Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 19
In het westen van het eiland ligt het dorp Stavenisse, langs een breede met boomen beplante straat gebouwd, benevens met enkele huizen om de kerk. Het vroegere kasteel van den ambachtsheer is verdwenen; wij zagen nog de fundamenten van het slot. In de kerk vindt men een fraai marmeren praalgraf van Jhr. Hieronymus van Tuyl van Serooskerke, overl. 1669, gebeiteld door R. Verhulst.
Van hier is een veer, dat over het Keeten naar Vianen op Duiveland overzet. Wij zullen van dat middel gebruik maken, om Duiveland te bereiken, teneinde de oude verbindingsmiddelen der Zeeuwsche eilanden te leeren kennen.
Daar vóór ons ligt het verbindingswater tusschen de Ooster-Schelde en Krammer, dat van het zuiden af de namen draagt van Keeten, Mastgat en Zijpe. Zulke wateren tusschen de hoofdarmen der riviermonden hebben een zeer afwisselende geschiedenis van worden en vergaan. Waar het eene te gronde gaat en tot land wordt, geschiedt dit niet zelden ten voordeele van een ander water, dat gelijktijdig in breedte en diepte toeneemt. Zoo ging het ook bij de eilanden, die vóór ons liggen. Schouwen en Duiveland bestonden oudtijds uit onderscheidene eilanden, door wateren doorsneden, en in de 13e eeuw scheidde de Gouwe of Golde, een breed water, het eigenlijke Schouwen in het westen nog van Duiveland en Dreischor in het oosten. Dit water liep ten O. van Zieriksee naar het N., waar het tusschen Duiveland en Dreischor den naam van Dijkwater verkreeg; het was in 1304 nog zoo breed, dat de zeeslag tusschen de Hollandsche en Fransche schepen tegen de Vlaamsche aan den anderen kant er geleverd kon worden. Doch langzamerhand verlandde dit water meer en meer; in 1373 en 1374 werden in het noorden landen ingepolderd, waardoor Schouwen met Dreischor werd verbonden, en sedert zette dit proces zich voort. Zelfs werd in 1610 de Gouwe in het zuiden bij Zieriksee geheel afgesloten.
Terwijl deze wateren verdwenen, namen Keeten, Mastgat en Zijpe in beteekenis toe. In de 16e eeuw kon men hier een reeks van slikken waarnemen, door ondiepe geulen en kreeken gescheiden. Zelfs konden de Spanjaarden in 1575 van St. Filipsland uit over de platen heen bij eb het Keeten bereiken, dat zij doorwaadden, om op Duiveland te komen en vervolgens het beleg voor Zieriksee te slaan. De Zijpe was in het begin der 18e eeuw zoo ondiep, dat men aan het noordelijk einde er door kon waden.
Sedert is dit water dieper geworden; er kwam meer vloedwater binnen, het schuurde over den bodem en vormde een geregelde bedding. Waar men in 1705 nog door de Zijpe kon waden, stond in 1760 reeds 40 voet water en tegenwoordig meer dan 100 voet.
Op dit oogenblik liggen die stroomen in machtelooze rust verzonken, weerloos tusschen de slibberige banken, die grijs en zwart glinsteren in het zonnelicht, terwijl van verre de groene dijkwanden het waterlandschap omboorden. De oeverhavens leveren een treurig schouwspel op van slechts enkele verlaten plassen in de kleibedding, waar een verdwaald vischje spartelt in het slik. De veerman staart beschouwend over dit tafereel, dat hij nauwkeurig kent en hetwelk schier dagelijks voor zijn aanzicht wederkeert, om na te gaan, of aan den horizon de geest des Oceaans de wateren ook weder bezielt met nieuw leven. Hij ziet eindelijk de krachten wederkeeren bij den schijndoode: een golfje jaagt van verre spelemeiend over de banken, een tweede volgt iets hooger, en zij naderen. Het water rijst, de haven vult zich weder, zij het ook nog langzaam. Nu maakt de veerman zich gereed, om den overtocht te aanvaarden; wel ligt het ranke vaartuig nog een eind van den wal, maar de schipper stapt met zijn hooge laarzen door water en slijk en op zijn rug worden wij van den wal aan boord gezet. Het scheepje gaat van wal; zacht zwelt het zeil; in onregelmatige zigzaglijnen naderen wij den westelijken oever. Den oever? Neen! Op verren afstand zien wij eerst den dijk. Evenals bij het ter scheep gaan doet de sterke gestalte van den veerman thans weder dienst en... wij worden afgezet op den kant van een der naakte slikken langs den dijk. Ongeveer 20 minuten moeten wij een tocht maken over dit slijkgebied, een wel tamelijk vasten bodem, maar glibberig, overdekt met kleine waterkommetjes, die aan elkander grenzen, door iets hoogere wanden en pollen gescheiden. Over die hoogten als het ware voortspringend, telkens voor onzen voet een nieuw heuveltje uitzoekend te midden van het water, dat hooger rijst, van tijd tot tijd misstappend, zoodat het zilte water om ons opspat, wordt eindelijk de dijk bereikt. Een boerenwagen zagen wij voor ons uit rijden, de wielen plassend door het water en in een stralenkrans de droppels uitwerpend naar alle kanten, waar zij schitterden als zilveren parels in de zon; het was het voertuig, dat de post overbracht van de veerboot naar het eiland.
Was thans onze overtocht lastig, niet zelden kan die ook gevaarlijk worden. Bij hoogen waterstand en storm kan 't er dreigend zijn en hebben oude veerlieden soms uren werk, om, worstelend met golven en stroomen, de reizigers over te varen, hetgeen wel eens geheel mislukt.
Tegenwoordig gaat de verbinding gemakkelijker. Om die te leeren kennen, keeren wij in gedachten terug naar Nieuw-Vosmeer en nemen daar den stoomtram weder. Op korten afstand ten noorden van het dorp buigt de baan zich naar het westen over den zwaren Slaak-dam, die door de slikken van de Heene gelegd is, om St. Filipsland met het vasteland te verbinden. Reeds in 1858 was men met het bouwen van een dergelijken dam begonnen, die spoedig weder te gronde ging. Later was men hiermede gelukkiger, en al werden in het begin nog gaten in den dijk geslagen, toch hield hij stand. Deze dam heeft een lengte van ± 2700 meter, d. i. ongeveer een half uur gaans. Aan beide zijden breiden zich steeds aangroeiende slikken uit, welke door elken vloed met nieuwe sliblaagjes bedekt worden en waarover enkele stroompjes bij ebbe tijdens het afvloeien van het getijdenwater diepere geulen openhouden. De grensscheiding van Noord-Brabant en Zeeland loopt dwars door den dam. Men bemerkt het aan de seinen, als men de grens gepasseerd is; op Noord-Brabantsch gebied hoort men van tijd tot tijd het luiden der bel van de locomotief, in Zeeland eerst hoort men de stoomfluit.
Wij bevinden ons op St. Filipsland of Filipsland, zooals de bewoners zeggen, een jong eiland, dat een verschrikkelijken strijd met de wateren gestreden heeft. Wel had het reeds vroeger droog gelegen, maar op het eind der 15e eeuw lag het geheel overstroomd. In 1496 werd het opnieuw bedijkt door Filips van Bourgondië, doch in 1511 en nog eens in 1530 liep het geheel onder water en eerst in 1645 werd het wederom ingedijkt. Het dorp St. Filipsland ligt aan den dijk in den hoek van het eiland; de roode daken en een proper molentje komen van verre boven den dijk uit. Op Zondag, als de visschers tehuis zijn, is 't een levendig gezicht, de vloot van schuiten te zien, bij het dorp gelegen.
Flinke stoomveerbooten brengen thans de verbinding over de Zijpe met Duiveland tot stand, om aan beide zijden bij den stoomtram aan te sluiten. Zoo bevinden wij ons spoedig te Bruinisse, een welvarend dorp, dat met zijn roodpannen daken schilderachtig afsteekt bij de grijze kuststreek. Visscherij, oester- en mosselcultuur en de levendige handel in de produkten van het water, vooral op Engeland en België, vormen de bron van bestaan voor deze plaats. Zij telt 2600 inwoners; de visschersvloot bestaat uit 157 schepen, waarvan 135 hoogaarzen.
De kerk te Bruinisse is een oud gebouw uit de 15e eeuw. In 1898 zou de kerk gedeeltelijk gesloopt worden, doch door bemiddeling der oudheidkundige commissie van het Zeeuwsch Genootschap voor Wetenschappen is het gebouw door restauratie bewaard gebleven.
Een fraaie, lommerrijke straatweg leidt van Zijperhaven, de haven van de tramboot, ten Z. van Bruinisse, voorbij de dorpen Oosterland, Nieuwerkerk en Kapelle naar Zieriksee. Deze weg is een der schoonste van Duiveland; meer boschrijke gedeelten wisselen schilderachtig af met vruchtbare bouw- en graslanden.
Oosterland is een bekoorlijk dorp; in de nabijheid ziet men het Slot of Heerenhof te midden van geboomte en vijvers. De oude, in een zadeldak eindigende kerktoren, dagteekent uit het eind der 14e eeuw. Nieuwerkerk is eveneens een fraai dorp; het dorp Ouwerkerk is reeds van verre kenbaar aan zijn toren met stompe spits, die in drie verdiepingen oprijst. Deze en de Jacobstoren in Den Haag zijn de eenige zeshoekige torens in Nederland.
III. ZIERIKSEE.
De weg buigt zich van Ouwerkerk naar het noorden langs het in 't lommer verscholen oude dorp Kapelle, waar in de 15e eeuw de adellijke huizen Gistelis, Maalstede en Bruëlis gevonden werden, die thans zijn verdwenen. De weg loopt dwars door in de Gouwe aangewonnen polders (zie pag. 200) en vóór ons ligt in het volle groen van boomen en graswallen Zieriksee, de hoofdstad van de vereenigde vroegere eilanden Schouwen, Duiveland en Dreischor. Van verre zagen wij reeds den zwaren, stompen St.-Lievenstoren uit den berg van groen opplompen, maar bij een draai van den weg staat men ineens voor de stad, waar de Noorderhavenpoort de grens van het oude stadsgebied aanwijst.
De Noorderhavenpoort boeit door den eenvoud der Vlaamsche Renaissance en bestaat uit twee aaneengebouwde huizen met een grooten doorgang; in de lijnen harer vier spitstorentjes openbaart zich een fraaie Gothiek. Vooral wanneer men deze poort van de stad uit ziet achter de kom der oude haven, maakt zij grooten indruk.
Behalve deze heeft de stad nog de Zuidhavenpoort, een zwaar, massief gebouw, evenals de bovengenoemde in 1491 door Albrecht van Saksen gesticht en in 1507 gerestaureerd, en de Nobelpoort, een zwaar gebouw met slanke torenspitsen, dat volgens de overlevering gebouwd is door twee adellijke jonkvrouwen, Anna en Maria, naar wie de beide spitsen genoemd zouden zijn; wellicht is het een legende geweven om de heiligenbeelden, die in de twee torens der poort gevonden worden. Merkwaardig is de verglaasde baksteen, bij dezen torenbouw aangewend. De overige der zes poorten, welke de stad vroeger had, zijn gesloopt; de breede gracht evenwel is nog bewaard.
Bij het binnentreden maakt Zieriksee den indruk van een vriendelijk landstadje met nog enkele oude huizen, doch over 't geheel met een modern uiterlijk. De stadsaanleg van Zieriksee heeft het aangenaam grillige van de oude Hollandsche steden; huizen, in rijen gebouwd, zonder plan; straten, die bij toeval elkander vinden, verrassend in elkander loopen en dan weer nieuwe straten zoeken.
Behalve de poorten vindt men er nog andere merkwaardige gebouwen. Wij noemen het stadhuis, in 1554 gebouwd, met twee Renaissance-gevels uit dien tijd. Vroeger stond hier een ander stadhuis, waarvan een deel van den belfroot of toren nog aanwezig is, thans eindigend in een Renaissance-spits, die als symbool van den alouden koophandel en de zeevaart dezer stad een vergulden Neptunus tot windwijzer voert. De benedenzaal van het stadhuis is bedorven door de inbouwing van vertrekken. De raadzaal en de schepenbank, stijl Louis XV, dagteekent van 1772; de burgemeesterskamer, ingericht in 1661, heeft een fraaien schoorsteen van 1673.
Een der vriendelijkste stadsgedeelten vormt het gedempte Havenplein en het Kraanplein, met plantsoen begroeid en door flinke huizen ingesloten. Hier ziet men in de nabijheid de Gravensteen verrijzen, bij verkorting "het Steen" genoemd, waar vroeger de baljuw en de Rentmeester-generaal, beoosten Schelde, resideerde, doch dat reeds zeer vroeg als gevangenis heeft gediend, waarvoor het nog gebruikt wordt. Het voorste gedeelte dagteekent uit den tijd van Karel V, toen Mechelsche bouwmeesters den merkwaardigen voorgevel optrokken, dien Mechelsche smeden versierden met ankers, welke aan de symbolen van het Bourgondische en Oostenrijksche huis herinneren. Helaas! dat fraaie smeedwerk werd in de 19e eeuw door den wansmaak des tijds zeer mishandeld.
Een der weinige in ons land bewaarde steenen gevels uit de 14e eeuw is die van het zoogenaamde Tempeliers- of St.-Janshuis met baksteenen topgevel.
Het grootste en merkwaardigste gebouw van Zieriksee is de toren der Groote of St. Lievens Monsterkerk. Op een met acacia's en olmen beplant plein, door huizen omsloten, aan den buitenrand in het westen der stad, staan kerk en toren op korten afstand van elkander; het is, of de grijze, eerwaardige toren niet meer weten wil van de monsterachtige kerk in Vitruviusstijl, welke men hem in 1832 tot metgezel heeft gegeven. Hij wendt zich met trotschheid af van den karakterloozen bastaard, dien men in zijn familie heeft willen brengen.
Hier, op deze plek, werd een kapel opgericht, aan St. Lieven toegewijd, waarschijnlijk in 1151; vervolgens werd een nieuwe kerk gebouwd omstreeks 1378, toen een kapittel van 24 kanunniken gesticht werd.
Daar deze kanunniken gemeenschappelijk leefden op de wijze der kloosterbroeders, werd deze kerk Monsterkerk genoemd (naar 't Gr. monasterion). Onder de kanunniken kwamen uiterst bekwame mannen voor; wij wijzen op den geleerden Philippus à Leidis, den beoefenaar van het kanonieke recht, die daarin onderwijs gaf te Orleans, in 1369 tot hoogleeraar te Parijs werd beroepen en eindelijk, naar zijn vaderland teruggekeerd, de raadsheer van Graaf Willem van Beieren werd; verder nog op den niet minder beroemden arts en geleerde Levinius Lemnius, een Zierikseeënaar (geb. 1505), die in deze kerk werd begraven.
De toen gebouwde kerk brandde gedeeltelijk af in 1466, maar werd hersteld en dit gebouw bleef bestaan tot 1832, toen door de onvoorzichtigheid van een loodgieter de kerk weder in de asch werd gelegd. In plaats van het gebouw in zijn waardige vormen te herstellen, werd de tegenwoordige kerk gebouwd.
Gelukkig is de toren bewaard gebleven, een zwaar Gothisch gebouw, dat daar nog in volle majesteit verrijst. De bouw van den toren werd in 1454 aangevangen door Anthony Kelderman uit Mechelen, gesproten uit een kunstenaarsfamilie, aan wie Zeeland ook het merkwaardige stadhuis te Middelburg en de kerk te Veere dankt. Deze kerk is een der machtigste Gothische monumenten van de geheele wereld, zegt Jhr. de Stuers. Met Rijkshulp onderging dat monument in 1836-1840 een verknoeiing en werd de toren gekroond met een in hout vervaardigd hoofdgestel in Empire-stijl. Nadat een en ander bouwvallig geworden was, nam het Rijk den toren van de stad over, en door stad en Rijk werd in 1882-1895 de restauratie ondernomen.
De toren is, zooals de meeste torens uit dien tijd, onvoltooid gebleven. Een afbeelding op het stadhuis stelt den toren voor, zooals de ontwerper zich dien gedacht had. De toren zou dan 200 M. hoog geworden zijn, langzaam afloopend bij elken ommegang.
Zieriksee is als nederzetting ontstaan op een hoorn of hoek van het oude eiland Schouwen, op korten afstand van de Schelde, zoowel als van het verbindingswater met het noorden, de Gouwe. Daar had reeds in vroegen tijd een vereeniging plaats van landbouw, scheepvaart, handel en industrie. Als eilandstad gunstig gelegen voor het afleveren der landbouwprodukten, werd het een locale marktplaats, en de venige, derrieachtige aardlagen, welke men er onder de klei aan de oppervlakte vond, gaven aanleiding tot het selbarnen of zoutbranden (zie de noot op pag. 166), dat hier een levendige industrie werd. Een schilderij op het stadhuis geeft van de zoutbranderij een afbeelding. Nabij de stad had men nog lang de bewijzen der vroegere zoutbranderij in een paar heuvels, Noord-Zelke en Zuid-Zelke, welke gevormd waren uit de asch, die bij het zoutbranden overbleef. De heuvel Zuid-Zelke werd op den tweeden Paaschdag door oud en jong beklommen; men wierp van hier de hardgekookte eieren in de hoogte, sporen van de oude lente-offers. Doch de zelkasch werd verkocht aan de glasblazerijen en na jaren achtereen aan de stadskas groote voordeelen geschonken te hebben, werd de laatste zelkheuvel in 1895 weggevoerd.
Toen de zoutbranderij verboden werd van overheidswege, wegens de landvernieling, die zij tengevolge had, wist de ontluikende scheepvaart het klipzout reeds uit Spanje en Frankrijk aan te voeren en in plaats van zoutbranderijen ontstonden er zoutziederijen en raffinaderijen. Van welk belang dit was, blijkt hieruit, dat er in 1526 nog 77 zoutkeeten bestonden. Daarbij kwam nog de visscherij als bron van bestaan en de levendige scheepvaart en handel. Deze bedrijven werkten samen, om Zieriksee in de 15e en 16e eeuw tot een welvarende stad te maken.
Doch de groote zoutindustrie ging in de 17e en 18e eeuw langzamerhand te gronde; de haring- en kabeljauwvisscherij, in de 16e eeuw zoo bloeiend, terwijl er in 1711 nog ongeveer 80 visschersschepen gevonden werden, ging teniet, zoodat er in 1800 slechts 2 waren overgebleven. Eveneens verdween de eens zoo bloeiende scheepvaart. In 1720 telde de stad nog 75 koopvaardijschepen, maar onder het Fransch bestuur ging zij geheel te gronde.
Toch is Zieriksee geen doode stad; zij is enkel teruggedrongen tot haar natuurlijke handelssfeer en werd weer uitsluitend de marktplaats van Schouwen en Duiveland. Op de marktdagen is het nog een echt levendige plaats. Een lange haven, tusschen twee hooge dijken gelegen, de Nieuwe haven, brengt Zieriksee in verbinding met de Schelde; in 1579 begon men die aan te leggen. Vroeger had de stad de Oude haven, die ten oosten der stad uitkwam in een kreek of diep, dat in de Schelde uitliep.
IV. OVER BROUWERSHAVEN NAAR WESTENSCHOUWEN.
Met veel bochten, doch in hoofdrichting naar het noorden, loopt de stoomtram thans van Brouwershaven dwars door Schouwen. Langs welig begroeide bouwlanden, grazige weiden en belommerde dijken buigt de straatweg voorbij het fraaie geboomte der buitenplaats Zorgvlied, waarbij zich aansluiten de villa's Welgelegen, Mon Plaisir, Buitenrust en andere, die te zamen het gehucht "Schuddebeurs" vormen, aldus genoemd naar een uitspanning met fraaien tuin. Deze vriendelijke, boschrijke oase, te midden der kleilanden, was al vroeg door de Zierikseesche familiën zeer gezocht.
Niet ver van hier, aan den Kloosterweg, verhief zich eens het rijke Karthuizer klooster Zion of Berg Zion, dat in 1575 verwoest werd bij de belegering van Zieriksee door de Spanjaarden. Wij komen voorbij Noordgouwe, een dorp in een jong aangewassen polder, waar in 1304 nog een scheepsstrijd plaats had tusschen Hollandsche, Fransche en Vlaamsche vloten, voorbij Zonnemaire, omstreeks 1400 ontstaan in een toen bedijkten polder, door Bommenede, een bloeiend dorp aan den zeedijk, en bereiken spoedig Brouwershaven.
Brouwershaven is een oude smalstad aan de Grevelingen en telt thans ongeveer 1400 inwoners. Het stedeke maakt een melancholischen indruk; zoo stil en vergeten ziet het er uit, wat te meer uitkomt door het ruime marktplein bij de haven, waar het raadhuis verrijst met zijn schilderachtigen gevel, en dat er op wijst, dat deze plaats eens grooter beteekenis moet hebben gehad.
Het stadhuis van Brouwershaven werd in 1599 gebouwd en is in 1890 gerestaureerd naar het oorspronkelijk plan; de gevel is een beeld van den levendigen, opgewekten Renaissancestijl. Als men het bordes met dubbelen hardsteenen opgang betreedt, ziet men boven den fraaien ingang een nis met het beeld der gerechtigheid, waaronder in 't Latijn staat, dat "de wet het behoud voor 't gemeenebest is." De klapvensters, de in lood gevatte, kleine ruitjes, de levendige afwisseling van kleuren en vormen, brengen ons den gouden tijd voor den geest, toen welvaart en kunst hun hoogtij vierden in deze landen en zich uitten bij schier elk openbaar gebouw, zelfs in de kleinste landstad.
In het stadhuis vindt men het archief der stad met het oudste stuk uit 1344, waarbij aan Brouwershaven een vrije haringmarkt werd geschonken. Een folio-exemplaar der werken van Cats met eigenhandig geschreven opdracht en sierlijke zilveren sloten wordt op het stadhuis bewaard ter herinnering aan het feit, dat Jacob Cats in deze plaats het levenslicht aanschouwde, 10 Nov. 1577.
Van Brouwershaven is Cats de groote burger. Een klein, nederig huisje in de Noorderstraat, met twee ramen en een deur in de benedenverdieping en één raam in den dakgevel, wordt als het geboortehuis van den dichter van "den Boerenbijbel" aangewezen. In het begin der 19e eeuw zag dit huisje er nog juist zoo uit als in den tijd, toen Cats er opgroeide; later is het veranderd. Op de Markt is in 1829 een standbeeld van Cats opgericht, rustende op een vierkant voetstuk van arduin. Om den Hollandschen schoonmaakgeest eer aan te doen, wordt het jaarlijks zorgvuldig gewit.
Een hoogst belangrijk gebouw is de kerk van St. Petrus en Paulus, een der mooiste bouwgewrochten in Nederland; het werd van 1876-1892 door het Rijk en de stad gezamenlijk gerestaureerd. Het koor met ambulatorium, vijf absidiale kapellen en transept, alles gewelfd met baksteen, dagteekent van 1293; de tegenwoordige drie schepen zijn uit de 15e eeuw. Toen men er aan dacht, dit gebouw te sloopen, trok de Regeering zich het gelukkig aan en zoo bleef het voor de geschiedenis onzer bouwkunst behouden. Het antieke orgel, dat het jaartal 1557 droeg, is aan het Rijk verkocht en bevindt zich in het Rijks-Museum te Amsterdam.
Brouwershaven wijst in zijn geschiedenis duidelijk aan, hoe de omstandigheden ten voor- of nadeele van een plaats kunnen veranderen. De plaats is ontstaan aan den mond van een water, de Duivenee, dat voorbij Brijdorpe uit het eiland kwam en hier in het breede zeegat uitmondde. Brijdorpe, thans een onbeduidend gehucht, was in de 13e eeuw een dorp van beteekenis, een der aanzienlijkste dorpen van Schouwen. Waarschijnlijk beteekent de naam "Brouwersdorp". Graaf Floris V wilde Brijdorpe tot een koopstad maken, en om een haven te verkrijgen aan den mond der Duivenee, werd hier door den Hollandschen Graaf van Jan van Renesse 100 gemeten lands gekocht, om er een stad en een haven aan te leggen in 1288; door den dood van Floris V verkreeg het plaatsje echter nog geen stedelijke rechten. Het kwam pas tot grooten bloei na den afval van Spanje, toen het in 1590 verlof kreeg, zich door wallen te beveiligen, de gedaante en het karakter eener stad aannam, een smalstad werd. Het recht van stemhebbende stad verkreeg Brouwershaven niet.
De handel in bier uit Holland was een groote bron van welvaart voor de plaats in oude tijden; Zeeland moest bij gebrek aan goed water zijn bier hoofdzakelijk van elders verkrijgen. Naast den bierhandel bracht de visscherij, vooral de haringvisscherij, de plaats tot welvaart; in de 17e eeuw kwamen vele kooplieden uit Holland hier, om de haring in te koopen. Doch met den achteruitgang der visscherij taande ook de welvaart van Brouwershaven. In 1822 was de plaats zoozeer in verval, dat het aantal ingezetenen tot 322 gedaald was.
Er kwam hoop op nieuw leven en ook werkelijk vooruitgang, toen in 1838 het Brouwershavensche Gat werd betond, om te kunnen dienen tot toegangspoort uit zee voor de groote schepen, naar Dordrecht en Rotterdam bestemd. De verwachting was hoog gespannen, daar deze reede in den winter steeds open was; tal van loodsen, verificateurs, enz. vestigden er zich met het oog op het herbloeien van den handel; een groot logement "Catsburg" werd gebouwd, om de vreemdelingen te kunnen herbergen. Doch die hoop werd niet verwezenlijkt, en na de opening van den Nieuwen Waterweg voor Rotterdam verliet het scheepvaartverkeer Brouwershaven weder; de ambtenaren vertrokken, de bedrijvigheid stond plotseling stil. Brouwershaven was weder een doode stad geworden als vóór 1838. En die toestand was des te drukkender, daar hij volgde op een vleugje van nieuw, opbloeiend leven.