Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 15
Uit den laat-Gothischen tijd heeft men te Dordrecht twee uitstekend bewaarde steenen trapgevels, Groenmarkt 43 en Wijnstraat 59. Uit den overgang tusschen Gothiek en Renaissance dateeren de fraaie gevels van de huizen "de Sleutel" aan de Groenmarkt en "de Rozijnkorf" aan de Voorstraat, (zie de fig. pag. 148) die reeds de hoofdlijnen van het Dordtsche type vertoonen.
Uit het begin der Renaissance stammen grootendeels de gevels met houtconstructie, waarbij de steen slechts als vulling dient en de draagkracht gevormd wordt door het houten geraamte van stijl- en regelwerk, waarbij de constructie tevens de omtreklijnen van de vensters vormt. Hiervan vindt men nog voorbeelden aan den achterkant van de haven, tusschen het Schefferplein en de Leuvebrug.
De Renaissance-gevels zijn in Dordt, evenals in de meeste steden van Holland, eenvoudig, doch sierlijk. De rijke pracht der Italiaansche Renaissance, in Vlaanderen veel nagevolgd, zoekt men hier tevergeefs. Slechts vindt men een herinnering hieraan bij de koorbanken der Groote kerk (1538-1542) en het Muntpoortje (1555). Bij de Renaissance-gevels is baksteen, afgewisseld met zandsteen, het materiaal en de trapgevel overheerschend. Het aantal daarvan is in Dordt aanzienlijk, en vele hebben een eigen karakter, dat als het Dordtsche type kan worden aangeduid [14].
Het meest domineerende type is daarbij het burgerwoonhuis in den stijl, die ook wel eens de Zuid-Hollandsche genoemd wordt, omdat Dordrecht en Delft de middelpunten daarvan waren. Het sterkst typeerende deel van die huizen zijn de gemetselde rondbogen, die eenigszins vooruitspringen en in hun zware profileeringen nog terugwijzen naar den tijd der Gothiek. De uiteinden der rondbogen rusten in den regel op gebeeldhouwde kraagsteentjes van zandsteen in den vorm van koppen, kapiteelen en pilastertjes, terwijl het halfronde veld, dat binnen den boog besloten is, klaverbladvormig is ingeschulpt.
Ziedaar het algemeene type. Maar welk een verscheidenheid in de details! Hier schilderachtige mozaïeken van zand- en baksteen: sterren, kruisen, bloemen, vlammen; daar een rijke ornamentatie van koppen en cartouches; ginds weder keurig bewerkte friezen, afwisselend met een overstelpenden vormenrijkdom voor het varieeren van den ontlastingsboog, die meestal de vierkante vensters overwelft. Dit algemeene type van den trap- en tuitgevel wisselt af met den door pilasterstellingen ingedeelden gevel en met den tuitgevel van een later tijdperk.
Verleenen de in kleuren- en vormenrijkdom als met elkander wedijverende gebouwtjes reeds op zichzelf een schilderachtig karakter aan de oude stad, nog bekoorlijker is hun verschijning, waar zij, langs de havens geschaard en als het ware daaruit oprijzend, hun teekenachtige lijnen en vroolijke kleuren in het water doen weerkaatsen.
Merkwaardig is in dit opzicht de Voorstraathaven, die de stad van oost naar west in boogvorm doorsnijdt. Overal, op elke brug, uit ieder slop, van alle steigers, levert de haven den meest imposanten aanblik. Ieder detail van die eigenaardige geveltjes, een balkonnetje, een balustrade, een uitbouwtje, een vooruitstekende goot, krijgt waarde voor de schilderachtigheid van het geheel; elk bosje gras, dat tusschen de steenen woekert, ieder boompje, dat uit een achterplaatsje het hoofd naar de haven vooruitsteekt, zet nieuwe bekoring aan het stadsgezicht bij. Aldus beschrijft een kunstkenner dit stadsbeeld (Zie de plaat pag. 153).
Uit den aard der zaak zijn vele der mooie geveltjes in Dordt, evenals elders, verdwenen. Vooral in de winkelhuizen zijn zij in de ondergedeelten verbouwd. Niet zelden kan men onder een fraaien trapgevel moderne winkelramen in het benedengedeelte vinden. Een vereeniging tot behoud van de oude gebouwen is sedert enkele jaren in Dordrecht werkzaam, om zooveel mogelijk het karakteristieke en fraaie der oude stad te bewaren.
Bovenal in de Voorstraat, aan den kant van het Groothoofd, vindt men nog vele antieke gevels tusschen de moderne huizen; verder ziet men ze in de Groote Kerksbuurt, aan de Groenmarkt, in de Wijnstraat, Steegoversloot, de Nieuwstraat, enz.
Dordrecht herinnert nog aan onderscheidene belangrijke gebeurtenissen uit de historie dezer landen, al zijn de gebouwen, waaraan die herinneringen verbonden zijn, niet alle met evenveel zorg bewaard gebleven. Dit is onder andere het geval met het gebouw, waar in 1618-19 de bekende "Synode" bijeenkwam, en naast veroordeeling van de leer der Remonstranten, die der Nederlandsche Hervormde kerk werd vastgesteld, een bijeenkomst, zoo veelbeteekenend voor onze geschiedenis. Door deze Synode is Dordt in den volksmond tegenover Rome geplaatst. Doch wie het gebouw wenscht te zien, waarin zulke belangrijke besluiten werden genomen, gelijk met buitenlanders zoowel als Nederlanders dikwijls het geval is, zoekt het tevergeefs. Op de plek, waar het stond, verrijst thans de cellulaire gevangenis. De Synode werd gehouden in den Kloveniers Doelen, in 1530 gesticht; de maaltijd, waarmede deze plechtigheid eindigde, had plaats in de historische herberg "de Pauw"; het was een feestelijk samenzijn, waar de zorgen en zwarigheden onder muziek en Rijnschen wijn werden afgespoeld, zooals de Arminianen schreven. Dit is in elk geval waar, dat de maaltijd, waaraan 130 personen deelnamen, den Staat 1219 ponden en 18 schellingen van 40 groot kostte.
Na de afschaffing van de gilden werd de Kloveniers Doelen aan vendumeesters en herbergiers verhuurd; de Synodezaal, ironie der historie! diende vele jaren tot danszaal, tot groote ergernis van velen. Alleen de fraaie, gebeeldhouwde schoorsteen wordt in het gemeentelijk Museum nog bewaard. Ook de groote lindeboom vóór het gebouw, waaronder na de Hervorming eerste gedoopt werd, is verdwenen.
Voorheen werd de Munt van Holland te Dordrecht gevonden; men meent, dat het muntrecht reeds in 1064 aan Dordrecht werd gegeven; zeker is het echter dat Jan van Beieren in 1418 de Munt van Holland uitsluitend te Dordrecht heeft gevestigd. Het Muntgebouw stond aan de Voorstraat. Van de vele vertrekken, waaruit het bestond, moet de rekenkamer hebben uitgemunt. Na de verlegging der Munt naar Utrecht, onder Koning Lodewijk, diende het gebouw voor belastingkantoor. Het mooie poortje van de Munt aan de Voorstraat (zie pag. 156) is uit de vroeg-Renaissance-periode (1555); 't is het eenige, wat van het oude gebouw is overgebleven. Nog vindt men andere artistieke poortjes in deze stad. Van het Poortje van het Arent Maartenshofje gaven wij een afbeelding op pag. 155.
Van de oude poorten is de Groothoofdspoort of Merwedepoort aan de Merwedekade nog overgebleven, een merkwaardig gebouw der Renaissance, dat in zijn tegenwoordige gedaante dagteekent van 1618, toen het vernieuwd werd. Deze poort wordt algemeen gerekend tot de werken van Th. de Keyser, aan wien ook het Muntpoortje wordt toegeschreven. De Groothoofdspoort behoort aan de stadszijde tot het pilastertype met barokke versiering; de waterzijde is geheel decoratief ontworpen met groot medaillon en zwaar omlijste, groote vensterkozijnen. De koepel en de rocaille-voorpoort zijn latere toevoegsels. Boven den ingang aan de rivierzijde is deze poort met fraai beeldhouwwerk in zandsteen versierd. Het stelt voor de Dordtsche maagd, in een tuin gezeten, omringd door de wapenen harer banierdragers, d. i. der steden en dorpen, die met haar optrokken ter bedevaart. Het opschrift luidt:
"Floreas nobilis urbs Semper te bona pax amet Et semper amantibus Cedant omnia recte Pax civium et concordia Tutissime urbem munient".
d.i.
Moogt gij bloeien, edele stad, Moge een heilzame vrede steeds uw deel zijn, En moge het den voorstanders daarvan in alles goed gaan: Dan zullen vrede en eendracht der burgers het sterkste bolwerk zijn der stad.
Ook aan de landzijde vindt men prachtig beeldhouwwerk aan deze poort, benevens de wapens der burgemeesters, onder wie deze poort werd gesticht.
De poortdoorgang, met zijn ingewikkelden gewelfbouw, is nog een overblijfsel der oudere poort; de koepel en de door een boog verbonden pilasters aan de rivierzijde, zijn in de 18e eeuw aangebracht.
In de poort is sedert 1894 een Museum gevestigd van oudheden, betrekking hebbende op de geschiedenis van Dordrecht, alsmede van penningen.
Buiten de Groothoofdspoort opent zich een prachtig panorama van de Merwedekade op de rivieren. Van rechts stroomt de statige, breede Merwede op de stad aan, ingesloten door haar groene boorden, aan de noordzijde begrensd door een reeks van aaneensluitende dorpen langs den dijk en verlevendigd door tal van Rijnschepen en stoombooten; vóór ons buigt de Noord zich van den hoofdstroom af, van verre zich tijdelijk splitsend om den groenen Sophia-polder, en links stroomt de Merwede als Oude Maas verder, met zachte bocht zich ten zuiden langs de Zwijndrechtsche Waard buigend.
Zwijndrecht zien wij aan de linkerhand, een eenvoudig dorp, over de rivier gelegen, met onderscheidene fabrieken; achter de huizenreeks strekt zich een uitgebreid gewest van tuinbouw uit. Valt het te verwonderen, dat deze kade de gezochte wandelplaats van het oude Dordt is?
Doch thans richten wij onze schreden weder stadswaarts.
Wij moeten nu in de eerste plaats, als op onzen weg liggend, de aandacht vestigen op het Museum. Al mogen wij daarbij wegens den aard van ons plan niet verwijlen, toch wijzen wij er op, dat Dordrecht een kleine, maar zeer merkwaardige en zich voortdurend uitbreidende collectie schilderijen bezit uit den bloeitijd der Nederlandsche schilderkunst, alsmede van moderne meesters. Dordrechts Museum is bovenal door aanzienlijke schenkingen tot stand gekomen. De vereeniging "Dordrechts Museum" werd opgericht in 1842; aanvankelijk was de Scheffer-afdeeling, bestaande uit stukken van Ary Scheffer en copieën naar de werken van genoemden kunstenaar, die in 1795 te Dordrecht geboren was, de hoofdzaak. Dordrecht heeft voor dien burger in 1862 een standbeeld opgericht op het Schefferplein. Door een legaat van f 100,000, haar geschonken door den Dordtschen maecenas L. Dupper, heeft de verzameling een groote uitbreiding verkregen. Van de beeldhouwwerken noemen wij de buste van Johan de Witt door Artus Quellinus.
Een eigenaardig museum in deze stad is het Zuid-Afrikaansche Museum, bijeengebracht door den heer Hidde Nijland, waarin een rijke verzameling van merkwaardigheden betreffende land en volk uit Zuid-Afrika en herinneringen aan den Boerenstrijd, de huldebewijzen, President Kruger aangeboden, enz. gevonden worden.
Thans wenden wij ons naar de Lieve-Vrouwe of Groote Kerk, die wij reeds van verre bij onze aankomst zagen, een hoogst merkwaardig bouwkundig monument. Gelijk met vele Katholieke kerken het geval is, werd ook de bouw van deze met een sluier van legenden omhuld. De kerk zou gesticht zijn door een vrome maagd, die rijk aan geloof, maar arm aan aardsche goederen was, want zij bezat slechts drie penningen. Doch de vurige begeerte, om der Moedermaagd een kerk te stichten, die een monument kon worden, dat op zichzelf reeds een gebed zou zijn tot den Hoogen, deed haar in gebeden verzinken. En op wonderdadige wijze werd zij geholpen bij haar vroom doel: de drie penningen waren ternauwernood uitgegeven, of drie andere kwamen in haar bezit en zoo ging dat voort, tot met de stichting der kerk kon worden aangevangen.
Wij laten deze legende voor hetgeen zij is. Doch dit zal ieder moeten toestemmen, dat de kerk te Dordrecht een der grootste en voortreffelijkste bouwwerken met spitsbogenstijl in Nederland is. De aanvang van den bouw moet hebben plaatsgegrepen in 1080 of 1090 onder de regeering van Graaf Dirk V. Uit historische berichten blijkt, wat elk bouwkundige bij nauwkeurige beschouwing gemakkelijk kan opmerken aan het inwendige, dat het koor met zijn omgang van later dagteekent, hoewel de verschillen zeer gering zijn. Want door de geheele kerk heen heerscht over 't geheel dezelfde stijl, verdeeling en profileering, zoodat men mag aannemen, dat bij de voltooiing van het geheel het oorspronkelijke plan is gevolgd. Terwijl het koor ongeveer een 75tal jaren later gebouwd is dan het schip, werd het zoogenaamde Vrouwenkoor aan de noordzijde waarschijnlijk in de tweede helft der 13e eeuw er bijgevoegd.
Met zekerheid weet men niet, wanneer de toren gebouwd is; de heer Itz kwam op verschillende gronden tot het besluit, dat ook de toren omstreeks 1080 of 1090 zou verrezen zijn, zoodat kerk en toren van Dordrecht tot de oudste van ons land behooren. [15]
Zoodra men de kerk binnentreedt, komt men onder den indruk van het genre des bouwmeesters, doch onaangenaam treft ons de kilheid van toon en de smakelooze, geel gekleurde schutten aan de zijden der transepten en bij het orgel, die de stemming van wijding bederven. Ook de afschuwelijke loges, waarvan die boven het graf van De Witt nog slechts van 1850 dagteekent, getuigen van veel wansmaak en overtreffen hierin nog de zoogenaamd in stijl uitgevoerde gaskronen, die in 1865 de sierlijke oude bolkronen uit de jaren 1604-1663 vervingen.
Kil en hard van toon is de witkalk der muren, die het kostbaar en kleurrijk bouwmateriaal overdekt. In 1590 is men met witten begonnen en sedert voortgegaan. En waar het witsel is weggenomen ter herstelling, blijkt een laagje cement te zijn aangebracht, waarop de voegen der steenen zijn geschilderd.
De geschiedenis van het inwendige der kerk geeft stof tot ernstige overwegingen.
Als men bedenkt, hoe rijk begiftigd de O. L. V. kerk is geweest na de inwijding--in 1182 door Bisschop Baldewijn van Utrecht--hoeveel rijker nog zij zich na den brand in 1457 heeft voorgedaan, toen de vlammen de offers der vroomheid van bijna vier eeuwen verteerden en van het trotsche gebouw enkel de naakte wanden overlieten--hoe haar altaren hebben geschitterd van goud, zilver, juweelen, haar wanden versierd waren met kostbare schilderijen en zij mild gezegend was met voorrechten, overblijfselen van mirakelen; als men bedenkt, dat haar kapellen, kort na de inneming der stad door de Watergeuzen, van de altaren en de kostbare versierselen ontdaan, tot prachtige begraafplaatsen werden ingericht--dat de wanden dezer kapellen toen werden bedekt met wapenkassen en wapenschilden, de vloeren werden gevormd door kunstig gebeeldhouwde zerken, waarin familiewapens waren uitgehouwen, de ingangen afgesloten door steenen of houten, met beeldwerk en opschriften beladen hekken; als men weet, dat van deze prachtige monumenten en schitterende vaandels en blazoenen sedert 1795 niet veel is overgebleven, ja, de geslachten, eenmaal zoo trotsch en fier op die gewelven, meest alle zijn uitgestorven, door andere opgevolgd, of hun nakomelingen na 1829 elders zijn ter ruste gelegd, dan komt het somber gevoel van den indruk der vergankelijkheid over ons. Doch wij geven daaraan niet toe: de hooge spitsen der gewelven wijzen naar boven, niet naar de bedruktheid der aarde.
Daar staan wij voor het prachtige koorhek met de marmeren hoofdpijlers en borstwering en de bekende vormen der barokperiode, uit een legaat van Philippe Diodati, in 1681 te Dordrecht geboren. Geen gedeelte der kerk is zoo belangrijk als dit koor, wegens de historische herinneringen hieraan verbonden.
Daar zien wij nog de zitplaatsen der voormalige geestelijken, keurig beeldhouwwerk, dat wel veel geleden heeft, maar toch nog te beschouwen is als het schoonste, wat Nederland uit het tijdperk der Italiaansche vroeg-Renaissance bezit. Zij zijn in 1538 en '39 vervaardigd; het kunstig snijwerk is afkomstig van den beroemden beeldsnijder Jan Terwen. De banken aan de noordzijde vertoonen het wereldlijk gezag, die aan de zuidzijde de zegepralende kerk.
Van de tot grafplaatsen veranderde kapellen gaan wij o. a. langs het sierlijke hek der Meerdervoortskapel, in 1648 vervaardigd door H. de Vos, langs de St. Apollonia-kapel, insgelijks met een prachtig hek van de Vos afgesloten.
De wit marmeren preekstoel bezit uitmuntende bas-reliefs, alsmede marmeren trap en leuning. Hij is niet, zooals wel wordt beweerd, uit één stuk marmer vervaardigd, maar de verschillende stukken zijn zoo zuiver aan elkander gezet, dat men met moeite de voegen kan ontdekken.
Op de drie groote paneelen zijn tafereelen voorgesteld uit het leven van Christus, en wel: Jezus, door Johannes gedoopt; Jezus in den tempel te Jeruzalem, en de bergrede; op de vier afgesneden hoeken zijn voorgesteld: geloof, hoop en liefde en standvastigheid.
Wie de kerk bezoekt, ziet gewoonlijk ook het kostbare gouden vaatwerk voor den doop en het avondmaal, kunstig drijfwerk, door legaten verkregen in 1738.
HET ZUID-HOLLANDSCHE EN ZEEUWSCHE DELTA-LAND.
I. EEN ALGEMEENE BLIK OP DE WORDINGSGESCHIEDENIS DES LANDS EN OP DE BEWONERS.
De toestand van het land langs de Nederlandsche kusten is in den loop der eeuwen veel veranderd. Wij hebben daarop reeds de aandacht gevestigd in de inleiding van het eerste deel. Terwijl wij toen meer de algemeene gesteldheid van het vasteland van Holland op het oog hadden en de wordingsgeschiedenis van dit gedeelte des lands nagingen, willen wij thans iets nader stilstaan bij de ontwikkeling van het Zuid-Hollandsch-Zeeuwsche eilandengebied, dat zich van de Nieuwe Maas tot de Nederlandsche grens in Zeeuwsch-Vlaanderen langs de zeekust uitstrekt. Ook hierbij moeten wij eenige hoofdtoestanden aannemen, gelijk wij die reeds vroeger schetsten, en daarvan uitgaan bij de algemeene wordingsgeschiedenis.
Wij hebben reeds in deel I aangetoond, dat in een tijdperk vóór den aanvang der historie de waterspiegel der Noordzee veel lager moet geweest zijn dan thans. In dien tijd heeft zich aan de landzijde achter de duinen in de kustlagunen, welker ontstaan wij reeds geschetst hebben, een laag laagveen gevormd. Ook het delta-gebied, waarop wij thans het oog gericht hebben, werd in dien tijd grootendeels met laagveen bedekt, dat doorsneden was door de monden der groote rivieren met onderscheidene vertakkingen, welker water van tijd tot tijd het land overstroomde, terwijl enkele verbindingswateren de hoofdstroomen met elkander in aanraking brachten.
Na dit voorhistorische tijdperk der eerste laagveenvorming kwam een periode, waarin de waterspiegel der Noordzee langzamerhand hooger werd. De zee drong bij vloed en vooral bij stormvloed steeds dieper en met meer kracht het land binnen en drenkte de veenlaag met zoute wateren, welke een gedeelte van hun zoutdeeltjes in het veen achterlieten [16]. De bruisende en schuimende wateren der zee, in vereeniging met die der riviermonden, sloegen groote gedeelten van het reeds gevormde laagveen uit het deltaland weg en vormden aan den zeekant weer een groote plas, waarin slechts enkele veenbanken op den bodem achterbleven, terwijl in andere gedeelten, vooral dieper landwaarts, het laagveen in groote uitgestrektheid bleef bestaan. Zoo vormde zich een landruïne met afwisseling van zee en land, dit laatste versnipperd in eilandjes van verschillende grootte, onregelmatig in de wateren verspreid. Langs den zeekant lagen nog de duinen, wel niet aaneengesloten, zooals ten N. der Maas, maar toch met veiliger plekken, en aan den binnenkant achter deze hoogten bleven ook de landvlakten meer bewaard.
Hiermede werd een nieuwe periode van landvorming en landvervorming in deze gewesten ingeleid, die zich in de eerste eeuwen onzer jaartelling ongeveer moet hebben afgespeeld. Hoe kunnen wij ons in dien tijd de gesteldheid en de verandering dezer landen voorstellen?
Wie in de eerste eeuwen onzer jaartelling van den noordelijken Maasoever bij Vlaardingen zijn blik naar het zuiden richtte, zou, als hij het landschap tot nabij Vlaanderen in vogelvlucht had kunnen overzien, aan zijn rechterhand in de streek, waar tegenwoordig op de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden de duinen liggen, een rij meer of minder groote eilanden hebben kunnen waarnemen, die zich ten O. langs de enkele, afzonderlijke stukken duingrond gevormd hadden, niet geheel ongelijk aan de duineilanden in het noorden van ons land aan de Wadden.
Achter deze reeks kleine duineilanden strekte zich een wijde watervlakte uit, een half afgesloten lagune, waarin enkele gorzen en naakte platen uit het water opdoken als kleine eilandjes, sommige alleen bij eb zichtbaar, andere bij niet te hoogen vloed ook boven het water uitkomende. Het was deze kustlagune, die door den Romeinschen geschiedschrijver Plinius met den naam Helium werd aangeduid en welke Tacitus als een verbazend grooten mond afschildert.
In het oosten zou men een drietal groote stroomen hebben kunnen waarnemen, die hun geel-witten waterovervloed in de lagune uitstortten. Die rivieren hadden toen nog niet de namen van tegenwoordig; wij zullen ze noemen met de namen van thans: de Lek, de Merwede (met de Waal) en de Maas, welke laatste zich niet bij Woudrichem met de Merwede vereenigde, maar ten zuiden van Dordrecht liep, om langs het benedengedeelte van de tegenwoordige Oude Maas uit te monden in de kustlagune.
Dat zij slib van de gebergten medevoerden naar deze gewesten, blijkt niet alleen uit de kleur van het water, maar ook uit de aanslibbingen, welke zij in dit breede kustwater hebben doen ontstaan en waardoor zij niet zelden het laagveen op den bodem van vroeger met slib bedekten. In het oosten, langs den kant van het land, waar die wateren uitmonden, zien wij reeds meer of minder uitgestrekte eilanden van vruchtbaren kleigrond, die als 't ware tegen het oudere land zijn aangelegd, terwijl onderscheidene begroeide gorzen half boven de wateren zichtbaar zijn.
Verder naar het zuiden zien wij nog een vierde rivier zich in deze kustlagune uitstorten, een water, dat wij tegenwoordig de Schelde noemen, hetwelk zich met twee hoofdvertakkingen in zee stort, en verder door zijarmen met de noordelijke wateren verbonden is. Ook aan de monding van de Schelde en tusschen haar armen zien wij onderscheidene eilandjes op de plaatsen, waar tegenwoordig Zuid-Beveland en Zeeuwsch-Vlaanderen gevonden worden, terwijl in het westen kleine duineilanden liggen, waar men tegenwoordig Schouwen en Walcheren ziet.
Deze rivieren zijn gedurende dien tijd met het proces der landaanwinning in de lagune begonnen, dat zich van het oosten naar het westen voortzette en bij de duinen aansloot. Telkens vingen de stroomen aan slibbanken, te vormen, die zich voortdurend uitbreidden en ophoogden, aldus eilandjes werden, terwijl de oudere, in de lagune overgebleven eilandjes naar de kanten aangroeiden. Vooral wanneer de banken begroeid werden met planten, hielden deze het slib vast en waren zij derhalve een krachtig middel, om het proces der aanslibbing te bevorderen.
Zoo zijn de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden gedurende historischen tijd aan een proces van landaanwinning onderworpen, dat evenwel van tijd tot tijd door afschuring en ondermijning der oevers en door daaropvolgende dijkvallen wordt afgewisseld. De dijkvallen vormen een verschijnsel, dat in Zeeland herhaaldelijk voorkomt. Soms ziet men op het onverwachtst, dat een gedeelte van den oever over een aanzienlijke lengte en enkele meters breedte afschuift of wegzinkt in de diepte, zoodat dijk en land geheel verdwijnen.
Aldus is de geschiedenis dezer landen een voortdurende strijd om het bestaan en om ruimte met de wateren geweest, waarbij nu de een, dan de ander weer de overwinning behaalde, doch waarbij ook niet zelden, als in het eene gedeelte het land toenam, op andere plaatsen de zee haar invallen met des te grooter woede deed. Is het te verwonderen, dat bij deze geschiedenis de Zeeuwen zich het "luctor et emergo" "ik worstel en kom boven" tot wapenspreuk kozen, voorgesteld door een leeuw van keel, half opduikende uit een zee, met welker baren hij worstelt? De Zeeuwen zijn steeds trotsch op dit wapen, dat door Mr. Joh. de Brune aldus in een raadsel beschreven wordt:
Een groot en fel ghediert, met langh ghecrolde tuyten Ten halven in de zee, ten halven ook daer buyten; Een teecken van het volck, dat daer het woont te land, Meest ploeghet in de zee, meest bouwet aen de strand.