Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 21
Door dit landvernielen werd de algeheele ondergang van het laatste overblijfsel lands in het verdronken land bevorderd. De beide watervloeden van Januari en Februari 1551 vernielden den dijk en deden het poldertje bij de stad, als ook de stad zelf, onderloopen. Wel werden de dijken weder hersteld, maar in 1555 had er nogmaals een overstrooming plaats, waardoor de polder om de stad verloren ging. Reimerswaal was thans niet meer dan een stad-eilandje, welks muren reeds onmiddellijk door water werden ingesloten. De stormvloed van 11 en 12 Januari 1557 tastte de stad zelf opnieuw aan; de poorten en muren werden vernield, de plaats liep onder, en de meeste huizen, benevens het stadhuis, kerken en kloosters, bezweken voor de kracht der woedende golven. Slechts weinig bleef van deze aanzienlijke stad gespaard en dit laatste werd nog te gronde gericht door een fellen brand in het volgende jaar.
Toch hield een gedeelte der bewoners nog stand, worstelende tegen de elementen. Maar nadat de watervloeden van 1561 en 1563 de overgebleven stadsgedeelten weder geteisterd hadden, drongen de bewoners aan op hulp bij de Staten van Zeeland en den Prins van Oranje. Men beschouwde echter den toestand van Reimerswaal als onherstelbaar; de bewoners moesten zich redden, zooals zij konden, en toen in 1573 Zeeuwsche krijgsbenden het laatste overblijfsel der stad belegerden, innamen en vervolgens, wijl de stad niet meer tegen de Spanjaarden te verdedigen was en zij haar evenmin aan den vijand in handen wilden laten vallen, in brand staken, was het lot van Reimerswaal voorgoed beslist. De plaats werd in 1574 geheel ontmanteld; de bewoners, verarmd en ontmoedigd als zij waren, verlieten de sombere plek, die steeds door overstrooming bedreigd werd; de regeering der plaats deed vrijwillig afstand van den rang der stad, die niet meer onder de vijf goede steden verscheen op de statenvergaderingen der provincie, en er bleven slechts enkele visschershuizen over in de verlaten stad, een ruïne te midden der golven.
De overgebleven burgers hielden stand tot 1631, toen een 4000-tal Spaansche soldaten, die bij een sloepgevecht op het verdronken land van Zuid-Beveland gevangen genomen waren, op Reimerswaal waren gebracht, om daar bewaard te worden. Bevreesd voor den overlast van het krijgsvolk, vertrokken de laatste bewoners uit de stad, die hun niets meer aanbood. Zij vestigden zich meest in de stad Tolen, waar zij zich nauw aan elkander sloten en lang een afzonderlijke volksgroep vormden, die allengs opging in de Tolenaars. Hoofdzakelijk vonden zij hier in de mosselvangst een bron van bestaan.
Spoedig ging Reimerswaal nu geheel te gronde. In 1634 werden de straatsteenen door de Staten bij openbare veiling verkocht voor 1081 gulden, welk bedrag onder de schuldeischers bij preferentie verdeeld werd. Daarmede was de eens zoo roemrijke stad, waarvan Hofferus in het op haar in 't Latijn gedichte grafschrift zeide:
"In haar gaf eens de vorst, tot hoog bestier ontboden Van 't vrije recht, aan 't volk zijn woord van trouw en eer",
doelende op Filips II, voorgoed vernietigd. Al te fel bestookt door de gramschap van twee goden, nl. van Thetys en Vulkaan, was het een insolvente boedel geworden, door de schuldeischers verkocht.
In de Ooster-Schelde, niet ver van Tolen, op de zoogenaamde Speelmansplaat, wordt de plek nog aangewezen, waar eens Reimerswaal gevonden werd. Een tochtje naar de niet ten onrechte als "groot kerkhof" aangeduide plek, met een zeilboot van Tolen uit, is altijd een groote aantrekkelijkheid en wordt dikwijls gedaan.
Als men de Eendracht uitzeilt en vervolgens naar het westen koerst, ziet men ten zuiden van het diep, dat langs de zuidkust van Tolen loopt, bij eb weldra een plaat opglinsteren. Dat is de Speelmansplaat, die zich met de plaat "de Vogelaar" als een arm naar het N.W. uitstrekt. Hier kan men bij laag water de overblijfselen van Reimerswaal nog zien. Een lange rij van palen, die noordwaarts zich in het diep verliest, wijst nog op de haven; dwarsbalken en planken verbinden enkele palen nog. Groote steenen, vrij regelmatig geplaatst, wijzen er op, dat hier eenmaal een druk veer was op het eiland Tolen. Op dat eiland vindt men bij Schakerloo door de polders een weg, die den naam van "Veereweg" nog draagt. Op de plaat ziet men een vreemde grondstof, die voor selkasch, een overblijfsel van het zoutbranden, gehouden wordt. De richting der straten kan men nog goed onderscheiden, daar fundamenten van gebouwen nog zichtbaar zijn. Blauwe schalien, de vroegere dakbedekking, groote moppen, zooals eertijds de steenen gebakken werden, potscherven, enz. liggen overal verspreid. De plaats, waar eens de groote parochiekerk stond, is nog duidelijk te zien; de ingeheide palen, waarop de pilaren en muren rustten, wijzen haar plaats aan; zelfs ligt nog een gedeelte van den kerkvloer bloot. Bij opmeting bleek, dat de lengte der kerk 25 Meter bedroeg, de breedte 15 M.
In de nabijheid hiervan vindt men het kerkhof, thans door zand bedolven. Wanneer de golfslag het zand wat losgewoeld heeft, kan men den doodenakker duidelijk onderscheiden door overblijfselen van doodkisten, van geraamten, enz. In 1883 verrichtte Dr. Sasse hier nog opgravingen; hij vond hier onderscheidene merkwaardige schedels, die hij voor anthropologisch onderzoek bewaarde. Tal van pottebakkerijen en ook leerlooierijen schijnen hier eens gevonden te zijn; looierskuipen, waarin nog run aanwezig is, wijzen op dit bedrijf.
De legende heeft ook de geschiedenis van Reimerswaal omhuld met haar dichterlijk waas. Ook hier wordt gesproken van een meermin, die den vloek uitsprak over de stad, een verhaal, dat ook elders is gelocaliseerd. Dat Reimerswaal eens een aanzienlijke stad was, kan niet betwijfeld worden; de volksoverlevering, dat de weelde hier zoo ver was gegaan, dat gouden kloppers de deuren versierden en de paarden met zilveren hoefijzers beslagen waren, echter wèl.
Na een korten tijd toevens moeten wij de verzonken stad weer verlaten. De eb is voorbij; de wateren der Schelde rijzen; zij stuwen voort over de platen, en als wij weer met ons scheepje dobberen, zien wij den grondslag van Reimerswaal op nieuw bedolven onder de wateren, die spelemeien in lustigen golfslag over het groote kerkhof.
Door de overstroomingen, welke Reimerswaal te gronde deden gaan, was er ook van Oostwatering slechts weinig overgebleven. Eerst in 1594 tot '96 werden de Monniken-, Maagde- en Nieuw-Krabbendijkerpolder weder drooggelegd. Enkele polders van het ondergeloopen land werden weder gewonnen, doch op de kaart van Hattinga, in 1747 genomen, was de Oud-Mairepolder het oostelijkste punt van het eiland (ongeveer ten zuiden van Krabbendijke). Ten oosten daarvan lag een breede vlakte van gorzen, schorren en slikken, met enkele geulen en waterspranken doorsneden, die zich tot het hooge land van Noord-Brabant uitstrekte. De geheele streek, die de spoorweg van Woensdrecht naar Krabbendijke doorloopt, is na 1740 ingepolderd en bestaat uit jonge dorpen, langs de polderdijken gebouwd.
Vóór wij ons afwenden van het verdronken land, moeten wij nog een historische gebeurtenis in herinnering brengen, die zich hier afspeelde op deze schorren. Het was in het jaar 1572, toen Goes door de Watergeuzen onder Tseeraerts belegerd werd, dat Christoval de Mondragon, een wakker Spaansch krijgsman, besloot de stad te ontzetten. Met 3000 man, Walen, Spanjaarden en Duitschers, maakte hij zich daartoe op, ging te Bergen-op-Zoom scheep en zette zeewaarts koers, als wilde hij de Zeeuwsche vloot aantasten. Maar op het voorstel van Dirk Bloemaert, een Noord-Brabanter van geboorte, die bekend was in deze streken, werden zij weldra weder ontscheept, om den tocht over het verdronken land te volbrengen. De afstand van de Agger aan den Brabantschen wal tot het oude land van Valkenisse bedroeg ongeveer vier uren: een aaneenschakeling van slikken en ondergeloopen land, met kreken doorsneden, 't Was een gevaarlijke tocht, maar het waagstuk werd ondernomen.
Toen ze op de Agger stonden, werd elk der manschappen een zakje met mondvoorraad en krijgsbehoeften uitgereikt, om aan den hals te hangen; de schroomvalligen werden aangemoedigd door het vooruitzicht op den roem en den rijken buit en men trad te water, om te voet Zuid-Beveland te bereiken. Wel was het eb, maar toch moest men tot de knieën, soms tot het middel, door het water waden. Bloemaert ging met Mondragon voorop, daarna volgden de Spanjaarden, verder de Duitschers; de Walen vormden de achterhoede. Het was een verwonderlijk schouwspel, die drieduizend krijgsknechten daar halverwege boven het water te zien plassen. Maar het geluk begunstigde de stoutmoedigen; slechts negen man verdronken in de diepere geulen en toen het middaggetij zijn volle hoogte bereikt had, betraden de laatsten den dijk bij Krabbendijke. Ook het verdere van den tocht liep gunstig af voor Mondragon en Goes viel door deze kloeke onderneming weer tijdelijk in handen der Spanjaarden.
Is de daad van Mondragon een moedige onderneming der Spanjaarden geweest, die wij niet mogen verzwijgen, daarginds bij Reimerswaal had nog een dappere daad plaats, die de onversaagdheid der Zeeuwen in het licht stelde. Toen Requesens Alva in de Nederlanden opvolgde, wilde hij, in tegenstelling met zijn voorganger, de Nederlanders ook op zee bestrijden. Dertig zware schepen, aangevoerd door den bekwamen d'Avila, zouden langs de Wester-Schelde naar Walcheren zeilen en zeventig smakken, aangevoerd door Glimes en Romero, moesten van Bergen-op-Zoom de Ooster-Schelde afkomen.
Die krijgstoerustingen tegen Walcheren kwamen Oranje ter oore; hij ijlde naar Vlissingen en verzamelde de Hollandsche en Zeeuwsche zeemacht onder Lodewijk van Boisot, die de Ooster-Schelde opvoer. Voortgestuwd door een noordwester koelte, ontmoette Boisot de vloot van Glimes bij Reimerswaal; bij 't Lodyksche Gat kwamen de vloten binnenschots. Een moorddadig vuur kostte velen der onzen het leven en Boisot verloor een oog. De Spanjaarden sprongen zelfs op zijn schip over; er ontstond een hardnekkig gevecht, dat weldra, daar nu ook de andere vaartuigen aanklampten, algemeen werd. Hier volgde Jasper Leunszoon van Zoutelande de daad van Jan Haring; hij haalde de vlag van het admiraals-schip van Glimes en bracht die behouden bij de zijnen. Romero deed een nieuwe vlag hijschen, enterde aan de andere zijde van het schip van Boisot, die eindelijk, toen hij een zestigtal vijanden had te bestrijden op zijn schip, de lont in 't kruit stak, om zich niet over te geven. Doch hiermede werd ook het pleit beslecht; Romero, juist gered, vluchtte met zijn volk naar Tolen, waar Requesens met zijn hofstoet op den dijk in koude en regen het schouwspel stond aan te zien. De Zeeuwen veroverden of verbrandden verscheidene schepen, en het veroverde Spaansche geschut werd naar Walcheren opgebracht. D'Avila, die op de Wester-Schelde bij Breskens het tij liet verloopen, trok na het vernemen van de nederlaag bij Reimerswaal terug naar Antwerpen, zonder iets te hebben verricht. Zoo bleef Walcheren voor den Prins behouden. Ook over de platen van dit verdronken land klinkt de geschiedenis van den roem van Nederlands dapperen.
Wanneer wij onzen tocht met den trein voortzetten, gaan wij voorbij Krabbendijke, een dorp, dat in 1591 na hernieuwde bedijking weder ontstaan is en zich ten noorden en ten zuiden van de spoorweglijn uitbreidt; nabij den zuidelijken dijk van het eiland verrijst in het geboomte het oude dorp Waarde. Ook dit dorp is niet meer, wat het in de middeleeuwen was, toen zich hier een sterk kasteel verhief naast de kerk, die destijds veel grooter was, en er een proostdij der Tempelieren gevonden werd, welke later aan de Maltheser ridders kwam. Het eens aanzienlijke dorp is afgenomen en het grondgebied is ten zuiden door vele overstroomingen sterk afgeslagen.
Vervolgens loopt de spoorweg op ongeveer een kwartier afstands van Kruiningen, thans een der grootste Zeeuwsche dorpen en een der schoonste van het eiland, met ruim 1200 bewoners binnen de kom, aan een kruispunt langs eenige wegen gebouwd, te midden van flinke boomgaarden en bouwlanden. Kruiningen is nog van oude dagteekening; in de 13e eeuw was het reeds als een vrijheerlijkheid bekend en de bezitters dier heerlijkheid werden in het begin der 15e eeuw erfburggraven van Zeeland. Ook bezat de heerlijkheid reeds vroeg een eigen schepenbank en afzonderlijke keuren, week- en jaarmarkten. De heeren van Kruiningen hadden hun slot, het kasteel van Kruiningen, achter de kerk. Het was een gebouw uit de 13e eeuw, eens zeer aanzienlijk; in 1612, na 't overlijden van Maximiliaan van Kruiningen, die geen mannelijke nakomelingen naliet, is het in verval geraakt en in 1720 moest het worden afgebroken.
Ongeveer tegenover Kruiningen loopt van den spoorweg de weg naar Ierseke, een dorp, langs den dijk gebouwd en door boomgaarden ingesloten. Aan den waterkant van Ierseke vindt men talrijke oesterputten, die een belangrijke bron van bestaan zijn voor deze plaats en een eigenaardig bedrijf.
Ook Ierseke is een oude plaats, die in den tijd, toen de overstroomingen het oostelijk gedeelte van Zuid-Beveland nog niet verwoest hadden, met Reimerswaal en Goes kon wedijveren en evenals deze steden uitgebreide tolvrijheid, een Woensdagsche weekmarkt bezat en ook met jaar- en paardenmarkten begunstigd werd. Te Ierseke was zelfs eens het onderdekenschap van het westelijk deel van Zuid-Beveland gevestigd, dat Goes in 1413 wist te verkrijgen. Op het uiterste van den oostkant van het eiland tegen den dijk gelegen, die Oost- en Westwatering van elkander scheidde, lag het destijds als middelpunt van een bloeiende streek zeer gunstig, doch na den ondergang van Oostwatering is het zeer vervallen.
In de 19e eeuw zijn de oesterteelt en oesterhandel voor Ierseke een bron van afwisselenden bloei geworden. Wij willen hierbij een kort overzicht geven van de geschiedenis der oestercultuur.
De eigenlijke oestercultuur, nl. wat men thans daaronder verstaat, dagteekent in Zeeland van 1870. Evenwel is de oesternijverheid in Zeeland al van veel ouderen datum. Langen tijd was Zieriksee het middelpunt van dezen handel. Job Baster, de bekende geleerde Zeeuw uit de laatste helft der 18e eeuw, zegt, dat er destijds te Zieriksee veel Engelsche oesters verhandeld werden, aldus genoemd, omdat het grootste gedeelte daarvan jaarlijks met schepen hier te lande gebracht werd. De zoogenaamde "oesterhaalders" voerden uit Engeland in dien tijd de oesters aan, welke daarna in oesterputten, groote, met grenen planken bevloerde bakken, waarin 4 à 6 voet zeewater stond, geplaatst werden, waarin het water met elk getijde ververscht werd. Na 6 à 10 dagen werden de oesters dientengevolge geschuurd, d.i. van alle slib en vuiligheid, die zij uit Engeland medebrachten, gezuiverd en schoongemaakt en daarna in tonnen ter verzending ingekuipt.
Ook werden in dien tijd al kleine oesters uit Engeland aangevoerd; de oesters, die te klein waren, om verzonden te worden, werden uitgeschoten, bewaard, en in zee op die plaatsen gezaaid of uitgestrooid, welke men geschikt achtte voor verderen groei. Deze platen in zee noemde men oesterbanken. Zelfs kleine, jarige oestertjes, broed genoemd, werden op die wijze gezaaid. Omdat de oesters hier niet zoo sterk voortteelden, werd elk jaar met een opzettelijk daarvoor bestemd schip, dat doorgaans in het laatst van April aankwam, oesterbroed uit Engeland gehaald.
Van de bij Schouwen en Duiveland liggende oesterbanken werden in den herfst en in den winter de oesters gevischt en de kleine weder in zee geworpen. De groote werden in de oesterputten schoongemaakt en gezuiverd, in vaten verpakt en verzonden. Dat waren de Zeeuwsche oesters, die de Engelsche overtroffen.
Of de Zeeuwsche wateren in historischen tijd steeds oesters voortbrachten, dan wel, of deze dieren zich later hier vertoonden, is niet zeker te zeggen. Boxhorn verhaalt in zijn Kroniek van 1644, dat zich in 1620 aan de zuidkust van Schouwen oesterbanken vertoonden, van welke de burgers van Zieriksee menigmaal oesters haalden, maar toen Smallegange in 1696 de Kroniek van Zeeland uitgaf, schreef hij, dat, ofschoon de oesterbanken geheel waren verdwenen, zij de aanleiding geweest waren van den Zierikseeschen oesterhandel, die sedert dien tijd de oesters uit Engeland liet komen.
In het oostelijk deel der Ooster-Schelde kunnen op zijn vroegst de oesterbanken gevonden zijn in het laatst der 17e of het begin der 18e eeuw, maar in 1784 wordt voor het eerst melding gemaakt van oestervisscherij op de banken beoosten Ierseke. Oorspronkelijk was het visschen van oesters daar alleen aan visschers uit Zeeland vergund, doch in 1799 werd het recht daartoe allen Bataafschen burgers toegekend. In 1805 kwam de visscherij op de wateren van Zeeland aan het Departementaal Bestuur, in 1820 onder het Domeinbestuur, en in 1825 werd daarvoor een speciaal college in 't leven geroepen, dat van 't Bestuur van de visscherijen op de Schelde en "Zeeuwsche stroomen", hetwelk nog bestaat.
In 1870 werd bij K. B. bepaald, dat de natuurlijke oesterbanken van de Schelde en de Zeeuwsche stroomen aan de publieke visscherij onttrokken en in 't openbaar in perceelen verpacht zouden worden.
De vrije visscherij van oesters, zooals die vroeger bestond, nam af; na 1886 vond ze op de Ooster-Schelde niet meer plaats. Op de Grevelingen vóór het Dijkwater is ze weer opgevat. Thans kan men echter zeggen, dat al het op de Schelde en Zeeuwsche stroomen voor schelpdieren in aanmerking komende water verpacht is, met uitzondering der Wester-Schelde, waar ingevolge de regeling met België verpachting niet mogelijk is. De beste perceelen werden gepacht door maatschappijen of naamlooze vennootschappen, die zich op de oesterteelt toelegden. En daarvoor is Ierseke de belangrijkste plaats.
Vóór 1870 had de oester-industrie in Zeeland zich bepaald tot het visschen en rapen van oesters en het tijdelijk neerleggen op daarvoor geschikte gronden of daarvoor ingerichte putten van uit den vreemde, uit Engeland of Schotland aangevoerde oesters. Omstreeks 1850 waren er in Zeeland 5 voorname oesterputten: één te Vlissingen, één te Veere, één te Zieriksee en twee te Bruinisse. Ongeveer 200 visschers hielden zich in dien tijd daarmede bezig. Vooral van Tolen, Bruinisse en Arnemuiden uit werd in dien tijd de oestervisscherij op de Ooster-Schelde gedreven.
Na 1870 was het hoofddoel der oester-cultuur meer oesters te verkrijgen, zoowel voor den verkoop als voor de teelt van volgende jaren. De cultuur bestond in den aanvang voornamelijk in het opvangen van broed op de daartoe gepachte perceelen. Voor dat opvangen gebruikte men takkenbossen, gekalkte buizen, gekalkte dakpannen, enz.; de laatste voldeden het best. Snel breidde zich het gebruik van dakpannen op de perceelen eerst uit, doch omstreeks 1900 verminderde dit weder. Daar er genoeg broed valt op de banken en de voorwerpen, die zich van nature daarop bevinden, voldoende zijn voor de aanhechting van het broed, zijn deze dure hulpmiddelen niet meer zooveel noodig.
Over 't geheel heeft in de laatste jaren de teelt van oesters op deze banken veel van het kunstmatige verloren, daar ook de kweekbakken verminderd zijn; zij bepaalt zich tegenwoordig bovenal tot het opkorren en sorteeren van de oesters en het overbrengen daarvan naar andere perceelen, waar men een snelleren groei kan verwachten. De Iersekebank is bovenal het terrein voor het vet worden der oesters; op de Bergsche bank (Bergen-op-Zoom) valt veel broed, en zoo hebben de verschillende banken hun eigenaardigheden.
De oester-cultuur heeft sterke fluctuatiën ondergaan, niet alleen in de produktie, maar ook in de prijzen. De grootsche verwachtingen van de rentabiliteit, eens dienaangaande gekoesterd, zijn niet vervuld voor de maatschappijen, die hier optraden. Daarmede schommelde ook de welvaart van Ierseke. In de laatste jaren daalden de prijzen sterk en was de vraag naar Zeeuwsche oesters minder, mede als gevolg van de slechtere hoedanigheid van het produkt. Er schijnt een overproduktie te zijn bevorderd, welke de qualiteit deed achteruitgaan. De verbetering daarvan is een belangrijk vraagstuk.
Wij mogen ons hier niet langer ophouden, maar stappen weder in den trein, passeeren het Kanaal van Hansweerd naar Wemeldinge, dat in 1867 is voltooid, om de Ooster- met de Wester-Schelde te verbinden, sedert de spoorwegdam gelegd is--een recht kanaal, door hooge dijken ingesloten, dat als het ware over het land heen loopt--en reizen ineens door naar Goes, om van hier het westelijk Zuid-Beveland nader te bezoeken en te doorwandelen.
IN HET LAND VAN TER-GOES.
Wij bevinden ons thans in het hart van het tegenwoordige Zuid-Beveland, dat naar de stad van dien naam bij het landvolk veelal als het Land van Ter-Goes wordt aangeduid. Goes vormt hier vrijwel het geographisch centrum van het land en was sedert lang het economische- en handels-centrum van het eiland, zelfs het wetenschappelijk middelpunt van dit gebied.
Het geographisch centrum van westelijk Zuid-Beveland is Goes echter nog niet zeer langen tijd. Van de steden van het oude Zuid-Beveland en van Zeeland in 't algemeen kan wel gezegd worden, dat zij niet zijn ontstaan in het binnenland, maar aan de randen van de eilanden langs de wateren, of daar, waar een bevaarbare waterarm dieper landwaarts liep, ook verder in het land. Het oude Zeeland heeft alles aan het water te danken: zijn kracht en energie, zijn opkomst en bloei, zijn vruchtbaren bodem en zijn welvarende steden.
Reimerswaal en Ierseke, evenals Goes, lagen in hun opkomst aan zee; Vlissingen, Veere en Arnemuiden eveneens en ook Middelburg had een zeehaven, gelijk mede met Zieriksee het geval was. Waar de zee zich terugtrok, vervielen de steden veelal geheel, zooals Veere en Arnemuiden ons aantoonen, wanneer niet andere bronnen van welvaart het verlies van den handel op zee konden neutraliseeren.
Goes verkeert in deze laatste gelukkige omstandigheid. Hoewel thans ver van de zee verwijderd en alleen door een gegraven haven er mede vereenigd, is Goes een bloeiende plaats gebleven, de marktplaats van het eiland, de stad, waarin zich het karakter van westelijk Zuid-Beveland concentreert.
Als wij de kaart beschouwen, waarop Ab Utrecht Dresselhuis den vermoedelijken toestand van Zeeland omstreeks 1200 geteekend heeft--ook de kaart, die wij overnamen, komt daar veel mede overeen--dan zien wij, dat in dien tijd het westelijk Zuid-Beveland bestond uit een groot eiland, ten westen van Ierseke, waarop in 't noorden Goes lag aan een water, dat Wolfaertsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidde, terwijl het eiland in het westen niet verder liep dan 's Heer-Arendskerke. Heinkenszand lag als een afzonderlijk eilandje ten westen (niet op onze kaart) en Baarland (Borland) en Borsele vormden een of meer afzonderlijke eilandjes in het zuiden.
Naar het zuidwesten had al vroeg de aanzienlijkste uitbreiding plaats. Het breede water, de Zwake, dat Borsele in 't noorden begrensde, verlandde en werd reeds vroeg bedijkt, het laatst daarvan misschien de St.-Anthoniepolder in 1516, waardoor Baarland en Borsele met Zuid-Beveland verbonden werden.
Vóór deze verlanding vormde Heinkenszand een belangrijk handelspunt, omdat de scheepvaartweg van Middelburg naar Antwerpen hierlangs liep, zoodat dit dorp een bloeiend verkeer verkreeg, hetwelk evenwel door het verlanden der wateren en de daarop gevolgde inpolderingen geheel verliep en in het begin der 17e eeuw had opgehouden te bestaan.
De Schenge, de Puye en het Goesche diep, die Wolfaartsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidden, bleven nog bestaan tot 1809, toen door de indijking van den Wilhelminapolder het oostelijk gedeelte van dit water werd afgesloten, terwijl in 1874 het westelijk gedeelte van den Schengepolder werd bedijkt.