Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 17
Op eenige minuten ten O. van hier ligt het oude stedeke Geervliet, een der oudste heerlijkheden van Holland, die reeds omstreeks het jaar 1000 haar bijzondere heeren had. In den tijd, toen de Bernisse nog een breed en goed bevaarbaar water was (in 1550 werd zij beschreven hier de breedte van de Merwede bij Dordt te bezitten), was Geervliet een aanzienlijke stad, met muren omringd en van poorten voorzien. Thans is het een stil plaatsje, hoewel met nog iets stedelijks over zich. De oude kruiskerk, reeds vóór 1307 bekend, is veel te groot voor de tegenwoordige plaats en wordt in tweeën verdeeld, waarvan het eene deel tot bergplaats dient. Hier vindt men in het koor nog de overblijfselen der oude graftombe, waarop heer Nicolaas van Putten en zijn huisvrouw levensgroot zijn afgebeeld in Namensch marmer, waarbij in het Latijn een randschrift geplaatst is, dat, vertaald, aldus luidt: "Aleid, die een spiegel en bloem der zeden en een moeder der eere onder het menschdom was, ligt nu in het graf. Ik bid, o, Christus, dat zij Uwer geniete en U lof toezwaaie. Overleden 1316". Van het grafschrift ter eere van den heer van Putten zijn de letters onleesbaar geworden.
De versterkingen van Geervliet bestaan sedert lang niet meer, en ook het Slot van Putten, soms wel Huis-van-Geervliet genoemd, uit de 12e of 13e eeuw, dat naast de kerk stond, is gesloopt, doch de plek is nog te kennen in het grasland.
Langs den vroegeren loop der Bernisse zouden wij nog de oude dorpen Abbenbroek en Zuidland kunnen bezoeken, doch zij bieden niets merkwaardigs aan. Wij keeren terug naar Nieuwesluis en volgen over Zwartewaal den weg naar Brielle. Zwartewaal is een eenvoudig landbouw- en visschersdorp, waar echter de visscherij in den laatsten tijd te niet is gegaan. Het dorp is hoofdzakelijk langs den dijk aan de haven gebouwd met eenvoudige huizen zonder iets belangrijks. Alleen bieden wij van deze plaats onzen reisgenooten een typisch riviergezicht aan, zooals dit zich vertoont van de haven. Wij volgen verder den kronkelenden, eentonigen rijweg, die met groote bochten over de dijken tusschen de polders door loopt, en bereiken aldus weldra Brielle, de oude (met ruim 4000 inwoners) hoofdstad van Voorne, thans nog een vesting aan den Maasmond. De Maas, die hier sedert eeuwen een aanzienlijk gedeelte van het Rijnwater naar zee loosde, is echter sinds een honderdtal jaren deerlijk in verval, en dit neemt toe, sedert Rotterdam zijn waterweg heeft verkregen en den stroom van het Rijnwater daarlangs leidt, om dien diep te houden. De breede mond van de Maas, in welks nabijheid Brielle ligt, slibt meer en meer dicht, en groote zeeschepen ziet men niet meer op dit water. Alleen de visschersschepen maken nog gebruik van dezen toegang uit zee.
Brielle ligt in een eenigszins langwerpig ronde gedaante door zijn vestingwerken ingesloten en is door een haven met den Maasmond verbonden. De hoofdstraat loopt in ongeveer noordelijke richting door de stad, die verder door grachten doorsneden wordt. Hoewel de plaats vriendelijke, schilderachtige stadsgezichtjes aanbiedt, is Brielle toch niet zoo rijk aan merkwaardige bouwgewrochten uit den bloeitijd onzer Republiek als vele andere steden.
Het belangrijkste gebouw is de Hervormde kerk, oudtijds aan de H. Catharina toegewijd en daarom veelal Catharina-kerk geheeten. Deze kerk, in Gothischen stijl, met kleine, in lood gevatte ruitjes, heeft een vierkanten, zwaren toren, die stomp eindigt en, hoewel hij niet ver boven het kerkdak uitsteekt, toch ongeveer 75 meter hoog is. Uit een opschrift onderaan den toren blijkt, dat hij in 1417 gesticht is, in 1456 instortte en in 1462 weder werd opgericht. Van dezen toren heeft men een uitzicht over het geheele land van Voorne. Door deskundige restauratie, in 1901 voltooid, is de toren geheel in zijn ouden toestand teruggebracht. De kerk is aan het eene einde stomp afgebroken en vertoont daar de doorsnede van het groote gebouw met zijn zijbeuken; de muur is geheel met klimop begroeid. In de kerk vindt men het marmeren praalgraf van den Luitenant-Admiraal Filips van Almonde, in 1644 hier geboren.
Van de overige gebouwen, die bezienswaardig zijn, wijzen wij nog op het weeshuis, een groot gebouw met vier voorgevels, in 1557 gesticht uit een gedeelte der nalatenschap van den Heenvlietschen pastoor Angelus Merula (zie pag. 178) of Engel Willemsz. de Meerle, wiens afbeeldsel hier bewaard wordt; de stichting is rijk aan fondsen.
Brielle is van zeer hoogen ouderdom, hoewel de oudste oorkonden, die er melding van maken, niet vóór 1280 gaan. In dit jaar verkreeg de stad van Graaf Floris V vrijheid van tollen. De voorrechten der stad, het recht om vuurbakens te plaatsen voor de rivier, de verlichting van de Dordtsche stapelrechten (1394) en de ligging aan den riviermond, die toegang verleende tot Holland en verder naar den Rijn, dit alles deed Brielle opkomen als handelsstad en verleende de plaats strategische beteekenis. Op Den Briel hadden de Watergeuzen het dan ook gemunt, toen zij nabij den mond der Maas kwamen, en het bleek later, dat de victorie, die zij op den 1en April 1572 met de verovering dezer stad behaalden, grooter was in haar gevolgen dan zij aanvankelijk vermoedden. De inneming van Den Briel werd de dageraad van de Nederlandsche volksvrijheid, en drie eeuwen later werd die gebeurtenis schier overal in den lande met feesten herdacht. Ter herinnering aan die gebeurtenis werd een gedenkteeken opgericht, bestaande in de Vrijheidsnimf. Doch van hooger waarde is het Asyl voor Zeelieden, eveneens tot herdenking aan de inneming van Den Briel gesticht.
Een tijdlang is Brielle door de Engelschen bezet geweest. In 1585 werden voor de hulp, door Leicester verleend, Brielle, Vlissingen en Rammekens aan Engeland verpand, dat er bezetting in legde, welke daar tot 1616 bleef. Johan van Oldenbarnevelt wist in laatstgenoemd jaar te bewerken, dat de stad van het pandschap ontheven werd, een belangrijke daad, daar er geheime plannen bestonden, die de vernieuwde overlevering van Den Briel in Spaansche handen ten gevolge konden hebben.
Den Briel is de geboorteplaats van den zeeheld Marten Harpertsz. Tromp.
In de nabijheid der stad, binnen de vesting, ligt in een weiland een put, aan de heilige martelaren van Gorkum gewijd. Naar dezen put had in 1867 het eerst een bedevaart van Katholieken plaats, die sedert sterk is toegenomen, en vooral in 1872, om toen een tegenhanger te vormen van de vrijheidsfeesten ter herdenking der inneming.
Ten westen van Brielle, aan den voet der duinen, die gedeeltelijk met bosch begroeid zijn, ligt het vriendelijk dorp Oost-Voorne, op de zandgronden, in een schilderachtige omgeving. Het dorp heeft in zijn ligging en natuurkarakter wel iets van Domburg en is eveneens een badplaatsje, hoewel nog niet van die beteekenis. In den zomer voeren des Zondags en op vacantiedagen de booten van Rotterdam tal van bezoekers aan, die een dagje in het duin en aan zee willen vertoeven.
Oost-Voorne ligt in een afwisselende schakeering van bosschen, tuinen, wei- en bouwland, de afzonderlijke landstukken afgesloten door singels van hakhout. Bij den ingang van het dorp ligt een heuvel, de "Burg" genoemd, waar oudtijds een sterk kasteel stond. In de ruime kom van het dorp met een overschaduwd plein, een soort van "bosch", verrijst de oude kerk, een Gothisch gebouw met kleine, in lood gevatte ruiten. Aan den zeekant liggen de bosschen van Middenburg en verder noordelijk het hôtel "Ons Genoegen". Van hier bereikt men spoedig het punt, waar de in 1743 gebouwde steenen koepel Zeeburg van het hoogheemraadschap op de duinen verrijst en heerlijke uitzichten biedt op de zee en den Maasmond aan den eenen kant, en op het schoone eiland aan de andere zijde. Het breede strand biedt hier het rijke duin- en zeegenot in vollen overvloed.
Van Oost-Voorne volgen wij den weg, eerst vol afwisseling langs den duinrand, later meer door de eentonige polders, naar het dorpje Rokanje. Dit plaatsje is sedert lang bekend door het "meertje van Rokanje", een plas in een weiland, waar een kleine kalkformatie in aangroeit. De bewering, dat hout, hierin geworpen, versteent, is niet juist.
Verder door het polderland met bloeienden landbouw en veeteelt slingert de weg over de dijken oostwaarts en zoo bereiken wij eindelijk bij het dorp Nieuwenhoorn, den breeden, door olmen overschaduwden Rijksweg, die van Den Briel naar Hellevoetsluis loopt. Aan beide zijden strekken zich vruchtbare gras- en bouwlanden uit en in het westen doemt het dorpje Nieuw-Hellevoet op met zijn vrij hoogen toren. Weldra bereiken wij Hellevoetsluis.
Hellevoetsluis was in oude tijden een klein gehucht van eenige huisjes, gebouwd bij het aanleggen van de sluizen, waardoor eenige polders van Voorne uitwaterden. Twee dezer sluizen liepen naar de haven, waaruit men van Voorne naar Over-Flakkee en Zeeland overvoer. Voor dit doel lagen de sluizen zeer geschikt; de haven werd verbeterd en in 1598 werd hier een hoofd gebouwd. Sedert zijn van tijd tot tijd aan de haven en de sluis aanmerkelijke kosten tot uitbreiding besteed, en omstreeks 1662 werd hier een versterking aangebracht, de eerste aanleg van de vesting, die in 1696 verbeterd werd tot een sterke oorlogshaven. Uit de haven van Hellevoetsluis zijn de vloten van de Ruyter menigmaal uitgeloopen en van hier stak in 1688 Prins Willem III over naar Engeland, om er de koningskroon te verwerven. Doch vooral kwam Hellevoetsluis tot beteekenis door het graven van het Voornsche Kanaal in 1827, waardoor het de voorhaven van Rotterdam werd. Evenals het Nieuwediep voor Amsterdam, zou ook Hellevoetsluis voor de handelsstad aan de Maas weldra die beteekenis verliezen. Na de opening van den Nieuwen Waterweg kwam Hellevoetsluis tot stilstand en ging het achteruit.
Hellevoetsluis is in de lengte gebouwd aan de haven, die van den riviermond rechthoekig in het land doordringt, en wordt geheel door grachten en wallen omringd. Het plaatsje ziet er burgerlijk uit; op merkwaardige gebouwen valt niet te wijzen. Belangrijk zijn bovenal de haven met het droogdok, de sluizen van het Voornsche Kanaal ten oosten buiten de stad, 's Rijkswerf, het zeemagazijn tot uitrusting van oorlogsvaartuigen en het instructie-vaartuig voor zeelieden.
Wij keeren van Hellevoetsluis met de boot terug naar Rotterdam, doorsnijden het land van Voorne over het kanaal, dat tusschen zijn hooge dijken als over het land gelegd is, over de Botlek en de Nieuwe Maas verder en stappen weer aan wal in de Rottestad, om van daar naar IJselmonde over te steken.
III. IJSELMONDE EN BEIERLAND.
Het eiland IJselmonde ligt niet zoo geïsoleerd meer als voorheen. Sedert 1872 doorsnijdt de spoorweg dit eiland en is de Maas bij Rotterdam ook voor voetgangers overbrugd.
Zelfs heeft Rotterdam zijn handelsbeweging en scheepvaartsverkeer voor een groot gedeelte uitgebreid over de Maas, en Katendrecht en Charlois bij de stad getrokken. Het dorp Charlois is grootendeels vergraven in de nieuwe Maashaven. Ten oosten en ten westen van Rotterdam hebben IJselmonde en Pernis hun zelfstandigheid nog gehandhaafd, al staan ook zij meer of minder onder den economischen en socialen invloed van Rotterdam.
IJselmonde is een eenvoudig dorp, in hoofdzaak langs den dijk gebouwd. Pernis is een lang streekdorp, gebouwd langs en naast den dijk, in een eenigszins verwarde bouworde, onregelmatig door elkander. Van Pernis wordt gezegd: "Een ploeg en een visch, Is het wapen van Pernis", maar dit is slechts ten deele waar. Boeren wonen er weinig; Pernis is meest een visschersdorp, terwijl er ook vele arbeiders, die in Rotterdam of op het land werken, gevonden worden. Ofschoon de visschers zich in kleeding van de andere bewoners van IJselmonde onderscheiden, hebben de visschersvrouwen Overmaasche kleederdracht.
IJselmonde is een vruchtbaar en schoon eiland en komt in zijn physionomie veel met Beierland en Voorne-Putten overeen. Polder grenst aan polder, alle gescheiden door hooge dijken, die tevens de rijwegen vormen. Die wegen, meest met olmen beplant, terwijl aan den lagen voet en langs de slooten de knotwilgen met hun bleeke puntbladeren zich verheffen, geven een eigenaardig cachet aan het eiland, dat men hier niet verwachten zou. Over die wegen rijdend, openen zich heerlijke gezichten op het landschap, in onregelmatige kommen gelegen, en in den zomer met het frissche groen van klaver, tarwe of andere landbouwplanten overdekt. In den voorzomer, als het bloeiende vlas het algemeen groene tapijt afwisselt met velden van zacht blauw, zijn deze gewesten onuitputtelijk in eenvoudig natuurschoon.
Verrukkend aanschouwen! Die frissche landouwen, Versierd met een weelde van rijpend gewas! Die bloeiende rijkdom, die groeiende zegen, Hoe lacht hij u tegen In 't golvende vlas! Hoe klopt u het hart, om de schoonheid te roemen Dier levende zee, die daar wiegt op den wind, Besprenkeld met duizenden bloemen, Door 't blauw van den hemel getint!
Aldus schetst Ten Kate den indruk dier vlasvelden.
De vlasteelt is op deze eilanden echter niet meer wat zij vroeger was. Voor een kwart eeuw werd niet alleen op deze eilanden veel vlas verbouwd, maar woonden hier ook tal van vlassers, die het in Groningen, Friesland en Zeeland gezaaide vlas kochten, gedeeltelijk zelfs, terwijl het in groei stond, en het naar deze eilanden vervoerden, om het te bewerken. Tal van groote schuren herinneren nog daaraan. Dit bedrijf is door de lage prijzen van het vlas veel verminderd en op enkele plaatsen bijna geheel opgehouden. Eerst in den laatsten tijd komt hierin weer meer vooruitgang.
Wij zullen wegens gemis van ruimte niet alle dorpen en deelen van deze eilanden bezoeken, doch moeten ons met den algemeenen indruk van het landschap tevreden stellen. Alleen op een enkel gedeelte willen wij nader de aandacht vestigen. Het is op de Oude Waal, een afgedamden riviertak, welke de Zwijndrechtsche Waard van de Riederwaard scheidt. Tot 1331 liep hier een tak langs van de Merwede, of eigenlijk beter de Waal te noemen, want de Merwede is oorspronkelijk voornamelijk de voortzetting van de Waal. Dordrecht was aanvankelijk van het land van de Zwijndrechtsche Waard slechts door een smal water gescheiden, dat door overstroomingen, in welken tijd is onzeker, veel verbreed werd. Toen dit geschied was, ging de hoofdstroom der rivier langs dien korteren weg, en de oude bocht ten N. van de Zwijndrechtsche Waard werd door den stroom verlaten. Het water slibde gedeeltelijk dicht en eindelijk werd hij in het oosten afgedamd door den Waaldam of Oostendam in 1331, later ook in het westen.
Sedert dien tijd is deze oude Waal een aan beide einden afgesloten en stilstaande waterarm, die nog een aanzienlijke breedte heeft, maar gedeeltelijk met waterplanten bedekt is en door knotwilgen, griendhout en andere struiken langs de oevers des zomers in een krans van groen gehuld wordt. Schilderachtig is het gedeelte, dat van het dorpje Rijsoord naar het oosten loopt. Een veelheid van licht- en schaduweffecten met allerlei kleurenmengeling spreidt zich uit over dit stille landwater, dat schier bij elke bocht door nieuwe, intieme bekoringen trekt. De Waal schept eenige landschappen van stille liefelijkheid, waar avond en morgen hun schoonste tinten tooveren, waar geen storm bruist, maar de innerlijke vrede der in 't groen gehulde wateren u toespreekt uit het zachte golf gewiegel. Het hôtel Rijsoord, aan de Waal gebouwd, met het uitzicht op het dorpje, dat in droomerige rust langs den anderen oever gelegerd is, biedt reeds een voorsmaak van het zich openbarende natuurschoon langs de Waal. Door dit echt Hollandsche schilderachtige is Rijsoord een internationaal plekje, waar Engelschen, Belgen, Duitschers, Franschen en Amerikanen komen, om er de elementen van het laaglandsche natuurschoon te leeren kennen en op 't doek te brengen.
Beierland en de Hoeksche Waard bieden hetzelfde landschapsbeeld aan. Ook hier vindt men nog een binnengedijkten stroomtak in het land, nl. een deel van den ouden Maasloop, zooals die vóór de overstrooming in 1421 nog door de Groote Zuid-Hollandsche Waard liep. Tal van flinke dorpen zijn over dit vruchtbare eiland verspreid. Het aanzienlijkste is wel Oud-Beierland, een levendig dorp met veel handel op het eiland, in het noorden langs den dijk gelegen en met een haven, die in de Oude Maas uitmondt. Oud-Beierland, oudtijds Beierland geheeten, is een aanzienlijk dorp, hoofdzakelijk een dijkdorp, maar met een kom aan de haven, waar ook het stadhuis verrijst met hooge pui en renaissance-gevel, waarop leeuwen de wapenschilden dragen. Het portlandcementpleister maakt, helaas! de muren onoogelijk. In de kerk dezer plaats, welk gebouw echter geen architectonische waarde bezit, vindt men geschilderde glazen en een fraai orgel; de toren is gebouwd op kosten van Sabina van Beieren in 1604.
Beierland is het land van de kriekenteelt, de late zwarte kersen, die van hier verzonden worden.
Met de stoomtram kan men Beierland doorsnijden naar Numansdorp, een aanzienlijk boerendorp in het zuiden van het eiland. Wij zullen bij de overige dorpen niet stilstaan, omdat zij weinig belangrijks ter bezichtiging aanbieden en veel op elkander gelijken. Wel moeten wij de opmerking maken, dat het aantal arbeiderswoningen in deze dorpen der landbouwstreken veel aanzienlijker is dan in de gewesten, waar de veeteelt overheerschend is. Dit ligt in den aard der zaak: de landbouw eischt veel werkkrachten, die de veehouder slechts tijdelijk noodig heeft. Met een groote moeielijkheid heeft de landbouw echter hier te kampen, vooral op IJselmonde. De nijverheid langs de Maas en de Noord onttrekt vele werkkrachten door de hoogere loonen, welke de fabrieken kunnen betalen, aan het platteland, zoodat daar niet zelden groot gebrek aan boerenarbeiders ontstaat.
IV. GOEDEREEDE EN OVERFLAKKEE.
Wij willen nog een bezoek brengen op Goedereede en Overflakkee, het zuidelijkste der Zuid-Hollandsche eilanden, tevens het meest geïsoleerde, dat door de breede wateren van het Haringvliet, Volkerak, Krammer, Grevelingen en Brouwershavensche Gat wordt ingesloten. Wij nemen van Numansdorp een der booten, die passeeren naar dat eiland. En terwijl wij op het breede water ronddobberen en de hooge dijken van Overflakkee langzamerhand zien oprijzen in hun ware gedaante, verplaatsen onze gedachten zich eenige eeuwen terug. Wanneer wij ons voorstellen, dit land in het begin der 13e eeuw te zien, dan zouden wij van het gedeelte, dat Overflakkee heet, nog weinig anders bemerken dan enkele kleine eilandjes met lage kaden omringd, en eenige bij eb droog vallende platen. Alleen in het westen aan de Noordzee lag tegen den binnenkant der duinen een beter bewoonde plek, West-Voorne geheeten, en op een hoogere strook vond men hier een dorpje, (Ouddorp) terwijl het water binnen het duin aan visschers en schippers een veilige ligplaats aanbood. Valt het te verwonderen, dat hier een plaatsje ontstond, hetwelk naar de gesteldheid der haven den naam Goedereede droeg?
Doch gelijk in het geheele delta-land zette ook hier de aanslibbing zich voort. De kleine eilandjes groeiden aan, de platen slibden op, en de ondernemende dijkers kwamen, om de stukken lands, welke de stroomgod uit de baren deed oprijzen, voorgoed aan het water te onttrekken. De eilanden vermeerderden; de slikken tusschen de eilanden werden vervolgens bedijkt, en aldus sloten de eilandjes aan elkander, vormden, vereenigd, grootere eilanden. Omstreeks 1750 bestond het land, dat wij vóór ons zien, uit twee eilanden: Overflakkee en Goedereede, enkel nog gescheiden door een reeks van platen, van eenige diepere geulen doorsneden. Doch ook deze zouden weldra met het land verbonden worden: in 1751 werd een dam gelegd, welke de beide eilanden Goedereede en Overflakkee vereenigde, en langs dien dam ontstonden aanwassen, die allengs ter bedijking gegeven werden. Zoo zien wij in den loop der eeuwen dit eiland opkomen uit de wateren en aanwassen tot zijn tegenwoordige gedaante.
Wij bevinden ons reeds bij het eiland en de boot loopt de lange haven van Middelharnis en Sommelsdijk binnen. 't Is een kanaal van ongeveer 20 à 25 minuten gaans lengte, tusschen de polders.
In de 18e eeuw lagen genoemde beide plaatsen nog aan het buitenwater, maar door aanslibbing en de inpoldering van 1808 moest de haven verlengd worden, zoodat zij thans bijna een half uur er van verwijderd liggen.
Middelharnis daar vóór ons is gebouwd aan het eind van de haven, tegen en achter den vroegeren buitendijk. In de 18e eeuw werd Middelharnis al onder de schoonste dorpen van Zuid-Holland gerekend en wie het dorp met zijn vele nette heeren- en burgerhuizen, met zijn levendige kade en Voorstraat thans ziet, moet erkennen, dat die karakteriseering nog juist is. De onmiddellijke nabijheid van Sommelsdijk, de aanleg van de stoomboot en de visscherij maken het tot een bedrijvige plaats.
Te Middelharnis bezoeken wij het raadhuis, in 1639 gebouwd, met een torentje, midden op het dak verrijzend, en in den voorgevel het wapen van het dorp, den ridder St. Joris vertoonende, die den draak doorsteekt, terwijl men er drie beelden vindt, de Gerechtigheid, de Voorzichtigheid en de Liefde voorstellend. Wanneer we langs de dubbele trap in het ruime voorportaal de flinke raadzaal betreden, zien wij daar o. a. de copie eener schilderij van Hobbema, "het laantje van Middelharnis" voorstellende. Het oorspronkelijke stuk, dat zich hier eens bevond en in 1822 tegen een tweetal schilderijen zonder artistieke waarde werd verruild, is thans een der kunstschatten der Londensche Nationale Galerij. Op den zolder van het raadhuis hangt een kano, waarvan men de afkomst niet weet.
Achter het raadhuis staat het kerkgebouw der Hervormden, in Gothischen stijl; het schijnt te zijn gebouwd met de bedijking. Een groot en flink gebouw is het Provinciaal Gereformeerde Weeshuis.
Sommelsdijk sluit zich ongeveer aan bij Middelharnis. Het is een lange straat met veel kleine huizen, langs den dijk gebouwd, terwijl de plaats zich uitbreidt met eenige dwarsstraten tot een kom, welke er net, vriendelijk uitziet, met woningen, die op welvaart wijzen. Vooral de Voorstraat, met flinke heerenhuizen en door geboomte beschaduwd, maakt een aangenamen indruk.
Architectonisch merkwaardige gebouwen bezit Sommelsdijk niet. Bij den brand van 1799 werd de fraaie kerk een bouwval. In het koor dezer kerk vond men de graftombe van François Aerssen, heer van Sommelsdijk, den eersten ambassadeur der Republiek aan het hof van Frankrijk, overl. 1641. Dat koor is een ruïne gebleven, waarvan de overblijfselen nog te zien zijn, midden tusschen de woningen van het dorp, door een ijzeren hek afgesloten, terwijl een poort met "Memento mori" den grafkelder van het aanzienlijk geslacht aanwijst.
Wij passeeren het flinke landbouwdorp Dirksland, het dorp Stellendam, gebouwd in 1782 aan den dam, die de beide eilanden sedert 1751 verbond en door inpolderingen werd uitgebreid, een dorpje, welks geschiedenis belangrijk is door de vele inbraken der zee, welke met buitengewone energie en standvastigheid bestreden werden en tot overwinning op het woedende water leidden, en bereiken te Ouddorp de geestgronden achter de duinen.
Wij bemerken onmiddellijk uit het gebied der polders met dijkdorpen op dat der vastere gronden te zijn gekomen en vertoeven hier in een oude nederzetting, zooals de tufsteenbouw van het oudste gedeelte der kerk reeds aantoont. Deze kerk is in haar tegenwoordige gedaante gesticht in 1838; zij staat op een open plein, met olmen en kastanjes beplant, en is rondom door huizen omringd. De zware toren is van de kerk gescheiden. De omstreken van Ouddorp bieden een vriendelijke afwisseling in de natuur van het eiland en worden dan ook veelvuldig door de bewoners der polders bezocht, om de bosschen te doorkruisen, de duinen te beklimmen en de zee te zien. Vroeger werden er onderscheidene buitens in deze schoone streek gevonden, doch thans zijn die verdwenen.