit bewijzen. Bovenal is dit bij de Katholieke het geval.
Het oude slot van Oostende ging in het laatst der 16e eeuw over aan het geslacht Van der Goes, doch na het overlijden van Adriaan Van der Goes in 1747 werd het door de erfgenamen verkocht aan den Raad van State. De zalen, die zoo dikwijls de oude edelen met hun feestvreugde in gala hadden ontvangen, werden toen bestemd voor een militair hospitaal; in het volgende jaar werd het kasteel tot stadskazerne ingericht. Doch de oude muren werden hoe langer hoe bouwvalliger en in 1750 werd besloten, het gebouw te verkoopen. De kooper sloeg tegen den ringmuur paardenstallen op en in 1751, toen een gedeelte afgebroken en verbouwd was, verkreeg de eigenaar het recht, hier bier en drank te mogen schenken aan de landlieden. Zoo was het kasteel, waaraan de oorsprong van Goes te danken is, afgedaald tot den rang van een boerenherberg.
Thans is het niets anders; enkel eenige zware muurstukken in de schuur houden de herinnering aan het kasteel levendig; onder den grond moeten nog de overblijfselen van een onderaardsche gang gevonden worden. En in den hof groeit een moerbezieboom aan den muur, welke, bijna enkel schors, op hoogen ouderdom wijst, maar toch nog vruchten draagt; deze boom zou, volgens de overlevering, nog door Jacoba van Beieren zelf geplant zijn.
Het slot moge de aanleiding geweest zijn voor het ontstaan van de nederzetting te Goes, de ontwikkeling en bloei der plaats was niet aan het kasteel te danken. Hoezeer ook het aanzien der heeren van Oostende daalde, Goes heeft daardoor weinig geleden. De stad heeft haar bloei en uitbreiding te danken als marktplaats aan de dorpen van het eiland. Minder dan de andere Zeeuwsche steden heeft Goes zijn welvaart door de ongunst der tijden of de verlegging der wateren verloren. De handel deed Goes wel bloeien, maar het was geen internationale handel, zooals voor de steden op Walcheren en in Vlaanderen; het was de handel in produkten van en voor het eiland. Het nadeel van 't verloopen der haven kon daardoor gemakkelijk overwonnen worden. Toen dan ook die oude haven, het overblijfsel der Gosaha, in het midden der 15e eeuw dichtslibde en niet meer op "den Diepe" uitkwam, werd die gedeeltelijk vergraven; in 1651 werd eindelijk een nieuwe haven aangelegd. Ook deze werd echter door de aanlandingen van den mond weder afgesloten van het buitenwater, en toen in 1809 de Wilhelminapolder in de Schenge was afgedamd, moest het havenkanaal verlengd worden, wilde Goes niet van het buitenwater worden afgesloten. In 1810 werd deze verlenging voor de scheepvaart geopend, doch door ontgronding der sluis kwam zij eerst in 1819 voor goed gereed. Eigenlijk is die haven niet meer dan een kanaal, dat met een boog van de stad naar het noordoosten loopt naar het gehucht Sas-van-Goes, aan den mond bij de Ooster-Schelde. Niet ver van dien havenmond, enkele minuten noordelijker bij den noordoosthoek van het Oost-Beveland-poldertje, waar Zandkreek en Ooster-Schelde samenkomen, staat op een dijk een lantaarn ten dienste der zeevarenden. Den bekenden loods der O.-I. Compagnie, Frans Naerebout, wiens onverschrokken en zelfopofferend streven, om schipbreukelingen uit de woedende golven op de Zeeuwsche wateren te redden, zoo dikwijls met glansrijken uitslag bekroond en beroemd werd, zoodat Nierstrasz en Bellamy die daden door hun zangen vereeuwigden, zag men op zijn ouden dag dat licht ontsteken, totdat hij hier zijn bescheiden doch roemrijke aardsche taak voorgoed nederlegde, den 29en Aug. 1818, in den ouderdom van 71 jaren.
Het centrum van Goes vormt de Groote Markt, een flink, vierkant plein, door burgerlijk nette huizen omringd, zonder dat hun bouw zich door iets bijzonders kenmerkt. Aan den eenen kant verheft zich het stadhuis, een oud gebouw, dat in 1771 en volgende jaren grootendeels vernieuwd is. Aan den rechterkant verrijst een zware, vierkante toren, met een pui er voor en in een dubbelen, achtkanten koepel van hout eindigend, aansluitend bij een gebouw van later dagteekening. Deze toren werd waarschijnlijk in de 14e eeuw gebouwd, maar is in uiterlijk veel veranderd; toch doet hij nog eenigszins denken aan de belfroi's uit de Vlaamsche steden, die zulk een grooten invloed hadden op het politieke leven. Van den toren te Goes valt dit laatste evenwel niet te zeggen; omtrent zijn invloed op de geschiedenis is weinig bekend. Aan den anderen hoek van het stadhuis verrijst eveneens een vierkante toren, met gebogen dak afnemend en in een achtkant houten koepeltje eindigend, terwijl op den gevel tusschen de torens wapens zijn aangebracht.
Inwendig is de groote zaal van het stadhuis belangrijk; de door Geeraerts geschilderde grauwtjes van deze groote zaal zijn in 1874 door de Rijks-adviseurs voor de monumenten gered en met Rijks-subsidie gerestaureerd; de gemeente bracht daarna de zaal terug in den stijl Lodewijk XV.
Het belangrijkste gebouw van Goes is de Groote kerk, ook wel Maria Magdalenakerk genoemd, een trotsch gebouwde, Gothische kruiskerk, die haar wedergade in Zeeland niet heeft. Jhr. de Stuers noemde deze kerk een der fraaiste en rijkst uitgevoerde monumenten der bouwkunst.
De lengte der kerk is 66 meter, de breedte 52. Zij is verdeeld in vijf schepen, waarvan de buitenste tot kapellen waren ingericht, en heeft een breed, uitstekend transept, terwijl de koorsluiting wordt gevormd door absiden, waarvan de buitenste eigenaardig elk twee der schepen overspannen.
Het geheel der kerk vertoont den stijl der latere Gothiek en de beide transeptgevels vooral, in tuf- en bergsteen uitgevoerd, zijn zeer fraaie voorbeelden daarvan. Van binnen doet het ruim, met zijn fraai behakte kapiteelen en schijnbaar triforium, even denken aan de Leidsche St.-Pancraskerk. Alleen het koor heeft thans nog steenen gewelven, waarmede vroeger het geheele gebouw zeker bedekt was; die van het westelijk deel zijn ingestort bij den zwaren brand in de 19e eeuw.
Vroeger had de kerk geschilderde glazen, waarvan thans niets meer overig is. Gelukkig is het gebouw beter onderhouden, ook al werd het van zijn sieraden ontdaan.
Het is niet bekend, wanneer met den bouw der kerk is aangevangen, doch toen in den aanvang der 15e eeuw het westelijk gedeelte gebouwd werd, bestond het oostelijke reeds. Deze kerk werd in 1423 ingewijd. Het houtwerk brandde den 11en Sept. 1618 af, doch werd van 1619-1621 hersteld. In 1578 kwam deze kerk aan de Hervormden.
De toren loopt uit in een spits, welke een doorsnede van acht rozebladen vormt en niet hoog is.
In de zoogenaamde wandelkerk ligt het stof bewaard van den Zeeuwschen kroniekschrijver Smallegange en een groote, blauwe steen, door de Maatschappij tot N. van 't Algemeen hier in 1819 gelegd, wijst de rustplaats aan van den onverschrokken menschenvriend Frans Naerebout, den 30en Aug. 1748 te Veere geboren en te Sas-van-Goes overleden, 29 Aug. 1818.
Wanneer wij nog het Gothische huis op de Turfkade met zijn fraaien gevel uit het begin der 16e eeuw beschouwen en de fraaie pomp op de beestenmarkt met kinderengroep, door A. Vervoort, van 1774, dan hebben wij de merkwaardigheden van Goes bezichtigd. Oude, artistieke poorten heeft de stad niet meer; van 1855-1862 werden de West-, Koe-, Nieuwe-, Oost-, Donkere en Zuidpoort gesloopt.
Doch al vindt men er geen buitengewone gebouwen, burgerlijk welvarende huizen, de verblijfplaatsen der neringdoenden, die in het marktverkeer een bron van bestaan vinden, ziet men in alle straten van Goes. Vooral de graanmarkt is de bloei der stad. Op de marktdagen is het er zeer levendig.
Wij verlaten thans Goes en wandelen langs een veelal beschaduwden weg, die begrensd wordt door bouwlanden, graslanden en boomgaarden, naar het dorp Kloetinge, op ongeveer twintig minuten van Goes gelegen.
Vriendelijk in het geboomte verscholen, doet Kloetinge zich reeds van verre als een fraai Zuid-Bevelandsch dorp kennen. De nederzetting is grootendeels uit flinke, doch eenvoudige huizen, gebouwd om een open plein, met boomen beplant en met een gemetselde waterkom of wed in het midden. Aan dit plein ziet men op het zuideind de kerk, een Gothische kruiskerk uit de 15e eeuw, met in lood gevatte ruiten, terwijl op het eind een vierkante toren verrijst, met fraaie, pyramidale spits, in een peer eindigend. De kerk is in den laatsten tijd geheel gerestaureerd. Het houten ribgewelf in de kerk is met apostelbeeldjes versierd en de beide transepten zijn met steenen gewelven gedekt. Het koor is bovenal fraai en rijk met colonnetten en een boogfries versierd. In de kerk vindt men vele oude grafsteenen. Rondom het godshuis is het kerkhof, met kastanjes beplant.
Op een uur afstands van Goes ligt het dorp Kapelle. De nette, welvarende plaats is schilderachtig gelegen tusschen het zware geboomte, dat zich aan alle kanten verheft; uit de verte is zij reeds kenbaar aan haar 65 meter hoogen kerktoren, die statig uitkomt boven den heuvel van groen, waarin zich het dorp schijnt te verschuilen op de vlakte.
De kerk van Kapelle dagteekent, volgens een opschrift boven den hoofdingang aan de voorzijde van den toren, uit het begin der 15e eeuw; zij vormt met den toren één geheel en is als een der merkwaardigste monumenten van dien aard in Zeeland te beschouwen.
Het gebouw staat op een ruim terrein, de voormalige begraafplaats, thans met plantsoen begroeid en door geboomte overschaduwd; de richting der lengteas is naar het oosten; als bijna alle Katholieke kerken van vroegeren tijd is zij dus "georienteerd". Het geheele gebouw werd in baksteen uitgevoerd met een spaarzaam gebruik van zandsteen; het heeft binnenwerks een lengte van 50 meter bij 17 meter breedte. De inwendige ruimte is verdeeld in drie schepen of beuken met een veelhoekig gesloten koor aan het middenschip, waaraan door den lateren uitbouw van een koepel blijkbaar een verdubbeling ten deel is gevallen. Een fraaie houten kap dekt als torengewelf het kerkruim. De geprofileerde ribben zijn versierd met rijk gebeeldhouwde figuren, vermoedelijk voorstellingen der Apostelen, onder baldakijns en steunende op karakteristiek gehouwen draagsteenen.
Dit alles was tot voor kort, helaas! overdekt met een zwaar lijkkleed van witkalk en pleisterwerk, waaronder de fijnheid van het beeldhouwwerk geheel verborgen was, terwijl ook het schilderwerk er geheel onzichtbaar door werd. Ook van het blauw geschilderd plafond met gouden sterren, waarvan oude lieden in het dorp nog spraken, was niets te zien.
Het kerkgebouw is thans gerestaureerd en in den ouden toestand teruggebracht, voor zoover dit mogelijk was. Van de oude beschilderde kerkramen zijn in de koren nog enkele brokstukken aanwezig, die slechts een vaag denkbeeld kunnen geven van het schoone geheel, dat hier vroeger werd gevonden.
De toren, waarin zich de hoofdingang bevindt, heeft een vierkanten vorm; hij is afgedekt met een gemetselde spits en versierd met vier, mede gemetselde hoektorentjes, een constructie, die in ons land slechts zelden voorkomt, o. a. ook bij den toren der Oude Kerk van Delft. Omtrent de beteekenis dier vier torentjes, welke vroeger meer gevonden werden, zijn de meeningen verdeeld. Sommigen vermoeden, dat dit een teeken zou zijn van een moederkerk, anderen van een kapittelkerk. Ab Utrecht Dresselhuis ontdekte uit een testament van het begin der 15e eeuw, dat Kapelle de oudste hoofdplaats was van het dekanaat van Zuid-Beveland, en kwam daardoor tot de conclusie, dat de kerk als teeken harer waardigheid waarschijnlijk die bekroning draagt. In de kerk vindt men, behalve een fraaie schepenbank van 1674, nog een gedeelte der Gothische koorbanken, zeer waarschijnlijk dagteekenend uit den tijd, toen de kerk is gesticht.
Verder vindt men er vele hardsteenen grafzerken, uitstekend gebeiteld, die niet alleen een bewijs leveren van den kunstsmaak in vervlogen tijden, maar tevens een bijdrage leveren voor de kennis der kleederdrachten uit het verleden.
In het koor der kerk staat de graftombe van Philibert van Tuyl van Serooskerken, vrijheer van Tienhoven, heer van Maalstede, Kapelle, Biezelinge enz., overl. 1639, en van zijn echtgenoote Anna van Heer-Jansdam, overl. 1643. Deze edelman, die het slot Maalstede bewoonde, behoorde tot een geslacht, dat van 1398 af tot het midden der 17e eeuw een merkwaardige plaats heeft ingenomen in de geschiedenis van Zeeland. Op staatkundig gebied vervulde genoemde Philibert van Tuyl een belangrijke rol; W. te Water rekent hem onder "de Zeeuwen, door geleerdheid lofwaardig" en prijst zijn "weergalooze wetenschap in de kennis van vaderlandsche en Zeeuwsche zaken".
Op het twee meter hooge, fraai bewerkte voetstuk der tombe ligt een zware dekzerk, waarop in relief, tusschen de familiewapens en zestien kwartierschilden, de levensgroote beelden van den ridder in zijn wapenrusting en van zijn echtgenoote in een deftig, lang gewaad. Waarschijnlijk is dit grafgesteente door een Antwerpensch beeldhouwer gebeiteld. Het werk werd met veel zorg en nauwkeurigheid en in edelen stijl uitgevoerd.
Jaren lang had dit alles aan verwaarloozing ten prooi gestaan, en wat de grafschenders van 1798 waren begonnen, had de tijd voortgezet. Gelukkig trok de Commissie uit het Zeeuwsch Genootschap, belast met de zorg voor het opsporen en bewaren der oude gedenkteekenen, zich dit werk in 1876 aan, en door den steun van Mr. W. R. baron van Tuyl van Serooskerken en Zuylen te Zuylen bij Utrecht werd het geheel gerestaureerd, zoodat het weder prijkt in vollen luister.
Het kerkplein te Kapelle is aan alle zijden omringd door welvarende, doch eenvoudige burgerhuizen, welke geen opmerkenswaardigheden aanbieden, evenmin als het overige van het dorp. De vraag moet echter onwillekeurig bij den bezoeker van Kapelle oprijzen, waaraan dit landelijk dorp een zoo prachtig kerkgebouw te danken heeft? Om dat te verklaren, moeten wij ons terugdenken in de geschiedenis van deze plaats. Het thans zoo landelijke Kapelle, enkel bestaande van den landbouw, had in de 14e eeuw reeds bloeiende lakenweverijen, welke den naijver der Goesche burgers opwekten en, door hun concurrentie gedrukt, in den tachtigjarigen oorlog te gronde gingen. Kapelle is sedert een landbouwersdorp geworden, maar de kerk kan nog als een monument van dien vroegeren rijkdom beschouwd worden.
Ten noordoosten van Kapelle lag oudtijds het kasteel Maalstede of Maelstede, dat voor een der oudste kasteelen van het eiland gehouden werd en van omstreeks het jaar 1200 moet dagteekenen. Het was een zwaar, vierkant gebouw, van voren met een voorhof en op den noordwesthoek een torentje, terwijl het van binnen voorzien was van ruime zalen en vertrekken; het was omringd door grachten en plantages. In het laatst der 18e eeuw werd dit inmiddels vervallen kasteel afgebroken.
Verder noordoostelijk, nabij het kanaal van Zuid-Beveland en aan de Schelde, ligt het dorp Wemeldinge, een fraaie, in dicht geboomte verscholen plaats, hoofdzakelijk bestaande uit een lange straat. Het dorp wordt veel door schilders bezocht. Oudtijds verhieven zich in deze plaats een adellijk nonnenklooster en een convent der Tempelieren, later een bezitting der ridders van St. Jan. Het inwendig gerestaureerde oude kerkje is schilderachtig gelegen aan het eind van het dorp, op een iets hooger terrein; het bezit fraaie gestoelten en bewerkingen.
Van Kapelle naar het zuiden wandelende, bereiken wij op korten afstand het dorp Biezelinge. Thans is Biezelinge een lief, eenvoudig plaatsje met een net kerkje. Eens was het een niet onbelangrijke havenplaats. In de nabijheid van het dorp lag vroeger het rijk begiftigde nonnenklooster Jeruzalem.
Onze plaatsruimte laat niet toe, alle flinke dorpen van Zuid-Beveland te beschrijven of de bijzonderheden er van op te sommen. Wij wijzen hierop, om niet de gevolgtrekking uit te lokken, dat alleen de door ons genoemde dorpen een bezoek waard zijn. Men vindt er nog vele, die dit voorrecht deelen. Wij zouden kunnen wijzen op den schoonen Wilhelminapolder, die langs een prachtigen, door olmen belommerden weg langs de haven van Goes te bereiken is, waar met merkwaardige zorg de landbouw gedreven wordt en schier geen voet gronds verloren gaat, een vriendelijk tooneel van genoegelijkheid en welvaart, dat u tegenlacht.
Hier, waar eens vloed en ebbe viel Bij 't ruischen van de breede baren, Daar schiep de kunst, door 's menschen hand, Een zee van gouden korenaren Rond golvend over 't vruchtbaar land.
Zoo zouden wij verder kunnen gaan. Doch wij moeten ons vergenoegen met een algemeen beeld van den indruk, dien het Land van Ter-Goes maakt op den bezoeker. En dat beeld valt uit zeer ten gunste van dat gewest.
Holland prijz' zijn klaverweiden, Roeme op 't zuivelrijke gras, Zeeland, van dat erf gescheiden Door een woesten waterplas, Uit uw slibben, uit uw stroomen, Beurt gij, als Neptunus' bruid, Die de baren kan betoomen, 't Hoofd ter groene golven uit!
Niet, als van uw nageburen, Welig, rijk Zuid-Beveland! Schonk natuur u steile muren, Duinen van onvruchtbaar zand; Neen, o neen! maar kunst van dijken, Die u van rondom beschermt, Woekerde uw zoo vruchtbre slijken Uit de Scheld, die u omarmt.
O, Zuid-Bevelandsche beemden, Vruchtbaar zonder wederga, Dat u 't starend oog der vreemden Diep getroffen gadesla. Zooveel duizenden gemeten, Trotsche bosschen, goudgeel graan, Staart uw dankbre ingezeten Jaarlijks met verrukking aan.
Dat uw hooge, breede dijken, 't Bolwerk tegen 't golfgeweld, Vrij met trotsche boomen prijken, Spieglend zich in zee en Scheld. Zij verschuilen, zij omvatten Meekrapstoven, schuren vlas, Stapels lijnzaad, Zeeuwsche schatten, De oogst en kiem van 't veldgewas.
Zij omvatten dorpen, steden, Lustwaranden, groot en schoon, Landbouwrijkdom stemt de zeden Op een gullen, lossen toon. Boeren, die geen reuzen wijken, Met boerinnen, rond en frisch, Toonen, hoe uit Zeeuwsche slijken Kracht en vuur te trekken is.
Kracht en vuur, die niet ontaarden, Schenkt hier de ijzerharde grond Aan de forsche, breede paarden, 't Kouter scheurend door de klont; Of die ons in zomertijden, Onder lachen en gestoei, Door de gouden kamers rijden, Waar het lijnzaad staat in bloei.
Aldus bezong een beschrijvend dichter, wiens naam ons onbekend is, in 1843 den roem van het toenmalige Zuid-Beveland. En niet ten onrechte.