Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 18

Chapter 183,702 wordsPublic domain

Vervolgens nemen wij een kijkje te Goedereede, dat in het voorkomen zijn stedelijke afkomst verraadt. Eens was Goedereede met Brielle de voornaamste stad der heerlijkheid Voorne, en reeds vóór of althans in het begin der 14e eeuw werd de stad versterkt. In 1430 werden de vestingwerken vermeerderd door een singelgracht, muren en vijf poorten, en aan het einde der 15e eeuw bloeide de stad door een uitgebreide vischvangst en door koophandel op Engeland, Frankrijk, de Oostzee en Noorwegen. Toen had Goeree een flinken aanleg, waarvan een schrijver zeide: "Goeree! uw stad is schoon en kostelijk van huizen". Doch de natuur heeft Goedereede, zoo vroeg opgekomen, ten val gebracht door het verzanden van de haven, terwijl rampen, als overstroomingen, brand en oorlog er het overige toe bijbrachten.

Zoo is Goedereede in de eerste tijden der Republiek sterk achteruitgegaan en tot den rang van een onbeduidend, dood landstadje gedaald. De plaats is gebouwd om de havenkom en heeft nette, burgerlijke huizen. Het belangrijkste van Goedereede is de oude toren, die alleen staat, een eind van de kerk gescheiden. Het is een zwaar, vierkant gebouw, met welks stichting waarschijnlijk in 1466 is aangevangen en die in 1512 werd voltooid; volgens anderen is hij van 1414-1452 gebouwd. Op den toren stond eens een spits, doch ten behoeve der scheepvaart werd die er afgenomen, om er in werkelijken zin een vuurtoren van te maken. Op het plat van den toren werd des nachts een kolenvuur gebrand, maar in 1834 zijn de oude vuurkoepel en stookplaats weggebroken en door een verbeterd kustlicht vervangen, waarvoor in 1879 het tegenwoordige in de plaats kwam, dat aan hooger eischen voldoet.

De tegenwoordige kerk is niet meer het oude gebouw; zij werd in 1708 gesticht van de voordeelen, uit een loterijleening verkregen. Wij moeten ten slotte nog herinneren aan een der vroegere pastoors van Goedereede, Adriaan Florisz. Boyens, die de leermeester werd van Karel V en later als Adriaan VI tot Paus werd gekozen.

Hiermede nemen wij afscheid van Goedereede, om op Zeelands gebied onzen tocht over de eilanden voort te zetten.

B. ZEELAND.

I. ONTWIKKELING DER PROVINCIE EN ENKELE OPMERKINGEN.

Hebben wij in ons algemeen overzicht het delta-land als één natuurlijk geheel beschouwd en Zeeland met de Zuid-Hollandsche eilanden vereenigd, om de betrekkingen tusschen land en volk aan te toonen, toch bestaat er verschil tusschen beide als een gevolg van de eeuwenlange staatkundige opvatting en van den Vlaamschen invloed, die zich in Zeeland sterk op de bevolking deed gelden, zooals o.a. blijkt uit de bouwkunst en enkele oude wetten.

Zeeland vormt het oudste gedeelte van het deltaland, de Zuid-Hollandsche eilanden zijn grootendeels jonger. In de oudste stukken, die op deze landen betrekking hebben, wordt dan ook al van de Zeeuwsche eilanden gesproken. Schouwen wordt reeds genoemd in een brief van 976 als een afzonderlijke gouw Scaldis, aan de Golda (Gouwe), en van Beveland (pagus Bevelanda) wordt in dienzelfden tijd melding gemaakt. Ook Brumsole of Borselen wordt daarbij genoemd.

Van Walcheren zijn echter duidelijker berichten overgebleven; dit eiland treedt het eerst in de geschiedenis op. Reeds Alcuinus noemt, in het leven van Willebrord, Walcheren een eiland. De Scaldis of Schelde was den Romeinen bekend, en het eiland Schouwen (Scaldis) heeft daaraan zijn naam te danken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Ooster-Schelde destijds als de hoofdmond werd beschouwd, al had die ook op verre na nog niet de breedte van thans. In het algemeen kan men aannemen, dat in den Romeinschen tijd Zeeland, hoewel door waterarmen doorsneden, nog niet die breede inhammen der zee had als thans. Het is echter niet mogelijk, de geographische gesteldheid des lands in dien tijd in bijzonderheden te leeren kennen.

Wie de oudste bewoners van Zeeland waren, valt niet te zeggen. De opgegraven gedenkteekenen, als beelden der godin Nehalennia, welke in het strand gevonden werden, en die aan een vrouwenvereering doen denken, wijzen op vóór-Germaansche bewoners, misschien wel van Keltischen oorsprong, gelijk wij zeiden. Dat de Kelten bij het voortschuiven der Germanen naar het westen, gelijk dat ook in Frankrijk en Britannië kon worden waargenomen, in een uithoek nog standhielden en eindelijk zich vermengden met de voortstuwende rassen, is niet onwaarschijnlijk.

Tot ongeveer het begin der 9e eeuw behoorde Zeeland tot het land der Friezen, die, zij het ook niet oorspronkelijk, dan toch als volkplantingen zich hier gevestigd hadden. De oude Friesche wetten spreken van de uitbreiding van Friesland tot aan de Sinefal in het zuiden, waaronder het thans verdwenen water het Zwin in Zeeuwsch-Vlaanderen moet worden verstaan. Uit de verbinding met Friesland zijn in Zeeland, behalve in de kleeding (zie pag. 176), nog eenige sporen van Friesche instellingen bewaard, zooals de verdeeling der landerijen naar het aantal vee, gelijk die in de oude charters voorkomt. De Zeeuwsche taal wordt beschouwd als een Friesch-West-Frankisch dialect. Ook in den lichaamsbouw wil men bij de Zeeuwen Friesche elementen zien, al komt de Friesche grondvorm er nergens zuiver voor den dag. Na den Frieschen invloed heeft in Zeeland de Zuid-Frankische gewerkt en deze heeft meer zijn bijzonderen stempel op de bevolking gedrukt.

De Friesche invloed in Zeeland hield spoedig op; in 839 strekte Friesland zich niet verder uit dan tot de Maas, zoodat Zeeland er niet toe behoorde. Zeeland kwam in nadere betrekking tot het West-Frankische Rijk en vooral tot Vlaanderen, waarmede het ook door handel en verkeer in relatie stond. Daardoor verkregen de Zeeuwsche rechten later meer overeenkomst met de Frankische en wel de Salische, dan met de Friesche, zoodat Zeeuwsch recht en Frankisch recht wel als hetzelfde werden beschouwd.

Zeeland komt als graafschap voor tusschen Vlaanderen, Brabant, Holland en Voorne gelegen, in het N. zich uitstrekkende tot de Grevelingen en de Krammer.

De vrije Heerlijkheid Voorne lag in het noorden tusschen Zeeland en Holland. In de 9e eeuw waren de eilanden van Zeeland in handen van Deensche vorsten, die het in leen hadden van Frankische koningen. Na dezen, doch niet vóór de 11e eeuw, zien wij de graven van Vlaanderen en Holland in het bewind over Zeeland. Lang een twistappel tusschen beiden, daar het in eilanden verdeeld gebied geschikt was, om bij gedeelten genomen te worden, was er in Zeeland weinig eenheid tusschen de eilanden en bestreden de Vlaamsche en Hollandsche vorsten elkander herhaaldelijk de rechten op de deelen van Zeeland. Sedert 1246 noemden de graven van Holland zich ook graven van Zeeland, doch eerst in 1323 deed graaf Lodewijk van Vlaanderen ten behoeve van graaf Willem III van Holland afstand van zijn rechten op Zeeland bewesten de Schelde (de zuidelijke eilanden). Tijdens den laatsten graaf, Filips II, bestond het graafschap Zeeland uit de eilanden Walcheren, Borsele, Zuid-Beveland, Noord-Beveland, Wolfaartsdijk, Schouwen, Duiveland, Tolen, St. Filipsland, benevens de heerlijkheid Sommelsdijk op Overflakkee en de heerlijkheid Nieuw-Vosmeer en Hinkelenoord op den Brabantschen wal.

In den tijd der Republiek maakte Zeeland een provincie der Unie uit, die zich van de Grevelingen en de Krammer tot de Wester-Schelde uitstrekte, terwijl ten zuiden der Wester-Schelde het veroverd gebied tot de Generaliteitslanden behoorde. Eerst in 1815 verkreeg Zeeland als provincie haar tegenwoordige grenzen, toen Staats-Vlaanderen als Zeeuwsch-Vlaanderen bij Zeeland werd gevoegd.

Als zelfbewuste eenheid is Zeeland eigenlijk eerst opgetreden in den tijd der Republiek. Toen gevoelden de Zeeuwen zich solidair met Holland en hun stoere, zelfstandig en individualistisch ontwikkelde krachten op de verschillende eilanden vereenigden zich met andere tot bevordering der vaderlandsche onafhankelijkheid. Hebben wij de namen der helden reeds genoemd, wij laten toch een Hollander daarover nog spreken, die dit erkennend, in 1836 zong:

'k Heb Zeeland lief, den grond, die mannen teelde, Door 't wereldrond om trouw en deugd vermaard, Die, waar de driekleur van zijn vanen speelde, Den schrik verspreidden over de aard.

Wien hunner zal mijn luit naar eisch bezingen? De Lange's [17] overmoed, of Ewouts [18] vuist, Die 't eerst den trots van Arragon kon dwingen, Medina's vloten heeft vergruisd?

Of Hollands redders, toen 't aemechtig Leyden Welhaast in 't wee, te lang geduld, verzonk, Toen bij den lof van 't nameloos verblijden Boisots [19] en Willemsz [20] eerzang klonk?

De Moor [21], vol vuur zich offrend voor uw zonen, Of Lieven [22], de eer van 't trouwe Zieriksee; En Haeck [23], wien, al te vroeg, zijn moed betoonen De stoute ziel ontvlieden dee?

Of de Evertsens [24], om 't bloed, zoo mild vergoten, Den lofzang van geheel een wereld waard; De Bankerts [25], roem en trots van Neerlands vloten, Verdedigd door hun leeuwenaard.

In 't midden prijkt, gelijk bij minder lichten Aan 't helder zwerk de zilverblanke maan, De Ruyter, voor wiens staf de volk'ren zwichtten, De schrik van d' ouden Oceaan!

In Zeeland klonk in de benarde oogenblikken der Republiek het eerst de roepstem des volks tot de Oranjes om hulp, en dat niet tevergeefs. Dit geschiedde in 1672, toen te Veere den 21en Juni de wethouderschap gedwongen werd, de belofte af te leggen, den Prins het stadhouderschap aan te bieden, en van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Een herhaling hiervan had plaats in 1747, toen, terwijl uit niets bleek, dat de groote menigte belang stelde in de verheffing van den Prins tot Stadhouder, bij het naderen van den oorlog uit de zuidelijke Nederlanden tot onze grenzen de schutterij van Veere den wensch te kennen gaf, om den Prins tot Stadhouder te verkiezen, waarna de vroedschap een besluit nam in dien zin. De overige steden in Zeeland volgden weder op het sein van Veere, hier met, daar zonder opschudding, en den 28en April 1747 werd door de Staten van Zeeland de Prins tot Stadhouder aangesteld, waarna weldra andere gewesten eveneens hiertoe overgingen. De Oranjegezindheid in Zeeland was geen politieke: zij welde op uit den boezem des volks.

Zeeland was in de eerste plaats door de natuur voorbestemd tot een land voor de ontwikkeling van scheepvaart, handel en visscherij. Reeds in den Romeinschen tijd bloeiden hier enkele gedeelten door den handel; Domburg schijnt destijds reeds een druk bezochte zeehaven te zijn geweest, zooals blijkt uit gevonden geloftesteenen. Walcheren was zeer welvarend in den tijd der Noormannen, die het in 837 brandschatten, en onderscheidene welvarende en rijke steden ontstonden hier in de middeleeuwen en in de eerste periode der nieuwe geschiedenis. Voor Zeeland geldt meer dan voor eenig ander gedeelte des lands, wat Heye schreef:

Uit zee hebt gij uw grond gewrocht, O Nederland--en wat onze oogen In uw landouw bewondren mogen, Uw rijkdom hebt ge in zee gewrocht, En uit haar diepe, wilde golven De reinste parels opgedolven.

Als visschersvolk staakt gij in zee En bracht, na strijd van tachtig jaren, Als oorlogsschatting van de baren Euroop'de Vrijheid en de Vree, En zaagt voor 't dundoek van uw kielen Elk volk in vreeze en eerbied knielen.

Zeeland was als landbouwgewest al vroeg beroemd. Toen elders op de kleigronden nog weinig akkerbouw kon gedreven worden wegens gemis van goede afwatering, kon op de Zeeuwsche eilanden, waar de ebbe elk etmaal tweemaal een lagen stand deed ontstaan van het buitenwater, het overvloedige water des lands op eenvoudige wijze zonder hulp van kunstmiddelen geloosd worden en was het land voor akkerbouw goed geschikt. Watermolens ziet men er nog weinig. De Zeeuwsche tarwe had dan ook steeds een uitstekenden naam, en in den tijd van keizer Karel V vond men hier zulke fijne moes- en ooftsoorten, dat zij, volgens den keizer, die der zuidelijke landen overtroffen.

Een belangrijk produkt van Zeelands landbouw is sedert oude tijden vele eeuwen de meekrap geweest.

Geen boekweit siert der Zeeuwen erf, Schoon ze elders de oogen vleit Door 't levend wit, met rozenverf Bekoorlijk overspreid, Maar Zeelands kleigrond voedt een plant, Wier schoon, wier heilzaam rood Voor eeuwen reeds aan 't vaderland Een tak van welvaart bood.

Nog bloeit die tak, schoon kwijnend, voort: De meekrap, hier zoo schoon, Spreidt nog in 't afgelegenst oord Haar kleur vol zwier ten toon.

Zoo zong de dichteres Petronella Moens in 1836. Thans echter is de meekrapteelt zoo goed als opgehouden en mede door bietencultuur vervangen.

De veeteelt is van minder beteekenis dan de akkerbouw; daarom wordt de opbrengst van de zuivel dan ook op onderscheidene eilanden niet anders beschouwd dan als een huishoudgeld voor moeder de vrouw. De schapenteelt is er echter van groot belang; de ziltachtige kruiden op de bij hoogen vloed onderloopende gorzen en schorren geven een bijzonder smakelijk vleesch.

Verder geeft de zee zelf een plantenvoedsel in de zeekraal (Salicornia herbacae), ook wel kaalkruid, krabbekwaad en hanepoot genoemd, die in Zeeland als groente gebruikt wordt en tevens als heilzaam geneesmiddel tegen scheurbuik dient. Het verzamelen hiervan beschrijven wij later.

Wij zullen thans onze wandelingen over de Zeeuwsche eilanden voortzetten, aanvangende bij de noordelijkste rij.

II. VAN STEENBERGEN OVER TOLEN EN ST. FILIPSLAND NAAR DUIVELAND EN SCHOUWEN.

De noordelijkste eilandenrij van Zeeland valt het gemakkelijkst van Noord-Brabant uit te bereiken.

Van Breda over Oudenbosch loopt een stoomtram naar Steenbergen en hier vangt een lijn aan, die thans de beste verbinding geeft met de eilanden. Wij zullen deze route in hoofdrichting volgen, ook al veroorloven wij ons van tijd tot tijd flinke zijuitstapjes.

Wanneer wij met den stoomtram van Oudenbosch reizen, bemerken wij al spoedig, op korten afstand ten westen van dit plaatsje, dat wij feitelijk in het delta-land zijn aangekomen. Al bevinden wij ons hier thans in het midden van het land, al schuimen nergens in de nabijheid de woedende wateren, het vette kleiland, door onderscheidene hooge dijken doorsneden, hoe achteloos kalm ook in cynische rust gelegen, zij beide wijzen duidelijk aan, dat hier eens de golven het vruchtbare slib hebben aangevoerd, waarop de schoone tarwe en bieten worden verbouwd. Doch al is het feitelijk in het deltaland, het water heeft hier zijn gaven van nieuwland nog aan den zandbodem van Noord-Brabant vastgehecht.

Wij naderen Steenbergen, waar de zandgronden in een rug tusschen de kleigronden vooruitschuiven, een laatste worsteling tusschen Diluvium en Alluvium. Stil en vergeten ligt daar het oude stedeke; in zijn straten heerscht diepe rust. Merkwaardigheden zoekt ge vruchteloos in deze plaats, al zou de hooge ouderdom der stad hier allicht iets uit het verre verleden doen vermoeden, want volgens de meening van enkele historieschrijvers zou de nederzetting te dezer plaatse haar oorsprong te danken hebben aan een tolhuis, dat in 603 aan het kanaal, gegraven van Strienemonde tot Strienham, door zekeren Strenius, landvoogd van dit gewest, gebouwd werd. In elk geval was Steenbergen in de 14e eeuw een vrij aanzienlijke koopstad, die handel dreef op Engeland en Denemarken. De nederzetting was toen veel grooter dan thans. Doch met het aanslibben van het delta-land gingen de voordeelen van haar ligging aan de groote stroomen verloren. Er vormde zich een voorland voor Steenbergen; de plaats werd een landstad, en de handel ging hiermede teniet. En toen in 1365 een zware brand de stad trof en bijna geheel vernielde, werd zij wel herbouwd, maar binnen een engeren ringmuur dan vroeger. Men verhaalt, doch dit lijkt niet waarschijnlijk, dat het nieuw herbouwde Steenbergen nauwelijks een tiende gedeelte van zijn vorige grootte zou verkregen hebben.

Steenbergen was destijds een vesting, maar slechts een enkele muur omringde de stad, en in den tijd van den tachtigjarigen oorlog was zij niet in staat aan de belegeringen van den hertog van Parma in 1583, en later aan die van Prins Maurits in 1590, tegenstand te bieden. Eerst in 1629 werd zij volgens de beginselen der nieuwere vestingbouwkunde versterkt met een aarden wal. Hiervan is echter niets meer over dan enkele sporen van den omtrek; Steenbergen ligt thans open en is een onbeduidend landstadje met ruim 2000 inwoners, die hoofdzakelijk hun bron van bestaan vinden in de landelijke omstreken en door de beetwortelsuiker- en stoommeelfabrieken. Architectonisch schoon zoekt men vruchteloos in het oude plaatsje; het was reeds economisch te gronde gegaan, vóór de Hollandsche bouwkunst zich tot haar typische schoonheid ontwikkelde. De burgerhuizen, ruim gebouwd met breede gangen, staren wezenloos en als zonder karakter op de stille straten.

Wij volgen de lijn van den tram, die de jonge polders van noordwestelijk Noord-Brabant naar Nieuw-Vosmeer doorsnijdt. Over 't geheel is dit een weinig aantrekkelijk landschap. Maar hoe eentonig ook, een bron van produktieve levenskracht is in dien vetten aardbodem verborgen. Vóór 500 jaren lag de noordwestelijke hoek van Noord-Brabant tot dicht bij Steenbergen nog bijna geheel onder water: een woeste vlakte met slikken en platen, bij vloed één waterzee, welker golven woest over de ondiepten heenstroomden, terwijl bij ebbe de slibberige gewassen grijsglanzend uit het water kwamen opduiken.

Eerst langzamerhand drong de dijkenbouwende bevolking in deze vlekken door, en van tijd tot tijd werden de nieuwe gedeelten door den mensch geannexeerd voor het bedrijf, die zich het best er toe leenden. Het eerst werden de Nieuw-Vosmeersche en de Nieuwe Heipolder, waarlangs de trambaan loopt, in 1433 bedijkt (herdijkt in 1565). 't Was een eiland, midden in het water, door de bewoners van Oud-Vosmeer op Tolen bedijkt en zeker ook grootendeels bevolkt. Daardoor werd Nieuw-Vosmeer als polder tot Zeeland gerekend, hoewel door het breede water der Eendracht er van gescheiden, en tot 1809 bleef Nieuw-Vosmeer een Zeeuwsch dorp, dat eerst in dat jaar provinciaal tot Noord-Brabant gebracht werd. In natuurkundigen zin echter zijn wij hier reeds in Zeeland.

Door het verloopen en dichtslibben der wateren rondom den genoemden oudsten polder hadden naar alle kanten nieuwe bedijkingen plaats: de Oude Heipolder in 1515, de West-Graaf-Hendrikpolder 1528-1538, de Heenepolder in 1610, de Boerengors 1630, de Heerenpolder 1633, de Oude Vlietpolder 1649, de Noord-Heenpolder in 1655. Zoo is, stukje na stukje, de noordwesthoek van het oude Noord-Brabant aangegroeid met delta-land, van een geheel ander karakter dan de echte Brabantsche grond, en Steenbergen was aldus geheel een landstadje geworden.

Het landschap van Steenbergen tot Nieuw-Vosmeer biedt weinig afwisseling aan. Uitgestrekte, vruchtbare bouwlanden ziet men aan beide zijden, effen, met geen andere afwisseling in het relief dan de dijken, die de geschiedenis des bodems aanwijzen als de jaarkringen van de boomen des wouds. De boerenhuizen staan op zichzelf, meestal tusschen eenig geboomte, over de velden verstrooid, typen van groote landbouwhuizen. In den zomer overdekt een donkergroen dit landschap door de velden, met beetwortels beplant, die er hun breede bladen uitspreiden, afgewisseld met tarwevelden, ajuin en enkele weiden. 't Is hier een echte landbouwstreek.

Zoo bereiken wij Nieuw-Vosmeer, bijna op de grens van Noord-Brabant, een flink dorp, in de lengte langs den dijk gebouwd, waarboven de roode pannendaken uitkomen. Een weinig ten noorden van het dorp den blik naar het westen richtend zien wij links vóór ons het eiland Tolen, rechts St. Filipsland.

Wij laten ons eerst naar Oud-Vosmeer overzetten, om een kijkje te nemen op het eiland Tolen. Starende van den hoogen dijk over het land, blijkt het ons, dat dit eiland uit onderscheidene polders is aaneengevoegd, alle verschillende tijdperken van bedijking aanwijzend. Het eigenlijke Land-van-Tolen is een der oudste eilanden van Zeeland en wordt gerekend onder de landen, die sedert 850 bedijkt zijn, al kent men het juiste jaar niet. In de 13e eeuw bestond Tolen uit tal van kleine eilanden, die allengs door bedijkingen aan elkander werden gesloten. Door het bedijken van het noordelijk deel van den Pluimpot werden in 1556 de oostelijke ambachten aan de westelijke verbonden, en ook in de volgende eeuwen zetten de aanwinst van land en de aaneensluiting zich voort.

Van het nette dorp Oud-Vosmeer, langs den dijk, bereikt men weldra het stadje Tolen met ongeveer 3000 inwoners, een oude vesting, waarvan de wallen en grachten nog gedeeltelijk zijn overgebleven. Het is een aan elkander gebouwd plaatsje, met een ruime markt, terwijl onderscheidene oud-Hollandsche gevels den straten een vriendelijk karakter geven. De kerk met haar vierkanten toren en stompe spits ligt tusschen hoog geboomte. Het oude stadhuis is een smal en hoog gebouw van arduin, met een dubbelen arduinsteenen opgang en vier verdiepingen hoog; de trans is als van schietgaten voorzien en het torentje met hooge spits draagt een speeluurwerk.

Tolen is waarschijnlijk opgekomen als een tolhuis van den hertog van Brabant, dat hier gebouwd werd aan de Eendracht, eens een druk bevaren water. De naam der stad staat met tol in verband. In de eerste helft der 13e eeuw kwam de plaats in het bezit der Graven van Holland en Zeeland, die er een steenen huis voor den ontvanger van den tol lieten bouwen, en aan het tolhuis ontstond een nederzetting, die in 1335 de vrijheid verkreeg, om stapelvrij koren en haver Holland binnen te voeren. In 1431 hebben eenige Brabantsche kooplieden vele aanwassen en schorren om het Oude dorp van het land van "Ter-Tholen" laten bedijken en zoo verkreeg de nederzetting een handelsgebied op het aanwassende eiland. Daardoor had Tolen in 1438 zooveel beteekenis erlangd, dat het, evenals Reimerswaal, Kortgene, Goes, Vlissingen e. a. steden, een oorlogsvloot moest uitrusten tegen de Oosterlingen. Toch kon de plaats zich niet verheffen boven den rang van een landstadje met winkelnering van een klein eiland. De visscherij, die er vroeger levendig was, is meest naar Bergen-op-Zoom verplaatst.

Van Tolen doorkruisen wij het eiland over Poortvliet, een boerendorp, naar Scherpenisse, een steedsch gebouwd dorp, en St. Maartensdijk. De twee laatstgenoemde plaatsen lagen vroeger aan het breede water den Pluimpot, dat het land van Scherpenisse van dat van Tolen scheidde, doch boven genoemde plaatsen in 1556 reeds is ingedijkt tot een smalle kreek en alleen in het benedengedeelte door een smaller water nog met de Ooster-Schelde is verbonden. St. Maartensdijk was vroeger een smalstad, een stad met beperkte rechten; het is thans een flink dorp met een groote markt, die door boomen overschaduwd is. Het is een vrij drukke marktplaats van het eiland. De kerk dagteekent van vóór de Hervorming; men vindt er een praalgraf van Frederik van Borsele uit 1470, dat zeer geschonden is.

In de nabijheid verrees vroeger het adellijk huis "het hof te St. Maartensdijk", een oud, aanzienlijk gebouw, aan den voorkant met een ruim plein, waartoe een groote voorpoort toegang verleende. Een breede gracht omringde het slot met zijn stallingen, tuinen en bosschen. Vroeger was dit slot de woning van den Graaf van Oostervant; Frank van Borselen, de laatste gemaal der ongelukkige Jacoba van Beieren, verkreeg dezen titel en was heer van St. Maartensdijk. In de groote kerk van het dorp zou het geheime huwelijk tusschen Frank van Borselen en Jacoba van Beieren gesloten zijn. Op de plek van het slot, waar vóór een halve eeuw nog uitgestrekte bosschen gevonden werden, staat tegenwoordig slechts een arbeiderswoning, en een gemetselde kelder is het eenige overblijfsel van het eens zoo sterke gebouw.