Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 14
Als het laatste kleed gedorscht was van een boer, namen de jongelieden het kleed op, plaatsten een persoon er midden in, die met een groene struik in de hand in de hoogte werd geworpen en als de koning van het feestje werd beschouwd, dat daarna gevierd werd. Want des avonds vereenigden zich allen om een gemeenschappelijken disch, waarbij op zoute visch met boter en rijstenbrij met suiker getrakteerd werd. Van de rijstebrij werden zelfs ook schotels rondgebracht bij den predikant, den onderwijzer en enkele anderen in het dorp. Een rondedans en een boerenliedje was gewoonlijk het eind van dit oogstfeest. Een week lang hielden die dorschpartijen en feesten gewoonlijk aan, als het weer goed was. Hierdoor werden de bewoners nog eenigszins nader met elkander in aanraking gebracht. Het nivelleeringsproces heeft deze nationale gebruiken thans uitgewischt; met het koolzaad is ook het oogstfeest verdwenen en ieder werkt op zijn akker, op zijn land. Nog een enkel overblijfsel herinnert aan de maaltijden der vroegere oogstfeesten, al is het ook slechts als een spoor. Op enkele dorpen wordt bij ouderwetsche boeren nog aan het eind van den hooioogst rijstebrij gekookt en met boter, suiker en kaneel gegeten; hiervan brengt men ook thans nog wel rond bij enkele ingezetenen.
En hiermede nemen wij afscheid van het Zuid-Hollandsche land tusschen de Lek en de Merwede. Wij volgen voorbij Heukelum weder den rechter Lingedijk naar Gorinchem en wachten daar op een boot, om hiermede den breeden, statigen Merwedestroom af te zakken naar de oudste en eens de voornaamste handelsstad van het Hollandsche delta-gebied, het eerwaardige, aristocratische Dordrecht.
OVER DE MERWEDE NAAR DORDRECHT.
Een watertochtje op de Hollandsche groote riviermonden is iets eenigs, dat geen waar vaderlander mag verzuimen, eens of meermalen in zijn leven te maken, ook al is zijn woonplaats verre van die gewesten. Ga niet den Drachenfels beklimmen, vóór gij den Nederlandschen Rijn gezien hebt, zooals hij zich met statige fierheid langs de Geldersche heuvelen buigt; ga niet naar het Schwarzwald en Schaffhausen vóór gij de wateren kent, die met trotsche majesteit het lage deltaland van Holland besproeien. Hoewel kinderen der hooge gedeelten van Europa, spreiden eerst in het lage land de rivieren de grootschheid ten toon van hun machtig scheppingsvermogen naast de wilde vernielingskracht. Spelend met dat, wat zij zelf uit liefde voortbrachten, vernietigend hetgeen zij schiepen, om het daarna weder met gelijken moed op te bouwen, zoo omslingeren de groote wateren het delta-land, de meest tegenstrijdige gevoelens opwekkend bij de bewoners.
Wij stappen te Gorinchem op den steiger, zien een der booten, die op Rotterdam varen, met statigen zwaai zich wenden naar den wal, om den steiger te halen, en stappen aan boord, om op het dek plaats te nemen.
De nederzettingen aan beide zijden glijden wij rustig voorbij en weldra schuurt naar het Z.W. een landtong met een seinpaal vooruit in de rivier, als om die te scheiden. Nog weinige oogenblikken, en wij zien links voorbij Werkendam een breeden waterarm zich afscheiden van de Merwede. Dat is de Nieuwe-Merwede, thans een kunstmatig kanaal, door dijken ingesloten, dat een gedeelte van het Merwedewater naar het Hollandsch-Diep voert. Met den aanleg dier kanaalwerken is aangevangen na 1850, ten einde door dat kanaal de Boven-Merwede, waar bij hoogen rivierstand het water hoog kon opstuwen en dat door den meer en meer aanslibbenden Biesbosch niet voldoende kon wegloopen, te ontlasten.
Vóór 1421 was de Merwede een onverdeeld doorloopende rivier tot bij Dordrecht. Een hooge dijk liep van Woudrichem tot Dordrecht door en beschermde de Groote Zuid-Hollandsche Waard, een vruchtbaren polder met bloeiende dorpen overdekt. Herhaaldelijk was het gebleken, hoe gevaarlijk deze Waard lag. In 1288 was zij reeds gedeeltelijk overstroomd, zooals blijkt uit de Rijmkroniek van Melis Stoke, die zegt:
Suuthollant verdronc ooc mede Ende ic ne weet ghene stede, Bi der see, en ghinc al onder,
waar met Suuthollant de Hollandsche Waard bedoeld wordt. Nog hadden hier overstroomingen plaats in 1379, 1393 en 1396, maar telkens werden de wateren weder bedwongen.
Doch de zwaarste ramp trof de bewoners in den nacht van den 18en Nov. 1421. Toen de westerstorm het zeewater in de riviermonden dreef en het stroomend water der gezwollen rivieren opstuwde tot boven de kruin van den dijk, ontstonden er doorbraken van de Merwede beneden Werkendam, gevolgd door andere doorbraken in het westen van de Waard. De geheele Zuid-Hollandsche Waard, de Tiesselenswaard en onderscheidene dorpen langs den noordrand van Noord-Brabant lagen weldra geheel onder de golven. Van Dordrecht en de Merwede tot Zevenbergen, Geertruidenberg en Waalwijk was het land in één bare zee veranderd; 48 kerkdorpen lagen geheel onder water en de dorpen aan de dijken, hoewel niet overstroomd, leden veel. In 't geheel zijn door deze ramp 23 kerkdorpen met hun kerken voor altijd verdwenen. Het aantal menschen, dat hierbij omkwam, wordt op ongeveer 10000 gerekend, wat te meer beteekent, als wij weten, dat geheel Holland omstreeks 1514 slechts circa 300000 zielen telde.
Deze overstrooming verwoestte een groot gedeelte dezer landstreek geheel en al en bracht duizenden tot de diepste armoede. Vroeger rijke edellieden, wonende op hun kasteelen te midden van de voor hen arbeidende bevolking, werden tot den bedelstaf gebracht; de haveloos geworden bewoners vormden, door nood gedrongen, bedel- en rooversbenden, die het land onveilig maakten.
Toen de elementen tot rust gekomen waren, zag men, dat de Merwede een nieuwen arm gevormd had. Bij Werkendam stortte de rivier zich in een breede, ronde kom van het weggeslagen land, die wel niet diep was, maar toch geheel onder water lag. Daar groeiden in de ondiepste gedeelten weldra riet en biezen en hiernaar verkreeg het nieuw gevormde water den naam van Biesbosch.
De Merwede had de Zuid-Hollandsche Waard grootendeels vernield, doch arbeidde vervolgens weder, om het landverlies te herstellen. Zij voerde voortdurend het slib aan, dat zich aan het riet en de biezen in 't bijzonder vasthechtte, en zoo ontstonden er weldra slibbanken, vervolgens ondiepe platen in den Biesbosch, welke eerst afzonderlijk uit het water opdoken als kleine eilandjes en eindelijk door nieuwen aanwas zich meer bij elkander aansloten. Zoo werd langzamerhand de onregelmatige archipel van vruchtbare eilandjes in den Biesbosch gevormd, die zich echter van jaar tot jaar uitbreidden en de scheidingswateren verminderden of geheel deden dichtgroeien. Dat proces zet zich ook thans nog voort bij de overgebleven eilandjes, die wij daar voor ons zien, door ondiepe kreeken en gaten gescheiden, welke laatste hun ondergang dag aan dag meer tegemoet gaan. Zoo is het eiland van Dordrecht, dat wij links van ons waarnemen, en hetwelk kort na 1421 slechts tot een klein stadsgebied beperkt was, sedert dien tijd langzamerhand uitgebreid met vele nieuwe polders.
Als wij Dordrecht naderen, zien wij op niet verren afstand van de stad aan de linkerzijde der rivier, te midden van het grasland, aan den dijk en omringd door ruw opschietend struik- en boomgewas, eenige oude muurresten hun grijze massa in eenzaamheid opbeuren. Dit is de ruïne van het oude Slot-te-Merwede. Omtrent den tijd van den bouw van dit slot verkeert men in het onzekere, doch velen zijn van meening, dat het niet later dan uit de 12e eeuw dagteekent. Al weten wij niet, hoe het in zijn oorspronkelijken toestand geweest is, toch blijkt uit de overblijfselen, welke een deel van den westelijken zijvleugel met fragmenten van een toren en een trap uitmaken, dat het een sterk gebouw was. Merkwaardig is het blinkende verglaassel, dat de muren aan de westzijde overdekt, waardoor dit muurwerk tegen den invloed van het weer gevrijwaard is gebleven.
Ook dit kasteel is tenondergegaan in den St.-Elizabethsvloed van 1421. De hevige stroom, die bij dezen vloed om de muren bruiste, heeft een groot gedeelte der fundamenten ondermijnd en vernield, en ook latere overstroomingen en ijsgang hebben er nog groote schade aan toegebracht.
Het Huis-te-Merwede staat in den Merwedepolder. Toen de aanwassen in dezen polder in 1815 door de stad zijn verkocht, werd hierbij deze voorwaarde gesteld: "De stad Dordrecht reserveert aan zich den eigendom van den grond, alwaar het Huis-te-Merwede op staat, te meten met Rijnlandsche maat, vijf roeden uit den oost- en zuidmuur van voorschreven huis van de rivier de Merwede zuidwaarts aan, van de kille van het Huis-te-Merwede oostwaarts aan". Door die gelukkige bepaling is de bouwval bewaard gebleven, die zoo eigenaardig past in deze streek, als om de oude historie dezer landen een teekenend relief te geven.
Nog eenige oogenblikken en wij bevinden ons op de bedrijvige rivier vóór Dordrecht. Als de stad zich daar van verre het eerst in haar sierlijke lijnen ontplooit, treft ons de machtige silhouet van de oude Hoofdkerk, die reeds mijlen in den omtrek het landschap domineert en het oog boeit door kracht van lijn en kleur. Aan den voet haast omspoeld door den breeden stroom en aan twee zijden begrensd door Dordrechts teekenachtige havens, rijst de kerk schilderachtig boven het gewirwar van daken en groen. "Een wijding van rust en kracht uit een tijd, toen geen verschillen de godsdienstigen nog in tal van groepjes scheidden, toen gansch een volk een kunstwerk stichtte en de machtige gewelven met zijn lofzang vulde", aldus laat de heer Mr. Overvoorde zich uit over dit bouwwerk.
Wij zetten thans den voet aan wal in de Merwedestad en willen in de eerste plaats haar opkomst nagaan.
Dordrecht is in de oudste tijden waarschijnlijk opgekomen als een buurt van visschers, jagers en veehoeders, die zich aan den deels door de rivier bespoelden, deels door welige landouwen omringden dijk, (de tegenwoordige Voor- of Hoofdstraat) hadden neergezet. Onder de bescherming van het Slot-te-Merwede breidde die buurt zich van jaar tot jaar uit; zij verkreeg beteekenis als een marktplaats, doch werd door de Noormannen verwoest. Opnieuw opgebouwd werd de nederzetting door Graaf Dirk III in het begin der 11e eeuw tot een poort bevestigd. Sedert breidde Dordt zich spoedig uit als een belangrijke handelsstad. Wel negenmaal moest de stad in vroeger eeuwen vergroot en uitgelegd worden.
Reeds bij een oppervlakkige beschouwing van de kaart van ons land zal men spoedig tot het besluit komen, dat Dordrecht door zijn ligging aan de hoofdmonding van den Rijn, den arm, die gedurende de geheele geschiedenis het best bevaarbaar is gebleven, en door zijn betrekking met het Zuid-Hollandsch delta-land, zelfs nabij den waterarm van dat eilandengebied, die door de natuur nog het best als een toegang uit zee voor groote schepen werd bewaard (Goereesche gat, Haringvliet, Hollandsch-Diep, Dordtsche Kil), door de geographische gesteldheid eigenlijk aangewezen was tot de hoofdhandelplaats van Nederland aan den Rijn op Duitschland, tot de transito-haven van Nederland bij uitnemendheid voor het achterland van het Maas- en Rijngebied. Wanneer wij de geschiedenis van Dordrecht overzien, blijkt ook, dat de stad eeuwen lang de handelsheerscheres is geweest in dit gebied, een rang, haar in de eerste plaats door haar geographische ligging toegedeeld. Doch daarenboven begunstigden de Hollandsche graven de stad met de privilegiën van stapelrecht en tol, waardoor iedere Rijnschipper gedwongen werd, zijn waren in Dordrecht te koop aan te bieden, een voorrecht, dat medewerkte, om haar te maken tot een rijke plaats, tot de "koningin van den Rijnmond", tot een stad, die zich van haar waarde bewust was. Dordrecht gedroeg zich reeds in 1444, zooals koningin Isabella, de echtgenoote van Philips den Goede, zeide, "als ware zij zelve Heer in Zuid-Holland", en bewerkte, dat 40 dorpen en zelfs de stad Geertruidenberg werden gedwongen, daar hun turf en koren ter markt te brengen en hun bier te koopen. In Dordrecht vloeiden de voordeelen van den Rijn- en den Maashandel samen, zooals later die van den handel op Indië in Amsterdam, en de bewoners der stad gaarden schatten op. De nakomelingen dier echte Dordtenaren worden nog altijd beschouwd als een rijke bevolking; Dordrecht geldt voor een stad van patriciërs. Bij een wandeling door Dordt zijn de sporen van den rijkdom, die er toenmaals zetelde en zich uitte in kunstzin, nog te ontdekken in talrijke bouwgewrochten.
Dordrecht kon in vele opzichten als het evenbeeld van Amsterdam in het zuiden beschouwd worden, ja, het was Amsterdam zelfs vóór: zijn geslachtsboom klimt tot hooger oudheid. Dat gevoelden de Dordtenaren steeds; zij stelden zich altijd hoog boven de Rotterdammers. De dichters der 17e eeuw noemden de handelsstad aan de Merwede vleiend "de kroon", "de koningin der steden", "de roem van Holland". Niet minder dan de handel en scheepvaart werden ook kunsten en wetenschappen er aangekweekt. Ten tijde van Cats en de Witt bezat Dordt een bloeienden dichter- en schilderskring en een beroemde Illustre school, terwijl zijn invloed op de hooge staatsaangelegenheden, als eerste stemhebbende stad der provincie, zeer groot was.
De aristocratie van het oude Dordrecht blijkt uit de bevordering, welke kunsten en wetenschappen daar vonden. Aanzienlijke Dordtenaren stelden er een eer in, als Maecenassen der kunst op te treden. Wij wijzen op de Blijenburgers, van Beverens, Beelaertsen en Pompes uit vroeger tijd. Onder hun begunstiging werkten de eerste meesters der schilderkunst, en de salons in de stad hunner inwoning werden met kostbare doeken voorzien. Ook de welvarende burgerij moedigde deze kunst aan door het koopen van kabinetstukjes, waarmede zij de wanden harer pronksaletten versierde, en in de woningen der geringe poorters mochten evenmin schilderijen ontbreken. Zelfs op de hoeven van welvarende boeren vond men niet zelden een "Cuypie".
Zoo was het in de 17e eeuw. Na de kwijning der kunst in het midden der 18e eeuw brak te Dordrecht in de daaropvolgende het eerst een nieuw tijdperk der kunstgeschiedenis voor Nederland aan en werd de Merwedestad weer "een paradijs der const". De oude liefde herleefde; de aristocratie en de rijke kooplieden legden weder kabinetten aan; de neringdoende burgers wenschten weder schilderijen te bezitten. Evenals voorheen stelden de aanzienlijken, ook de vrouwen van rang, er roem in, den eernaam van voorstanders en voorstandsters der schoone kunsten te dragen.
Verder was Dordrecht in de 17e eeuw beroemd door de taalkennis zijner burgers. Men kon in dien tijd noch in den staat, noch in de kerk eenig ambt bekleeden, of men moest de oude talen meester zijn. Het was zelfs geen zeldzaamheid, jonge vrouwen aan te treffen, die Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch verstonden en in die talen schreven en verzen maakten. Dordrecht nu stond in de beoefening der oude talen in de Nederlanden bovenaan; geen stad, waar bij den aanvang der 17e eeuw voortreffelijker Latijnsche dichters en uitstekender beoefenaars van de oude talen gevonden werden dan in Dordrecht, en de roem dezer stad wegens haar geleerden verbreidde zich over geheel Europa. De beroemdste mannen der wetenschap uit Frankrijk, Duitschland, Engeland en Italië reisden naar Dordrecht, om daar de kenners der klassieken te begroeten; de Dordtsche Illustre school hield men voor de uitnemendste van alle, waar Latijnsche dichters gevormd werden.
Ook die klassieke geest begon na een tijd van verzwakking in Dordrecht te herleven met den aanvang der negentiende eeuw.
Dordrecht en Amsterdam vormden aldus niet alleen rijke koopsteden, maar waren in hun bloeitijd tevens de kweekplaatsen van kunst en wetenschap. De vergelijking van beide steden gaat nog verder: evenals Amsterdamsche letterkundigen zich in de 17e eeuw op het Muiderslot vereenigden, kwamen bij Dordrecht de uitstekendste geesten van den lande samen op het kasteel Develstein [13], een half uur ten westen van Zwijndrecht aan den Devel, waar de Dordtsche Beverens de kunstminnende en ontwikkelde gastheeren waren.
Was Dordrecht aan den eenen kant aristocratisch aangelegd, daarnaast bleven ook nergens oude zeden en gebruiken zoo lang in stand als hier. De ligging op een eiland kan daarvan niet uitsluitend de oorzaak geweest zijn, omdat men in de druk bezochte stad geenszins geïsoleerd stond; het verschijnsel is eerder te verklaren uit den zelfstandigen volksgeest, zoowel geestelijk als economisch. Gedurende het eerste gedeelte der 19e eeuw was hier de wijze van leven bij de aanzienlijken nog als in de eerste helft der 17e eeuw, zegt Dr. Schotel van de stad zijner geboorte. Nog gingen de eerzame burgers in dien tijd des zomers tusschen thee- en koffie- of na koffietijd naar hun tuintjes en werkhuisjes aan de singels, of zaten in de schemering, de vrouwen in hare peliezen met de breikous in de hand, de mannen in de poederjas of japon met den gouwenaar in den mond, op de banken hunner stoepen. De Latijnsche scholen waren nog ingericht als in den tijd, toen Jan en Cornelis de Witt er ter schole gingen. Op Kerstmis at men korseweggen, op Paschen bont-gekleurde paascheieren, die ook aan den meester werden vereerd; op Hemelvaartsdag sloeg men den dauw; op Pinksteren gingen de pinksterbloemen rond; men vierde pinksterdrie op het veld van Mars en den eersten Mei danste men om den Meiboom. De volkstaal was nog dezelfde gebleven; de burgers spraken nog in het oude dialekt of liever plat Dordtsch. Nog zei men "jochie", "koeksie", "meissie", "mannechie", "ien stiene hoisie", "een blaachie roiie koil", "voile geuten", enz. Zoo was men er gehecht gebleven aan het volkseigene, dat zich hier had ontwikkeld.
Hoe lang Dordrecht ook uitblonk boven Rotterdam in wetenschap, kunstzin en rijkdom, in hoogen naam der oude familiën, toch is het in de 19e eeuw op handelsgebied niet de eerste gebleven. De Merwedestad heeft zich door de Maasstad de kroon laten ontnemen. Dordrecht was rijk geworden door de stapelrechten, maar in den tijd, dat de vrijhandel in de Nederlanden zijn gunstigste resultaten gaf, klemde Dordrecht zich te angstvallig vast aan de verkregen middeleeuwsche rechten, die gedurende de 17e en 18e eeuw meer en meer in verval kwamen. Tot 1795 heeft Dordrecht zijn stapelrechten in naam behouden; de wind der Fransche revolutie evenwel deed ook de laatste overblijfselen van dit feodale recht verstuiven.
Bij dien strijd om het behoud van het stapelrecht was de stad niet medegegaan met de economische eischen des tijds; de bakens waren niet verzet, toen het getij verliep. Andere steden kwamen op en wisten het aandeel in den wereldhandel te verwerven, waarop Dordrecht door zijn ligging aanspraak kon gemaakt hebben. Dordrecht had de meerdere kunnen blijven; het was ook in de 19e eeuw aangewezen door zijn prachtige riviersituatie, om de eerste havenstad van Holland te zijn. Het beschikte tevens over groote financieele kracht. Maar het beleid, om die te gebruiken, heeft Dordrecht ontbroken; het liet zich alles door Rotterdam ontnemen, tot zelfs in den laatsten tijd zijn marktverkeer met het omringend eilandengebied. Het heeft zich bijna zonder protest laten afsluiten door een spoorwegbrug en daarmede een dam laten stellen in zijn vrij verkeer met de zee. En al is het nog een welvarende plaats, toch is de stad van 18000 zielen in 1796 tot niet meer dan 39000 aangegroeid, terwijl Rotterdam bij minder gunstige ligging veel sterker toenam (zie II pag. 75).
Dordrecht is ontstaan op een hoek van de Groote Zuid-Hollandsche Waard, op het land, ingesloten door de Maas, die toen nog haar ouden loop had vóór het ontstaan van den Bieschbosch in 1421, en de Merwede, terwijl de Dubbel dit land nog doorsneed en de Tiesselens waard in het westen afscheidde.
Door de overstrooming van 1421 zijn de geographische gesteldheid en de omstreken der stad geheel veranderd en werd Dordrecht een eiland. Aan den noord- en noordwestkant stroomde de diepe rivier; aan den zuidoostkant lagen ondiepe plassen, waaruit op korten afstand ten zuidoosten van de stad een laag, vlak eilandje oprees, dat weldra met riet begroeide, terwijl enkele gedeelten van den verwoesten zuidelijken Merwededijk en de muren van het oude Huis-te-Merwede treurig en verlaten boven de uitgebreide watervlakte uitstaken. Zoo vertoont zich de gesteldheid des lands nog op een kaart, door Pieter Sluiter in 1560 geteekend.
Langzamerhand veranderde de toestand weder in de omstreken van Dordrecht. De rietgors ten zuidoosten van de stad werd in 1589 weder met een zomerkade bedijkt en in 1620 door een volledige bedijking omringd. Hier verrees sedert het dorp Dubbeldam, vriendelijk langs den weg gelegen te midden van bouw- en graslanden. In 1630 werd hier weder een kerk gebouwd. Na dien tijd breidde de aanwas zich uit en in de eerstvolgende veertig jaren werden talrijke polders bedijkt.
Het Eiland van Dordrecht is aldus langzamerhand aangewassen tot zijn tegenwoordige gedaante en talrijke dijken, de grenzen der afzonderlijke polders, welke vroeger het buitenwater keerden, doch die thans midden in het land liggen en met hun groene ruggen of boombeplantingen het land in schilderachtige lijnen doorsnijden, verleenen het eiland een eigenaardig cachet.
De bodem is vruchtbaar door de zware kleilagen en wordt grootendeels voor bouwland, ten deele voor grasland gebruikt. De iepeboomen langs wegen en dijken geven het land een boomrijk karakter, terwijl overal langs de scheidingsslooten der landen de knotwilgen en populieren verrijzen; aan de rivierkanten spitsen de scheepsmasten over de dijken heen. Ook om de groote boerenwoningen, welke meestal geïsoleerd staan te midden van het land, vindt men doorgaans kleine boomgroepen. Dit alles schenkt aan het landschap een vriendelijke afwisseling, niet geteekend door scherpe contrasten, maar echt Hollandsch, rijk aan frissche kleuren en schilderachtige effecten, die onder den eenigen Hollandschen hemel zoo teekenachtig uitkomen. Daardoor is het eiland een lievelingsplek geworden voor schilders, die uit alle oorden van Europa en Noord-Amerika hier eenigen tijd vertoeven, om het landschap te bestudeeren, dat het penseel van zoovele groote kunstenaars heeft bezield.
Dordrecht heeft in zijn naasten omtrek een vriendelijke omgeving. Aan den eenen kant stroomt de grootsche rivier in een boog om de stad, met de schoonste vergezichten op het levendige water en op de dorpen aan den overkant, en aan de landzijde wordt Dordrecht omringd door een krans van villa's met geboomte en tuinen. Ten Z.O. van de stad ligt het park Merwestein met hoog en laag geboomte, met een hertenkamp, enz. Vroeger was dit een buitenplaats, die door de gemeente werd aangekocht. Daarnaast ligt het Oranjepark, een villapark.
De intrede der stad van het station langs moderne gebouwen en villa's geeft nog niet het echte stadskarakter te zien, dat Dordrecht beroemd heeft gemaakt. Daarvoor moet men zijn in het oude Dordrecht, met zijn schilderachtige grachten en zijn talrijke mooie gevels.
Eenig waren de echte oud-Hollandsche steden met een bouwstijl, die de uitdrukking was van een opgewekten geest, een gezonden humor. Wie gevoelt in onzen tijd niet den weldadigen indruk dier schilderachtige geveltjes, sommige met den eenvoud tot eenig sieraad, andere in volle gratie van kleur, lijn en plastiek? Daarbij is het merkwaardig, dat het niet alleen enkele openbare gebouwen zijn, die als monumenten van oude architectuur het karakter der oud-Hollandsche stad bepalen.
Dordrecht was in de bouwkunde de meeste Hollandsche steden nog vooruit. Hier zag men vóór 1500, toen er nog bijna uitsluitend houten gevels voor de particuliere gebouwen in de steden werden aangetroffen, ook in Amsterdam, reeds verschillende particuliere steenen gevels aan beide zijden van de Oude Haven. De oude particuliere gebouwen van vóór 1500 zijn echter alle verdwenen.
Van de latere bouwprodukten vindt men in Dordrecht nog overblijfselen uit verschillende tijdperken.