Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 2
Doch als om der verloren gegane kunst een zoenoffer te brengen, heeft men in deze kerk eenige prachtige gedenkteekenen opgericht op de grafsteden van beroemde personen uit Nederlands geschiedenis. In den noordelijken hoek van het koor ligt boven het graf van Marten Harpertsz. Tromp de beeltenis van dien held, in wit marmer uitgehouwen, een werk van Rombout Verhulst. Het basrelief van het piedestal aan de voorzijde is een afbeelding van den slag bij Terheide, vervaardigd door Willem de Keyser. Dit monument is merkwaardig door een grooten rijkdom aan versierselen en beeldhouwwerk, in tegenstelling met het gedenkteeken, dat de dichter Simon van Ingen op het graf van dien zeeheld wenschte, als hij zegt:
Men stell' voor Hollands admiraal Geen graf van marmer of metaal; Maar ergens, op een hooge klip, Het hol van een veroverd schip; De doode Tromp, daarin gelegd, Zal onder 't eerste zeegevecht Aan Holland moed en wraaklust geven, En menig Engelschman doen beven.
Aan het oosteinde van het koor verrijst het door smaakvollen eenvoud uitmuntende grafteeken van Piet Pietersz. Hein, een kunststuk van Pieter de Keyser, grootendeels van zwart marmer in Dorischen stijl gebouwd. Het geheel is rustig en waardig, als het eenvoudige beeld des admiraals op het grafgesteente. Piet Hein is wel niet de grootste, maar zeker de meest populaire der Nederlandsche admiraals, welks naam ieder kent als:
Den winnaar van des Ibers zilvren vloot, Die aan Brazieljes kust op Spanje zegepraalde, Een oogst van lauwren won en met zijn bloed betaalde,
zooals Helmers het uitdrukt.
Nog vindt men in deze kerk de karakteristiek fraaie graftombe van Elizabeth van Marnix, dochter van den beroemden dichter van het Wilhelmus, een liggende vrouwenfiguur met gevouwen handen, uit wit marmer gebeiteld, wat met de kolommen van zwarten toetssteen, de wapens en de vergulde sieraden een ensemble aanbiedt, waarvan de lijnen, zoowel als de smaakvol afgewisselde kleuren aan de beste voorbeelden der Italiaansche renaissance herinneren. De gouden lamp, die vroeger voor het gedenkteeken hing, schijnt een begeerlijk stuk voor de Franschen geweest te zijn en is verdwenen. De echtgenoot van Elizabeth van Marnix, kolonel Karel Morgan, heeft deze tombe in 1611 laten oprichten.
In den noordwesthoek der kerk herinnert een eenvoudige grafnaald met vlammende lijkbus (door zijn dochter in 1739 geplaatst) aan den beroemden natuurkundige, Antonie van Leeuwenhoek, terwijl tegen een der pilaren van het koor een gedenksteen is geplaatst voor den boerendichter Hubert Cornelisz. Poot, te Abtswoud bij Delft geboren en te Delft overleden 31 Dec. 1733.
Als wij de kerk verlaten hebben, komen wij aan de Oude Delft spoedig voor het deftige woonhuis No. 199, ingericht door den heer Van Meerten, dat, hoewel uit den nieuwen tijd, toch door zijn smaakvollen bouw en kunstschatten alle aandacht verdient en als een museum in stand gehouden wordt.
Van de Oude kerk richten wij thans onze schreden naar de Markt, oudtijds "'t Marctvelt" geheeten, om de Nieuwe kerk en het Stadhuis te bezoeken. Het vierkante, ruime plein, rondom met flinke huizen omzoomd, vormt het centrum der stad. Enkele dier huizen trekken in 't bijzonder de aandacht, o. a. het aardige geveltje in imitatie-renaissancestijl, het depôt der Delftsch-aardewerkfabriek, "de Porceleine Fles" geheeten. In het hoekhuis aan de Bijbelbrug, met een beslagen bijbel tot uithangbord, werd in Jan. 1477 de eerste bijbel gedrukt.
Des Donderdags, den dag der gewone weekmarkt, is het bijzonder levendig op dit plein. Dan worden de zuivelprodukten uit de rijke Delflandsche weiden hier aangevoerd, bovenal boter (de kaasmarkt wordt 's Zaterdagsmorgens gehouden) en reeds vroeg in den morgen, des zomers te 5 uur, verdringen zich de boeren en boerinnen in de stad, om spoedig weer te vertrekken naar hun hoeven.
Het "Marctvelt" is mede een der oudst bekende gedeelten der stad. In de eerste tijden was het een ongeplaveide vlakte, een "veld", waar de boeren hun produkten ter markt brachten; in 1381 was het oostelijk gedeelte, waar men toen begon de Nieuwe kerk te bouwen, een gerechtsplaats, en te midden van een rietveld stond een galg. Met den bouw der kerk en de uitbreiding der stad werd het Marktplein meer en meer ingesloten.
Op het Marktplein verheft zich in het westen het Stadhuis, in het oosten de Nieuwe Kerk en in het midden verrijst het standbeeld van Hugo de Groot.
De Nieuwe Kerk dagteekent uit het laatst der 14e eeuw. De legende heeft ook de oudste geschiedenis dezer kerk met dichterlijke versierselen omweven. Nadat mirakelen en wonderen, gelijk de legende luidt, de plek voor de kerk hadden aangewezen, en o. a. Broeder Symon "op een tijdt als dinxdaegs voor onser vrouwe Lichtmis in 't jaer 1351" bij het ochtendkrieken, "sittende in 't stroo voor Claes Avemans doer" aan de noordzijde van 't Marctvelt in een visioen een gouden kerk met de Moedermaagd in 't oosten aan den hemel had zien staan, was het duidelijk, dat volgens Gods wil hier een kerk moest gebouwd worden met "de maget Maria als patronesse". In 1381 werd hiermede aangevangen, oorspronkelijk een houten kerk, doch in 1384 is men reeds begonnen met den bouw van een steenen koor en kruiswerk, en in 1396 werd de eerste steen gelegd van den toren. De schenkingen voor dit doel vloeiden echter niet zoo snel, en eerst in 1496, na een eeuw arbeids, was het bouwwerk voltooid. De kerk werd aanvankelijk op naam van Maria, later mede op naam van St. Ursula ingewijd, en verkreeg na de Hervorming den naam van Nieuwe Kerk.
De kerk en toren zijn in zuiver Gothischen stijl gebouwd; de laatste, van arduinsteen, bereikt een hoogte van 115 meter en overtreft dus den Domtoren van Utrecht, waaraan veelal de eer wordt toegekend de hoogste toren des lands te zijn. Hoewel de kerk door de beeldstormers, die de altaren, altaarstukken en beelden vernielden, door den brand in 1536 en door het springen van het kruithuis veel geleden heeft, en er van de fraaie geschilderde glazen, waaronder het zoogenaamde "Keizersglas", een geschenk van Karel V, geen spoor meer overbleef, enkele ramen zelfs werden dichtgemetseld, blijft het toch een hoogst merkwaardig gebouw. Doch bovenal trekken historische eerbied en vaderlandsliefde den bezoeker der stad naar dat kerkgebouw. Zooals de Abdij van Saint-Denis in Frankrijk, de Westminster in Engeland het stof bewaart van de vroegere vorsten dier landen, en een dankbaar nageslacht aan de herinnering der edelsten en grootsten door praalgraven den tol der dankbaarheid heeft betaald, is de Nieuwe kerk te Delft de heilige grond, waar het stof der Oranje-vorsten rust. [4] In den koninklijken grafkelder dezer kerk zijn alle overleden telgen van het Oranjehuis, op een enkele uitzondering na, bijgezet. En boven dien grafkelder verrijst het praalgraf van Prins Willem I, door een dankbaar volk gesticht ter eere van den "Vader des Vaderlands".
Het Praalgraf is gebouwd op last van de Staten-Generaal door den beroemden bouwmeester en beeldhouwer Hendrik de Keyser. De arbeid hiervan werd begonnen in 1616 en na 1620 voltooid door een zoon des beeldhouwers, Pieter de Keyser. Het geheel vormt een prachtig werk in renaissance-stijl, 5.66 M. lang, 4.25 M. breed en 7.65 M. hoog.
De tombe, van Dinantschen steen vervaardigd, rust op drie tredevormige verhoogingen van dezelfde steensoort. Zij is versierd met gesmede lijsten en metalen ornamenten, waarop het beeld van den Prins, levensgroot, in vorstelijk gewaad, op een van zuiver wit Italiaansch marmer, kunstig en uitmuntend fraai gewerkte matras rust. Aan de voeten van het beeld ligt 's Prinsen hond, die na den dood van zijn heer niets meer wilde nuttigen en van honger en dorst omkwam.
Rondom de tombe staan 22 kolommen, in Dorischen renaissance-stijl, van zwart Italiaansch geaderd marmer.
De ruimten tusschen den kolommenaanleg bevatten elk drie nissen van wit Italiaansch marmer; de nissen aan de zijde der tombe zijn versierd met zestien metalen wapenschilden in hun kleuren, vertoonende de vier kwartieren van het blazoen des prinsen: Nassau, Stolberg, Hessen, Königstein. Op de uiterste vier hoeken van het monument bevinden zich wit-marmeren, ronde piedestallen, elk versierd met het aangezicht eener vrouw en met festoenen van metaal, die rusten op een basement van Dinantsche steen. Op ieder dezer vier piedestallen staat voor een nis een metalen vrouwenbeeld, uitmuntend bewerkt. Deze vier beelden stellen voor: de Gerechtigheid, de Vrijheid, de Godsdienst en de Dapperheid.
De "Gerechtigheid" draagt in de rechterhand een vergulde weegschaal en houdt de linkerhand in de zijde, terwijl de blik op den evenaar der balans gevestigd is. Links van het beeld leest men het devies: "Saevis tranquillus in undis" (Gerust te midden der woedende baren), voorgesteld door een ijsvogel in zijn nest en een rots, welke door de winden gebeukt wordt, terwijl een hand met een schepter uit de wolken verschijnt boven een opkomende zon. Rechts ziet men de woorden: "Je maintiendrai" (ik zal handhaven), voorgesteld door een geopende hand uit de wolken boven twee gekruiste ankers, omringd door water en vuurvlammen.
De "Vrijheid" heeft in de rechterhand een vergulden schepter en in de linkerhand een vergulden hoed, waarop in zwarte letters staat: "Aurea libertas" (gulden vrijheid); ter linkerzijde leest men: "Je maintiendrai piété et justice" (Ik zal godsdienst en gerechtigheid handhaven), voorgesteld door een hand uit de wolken, houdende een weegschaal boven een brandend altaar. Aan de rechterzijde leest men de spreuk: "Te vindice tuta libertas" (Wanneer gij wreker zijt is de vrijheid veilig), voorgesteld door een geopend boek, liggende op eenige bladen perkament met zeven zegels, terwijl in gouden Hebreeuwsche karakters de naam Jahveh in de wolken geschreven staat.
De "Godsdienst" houdt in de rechterhand een geopend boek en de linkerhand omvat een verguld tempeltje.
De "Dapperheid" of "Kracht" draagt een helm en tot schouderbedekking de huid van een leeuw. Daar de leeuw aan kracht ook voorzichtigheid paart, stelt deze vrouwenfiguur tevens de Voorzichtigheid of het Beleid voor, terwijl een doornentakje in de rechterhand er op wijst, dat dapperheid en kracht zonder voorzichtigheid veel gevaar loopen. De motto's en allegorieën van den Zwijger zijn in acht vierkante platen van wit marmer, geplaatst boven elk vrouwenbeeld aan beide kanten van het hoofd, zeer kunstig uitgehouwen.
De onderdeelen van de kroonlijst boven deze platen, de kroonlijst zelf en de staande randen van het lijstwerk zijn van wit, enkele profillen van het lijstwerk van zwart geaderd marmer. Boven de beelden bevinden zich, tusschen zwart en wit marmer, vier platen van Dinantsche steen, en op elk van deze vindt men doodshoofden van wit marmer, omringd door metalen ornamenten. Op de langszijde van het monument ziet men een met snijwerk omgeven nis met schoon ornamentwerk en op ieder kapiteel zit een schreiende kinderfiguur van metaal met een brandende toorts in de hand.
Tusschen de vier obelisken bevindt zich een sierlijke, ronde, wit marmeren koepelvormige afdekking; midden op deze afdekking bevinden zich wit marmeren voetstukken. Op elk dezer voetstukken staat een metalen kinderbeeld, wijzende met den vinger op een plaat van zwarte Dinantsche steen, rondom met koper-ornament versierd en prijkende aan beide zijden van boven met een gevleugeld, weenend kinderkopje van metaal. Op den steen leest men aan beide kanten het navolgende Latijnsche opschrift, op last der Staten-Generaal met vergulde letteren daarin gegrift:
D. O. M. et aeternae memoriae GULIELMI NASSOVII, Supremi Arausionensium Principis Patris Patriae, qui Belgii fortunis suas post habuit et suorum: Validissimos exercitus aere plurimum privato bis conscripsit, bis induxit ordinum auspiciis; Hispaniae Tyrannidem propulit: verae Religionis cultum, avitas Patriae leges revocavit, restituit: ipsam denique libertatem tantum non assertam MAURITIO PRINCIPI Paternae virtutis heredi filio stabiliendam reliquit; Herois vere pii, prodentis, invicti: quem Philippus II. Hispan. Rex ille Europae timor timuit non domuit, non terruit, sed empto percussore fraude nefanda sustulit. foederat. Belg. Provinc. perenni meritor. Monum. P. C. C.
De Nederlandsche vertaling dezer regels luidt:
Ter eere van den Almachtigen God en tot eeuwige gedachtenisse aan Willem van Nassau, Prins van Oranje, den Vader des Vaderlands, die het welvaren der Nederlanden hooger stelde dan zijn eigen belang en dat der zijnen; die tweemaal, voor het grootste gedeelte op eigen kosten, machtige legers verzamelde en ze tweemaal in 't veld bracht onder het opperbevel der Staten; die Spanje's dwingelandij afwendde; den waren godsdienst en de oude wetten terugriep en herstelde; die ten slotte de nagenoeg verzekerde vrijheid aan Prins Maurits, zijn zoon en erfgenaam van de deugden zijns vaders, achterliet, om ze te bevestigen; den waarlijk vromen, beleidvollen en onoverwinnelijken held, dien Philips II, koning van Spanje, die schrik van Europa, duchtte, doch noch tenonderbrengen, noch vrees kon aanjagen, maar met snood verraad door de hand van een gehuurden moordenaar ten val bracht, hebben de Vereenigde Nederlandsche Gewesten dit tot een eeuwig gedenkteeken zijner verdiensten doen oprichten.
Aan het hoofdeinde van het liggende marmeren beeld van den Prins, op den verhoogden vloer, zit het welgelijkend beeld van den Prins van metaal, in volle wapenrusting, met het zwaard, de sjerp en den bevelhebbersstaf, met ongedekten hoofde op een kunstig bewerkten zetel. Aan de voeten van den Prins verheft zich een faam met uitgespreide vleugels, 1.70 M. hoog, van metaal, rustende alleen met de teenen van den linkervoet op vier metalen masken, voorstellende de vier winden; deze faam blaast op een bazuin. Dit laatste beeld wordt voor het grootste kunststuk van het werk gehouden; het weegt 2000 K.G.
Aan de oostzijde van het Praalgraf vindt men het gedenkteeken van Willem Frederik George, zoon van Prins Willem V, in de jaren 1806-1808 door den wereldberoemden Italiaanschen beeldhouwer Canova bewerkt. In de treurige dagen van Nederlands geschiedenis, toen de band met het Oranjehuis verbroken was, overleed Willem Frederik George te Padua, 1799; hij werd in het klooster der Eremitani aldaar begraven. Doch in 1896 werd het stoffelijk overschot met het grafteeken, door bemiddeling van H. M. de Koningin-Regentes der Nederlanden, overgebracht naar Nederland en bijgezet in het familiegraf.
Op eenigen afstand van Canova's kunstgewrocht is tegen den kerkmuur een piedestalvormige, zwart gepolijste steen met een smallen rand van ongepolijsten hardsteen geplaatst, een gedenksteen voor Alexander Ernst Casimir, zoon van Koning Willem II, overleden 22 Oct. 1822.
Verder vindt men in het koor der kerk, aan de noordzijde van het vorstelijk Praalgraf, een eenvoudig, doch sierlijk monument ter eere van den grooten staatsman, geleerde en dichter Hugo De Groot, het "Delftsche orakel", van wien Brandt roemde:
"O Delf, benij geen Maes den grooten Rotterdammer, De Groot is ruim soo groot. Dees' socht het Hollandts jammer Te stuiten door zijn raedt; maar 't oor der twist bleef doof, Men scheurde veel te licht een liefdeloos geloof. Indien zijn Fenixgeest verdeelt waer onder seven, 't Vereenigt Nederlandt waer onverdeelt gebleven".
Het gedenkteeken is geheel van gepolijsten hardsteen: een zwarte naald staat in een wit marmeren nis, terwijl de buste van De Groot op een medaillon gebeiteld er voor geplaatst is. Het onderschrift luidt enkel
Hugoni Grotio Sacrum.
terwijl links eenige Latijnsche versregels van Petrus Burmanus Secundus den roem van De Groot, "Prodigium Europae", verkondigen [5].
Hugo De Groot, uit een aanzienlijk geslacht in 1583 te Delft geboren, overleed te Rostock, den 28en Aug. 1645. Het praalgraf werd in 1781 opgericht door zijn familie. Doch het erkentelijk nageslacht heeft op het marktplein vóór de kerk in 1886 een bronzen standbeeld ter eere van den geleerde doen verrijzen (vervaardigd door Stracké), als om te voldoen aan hetgeen reeds Vondel bij de uitvaart van De Groot wenschte:
"Men stell', gelijk den Rotterdammer, Een beeld den wijzen Delvenaer; Men paer' die groote nageburen, Wier Faem alle eeuwen zal verduren, Zoo sta de Wijsheid op 't Altaer!"
De naam "Hugo Grotius", in gouden letters op het voetstuk aangebracht, is alleen voldoende, om den bezoeker met eerbied het hoofd te doen ontblooten bij het beeld van den man, wiens herinnering zoowel in het buitenland als in Nederland bij de wetenschap wordt levendig gehouden.
Naar Bleyswijck, de geschiedschrijver van Delft, verhaalt, werd op deze plek in 1595 in het midden van het plein gemaakt: "een ronde Perck, in welckers middel-punt is een Compas van blauwe steen, waer boven het wapen van de Provincie en onder van de Stadt uyt straet-steenen gefigureert zijn, doch meerendeels nu versleten en vergaen, maer tusschen de twee cirkels rondt-om-lopende leest men met groote letteren noch seer bescheydenlyck dese woorden, "Elck wandel in Godts weghen", vermaens-gewijs alludeerende op de wandel- en handelaers, die de Marct betreden". Van dit alles is thans alleen het randschrift nog over, en te midden daarvan verheft zich het standbeeld.
Vóór wij afscheid nemen van de kerk en haar merkwaardigheden, zullen wij nog den toren beklimmen, om, zij het ook in gedachten, van zijn hoogen top den blik te doen weiden over het landschap. Beneden ons ligt de ernstige, meestal stille stad, in deftige rust, omkranst door singels van groen geboomte, dat tevens in schilderachtige, regelmatige lijnen den rooden dakenchaos aan onzen voet doorsnijdt. Doch rondom de stad, over het zachtgroene tapijt der weiden, breidt zich een eenig panorama uit met verschillende typen van het Hollandsche landschapskarakter. Ginds het Westland, op welks glasbedekking der tuinen de zon met zilveren schittering weerkaatst, eigenaardig opspritsend uit den ondergrond van donkergroen, en naar het zuiden begrensd door den breeden waterstroom der Maas, die als een zilveren zoom over het landschap ligt. Daar in de verte de duinzoom met zijn bochtige verticale lijnen, zoo ongewoon in Holland, en achter die duinen in het eindeloos verschiet ligt de groote Noordzee. Over de onafzienbare weiden naar het oosten rijzen tallooze torenspitsen in allerlei vormen op, en bij helder weer ziet men zelfs den Utrechtschen Dom in 't noord-oostelijk verschiet.
Hoort, er komt leven in deze hooge spheren, tot waar geen menschengeluid doordringt. Een vriendelijke, opgewekte muziek galmt door de klankgaten van den toren, in regelmatige trillingen een harmonische opwekking over de stad uitstortend. De "beiaerd doet zijn klingelende tonen wegsprankelen in huppelende vlucht". Dat is het beroemde klokkenspel, door Franciscus Hemony gegoten en in 1663 door Jan Col, uurwerkmaker van Nijmegen, in dezen toren geplaatst. Door Napoleon I werden een paar klokken er van tot gietspijs voor kanonnen gebruikt, maar overigens is het nog goed in wezen. Driemaal per week en bij sommige gelegenheden wordt het nog bespeeld.
Wij dalen weder af uit de hoogte naar het Marktplein. Tegenover de Nieuwe Kerk verrijst het Stadhuis, een zwaar, vierkant gebouw met een vierkanten toren, die zich midden uit het dak verheft. Het Raadhuis is gebouwd naar een ontwerp van Hendrik de Keyser, wiens bekwaamheid en kunstzin voldoende bleken bij het destijds nagenoeg voltooide gedenkteeken van het graf van Prins Willem. Toen in Februari 1618 het oude raadhuis schier geheel een prooi der vlammen was geworden, werd aan de Keyser de bouw van een nieuw raadhuis opgedragen. Doch, helaas! het schoone gebouw heeft in 1840 door de zoogenaamde restauratie zijn stijlkarakter verloren, zij het dan ook, dat het misschien meer praktisch is ingericht voor het gebruik.
In het oorspronkelijke gebouw vond men de laatste sporen van den renaissance-stijl met den oud-Hollandschen bouwtrant vereenigd, doch het vervangen der in lood gezette kruisramen door moderne vensterkozijnen deed reeds het karakteristieke aanzien ontaarden. Nog meer werd het geschonden door het moderniseeren van den hoofdingang; de opgang met vijf trappen, aan weerszijde gedekt door een gewelf, op twee pilaren rustende, is verdwenen.
Hoewel veel van de merkwaardigheden, die het Raadhuis voor een halve eeuw nog bezat, o. a. vele schilderijen en kisten vol Delftsch aardewerk, op raadselachtige wijze moeten verdwenen zijn, vindt men er toch nog merkwaardige stukken o. a. van Pieter Bronkhorst, Delff, Michiel Jansz. van Mierevelt.
De beschikbare plaatsruimte verbiedt ons, bij alles stil te staan, wat Delft merkwaardigs heeft; een volledige beschrijving van deze stad geven wij niet. Maar op onze rondwandeling door het oude en nieuwe Delft mogen wij de "Fundatie van Renswoude" niet vergeten: een instelling, die zoowel tot de liefdadige als tot de wetenschappelijke inrichtingen moet gerekend worden. Deze stichting dankt haar oorsprong aan Vrouwe Maria Duyst van Voorhout, douairière van Frederik Adriaan Baron van Rhede, Vrijheer van Renswoude en Emminkhuizen, die den 26 April 1754 is overleden. Deze vrouw benoemde de weeshuizen te Delft en 's-Gravenhage, benevens het kinderhuis te Utrecht, tot haar erfgenamen, onder voorwaarde, dat uit elk dier huizen eenige jongelieden van goeden aanleg in de vrije kunsten en wetenschappen onderwezen zouden worden, om hen daardoor tot een hoogere positie in de maatschappij te brengen. Eenige dichtregelen op het gebouw verheerlijken de milde stichtster. Zij luiden:
Hier leeft Maria Duyst, onsterflijk door haar sterven; Dees' stichting was haar wil; zij heeft een schat doen erven, Waaruit de nijvre wees, om vlug verstand geëerd, Hier afgezonderd leeft en vrije kunsten leert. Dus doet zij langs het spoor der wiskunst de armen streven Naar 't merg der wetenschap, om tot 's lands nut te leven.
Het laat-Gothische poortje van 't gebouw heeft nog bouwkundige waarde.
Het zou een miskenning van onze vaderlandsche ondernemingen en van een oude beroemdheid van Delft zijn, als wij niet enkele oogenblikken onze aandacht wijdden aan het Delftsche aardewerk. Delft is vanouds een bloeiende industriestad geweest, gelijk wij reeds opmerkten. Naast brouwerijen had men er in de middeleeuwen ook lakenfabrieken. Doch van jongeren datum zijn de plateelfabrieken. Omstreeks het midden der 17e eeuw kwam die nijverheid tot bloei; zij werd, door het teniet gaan van andere industrieën, een der belangrijkste bedrijven, zoodat men in de 17e eeuw wel 50 aardewerkfabrieken in deze stad vond. Het fabrikaat was bekend door het fraaie glazuursel met heldere, donkerblauwe kleuren en werd veel uitgevoerd.