Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 13

Chapter 133,622 wordsPublic domain

Was Loevestein reeds in 1397 belegerd geworden, zijn roem in onze historie heeft het slot toch pas verkregen door Herman de Ruijter, die in 1570, door slechts drie kloekmoedige mannen vergezeld, Loevestein innam. Hoewel de toegezegde hulp van Graaf Willem van den Berg niet kwam opdagen, behield hij het slot toch eenige dagen en verdedigde hij het dapper tegen den Spaanschen kapitein Lorenzo Perea en toen de onderneming niet te redden viel, offerde hij voor de zaak, die hij voorstond, het leven, door in zijn laatste wijkplaats den brand te steken in het buskruit, dat hij op den grond had gestrooid.

Wel kwam Loevestein daardoor weer in handen van de Spanjaarden, maar in 1572 werd het hernomen door de Geuzen. De pogingen der Spanjaarden, om het te herwinnen in 1574 en 1589, mislukten; ook stootten de Franschen hier in 1672 het hoofd.

Loevestein heeft een treurige vermaardheid verworven als staatsgevangenis, waartoe het slot sedert de 15e eeuw herhaaldelijk werd gebruikt. Wat de Bastille was in Frankrijk, de Tower in Londen, de Gräts van Spandau in Duitschland, Chillon in Zwitserland, was Loevestein in Nederland. Gravin Jakoba deed hier in 1417 Otto van Schonauen en andere aanhangers van Willem van Arkel opsluiten. Filips van Bourgondië liet hier Mr. Gozewijn de Wilde, President van Holland, Zeeland en Friesland, onthoofden, in of omstreeks 1447. Het meest vermaard werd Loevestein als de kerker van Hugo de Groot, die van 5 Juni 1619 tot 2 Maart 1621 hier gevangen zat, gevolgd door zijn echtgenoote, de edele en flinke Maria van Reigersbergen, en bijgestaan door zijn trouwe dienaren Willem van de Velde en Elsje van Houweningen. De geschiedenis van Hugo de Groot is bekend, en ook de onsterfelijke roem, dien Maria van Reigersbergen zich hier verwierf, alsmede de flinke hulp van Elsje van Houweningen bij de ontvluchting.

Gewelt van wallen, dubble gracht, Ontruste honden, wacht bij wacht, Beslage poorten, optrekboomen, Geknars van slotwerk, breede stroomen, En d' onvermurwbre kastelein Verzekerden op Loevestein Den Grooten Huigen, buiten duchten Van in der eeuwigheid te ontvluchten; Ten waar zijn schrandre gemalin, Een dischgenoot en kruisheldin, Een eerlijke uitkomst had gevonden, En hem voor lang verdriet ontbonden.

Eén vrouw is duizend mannen t' erg. O, eeuwige eer van Reigersberg, De volgende eeuwen zullen spreken, Hoe gij de haat hebt uitgestreken, Nadat ge op 't droef gevangenhuis, Gelijk Marije neffens 't kruis, Uw bruigom, onder moordenaren Gerekend, troostte heele jaren. Vergun mijn luite, dat ze speel' Het bergen van het landjuweel In 't onweer, dat het roer vermande En 't groote schip van Holland strandde.

Zoo schreef Vondel opgetogen aan de aanzienlijke vrouwe, toen de mare van de Groot's ontvluchting bekend werd in den lande.

Gelijktijdig met de Groot zuchtte ook Mr. Rombout Hogerbeets in dezen kerker, om dezelfde reden tot levenslange gevangenisstraf en verbeurdverklaring van zijn goederen veroordeeld, en eveneens door zijn echtgenoote vergezeld, die hier overleed. Hogerbeets bleef hier tot 1626, doch kort daarna stierf hij op zijn slot ter Weer onder Wassenaar (zie I. pag. 108). Vondel stelde onder de afbeelding van dezen waardigen man de volgende regels:

Een vrome, oprechte ziel, en vrij van vuile smetten, Stak in dees waarden man, den kenner van 's lands wetten; Een kerker was de loon van zijn getrouwigheid. Gods zegen dauwe op 't graf, daar hij begraven leit.

Van 1621-1631 strekte Loevestein verder tot kerker aan onderscheidene Remonstrantsche predikanten; in 1650 nog tot staatsgevangenis van Jakob de Witt en andere Hollandsche staatslieden; in 1666 van den Engelschen Admiraal Ascue, van 1675-1679 van Abraham Wicquefort, van 1693-1696 en '97 van den Dordtschen burgemeester Simon van Halewijn en den Franschen schrijver du Plessis, van 1748-1770 van Pieter de la Rocques, gewezen bevelhebber van Hulst, van 1793-1795 van den Graaf van Bylandt, tijdelijk bevelhebber van Breda, van 1809-1813 van eenige Spaansche, Russische en Engelsche krijgsgevangenen, en in 1831 van eenige krijgsgevangen Belgen. Sedert is deze staatsgevangenis gesloten gebleven en daarmede is het belangrijk der geschiedenis van Loevestein geëindigd. Al kunnen nog enkele gedeelten worden aangewezen, waar de beroemde gevangenen hebben gezucht achter de zware muren, op het slot vindt men verder zoo goed als niets, dat aan de toenmalige toestanden herinnert. De vertrekken met hun kale, naakte muren zijn bergplaatsen, meer niet. Enkel het verlangen, om een historisch zoo merkwaardige plek te betreden, voerde velen, evenals ons, naar Loevestein, en wij verlaten de oude sterkte met de hoop, dat de geschiedenissen, waardoor deze plek vooral bekend geworden is, hun analogie niet weder zullen vinden in de toekomst onzer historie.

V. DE ZUID-HOLLANDSCHE LINGEPLAATSEN.

Van Gorkum verlaten wij de hoofdrivieren, om onzen tocht te vervolgen langs den benedenloop der Linge, die het zuidoostelijk gedeelte van Zuid-Holland, spelende tusschen hooge rivierdijken met breede uiterwaarden, in bevallige kronkelingen doorsnijdt en dit gedeelte van Holland een bekoorlijkheid geeft als nergens in deze provincie wordt aangetroffen. De Vliet, de Rijn, de Alblas, de Giesen, de Oude Waal en de Linge, zij hebben alle hun eigenaardig natuurschoon, zelfstandig en typisch, zoodat de kenner des lands, die geblinddoekt in een van deze streken geplaatst wordt, onmiddellijk als hij de oogen openslaat zal weten, in welk gedeelte hij zich bevindt, ook al is die plek op zichzelf hem geheel vreemd. De typische vorm der wateren, de plaatsing der dijken, de eigenaardige groepeering van den plantengroei, het karakter van de nederzettingen en de aard der bevolking, de lucht, die men inademt, de natuurkleuren, die ons boeien, en de geuren, die ons vervullen, de vorm van het landbezit en het landgebruik, dit alles werkt samen, om door elk zintuig indrukken te ontvangen, die ons doen zien, gevoelen, ruiken als het ware, waar wij zijn in Nederland.

De Linge is in haar bovenloop een Geldersche rivier. Als wij de Linge van Gorkum langs reizen, zullen wij al spoedig den overgang naar het Geldersche, en wel in 't bijzonder het Betuwsche, opmerken. Eerst is alles nog echt Hollandsch.

De hooge Lingedijk voert ons in de eerste plaats van Gorinchem naar Arkel, een klein dorpje, op ongeveer 1/2 uur van Gorinchem tegen den dijk gebouwd. Het dorpje Arkel, met zijn eenvoudig kerkje, trekt thans geen bijzondere aandacht meer. Doch historisch belangrijk is deze plek, omdat hier eens het stamhuis van het beroemde, aanzienlijke geslacht van Arkel gevonden werd. In de nabijheid van de tegenwoordige kerk verrees eenmaal de Arkelsburg, die in de 10e eeuw door Foppo of Poppo, den zoon van Herman, stamheer van het geslacht van Arkel, gesticht of vergroot was. Het moet een prachtige, "koninklijke" burcht geweest zijn. Jan de Sterke [12], die in 1272 overleed en 32 jaren heer van Arkel geweest is, deed echter dien burcht afbreken en in plaats daarvan een keizerlijken burcht bouwen, even buiten Gorinchem aan de oostzijde dier stad. Dit kasteel werd geroemd als een der eerste bouwwerken, zoodat er in geheel Duitschland geen slot of kasteel zou geweest zijn, dat met dit laatste gebouw viel te vergelijken. Het was een burcht met zeven, schier onverwinnelijke torens en bevatte een buitengewoon fraaie kapel, met vele kostbaarheden, waarin de godsdienstplichten der vrome vrouwen werden verricht. Het middelste hof had vier zware torens en werd, evenals het buitenhof, door een breede gracht omringd. Het binnenhof was omringd door een hoogen, dikken ringmuur, met onderscheidene torens bezet en van een groote voorpoort voorzien; in het midden van dat binnenhof stond een fraaie en ruime kerk.

Die fiere, keizerlijke burcht, omringd door lusthoven en boomgaarden, werd in 1412 door Graaf Willem IV in brand gestoken. Doch hij deed een nieuw kasteel ten zuiden der stad verrijzen, hetwelk in 1461 door Karel den Stoute zoozeer verbeterd werd, dat het boven alle Nederlandsche kasteelen uitmuntte. Ook dit kasteel bleef slechts zeer korten tijd gespaard: in Juni 1573 moest het prijsgegeven worden aan de Watergeuzen onder Marinus Brand, en reeds zes jaren later viel het onder de handen des sloopers. De slooping duurde lang; nog in 1600 waren eenige overblijfselen er van te zien, maar sedert verdween ook dat laatste gedeelte, zoodat van de oude kasteelen dier machtige heeren niets over is dan een vage geschiedenis.

Verder onzen weg vervolgend langs de Linge komen wij te Arkelschendam, in vroeger eeuwen Beerendam of Beerenswarande geheeten, doch in den omtrek enkel "den Dam" genoemd. Het dorp bestaat enkel uit zeer eenvoudige burgerwoningen, langs het Zederikkanaal gebouwd aan den weg naar Hoog-Blokland. Het Merwedekanaal buigt zich thans ten noorden van de plaats van het Zederikkanaal af, om verder westelijk naar Gorkum te loopen. Op deze plek had in 1403 een verwoed gevecht plaats tusschen de troepen van Jan van Arkel en Albrecht, Hertog van Beieren. Van het nonnenklooster, in 1499 gebouwd, eerst Mariënhagen en later Oudenhagen geheeten, is niets meer aanwezig; eenige huizen ten oosten van het dorp dragen enkel nog den naam "het Klooster."

Van hier buigt de Lingedijk zich meer naar het oosten en wij volgen hem over Kedichem, een eenvoudig, vriendelijk boerendorp, gebouwd binnen langs den dijk, dat in 1000 door Fop van Arkel zou zijn gesticht, en over Oosterwijk, eveneens een klein dorp, vriendelijk binnen den dijk gelegen, naar Leerdam.

Hoe vertrouwelijk is thans de Linge met het landschap, dat zij doorstroomt en als het ware schijnt te ontzien. Boven Kedichem buigt zij zich zelfs van den hoogen dijk af, schijnbaar om die zijde te ontwijken, doch bij het dorp nadert zij dezen kant weer met een lach op het gelaat, als ware het een spelemeien van den minnaar met zijn bruid. En toch, dit watertje, zoo onbeduidend en onschuldig thans, dat, naar het ons voorkomt, die zware dijken als uiting van het menschelijk wantrouwen pijnlijk moeten aandoen, is niet zoo vreedzaam, als 't er uitziet. Hoog kan die rustige Linge hier haar wateren doen opstuwen, de uiterwaarden overstroomend, en, van dijk tot dijk rijzende, die zware borstweringen zelf bedreigen. Ziet gij daar die meertjes beneden Kedichem achter den dijk? Dat zijn walen of gaten, bij vroegere doorbraken van den Lingedijk gevormd. Den 21en Januari 1726 ontstond hier een zware doorbraak van de Linge, waardoor het dorp geheel onderliep; den 3en Januari 1741 brak de dijk op bijna dezelfde plaats weder door, en eveneens in 1809 en 1820. Ook Oosterwijk werd in 1809 en 1820 zeer door doorbraken van den Lingedijk geteisterd.

Het oud-adellijke Huis te Oosterwijk, door grachten en boomgaarden omgeven, dat in het midden der 19e eeuw nog bestond, is in 1854 gesloopt; alleen in de pastorie vindt men daarvan nog enkele overblijfselen.

Langs de oude en nieuwe glasblazerij aan den Lingedijk komen wij vervolgens in het stedeke Leerdam, gedeeltelijk aan den Lingedijk gebouwd, die het met een straat doorsnijdt, gedeeltelijk daarnaast, een plaatsje, dat ruim 5000 inwoners telt. Leerdam maakt bij het betreden geheel den indruk van een oud stadje; de slechte keienbestrating doet meer denken aan een plaatsje van het diluvium dan van de kleistreken aan de Linge. Behalve de hoofdstraat, waar men burgerlijke, nette huizen vindt, ziet men onderscheidene smalle straten met arbeiderswoningen welke geen gunstigen indruk maken; in den laatsten tijd worden er echter nieuwe arbeiderswijken bijgebouwd. Het is in het plaatsje stil en rustig overdag en die indruk wordt nog versterkt door de ooievaars, welke op enkele huizen ongestoord hun nesten gebouwd hebben; als de arbeiders der fabrieken 's middags of des avonds weder tehuiskomen, is 't er levendiger. De hoofdbronnen van bestaan voor Leerdam zijn de landbouw en veeteelt der omstreken, maar bovenal de fabrieksnijverheid. De witglasfabriek heeft ongeveer 1000 arbeiders, de flesschenfabriek 600 arbeiders. Een aanzienlijke stoomhoutzagerij werkt met meer dan 100 werklieden; in houtvlotten wordt over de Linge het hout aangevoerd.

Als wij de Kerkstraat doorwandelen, valt ons oog op een liefdadige instelling, een hofje, door Mevrouw van Aarden in 1770 gesticht voor dames en vrouwen van haar familie. Het is een vierkant gebouw met een binnenplaats, waar omheen eenvoudige, nette woningen gebouwd zijn, terwijl aan het eind de regentenkamer gevonden wordt, met eenige schilderstukken van Ruysdael, Frans Hals, Jan Steen, Rubens e. a. Door een 15tal vrouwen wordt dit hofje thans bewoond.

Op de plek van dit hofje verhieven zich oudtijds de zware muren van het kasteel van Leerdam, dat in het begin der 16e eeuw werd afgebroken. Aan de overzijde van de straat valt hier een merkwaardig poortje in het oog, met het opschrift: "Vryheyt is met gheen Ghelt te coop". Het is een dier mooie poortjes, waarmede de Nederlandsche steden in vroeger eeuwen zoo kwistig waren bedeeld, uitmuntende door rijke ornamentatie. Waarschijnlijk dagteekent deze poort uit de 16e eeuw. Zij vormde vroeger een der ingangen van het zoogenaamde Drostenhuis, dat als een jachthuis der graven van Leerdam gesticht moet zijn. De sierlijke bouworde bevestigt deze meening. Immers, rijker edelman dan Frederik van Egmond, die in 1492 door den Roomsch-koning Maximiliaan tot eersten graaf van Leerdam verheven werd, kende Holland in dien tijd niet. Toen door het huwelijk van Prins Willem van Oranje met Anna van Egmond dit graafschap aan 't huis van Oranje kwam, werd dit jachthuis de bestendige zetel der drossaards, die tot 1795 de belangen der Nassaus te Leerdam behartigden. Het drostenhuis prijkte voortaan, behalve met deze poort, met tal van vorstelijke wapens, in arduinsteen gebeiteld. De overlevering verhaalt, dat in dit huis de gemalin van Prins Willem V, Frederika Sophia Wilhelmina, den brief aan haar broeder, den koning van Pruisen, geschreven heeft, om hulp tegen de Patriotten te vragen, wat aanleiding gaf tot de komst der Pruisen in 1787. In het tegenwoordige huis vindt men nog een goudleeren behangsel, dat aan den vroegeren tijd herinnert.

Leerdam is een oud stadje. Volgens de overlevering zou hier door Fop van Arkel in 1008 een dorp gesticht zijn, terwijl hij, die van zijn moeder veel goud en zilver geërfd had, nog vier andere dorpen aan de noordzijde der Linge stichtte, welker eerste naamletters tezamen den naam Arkel vormden, nl. Arkel, Rietveld, Kedichem, Eterwijk (nu Oosterwijk) en Leerdam. Nabij de grens van Gelderland gelegen, kwam Leerdam herhaaldelijk in het bezit der Gelderschen; in 1496 werden de stad en het kasteel door de Gelderschen veroverd. Doch Albrecht, hertog van Saksen, verscheen daarop met een groote macht te Gorinchem, legde sterke bezettingen in Asperen en Heukelum, sloeg een blokhuis op te Leerdam en dwong de Gelderschen tot overgave.

Wij noemen dit feit uit de geschiedenis, omdat het ons wijst op de betrekking, die hier tusschen Gelderland en Holland bestond, op de afwisseling en vermenging van Hollandschen en Gelderschen invloed, die hier te bemerken valt en sterk uitkomt bij vergelijking van den bouw der boerenwoningen te Heukelum, dat nog tot Zuid-Holland behoort, te Acquoy en Rhenoy (Geldersch) met die van de westelijker gelegen dorpen.

In een regelmatige ronding buigt zich de Lingedijk van Leerdam naar Asperen en sluit zich hier aan bij den Diefdijk, die van de Linge tot de Lek niet alleen de provinciale grens vormt, maar tevens de hydrographische en de ethnographische scheiding tusschen het Hollandsche en het overheerschend Geldersche element. Ten O. van den Diefdijk ziet men schier onmiddellijk de Geldersche kenmerken in den woningbouw (Acquoy en Rhenoy, zooals wij zeiden), en de volkselementen met zuiverder Frankische kenmerken dan in het aangrenzende Zuid-Hollandsche gedeelte, hoewel misschien Saksische of andere invloed nog iets stijfs en houterigs er bij heeft ingesmolten, waardoor de bewoners der Betuwe van het Noord-Brabantsche type zijn te onderscheiden.

Wij zullen ons thans enkel op het Hollandsch gebied ophouden. Na een langen omweg bereiken wij Asperen, dat reeds even buiten Leerdam als in de nabijheid vóór ons lag, maar waar de weg zich in een cirkel omheenboog. Asperen is een plaatsje met ruim 1400 inwoners. Het dorp is zeer regelmatig ten zuiden van de Linge gebouwd; het bestaat uit twee evenwijdige straten en nog een derde straat, te midden van boomgaarden gelegen. Na den brand van 1896 vindt men er nette, nieuw gebouwde, burgerlijke huizen, vooral aan de Voorstraat. Het belangrijkste gebouw is de Hervormde kerk, welker muurwerk bij den brand bewaard bleef. Het is een fraai, Gothisch kruisgebouw met kleine, in lood gevatte ruitjes, dat zich verheft aan het eind van het dorp op een lagen heuvel, die uit de kleilanden oprijst, te midden van schaduwrijke olmen op een klein kerkhof. Na den brand van 1896 werd de kerk geheel gerestaureerd. Ten westen van de kerk staat de zware en sierlijke toren, die ver in den omtrek overal in het oog valt.

Asperen is een oude nederzetting. Of men hieronder het oude Caspingium van Peutingers reiskaart heeft te verstaan, durven wij niet beslissen. Het is wel bekend, dat in den tijd, toen de Arkelsche heeren hier regeerden, Asperen als een sterke vesting werd beschouwd. Herhaaldelijk klonken de krijgsklaroenen van deze muren en werden er de wederzijdsche krachten gemeten.

In 1204 werd Asperen door Graaf Willem I van Holland belegerd, die het eene kasteel slechtte; in 1480 werd het door de Bourgondische krijgsknechten bezet en geplunderd; in 1497 had het veel last van de Hollandsche soldaten, die de stad en de omstreken beschermden tegen de Gelderschen. Nog zwaarder werd Asperen getroffen, toen in 1517 de Zwarte Hoop op deze plaats afkwam, de dapper verdedigde stad stormenderhand innam en ze tot een roofnest maakte, vanwaar de plunderaars Holland afliepen. Toen de Graaf van Nassau, stadhouder van Holland, hun dit stroopen wilde beletten en den toevoer van Asperen afsneed, moesten zij eindelijk met hun buit opbreken uit de stad. In 1574 namen de Spanjaarden Asperen in; in 1672 viel het in handen der Franschen. Voor zeker een reeks van historische herinneringen, welke men niet bij een dergelijk plaatsje zou verwachten.

Van het oude Asperen is zoo goed als niets over. De muren bestaan niet meer, en de twee kasteelen, welke hier eens verrezen, zijn sedert lang verdwenen. Het eene zou, meent men, gestaan hebben aan den kant van Gellikum, waar vroeger de Gellikumsche poort was; het andere, Waddestein, hebben de Franschen later in 1672 in de lucht laten springen. Doch hoewel geen vesting meer, ligt Asperen nog in de inundatielijn tusschen de Lek en de Merwede. Ten zuiden van den Diefdijk ziet men hier een rij van forten, die den toegang tot de Vijfheerenlanden van het oosten beletten, waarvan een tweetal bij Asperen gevonden worden.

Over 't geheel is Asperen een stil en rustig landstadje, doch wanneer de paardenmarkten gehouden worden, die reeds vanouds beroemd zijn, is het levendig en druk in de stille dorpsstraten door het gedraaf en gejaag der rossen en het loven en bieden van opgewonden kooplieden tegenover de kalme boeren.

Van Asperen keeren wij terug. Langs de kerk komen wij op een weg, die midden door vruchtbare bouwlanden loopt, met kostelijk graan en bieten beteeld, vanwaar wij in de verte als een groen eiland uit het landschapsgoud een statig geboomte zien oprijzen. Het is het kasteel van Heukelum, dat zich aan den zuidelijken Lingedijk verheft te midden van dicht geboomte van eiken, beuken, olmen en esschen. Het nieuwerwetsche, eenvoudige, vierkante gebouw wordt door een gracht geheel omsloten, waarover een ophaalbrug naar den kant van Heukelum aan het eind van een laan toegang verleent. Op deze plek heeft reeds in zeer vroegen tijd een kasteel gestaan, dat in oude leenbrieven Merckenburgh genoemd wordt en bestond vóór het stadje. Dit kasteel is door Friezen, Denen en Noormannen verwoest, doch Jan van Arkel herbouwde het in 1200. In het midden der 18e eeuw was het zeer in verval en later werd het tegenwoordige huis gesticht.

Een iepenlaan over den Lingedijk voert binnen korten tijd naar het oude stadje Heukelum, aan de Linge gelegen. Het is een stil, eenvoudig gebouwd, dorpelijk plaatsje, met niet meer dan 600 inwoners in de kom van het dorp, zonder eenige merkwaardige gebouwen. Enkele boerenwoningen, die wij hier zagen, deden het oude Frankische karakter van den bouw uitkomen.

Heukelum was vroeger een vesting met poorten en muren; langs de Linge had het oudtijds een muur met vier waterpoorten, doch sedert lang niet meer. Deze plaats is, evenals de meeste Linge-steden, herhaaldelijk door overstroomingen geteisterd, o. a. in 1748, toen de Gorkumerpoort bijna geheel wegspoelde; in 1809, toen 25 huizen onder het rechtsgebied der stad werden vernield; in 1820 en 1827. Bij de doorbraak van 1820 tusschen Asperen en Heukelum ontstond er een grond-gat in den dijk van 68 voet diepte met aanzienlijke verzakkingen; bij die gelegenheid rees er een groot stuk veengrond op met den kop van een olifant, van 100 K.G. zwaarte, die later in het kabinet der Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem bewaard werd.

Wanneer wij ten slotte nog een algemeenen blik over de bevolking in het land tusschen Lek en Merwede werpen zal ons in 't oog vallen, dat hier over 't geheel een buitengewoon behoudende geest heerscht, met afkeer van al het nieuwe. Op kerkelijk gebied openbaart zich dit door een streng Calvinistische richting, die overheerschend is, terwijl er weinig Katholieken gevonden worden.

De oude nationale kleeding bij de boeren is echter bijna geheel verdwenen. Doch de oud-Hollandsche boerenwagen, welke er vooral gebruikt wordt om het hooi binnen te halen, vindt men er nog. Het zijn schilderachtige voertuigen, rijk in hun kleuren en vormen, met uitdrukkingen der boerenphilosophie in spreuken en rijmpjes op voorkist en achterkant. In den laatsten tijd ziet men ook tal van nieuwmodische wagentjes, als tilbury's, brikken, enz. bij het marktbezoek in gebruik komen.

Het gemeenschappelijk dorschen van koolzaad bleef hier nog lang in zwang en was in enkele streken een waar oogstfeest. Zoo o. a. tot voor kort te Oosterwijk aan de Linge.

Op een open plek op het veld werd een dorschkleed gespreid, waarop het koolzaad warm uit de zon werd aangevoerd en gedorscht. Dit geschiedde door de mannen, en eenige families hielpen daarbij elkander, den eenen dag bij A, den volgenden dag bij B enz. De meisjes uit die families, met een rooden doek over de schouders, welke voor de borst naar beneden liep, en die daarnaar "roodborstjes" genoemd werden, brachten bier en spijzen aan de dorschenden, terwijl de huismoeders rijstenbrij kookten om te gebruiken na afloop.