Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 16
Maar de bewoners der hooge gronden van Brabant, die van den hoogen zoom des lands in de uitgebreide Zeeuwsche wateren staarden en ook den slappen Hollandschen veenbodem aan den noordkant hunner provincie kenden, welke voor een groot gedeelte in den Biesbosch was ondergegaan, zagen die naburige, onzekere landstreken met een soort van medelijden aan en maakten zich hun schrale zandgronden daardoor tot een meer begeerlijk oord, waarop zij rijmelden:
"Neerlandt, eellandt, Hollandt, bollandt, Zeelant, geen landt, Ik houwe het met den Heykant".
De bewoners der eilanden evenwel dachten er anders over. Op de oude kernen, geïsoleerd in de wateren en langs den duinkant, hadden zich ongetwijfeld Friezen gevestigd, echte zwervers over de zeeën en onverschrokken waterbouwers der oudheid, die zich in de lage, moerassige kustlanden thuis gevoelden en ook in het noorden van ons land reeds in den oudsten tijd dijken wist te bouwen. De zonen of verwanten van dat ras op de eilanden in het deltagebied deden hetzelfde. In den oudsten tijd bouwden zij hier ook hun terpen, die echter enkel als vluchtheuvels dienst deden en waarvan vele nog op Walcheren, Schouwen, Duiveland, Tolen en Zuid-Beveland voorkomen, gelijk Dr. de Man heeft onderzocht en in kaart gebracht.
Die vluchtheuvels of hillen vertegenwoordigen het eerste stadium van de bewoning der eilanden in deze gewesten. Het waren geen vaste woonplaatsen--die had men op de hooge gronden langs de duinen--maar tijdelijke wijkplaatsen, waar men met het vee op vluchten kon, als de zee de onbedijkte landen overstroomde. Op de Zuid-Hollandsche eilanden zijn ons bijna geen vluchtheuvels bekend, zoodat men daaruit mag afleiden, dat deze, de hoogere streken langs de duinen uitgezonderd, later bewoond zijn geworden en in het eerste tijdperk, toen in Zeeland vluchtheuvels gebouwd werden om aan het water te ontkomen, nog niet bestonden of bijna niet bezocht werden.
Op dien primitieven vorm, om voor het water een veilige wijkplaats te vinden in het lage land, volgde een periode van hoogere technische bekwaamheid, toen de dijken gebouwd werden. Wanneer de dijkenbouw hier is aangevangen, kunnen wij niet met zekerheid zeggen. Doch eenmaal aangevangen, werd deze wijze, om het land te verzekeren, uitgebreid en voortgezet. Zoo werden de lage eilanden al vroeg met zware, sterke bolwerken omringd, die elk land-individu insloten en tegen de woedende baren der zee beveiligden.
De bewoners dezer zeelanden werden in dien zin vestingbouwers van groote beteekenis, die van hun hooge wallen den vijand kloekmoedig in 't aangezicht blikten en, zoodra hij terugweek, weer gereed stonden, het verlaten terrein te omwallen en aan te sluiten bij het vorige, of tot een nieuwe vesting te vormen.
Zoo zijn de eilanden van dit geheele deltagebied niet alleen met zware dijken omringd, maar ook met hooge dijken in alle richtingen doorsneden, die elk eiland in een aantal afzonderlijke polders verdeelen, alsof het eenige naast elkander liggende kommen zijn, aan elkander gesloten. Die binnendijken door het land wijzen aan, hoe de eilanden zich uitbreidden in den loop der tijden; eens waren dit veelal buitendijken, die midden in het land kwamen te liggen, toen een nieuwe bedijking buiten de oude ontstond. Zoo draagt elk eiland zijn wordingsgeschiedenis nog op 't gelaat; gelijk de jaarringen den aangroei en ouderdom der woudreuzen verhalen, vertellen de polderdijken in dat wordende land ons de geschiedenis der eilanden uit het delta-gebied.
Doch niet alleen waren het overwinningen, welke op de wateren werden behaald: menige plek wijst ook aan, hoe de zee door haar aanvallen terreinen terugwon, die zij vroeger verloor. Daar, ten noorden van het oostelijk Zuid-Beveland, wijzen in de Ooster-Schelde de ondiepe platen de streek aan, waar het oude Reimerswaal in de golven is verdwenen; bij Zeeuwsch-Vlaanderen wees het Verdronken land van Saeftinge een dergelijk gebied aan, dat evenwel thans weer grootendeels is teruggewonnen. In den breeden mond der Ooster-Schelde, tusschen Noord-Beveland en Schouwen, ligt Westen-Schouwen begraven en is het eilandje Orisant ondergegaan. Een voortdurende afwisseling van overwinnen en wijken, maar toch ten slotte van zegepraal is de geschiedenis van het deltaland. Terecht noemt de gemoedelijke Zeeuwsche predikant Gargon dit gebied een
Verwonderlijk land, Daar diepte verzand, En scheeprijke stroomen Met bloemen en boomen Staan vrolijk geplant; En d' aarde verslonden Door stortbraak van gronden, Laat huizen, noch strand. Door golven en wind Zijt gij steeds bestreden, Maar 't water geeft steden, Als 't dorpen verslindt. Vernielt het uw waard, Gij wint weder aard, En mist gij de kielen, De ploeg met zijn wielen Weer overvloed baart. O land, dat zoo strijdt, Wie kan u vernielen? Gij wint, als gij lijdt.
Maar die onafgebroken kamp heeft ook den strijder gestaald, hem geleerd, nooit den moed op te geven; hij heeft hem gebracht tot volharding. Zulk een strijd leert ook woekeren met kleine krachten, leert zuinig zijn, hoogst zuinig, want er zal geen einde komen aan de uitgaven, terwijl dan toch de inkomsten beperkt blijven.
"Die zilte watervlakte, steeds tot aanvallen gereed, voedt op tot moed, geen moed, die opbruist, om straks neer te ploffen, als tegenspoeden treffen, neen, echte, taaie, droogleuke burgermansmoed, als die van een muis, welke zich knagend een doortocht baant, en zuinigheid, de echte landmans zuinigheid, welke zich cent na cent slechts zuchtend laat ontwringen, omdat men op het platteland weet, dat het goud nog langzamer groeit dan de vruchten, welke harde arbeid aan den grond ontwoekert."
Het Zuid-Hollandsch-Zeeuwsch deltaland is de groote school, waar onze waterstaatswetenschap zich heeft ontwikkeld tot wereldberoemdheid sedert vroege tijden. Daar slaan onze ingenieurs met bespiedenden blik steeds elke beweging van het zeedier gade, om zijn zwakke zijde te ontdekken en partij te trekken van zeer kleine, voor den oningewijde niet merkbare zwakheden, en hem aan te vallen, niet ridderlijk van voren, maar van uit een hinderlaag, in het schemerduister, en hem aldus te dwingen op zijn hoogst tot een wapenstilstand. Daarin ligt de overwinning, doch dat is ook alles, wat kan gedaan worden. Want watervrede kent men hier niet; gedurende dien wapenstilstand kunnen nieuwe krachten vergaderd worden, om den strijd weldra weer voort te zetten, maar den vijand overwinnen is onmogelijk. Daarom moeten onze waterstaatsmannen steeds op hun post staan, naar de omstandigheden hun taktiek wijzigen en steeds op nieuwe hulpmiddelen peinzen in dien strijd, want al is de vijand geketend, telkens tracht hij weer zijn boeien te verbreken.
Het delta-land, dat wij thans bezoeken, vormt in zijn geheel een algemeene eenheid, een gebied, welks bodem, in de onderscheidene deelen met de noodzakelijke nuanceeringen, dezelfde geschiedenis en hetzelfde karakter heeft. Het isolement der eilanden, de afscheiding door breede, holle wateren, die dikwijls moeielijk zijn over te varen, het wonen in afzonderlijke polders en bedijkingen, elk met een eigen tijdperk van wording, met een eigen binnenlandsche kolonisatie op het nieuw aangewonnen land, met een eigen strijd tegen de elementen en met eigen belangen, die steeds verdedigd moeten worden, niet zelden ten koste van anderen, dit alles gaf echter aan de bewoners, bij dezelfde algemeene karaktertrekken, een individualisme en afgeslotenheid, gelijk men die schier nergens zoo teekenend aantreft. Elk eiland, soms zelfs elk afzonderlijk gedeelte, heeft zijn eigen kleeding, zijn eigen teekenend dialect, zijn eigen zeden en gewoonten. En terwijl schier overal het moderne verkeer de schaaf van geestdoodende nivelleering en gelijkvormigheid gevoerd heeft, de volkseigene teekens wegstrijkend, de nationale zeden doende verzaken, heeft men hier, waar spoorwegen lang vreemd waren, nog tot op dezen tijd veel van het oude en karakteristieke bewaard.
Nergens zoozeer als in het delta-gebied vindt men nog die schilderachtige kleeding der landmeisjes met vriendelijke afwisseling van eiland tot eiland, soms van polder tot polder, die ons aan het Schwarzwald of Thuringen doet denken; enkele volksfeesten op deze eilanden herinneren nog aan een ver verleden. Op de marktdagen te Rotterdam, Goes, Zieriksee en Middelburg is het gemakkelijk, aan de kleeding der landsvrouwen de streken te herkennen, die deze marktplaatsen tot middelpunten hebben. De kleeding der Zuid-Hollandsche eilanden leert de gekleurde plaat in deel I kennen, die der Zeeuwsche eilanden de plaat in dit deel; wij voegen hier nog eenige afbeeldingen der Zeeuwsche kleederdrachten aan toe.
Individualistisch en gescheiden aan den eenen kant, elk voor zijn eigen kring, polder of eiland zorgend en dat gebied hoog stellend, is aan den anderen kant het nationaliteitsgevoel levendig op deze afzonderlijke eilanden, dat de bewoners vereenigt tot een geheel. Dit is bovenal op de Zeeuwsche eilanden op te merken, die ook staatkundig een eenheid vormden; ook had dit grooten invloed op de Zeeuwsche geschiedenis. Door dat gevoel werd bij de Zeeuwen de studie van hun eigen bodem en zijn bevolking steeds met voorliefde beoefend en daardoor waren zij ook zoo sterk gehecht aan het huis van Oranje, waarmede zij zich één gevoelen, een gehechtheid, die bijna spreekwoordelijk werd.
'k Zag er wel geen trotsche steden, Geen paleizen, grootsch van bouw, Maar te meerder reine zeden, Gulle oprechtheid, blanke trouw, En, door zelfzucht niet omkorst, Liefde in 't hart voor land en Vorst.
aldus de Zeeuw J. Was over zijn volk.
Heeft de strijd tegen de wateren het karakter der eilandbewoners gestaald, gelijk wij zeiden, nog in andere opzichten had de geographische gesteldheid des lands hier invloed op de eigenaardige ontwikkeling der bewoners.
Dezelfde wateren, die het land isoleerden, werden ook het element, waarop de bewoners zich van de oudste tijden af waagden en dat hen voerde naar de schatkamers, welke bronnen van welvaart en rijkdom voor hen zouden ontsluiten.
Eerst als visschers en voor het onderling verkeer met booten op de nabijzijnde wateren, later al dieper en verder, zoo van der jeugd af gewend aan de worsteling met de woelige stroomen, werd hier een kloek geslacht van menschen gevormd, die, in de leerschool van hun geboorteland geoefend en gehard, ontwikkeld werden tot echte zeerobben, voor wie schier geen plek van den oceaan onbezocht bleef. In de geschiedenis der Nederlandsche zeereizen hebben de bewoners van het deltaland de belangrijkste rol gespeeld. En in ditzelfde gebied van individualisme moest de vrijheidszin zich wel krachtig uiten.
Toen de rechten en vrijheden des volks gekrenkt werden, aanvankelijk reeds onder Karel V, maar meer nog onder Filips II, was dit den vrijheidlievenden Zeeuwen niet minder ondragelijk dan den bewoners van Holland, en met heldenmoed werkten ook zij mede tot de Nederlandsche onafhankelijkheid. Op de pinken en hoogaarzen groeiden de ontembare Watergeuzen op, die het durfden opnemen tegen den koning van Spanje en zijn schier onoverwonnen veteranen op het oorlogsveld; hier had de natuur het oefeningsterrein geplaatst voor de onversaagde matrozen, die niet alleen uit Oost en West de schatten gingen halen, maar ook onder Tromp en de Ruyter de koningsvloten van Frankrijk en Engeland deden afdeinzen. Aan het delta-land heeft Nederland zijn grootsten Admiraal, den wereldberoemden Michiel de Ruyter, te danken; van het delta-gebied kwam Witte de Witt voort (Voorne); aan Zeeland (Vlissingen) hebben wij het heldengeslacht der Evertsen te danken; aan den rand van het delta-gebied werd Piet Hein geboren (Delfshaven), die in zijn jeugd zeker ook dikwijls op deze riviermonden ronddobberde. En wij mogen niet enkel denken aan de eerste zeehelden, hoezeer zij door hun grootheid ook anderen overschaduwden. Wij noemen nog den bekenden Sebastiaan de Lange, een zoon van Veere, die in 1572 in den strijd tegen de Spanjaarden op de Zeeuwsche stroomen aan den grond raakte, door den vijand aan boord geklampt en geënterd werd, doch zich niet wilde overgeven en liever dan dat de lont in het kruit stak, een voorbeeld, later door meer dan één Nederlander gevolgd; wij wijzen op Ewoud Pieters Worst en Boudewijn Ewoutz., op Jan en Joost de Moor, Pieter Adr. Ita, Marinus Hollaer, Joost Bankert en den dapperen Adriaan Bankert, allen uit Vlissingen, op Jasper Lijnsen uit Zoutelande enz. enz. Moet men bij het lezen der namen van zoovele, door hun dapperheid ter zee beroemde Zeeuwen en delta-landers niet aannemen, dat zich hier onder den invloed des lands een heldengeslacht heeft ontwikkeld? Kan men ook niet uit de oudere geschiedenis dezer eilanden nog menige heldenfiguur aanwijzen? Terecht zingt Onno Zwier van Haren van dit volk:
De Zeeuwen zijn als hunne baren, Daar ieder makkelijk kan varen, Als beide, stroom en lucht, zijn stil; Maar als de stormen en de winden De Hont's en Keeten's woede ontbinden, Vindt Zeelands havens niet, die wil.
Dan heft de zee rondom haar golven, Het schuimend nat beklimt den dijk, Dan schijnen d' eilanden bedolven En Walchren d' Oceaan gelijk. West-Kappels breede kruin, aan 't beven, Dreigt land en volkren op te geven, Reeds doet de branding d' oever vliên; En Domburg vreest de hoogste duinen, Zoo laag geslecht als uwe puinen, O, Nehalennia, te zien.
Dus is de Zeeuw; wanneer gevaren Voor vrijheid zwieren op de kust, Weet zijne moed van geen bedaren, Noch zijne leeuw van logge rust. Wee hem, die dezen leeuw verschrikken, Of temmen wil, of wil verstrikken, Hij schuimbekt, raast en kent geen reên!
Nog een andere karaktertrek der delta-bewoners staat met hun reeds genoemde eigenschappen in verband. In godsdienst en opvatting heerscht schier overal een streng conservatisme, een rechtgeloovigheid, waaraan niets afbreuk kan doen. Daardoor is de anti-revolutionnaire partij op staatkundig gebied op het platteland in de meerderheid, in de steden met eenige wijziging minder. En in Zeeuwsch-Vlaanderen, grenzende aan België, heeft mede het Katholicisme nog vele aanhangers.
Naast dat conservatisme openbaart zich ook nog de oud-Zeeuwsche karaktertrek van trouw en rondheid. "Goed rond, goed Zeeuwsch" is een spreekwoord geworden, om den aard der Zeeuwen aan te duiden. De dichter Hasebroek, die van Mei 1849 tot Oct. 1851 te Middelburg predikant was, zegt van Zeeland, waar hij als vreemdeling kwam:
Ik vond een land, dat uit het zout Het hoofd ten half slechts op kon halen, Maar dat die worstling ziet betalen Door in de pekel schuilend goud: Het goud der gouden tarwenairen, Gevoed door 't vocht der brakke baren, En heel de kracht der akkervrucht, Geteeld in Zeelands zilte lucht.
Ik vond een volk, dat in zijn bloed 't Zout van zijn wakkren schijnt te dragen En in een zweem de schoonste dagen Van 't voorgeslacht herdenken doet; Dat de oude vaderlandsche zeden Nog door geen vreemdling laat vertreden, En schoon zijn Ruyter niet meer leeft, Zijn Cats niet gansch vergeten heeft.
Jason à Pratis noemde in de 16e eeuw de Zeeuwen
Een volk, aan God gehecht, eenvoudig, goed van zeden En rijk aan mannen, waar de wetenschap op boogt.
Een sterke gehechtheid aan vrienden, niet na de eerste kennismaking, maar als eens de band gelegd werd en men weet op elkander te kunnen vertrouwen, is een kenmerk der Zeeuwen. Na jaren scheidens blijven de Zeeuwen nog aan hun oude vrienden gehecht: dat is het oordeel van vele ambtenaren van elders, die zich in Zeeland wisten in te burgeren. Dezen zelfden karaktertrek vindt men bij de Friezen: hij wijst op een verwantschap tusschen beide volken.
Reeds hebben wij met een enkel woord er op gewezen, dat de bewoners van het delta-gebied hoofdzakelijk tot het ras der Friezen behooren. In hun taal en eigenaardigheden vindt men nog veel, dat op Friesche verwantschap wijst; de kleeding der vrouwen, en tot voor kort ook die der mannen, draagt nog een Friesch karakter. De sierlijke hoofdbedeksels der vrouwen zijn een nuanceering van de Friesche, het oorijzer is er zelfstandig opgevat en ontwikkeld; ook de oude kleeding der stam-Friezen en der echte Zeeuwen stemt met elkander overeen.
Dat overheerschend Friesche karakter vindt men in het delta-gebied van den noordelijken Maasoever tot de grens van Vlaanderen. In Vlaardingen en Maassluis droegen tot in het midden der 19e eeuw de vrouwen, ook uit den deftigen stand, nog mutsen met lange, over de schouders hangende strooken, evenals in het Over-Maasche gebied, en oorijzers met krullen of boeken. En van hier blijft het oorijzer of zijn teekens in krullen, platen of boeken langs de wangen bestaan tot aan de Nederlandsche grens in Vlaanderen, zij het ook overal in gewijzigden vorm.
In het algemeen gesproken zijn bij de mutsen der vrouwen, die het meest een volkseigen karakter in de kleeding bewaard hebben, tot aan de Wester-Schelde drie typen te onderscheiden. Op de eilanden ten Z. van de Maas tot op Schouwen en Tolen en nog op Noord-Beveland zijn, met geringe variaties, de mutsen van lange, over de schouders hangende strooken van kant voorzien, dikwijls keuvels geheeten, terwijl grootere of kleinere kurketrekkervormige gouden spiralen aan beide kanten van het hoofd onder de mutsen uitsteken, krullen genoemd. Zuid-Beveland heeft een eigen dracht, welke wij bij dit eiland zullen beschrijven, en ook Walcheren heeft een eigen type van vrouwenmutsen. Zeeuwsch-Vlaanderen heeft in onderscheidene deelen een eigen kleederdracht.
Gelijkt de Zeeuw op den echten stam-Fries in karakter, toch valt niet te ontkennen, dat zich in de bewoners der delta-eilanden andere elementen hebben opgelost, vooral in den oudsten tijd. Wie de Zuid-Bevelandsche bevolking beschouwt, vooral de vrouwen, omdat bij dezen het teekenachtige uitkomt, de fijn besneden gezichten, de donkere haren en de vroolijke, levendige geest, zal reeds spoedig tot de overtuiging komen, dat hij hier geen echt Friesch ras voor zich heeft, maar dat zich een kern van andere elementen aan het Friesche heeft aangepast, waarschijnlijk met Friezen heeft vermengd. Niet te verwerpen is de veronderstelling, dat op deze oude eilanden en ook op Walcheren een groep der vóór-Germaansche bevolking, misschien wel van Kelten, is samengedrongen, opgeduwd door de later aankomende Germanen, en hier in den uithoek, vanwaar zij niet verder kon, heeft standgehouden en zich later met de Germanen, voornamelijk met de Friezen, heeft vermengd. Daar zouden wij dus kennelijk met eenige Keltische overblijfselen te doen hebben, welke nog voortbloeien in het Zuid-Bevelandsche ras, hoe ook gewijzigd door de geschiedenis en de latere vermenging.
Ook is het zeker, dat zich van denzelfden kant van de Frankische provincie uit eenige elementen met het Zeeuwsche ras hebben vermengd. Groot zal die invloed evenwel niet geweest zijn. De Franken hielden het te veel met "den heikant", om naar de Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche eilanden te verhuizen. Ook van andere hooge gronden trok men niet bij voorkeur op het delta-land aan, geïsoleerd als het lag, en tevens een broeinest der gevreesde Zeeuwsche koortsen.
In vroeger eeuwen was die afzondering der delta-eilanden grooter dan thans. Zelfs toen omstreeks 1850 de Duitscher J. G. Kohl in de Nederlanden reisde, zeide hij nog, "dass der Inselarchipel von Seeland zu den am seltensten besuchten und am wenigsten gekannten Strichen der Niederlände und man kann hinzusetzen Europa's gehört". Gedeeltelijk moge dit waar zijn, erg overdreven is het, als hij vervolgt: "Es rangirt dieser Inselarchipel in dieser Beziehung mit den Western Islands an der schottischen Küste, mit dem Nordende von Jütland". Waar is het echter, dat men ook uit de overige provinciën tot voor korten tijd deze eilanden weinig bezocht en er zich liever niet vestigde.
Daardoor hebben de Zeeuwen en de eilanders zich over het algemeen vrij onvermengd gehouden, nadat in den vroegsten tijd de bewoning van de oudste kernen der eilanden tot stand was gekomen en daar de vermenging der eerst naast elkander gevestigde volkplanters had plaatsgegrepen. Van de oude kernen breidden de bewoners zich uit over de jonger gevormde eilanden. Zooals de bewoners der zandgronden bij de toeneming der bevolking in de woeste heiden door ontginningen het bewoonde gebied uitbreidden, deden de delta-bewoners dit door de bedijkingen, waardoor zij nieuwe polders wonnen, waar hun zonen en dochteren zich vestigden.
A. DE ZUID-HOLLANDSCHE EILANDEN.
II. VOORNE EN PUTTEN.
Wij vangen onzen tocht door het delta-land aan op Voorne en Putten. Een boot van Vlaardingen brengt ons over het Scheur en tusschen het eiland Rozenburg en Welplaat (een eilandje, door een dam aan Putten verbonden) door naar Nieuwesluis, en wij bevinden ons aan den ingang van het Voornsche Kanaal, dat sedert 1827 het eiland doorsnijdt en tot de opening van den Nieuwen Rotterdamschen Waterweg den toegangsweg voor de groote schepen vormde, die bij Hellevoetsluis naar Rotterdam binnenkwamen. Sedert dien tijd heeft dit kanaal zijn groote beteekenis verloren en is het bijna uitsluitend een water geworden voor het binnenlandsch verkeer, evenals het Groot-Noord-Hollandsch-Kanaal. Thans bevinden wij ons midden op het eiland Voorne.
Nieuwesluis is slechts een kleine buurt aan den noordelijken mond van het Voornsche Kanaal. Sedert de vaart op het kanaal tot achteruitgang kwam, bleef deze buurt ook in haar ontwikkeling staan.
Op korten afstand ten zuidoosten van hier liggen twee karakteristieke dorpen, Heenvliet en Geervliet, aan een overblijfsel der Bernisse, eens een breed water, dat de eilanden Voorne en Putten scheidde, doch langzamerhand aanslibde en in de 17e eeuw is afgedamd en bedijkt, zoodat beide sedert één eiland vormen. Van de eens zoo druk bevaren Bernisse, waarop bij Geervliet de historisch bekende tol werd geheven (die in 1600 naar Dordrecht werd verplaatst), waar in de 16e eeuw Bossu's schepen, die Brielle trachtten te ontzetten, nog in den grond werden geboord, is thans niets meer over dan een smal binnenwatertje, te Heenvliet onder vlierstruiken verborgen, dat te midden van vruchtbare polderlanden loopt, welke door hun zware klei, een produkt van jongere aanslibbing, meest als bouwland gebruikt worden, terwijl de oudere meer graslanden vormen. Heenvliet, hoewel niet bemuurd, had eertijds stedelijke rechten en ziet er nog stadachtig uit, gebouwd als het is aan de ruime markt. Van Nieuwesluis aankomend, heeft het dorp een vriendelijk, schilderachtig voorkomen.
In de nabijheid van Heenvliet verhieven zich oudtijds drie kasteelen, waarvan Blijdestein ten N. en Leeuwestein ten Z. van de plaats, welke beide geheel verwoest zijn. Alleen van het slot Ravestein kan men de pittoreske ruïne nog vinden in den tuin voor het huis der Ambachtsvrouwe. Geheel door grachten omsloten, ligt daar nog het oude, verweerde muurwerk met een toren, onder het welig en woest opgroeiende geboomte met struiken en onkruiden schier verborgen, in den zomer het eldorado voor een heir van muskieten en van allerlei gevogelte. Deze ruïne wijst er op, dat het slot eens overeenkwam met de vroeger in Frankrijk voorkomende bastilles of bastions; het dagteekende waarschijnlijk uit de 13e eeuw. De kelders van dit kasteel dienden tot gevangenis; in den toren zou Angelus Merula, de grijze pastoor van Heenvliet, die in 1557 wegens ketterij ter dood werd gebracht, nog gevangen gezeten hebben.