Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 20

Chapter 203,773 wordsPublic domain

Wij verlaten het droefgeestige stedeke, waar de tram ophoudt, om het westelijk Schouwen nog te doorkruisen op eigen gelegenheid. Terwijl wij den weg langs den zwaren dijk volgen, die de woedende golven der zee in het Brouwershavensche Gat tegenhoudt, hebben wij van tijd tot tijd gelegenheid, die hooge borstwering te beklimmen en een gezicht over Schouwen aan den eenen, over de zee aan den anderen kant te genieten. In het noorden zien wij over de thans rustige wateren de duinen van Goedereede in het zonlicht blinken met den toren van Ouddorp; in het zuiden vóór ons ligt Schouwen in een diepe kom, waar graslanden met bouwlanden, door goudgele tarwe bedekt, afwisselen, terwijl hier en daar een dorpje, te midden van eenig geboomte, uit het overigens naakte land oprijst.

Vóór een vijftal eeuwen had het landschap hier een ander aanzien. Onderscheidene kasteelen en aanzienlijke kloosters verrezen zoo hier en daar uit het land, waarvan thans geen bouwvallen zelfs meer over zijn, en meer dan één bloeiend dorp uit de middeleeuwen is gedaald tot den omvang van een gehucht. Zoo bijv. Brijdorpe, dat wij reeds noemden. Het slot Herkestein, waar in 1426 de Engelschen en de Hoeksche edelen, die vrouwe Jacoba getrouw waren gebleven, moesten onderdoen voor de Kabeljauwschen, is geheel verdwenen, zoodat men zijn plaats niet meer weet; Looperskapelle en Klaaskinderenkerke zijn van dorpen gehuchten geworden, en van het klooster "Bethlehem bij de duinen van Schouwen", dat in de 12e eeuw gesticht en in 1572 door de Watergeuzen verbrand werd, is ook niets meer over; alleen is de naam nog bewaard voor een hofstede.

Langs het dorpje Scharendijke en voorbij het gehucht Oudendijke zien wij in het noorden weldra de duinheuvels plaats maken voor den dijk en spoedig daarna komen de toren en trapgevels van een kasteel tusschen het geboomte te voorschijn, terwijl de achtergrond in het westen gevormd wordt door een schilderachtigen, boschrijken zoom langs de duinen, die zoo hier en daar in witte blinkerts er uit oprijzen, als om te toonen, waaraan West-Schouwen zijn heerlijke natuur te danken heeft. Want thans bevinden wij ons op het wel meest afgelegen, maar ook het schoonste en oudste gedeelte van Schouwen, dat in de oudheid door den adel bijzonder gezocht was.

Het slot, dat wij vóór ons zien, is een treurig overblijfsel van het eens zoo beroemde Moermont, in de oudheid een sterk kasteel, omringd door wijde en diepe grachten en met vijf torens versterkt. Dit was het stamhuis en de verblijfplaats der Heeren van Renesse, waartoe ook de Zeeuwsche Bayard, heer Jan van Renesse, behoorde, die wegens de wonderen van dapperheid, welke hij meer dan eens verrichtte, in de landskronieken wordt aangeduid met den eerenaam van "de vrome en onversaagde ridder". In 1244 vertoefde op dit slot Graaf Willem II; in 1297 werd het maanden lang belegerd door Wolfert van Borselen en bijna geheel vernield. Na herbouwd te zijn werd het nogmaals verwoest, maar in 1513 opnieuw opgebouwd. Omstreeks 1751 werd het in den toestand gebracht, waarin men het thans ziet, doch de trotsche bosschen met aangename wandeldreven zijn alle verdwenen, en alleen eenig ruw, slecht onderhouden geboomte omringt het vervallen oude huis, dat slechts tot arbeiderswoning dient.

Weinige minuten verder ligt het dorp Renesse, te midden van de bekoorlijke geeststreken, gebouwd rondom een ruim, met boomen beplant kerkplein. Door een boschrijken zoom, binnenlangs de duinen, loopt de straatweg van Renesse naar Haamstede, terwijl langs den weg de paden zich in bosch en duin verliezen. De duinen hebben hier de aanzienlijke breedte van een uur gaans.

Het vriendelijk dorp Haamstede, dat wij thans bereikt hebben, vormt een breede straat, met olmen en kastanjes beplant, die zich in het midden om de kerk verbreedt tot een plein. Hoewel het dorp van hoogen ouderdom is, vindt men er toch geen oude gebouwen; de drieschepige kruiskerk heeft haar tegenwoordigen vorm in 1605 verkregen en biedt weinig belangrijks.

Ten westen, onmiddellijk naast het dorp, verrijst het oude slot Haamstede. Een muur met zware ijzeren poort, de poortpilaren gekroond met de wapens van Witte en Mogge, de vroegere bezitters, sluit aan de zijde van het dorp de plaats af, en de heerlijke bosschen strekken zich naar het westen uit tot diep in het duin. Binnen de voorpoort gekomen, ziet men het slot, door grachten ingesloten en met een klein plein rondom het gebouw. De steenen brug voert tot een oude steenen poort, met klimop omrankt en met een wapen gekroond. Daar verder verrijst de hooge, gekanteelde muur van het huis met twee torens.

Het slot Haamstede werd vermoedelijk in de eerste jaren der 14e eeuw gebouwd door Witte van Haamstede. Van dit slot snelde de dappere Witte, Grave Floreszoon, in 1304, naar Holland, plantte de leeuwenvaan op den Blinkert, bestreed den Vlaming en wist geestdrift te wekken voor het Hollandsche Gravenhuis. Zoo werd hij de "geesel der Vlamingen", de "redder van Holland".

"Men vraagt zich niet, of menig held Den eedlen Witte vergezelt, Genoeg, genoeg is 't, dat hij kwam, De wakkre telg uit Hollands stam! En wat zou ook een tal van knechten In staat zijn, meerder uit te rechten? Een balsemdrop, een bloem bevrucht Met geuren ieder deel der lucht; Een enkle zon verlicht de sfeer, Een enkle held bezielt een heir."

Tot 1454 bleef deze heerlijkheid in het bezit der Witte's van Haamstede. Na verschillende lotswisselingen der edelen van Haamstede viel het oude slot in 1525, toen René van Brugge er heer was en hij de roemrijke overwinning van Karel V bij Pavia ook op Schouwen wilde vieren, terwijl des avonds smeerpotten en teertonnen de muren zouden verlichten, als een prooi der vlammen, waaruit weinig gered werd. Alleen de geroosterde wanden, een paar torens en de hoofdpoort bleven staan met enkele muurbrokken. Zoo bleef het slot een verlaten ruïne. Toen Keizer Karel V in 1540 te Zieriksee kwam, begaf hij zich nog naar Haamstede, om de plek te zien, waar op een aan hem gewijden vreugdedag het roemrijke slot was verwoest.

In 1608 werd het slot herbouwd door Jacob van den Einde, den toenmaligen bezitter der heerlijkheid. Nog werd het uitgebreid in 1879-81, en het laatst onderging het veranderingen in 1888. De zware bosschen, die er stonden, werden in het midden der 19e eeuw grootendeels gekapt, maar zijn door jong hout vervangen, dat thans weer prachtige, koele lanen aanbiedt en een heerlijken overgang naar het woeste duinland vormt, dat daar nog ligt als een stuk onbedorven natuur.

Door dit slot en de verdere schoone omstreken, alsmede door de behagelijke rust, waarin het dorp ligt, is Haamstede een plaats, juist geschikt, om het geestelijk evenwicht, dat in onzen zenuwachtigen tijd veel heeft te doorstaan, te herstellen.

Op korten afstand, ten zuiden van Haamstede, ligt aan den voet van de duinen het schilderachtige dorp Burg, gebouwd aan het met vruchtboomen beplante kerkplein. De kerk is in 1674 gesticht. Zij bezit een kunstvol glasraam uit de 17e eeuw, geschonken door de Staten van Zeeland.

Ten zuidwesten van Burg stond tot 1890 het oude slot Craayenstein, dat, hoewel verbouwd, afkomstig zou zijn uit den tijd der Noormannen. Aan dezen burcht dankt het dorp zijn naam. Ten O. van het dorp vindt men, ten deele opgegraven, de fundamenten van het klooster Leliëndale, in 1459 gesticht en na verwoesting bij den beeldenstorm geheel verlaten.

Een eigenaardig volksfeest, geheel bijzonder voor Schouwen, dat in den laatsten tijd weer toeneemt in beteekenis, moeten wij nog vermelden. Dat is het zoogenaamde "stra-rijden," bij verkorting ook "stra" genoemd.

Stra is een tweeledig ding: het is een kermis zonder kramen, een paardenmarkt zonder koopers of verkoopers, een jaarmarkt zonder nadagen, zonder officieel karakter, bij geen autoriteit bekend, in geen almanak opgegeven, conventioneel ontstaande en eindigende, een dag van ontspanning, die vrienden bij elkander brengt, een episode in de wintersche dagelijkschheid, die jaarlijks komt en daarin getrouwer is dan ijs en schaatsen.

De stra is eigenlijk een uitsluitend Schouwensch feest, men kan het niet beter karakteriseeren dan als een volksfeest, het was een soort van kermis op het strand, waaraan het ook zijn naam heeft te danken. Door het weglaten der beide laatste letters is de naam strand moeilijk meer in stra te herkennen, maar het eigenlijke van het feest wijst toch op die afkomst.

Als de kortste winterdagen voorbij zijn en de rijzende zon den aantocht van de lente verkondigt, als de veldarbeid na de winterrust weder begint aan te vangen, of althans wordt voorbereid, viert men vooraf het strandfeest, dat men als stra-rijden aanduidt. Elk dorp heeft zijn bepaalden dag van stra-rijden, te beginnen met den eersten Maandag in Maart en zoo vervolgens. Dan worden de paarden alle netjes gekamd en geborsteld, de staart in kunstige vlechten geslagen en de zoons en knechts der boeren stijgen te paard, om, na in het dorp vereenigd te zijn, in optocht naar het strand te rijden. Geen paard blijft op dien dag op stal en de zonen des huizes hebben natuurlijk het recht op de keur van de paarden. Ongezadeld, in flinken draf, rijdt men aldus naar zee, waar den dieren de voeten gespoeld worden, als om den zegen voor het nieuw aankomende arbeidsjaar op het veld, waaraan de paarden ruim hun deel hebben, uit Neptunus' hand te vragen.

Aan het strand gekomen, wordt de paardenstoet in het zilte nat gedreven.

Zij plassen En wasschen De kooten; Hun pooten Gaan klapperen Bij 't dapperen Door 't water- Geklater. De hoeven Beproeven Het vochtige zand; Een lustige kwant, Een vroolijke ruiter, Zet 't paard aan, maar stuit er Bij 't stuivende duin,

aldus schetst een medewerker van de Zeeuwsche Volksalmanak van 1846 het stra-rijden.

Het stra-rijden is een voetspoeling der paarden in zee. Als dit onder vroolijke scherts geschied is, keeren de stra-rijders naar het dorp terug, waar een soort van kermis gehouden wordt. Daar zijn thans de stalletjes en kraampjes geplaatst met sinaasappelen en koek, en niet meer op het strand, en in de dorpsherberg heerscht een druk leven, dat nog voortgezet wordt, ook nadat de stra-rijders hun paarden weder op stal hebben gebracht.

Elk dorp in het westelijk Schouwen heeft zijn eigen stra-dag, zeiden wij. Men berekent de stra-dagen naar dien van Haamstede, waar stra valt daags vóór vastenavond. De stra-dag van Renesse heeft een week eerder plaats; dit dorp opent de reeks der stra-dagen. Des Zaterdags na Haamstede heeft Noordwelle zijn stra; een week daarna Serooskerke en nog een week later Ellemeet, vervolgens Elkersee.

Waaraan de stra-dagen hun oorsprong hebben te danken? Niet onwaarschijnlijk behooren zij in de reeks der oude lentefeesten. Zooals men in de landgewesten naar de bosschen toog, als de tempels der goden, wendde men zich aan de kust naar de zee, de machtige en indrukwekkende, die volgens het volksgeloof weer en wind beheerscht, die door haar bruisen de stormen aankondigt, en uit wier schoot de onweders oprijzen. Is het onnatuurlijk, dat men de goden, die daar woonden en heerschten, eerbiedig huldigde; dat men de paarden, die den ploeg trekken, in zee als 't ware een wijdenden doop deed ondergaan, vóór zij het akkerwerk aanvingen?

In Zeeland gaf de zee aanleiding tot menige uitspanning. De jeugd begaf zich steeds gaarne naar het strand, om zoowel in het duin te stoeien als zich met de spelende golfbeweging van het water op het strand te vermeien en in de ondiepe wateren van de kust te spartelen. De tragische geschiedenis van Roosje heeft het gebruik, om jonge meisjes stoeiend in zee te dragen, algemeen bekend gemaakt voor Walcheren, doch het vond ook hier plaats.

In het zuidwesten van het eiland ligt aan den breeden Scheldemond Westenschouwen, thans een gehucht van slechts een tiental huizen, niet een bezoek waard, als men het zeegezicht uitzondert. Doch eens lag hier een aanzienlijke plaats, die al vroeg het bloeiendste vlek van Schouwen uitmaakte. In den tijd, toen de Ooster-Schelde nog een minder breed water was, had Westenschouwen door zijn ligging aan den mond een goede haven, om de zeevaart in binnenvaart te doen overgaan. In 1438 werd van hier de vaart op Portugal en Spanje gedreven, en door tal van privilegiën van tolvrijheid, o.a. in Lotharingen en Limburg, in Engeland (1475) en elders, bloeide Westenschouwen op tot een aanzienlijke plaats. Hier begon men in 1493 het eerst in Zeeland voor de vischvangst hoekers te bouwen; vroeger werd de visscherij slechts met kleine pinken gedreven. Toen werd Westenschouwen een bloeiend, fraai dorp. Reigersbergh verhaalt van een dreef van boomen, aan beide zijden van de straat tot de kerk toe, die met schoone huizen bezet was, waarin de fraaiste kelders waren, als ware het een stad geweest. Vreemdelingen van alle streken kwamen in Westenschouwen, waar de Rijnsche wijn, volgens een mededeeling, in 28 herbergen geschonken werd en waar een levendig verkeer heerschte.

Maar aan deze veranderlijke stroomen wisselt alles. De eens zoo schoone haven verzandde en was aan het eind der 15e of in het begin der 16e eeuw verloopen. Voor een plaats, die door haar haven alleen was opgekomen, werd hierdoor de bron van welvaart gesloten. Daarbij kwam, dat gelijktijdig hiermede het gevaar voor overstrooming dreigde en de bodem werd aangetast. Reeds voor eenigen tijd waren kerk en toren verder landwaarts verplaatst, en de plek, waar het oude Westenschouwen stond, moest geheel buitengedijkt worden.

De bewoners verlieten Westenschouwen; het eene huis na het andere werd afgebroken. De legende fabelt van een meermin, die hier gevangen werd, en wrake roepende den vloek uitsprak over de plaats.

Of het door den vloek der meermin was of niet, Westenschouwen is te gronde gegaan. De wateren der Schelde spoelen thans, waar eens het dorp stond. In 1591 was de kerk niets meer dan een bouwval. De huizen verdwenen, het eene voor, het andere na. Nog lang bleef de kerktoren staan, een schilderachtige ruïne op den bodem der verlaten plaats, maar in 1845 werd die bouwval afgebroken en verkocht.

Wij staren van hier naar het oosten in de richting van Zieriksee en laten den blik weiden over de breede vlakte der Schelde, die met een groote ronding in Schouwen opbuigt. Deze inham is een gevolg van de werking van het water, dat de zuidkust van Schouwen met nimmer rustende vraatzucht heeft afgeknaagd en uitgehold. Al langen tijd is Zuid-Schouwen door dijkvallen en oeverafschuivingen, die telkens gedeelten lands in de diepte deden verzinken, aangetast en zoo zijn van Westenschouwen tot Zieriksee in den loop der tijden onderscheidene dorpen en stukken lands in de golven verdwenen. Dicht bij het havenhoofd van Zieriksee lag eens het dorp Borrendamme, dat, in 1477 en 1530 reeds sterk aangetast, in 1613 geheel verwoest werd. In 1662 ging in deze streek het dorp Rengerskerke te gronde. Het dorp Zuidkerke is reeds vroeg hier vergaan en een nieuw dorp van denzelfden naam, verder binnenwaarts gebouwd, is in 1534 weer verdwenen. Simonskerke, St. Jacobskerke, Brieskerke met de buurt 's Heer-Arendshaven zijn alle vergaan door het water.

Daardoor is de eens veel smallere Ooster-Schelde een breede inham der zee geworden in den loop der tijden. Het eiland Worigeszand of Orisant, tusschen Noord-Beveland en Schouwen gelegen, is in de 18e eeuw door den waterwolf geheel opgeslokt.

Doch wij willen ons niet langer met treurige gedachten aan de vergankelijkheid der Zeeuwsche gronden bezighouden. Wij verlaten dit eiland met de overtuiging, dat, al kon niet elke grondbraak of oeverafschuiving beteugeld worden, onze ingenieurswetenschap door het beperken van het landverlies toch ook hier schitterende overwinningen heeft behaald op de natuur.

V. ZUID-BEVELAND.

Wie met den spoortrein van Bergen-op-Zoom naar Goes reist, volgt eerst korten tijd in zuidelijke richting den hoogen landzoom, waarmede Noord-Brabant aan Zeeland grenst. Doch na weinige minuten verlaat de spoorweg het afwisselende, heuvelachtige gebied der diluviale zandgronden, en wanneer men op eenigen afstand links op een hoogte het schilderachtige kerkje van Woensdrecht op een heuvel ziet liggen, buigt de weg zich naar het westen. Binnen weinige oogenblikken bevinden wij ons daarna op den spoorwegdam, die sedert 1867 de Ooster-Schelde van de Wester-Schelde afscheidt en Zuid-Beveland met het vasteland heeft verbonden.

De dam, die bij den aanleg nog te midden van de wel is waar ondiepe wateren lag, wordt thans aan beide zijden reeds ingesloten door uitgestrekte gorzen, met gras en zeekraal begroeid, welke alleen bij hoogen vloed onder water komen en op verderen afstand overgaan in de naakte slikken, glibberige grijs-zwarte banken, die bij de eerste eb in de zon glinsteren door den vochtigen slijkbodem en de plassen, welke er overal op verspreid liggen. Eentonig, zonder eenige verheffing, effen als de waterspiegel, terwijl geen boom of hooge plant zich hier vertoont, breiden de gorzen zich uit in de Ooster-Schelde. Alleen wordt de effene oppervlakte afgebroken door kronkelende waterloopen, die in zonderlinge bochten door de gorzen slingeren en met steile oevers er enkele voeten diep in doordringen. Deze riviertjes zijn ontstaan en worden onderhouden door het afloopende ebwater, dat na hooge vloeden wegloopt van de gorzen, doch bij de na-eb zijn zij veelal zoo goed als droog. Het vee en de schapen, die op de gorzen weiden, moeten hierop letten en, als de vloed opkomt, op de hoogste gedeelten of op de dijken van het land een toevluchtsoord zoeken.

Van de hoogste aanslibbingen, de gorzen nabij het land van Noord-Brabant, zijn er reeds onderscheidene ingepolderd ten zuiden van den dam, die door dijken bij het land werden gevoegd. Ten noorden van den dam gaat de landaanwinst niet zoo snel voort, sedert de Schelde geen slibstoffen meer aan de Ooster-Schelde toevoert na het leggen van den dam.

Hoewel de aanslibbing langs de Ooster-Schelde thans zeer gering is, zien wij toch uit den trein, die in het eerst dicht langs den noordelijken dijk van Zuid-Beveland loopt, dat zich hier groote platen uitbreiden in de Ooster-Schelde, welke bij hooge vloeden geheel wegduiken onder de wateren. Het gebied, dat wij daar vóór ons zien liggen, een slijkvlakte van twee uren breed en ongeveer vier uren lang, is, helaas! een terrein, waarop de mensch in zijn strijd tegen de natuur een nederlaag heeft geleden; hier heeft vóór eenige eeuwen de zee tegen de Zeeuwen een slag geleverd, waarbij zij met zware verliezen werden teruggedreven, om eerst daar stand te houden, waar zich thans de hooge dijk verheft. Buiten dien dijk ligt het "Verdronken land van Zuid-Beveland", zooals de kaarten het aanduiden, en daar ver over de watervlakte, op niet grooten afstand van de kust van het eiland Tolen, op de Speelmansplaat, liggen de fondamenten van de oude stad Reimerswaal. Op de ruïnen van dit vernielde landschap oefent de Iersekesche oestervisscherij thans haar bedrijf uit.

Groote veranderingen hebben op dit oostelijke, smalle gedeelte van Zuid-Beveland plaatsgegrepen in den loop der eeuwen. In geen gedeelte van Zeeland is zooveel land aan de golven ten offer gegeven, dat nooit herwonnen werd, als hier. Omstreeks het jaar 1200 had het land in het oostelijk gedeelte een uitbreiding naar het noorden ongeveer tot een rechte lijn, welke men van Bergen-op-Zoom naar Wemeldinge kan trekken. Ook naar het zuiden was Zuid-Beveland destijds veel breeder en in het oosten was het eiland door een arm van de Schelde van Noord-Brabant gescheiden.

Dit gedeelte van Zuid-Beveland, ten oosten van Ierseke, heette oudtijds Oostwatering of "beoosten Ierseke" en het overige Westwatering. Het oude Oostwatering was geheel een polderland, bestaande uit afzonderlijke bedijkingen, welke aan elkander sloten.

Wie voor een viertal eeuwen stond op een hoogte bij Ierseke en naar het oosten blikte, zou daar op korten afstand vóór zich den toren van Kouwerve en van Duivenee hebben zien verrijzen, en verderop de spitsen van het klooster Mariënhof, de torens van Nieuwerkerk, den ouden en sterken ridderburcht Lodyke, die met de heerlijkheid aan een der heeren van Reimerswaal behoorde.

Nog verschillende andere dorpen zouden hier van verre in het vruchtbare land gezien zijn geworden, als: Machole, Broecke en Kreecke; Steenvliet, Everwaarden, Schaudee, Nieuwlande, beide laatstgenoemde met bevoorrechte jaarmarkten begunstigd en met een voor die tijden niet onaanzienlijken handel, en andere. Maar wie het land beschouwde met helderen blik, zou er met groote bezorgdheid vele meer of minder diepe kuilen en plassen in den bodem bemerkt hebben. Dat waren de veengaten, waaruit de zoutbranders het zoutveen hadden gegraven, om dit te branden, en die om de voordeelen van het zout den bodem vernielden.

De belangrijkste plaats in dit landschap was Reimerswaal of Romerswaal, een belangrijke stad, aan de toen nog niet breede Ooster-Schelde gelegen, tegenover Schakerloo op Tolen, waarnaar een overzetveer bestond. Reimerswaal was een oude stad, omtrent welker ontstaan echter niets bekend is, en werd als een der voornaamste steden van Zeeland beschouwd. In 1374 werd Reimerswaal door Hertog Albrecht van Beieren omwald, waarna de voorrechten, door onderscheidene graven aan de stad verleend, aan de burgers een aanzienlijke welvaart deden toevloeien. In 1315 had de stad het voorrecht verkregen, dat alle goederen, die van Zeeland naar Brabant of omgekeerd werden vervoerd, te Reimerswaal ter markt gebracht moesten worden. Rudolf van Diepholt, de 53e bisschop van Utrecht, schonk in 1449 aan de stad Reimerswaal het kerkelijk rechtsgebied over geheel Zuid-Beveland.

Die weelde bracht de bevolking telkens tot overmoed. In 1454 overviel en verdreef zij zelfs de regeering uit de stad, en voor dit misdrijf werd haar door den stadhouder Karel van Bourgondië alleen na voldoening van zekere boete vergiffenis geschonken. De burgers moesten, volgens berichten, barrevoets en blootshoofds in hun hemd zich voor den Stadhouder verootmoedigen.

Steeds nam Reimerswaal nog toe in bloei en vermeerderden zijn voorrechten. Maria van Bourgondië schonk de stad verschillende privilegiën, in 1477 o.a. dit, dat de dijkgraven van Oostwatering altijd in deze stad moesten wonen. Karel V vergunde der stad, dat de schepenen er dagelijks recht zouden spreken, in plaats van driemaal per week, wat voorheen het geval was, ten gerieve van den grooten toevloed van kooplieden. In 1559 ontving Filips II als graaf van Zeeland in Reimerswaal nog de hulde van dit gewest, welke huldiging volgens sommige schrijvers steeds in deze stad zou zijn geschied.

Maar dreigende machten stormden weldra te vuur en te water los op het rijke Reimerswaal en zijn omstreken. Een vreeselijke brand had reeds in 1520 meer dan 300 huizen en pakhuizen in de stad vernield. Toch herstelde de koopstad zich spoedig weder.

Maar daarna kwam de vreeselijke overstrooming van 1530. De Novemberstorm van dat jaar joeg de wateren der zee op in de Zeeuwsche monden en over bijna geheel Zeeland, maar ook elders hadden zware overstroomingen plaats. Het vreeselijkste lot trof Zuid-Beveland, dat bijna geheel onder water werd gezet. Het binnenstroomende water vernielde het door het uitmoeren reeds half verwoeste land geheel, en in het noordoosten bleef alleen Reimerswaal met een poldertje, gezamenlijk door een eigen dijk ingesloten, als een afzonderlijk eilandje gespaard. Bijna al het overige land van Oostwatering ging geheel te loor.

Reimerswaal zette helaas! zijn zoutbranderij nog voort, waartoe de "wilde moer" bij de stad het veen leverde, en had in 1541 nog vele zoutketen, waar zout werd bereid.