Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 12
Bovenal was die industriëele omkeer langs de Noord aan enkele ondernemende familiën te danken, welke hier nog gevonden worden, en die daardoor tot de invloedrijkste dezer streek behooren en den toon aangeven. De namen Smit, Lels, enz. zijn in den lande algemeen bekend. In den ondernemingsgeest dier familiën vindt men dan ook de bron van een cosmopolitisme, zooals dat den ouden Hollanders eigen was, die in vreemde landen gaarne den voet drukten. En het behoeft u niet te verwonderen, wanneer u in de nette, flink burgerlijke huizen dezer streek photographieën of aardigheden vertoond worden uit China, Japan, Indië, Kambodja, Amerika, enz., welke de heer des huizes zelf heeft medegebracht van zijn reizen, of dat hij u verhalen doet van een bezoek bij den Vorst van Siam, van zijn kijkje op de Noordkaap, enz. De mannen van zaken slaan de blikken rond in de wereld: in hun jeugd, om de wereld te leeren kennen; als mannen, om de vleugelen van hun ondernemingsgeest dáár uit te slaan, waar te handelen valt. En bij dat wereldburgerschap is een eenvoud bewaard, een samengaan van patroons met werklieden, een praktische geest, om bij de arbeiders ook het sparen aan te moedigen, dat men, als men de hamers niet hoorde dreunen, den Kinderdijk niet voor een fabriekplaats van beteekenis zou aanzien, maar eerder voor een dorp van nette, burgerlijke welvaart en met enkele aanzienlijke huizen.
Alblasserdam is een net dorp, hoofdzakelijk gebouwd langs den hoofddijk, met een paar zijstraten langs de Alblas, op het punt, waar dit water door een sluis met de Noord in verbinding staat. Een oude schutsluis, van 1780, met bogen onder den dijk door, geeft hier gelegenheid, om nog water uit de Alblas te loozen, en om met kleine schepen in de Alblasserwaard te komen. Aan de afsluiting van de Alblas door een dam, om het water te keeren, zeker aanvankelijk met een overtoom en een duiker, den oudsten verbindingsvorm in Nederland over de afgedamde wateren aan den mond, was het ontstaan van een dorp te danken, waar bij den uitvoer der produkten uit de Alblasserwaard de schippers eenigen tijd vertoefden. Dat dorpje werd natuurlijk "Alblasserdam" geheeten. Lang vond het plaatsje in dit verkeer zijn bron van bestaan, totdat scheepsbouw en andere nijverheid door de gunstige ligging hier een verblijfplaats kozen en het tot een aanzienlijk dorp maakten.
Naast de sluis staat het Gemeenelandshuis. Den toren der vroegere kerk vindt men nog een eind binnendijks, niet ver van de Alblas; de kerk werd voor een zestigtal jaren door een nieuwe op den dijk vervangen, welke thans weder geheel nieuw is opgebouwd.
Wij kunnen thans de verzoeking geen weerstand bieden, om langs den vriendelijken Graafstroom, die in den zomer zoo bekoorlijk kan zijn, in gedachten even het land in te gaan.
Al bezit de Graafstroom niets buitengewoons, dat de aandacht trekt, toch heeft de natuur hier een lief en aantrekkelijk voorkomen, iets innigs. Hollandsch is haar wezen. Schilderachtig kronkelt in den benedenloop het water door het rustige landschap, waar men van verre de hamerslagen hoort klinken van de levendige Noord; in het bovengedeelte is de Graafstroom meer een rechte waterloop. Bijna over de geheele lengte is het watertje met wilgen omzoomd, die aan de vochtige oevers welig opschietend, hun hangende takken in de effen watervlakte weerspiegelen en ook in rijen langs de slooten het landschap doorsnijden. Het zou niet oneigenaardig zijn, de Alblasserwaard "de Wilgenwaard" te noemen. Langs den Graafstroom vindt men overal de zindelijk gewitte trapjes, die tot het stille water afdalen, waar de vrouwen en jongedochters in de morgenuren het melkgereedschap staan te spoelen en te plassen, over en weer een kort buurpraatje houdend. Alles is er rein en wit geschuurd, tot zelfs de klompen aan de voeten, en de verf, vooral het blauw en groen, wordt niet gespaard: dat zijn de kleuren van den hemel en van het land.
Een reeks van eenvoudige, vriendelijke dorpen rijt zich aan de Alblas, meest alle uit dubbele rijen boerenhuizen bestaande, langs het water gebouwd, ieder op zijn erf. Men betreedt eerst het schilderachtige Oud-Alblas, verder Bleskensgraaf, Molenaarsgraaf, Laag-Blokland en Goudriaan. En wanneer wij van hier langs een landweg verder oostwaarts gaan, bereiken wij Meerkerk, aan het breede Merwedekanaal gelegen, een net gebouwd en levendig dorp, met druk bezochte paardenmarkten.
Na dezen zijsprong, die in gedachten gemakkelijk, in werkelijkheid minder vlug is te maken, staan wij weder bij het punt, waar wij den dijk aan de Noord verlieten, om dien thans verder te volgen. Na een korte afbreking der huizen langs den dijk bereiken wij Papendrecht, waar wij den Merwede-dijk betreden. Nu eens onmiddellijk langs de rivier, dan weer door gorzen, platen en uiterwaarden van de rivier gescheiden, slingert hier de dijk in onregelmatige bochten langs de Alblasserwaard, die van Giesendam tot Gorinchem bijna geheel door een tamelijk breede strook van grienden omzoomd is, welker jeugdig, frisch groen en bladrijk hout, dikwijls golvend bewogen door den wind, een eigenaardig karakter geeft aan het landschap.
De rij van dorpen van Papendrecht tot Gorinchem, als: Papendrecht, Sliedrecht, Giesendam en Hardingsveld draagt over een afstand van 2 1/2 uren gaans, bijna overal hetzelfde karakter. Het is een lange reeks van huizen, op enkele plaatsen in die gedeelten, welke men de "kommen" der dorpen kan noemen, tot dubbele rijen gezet, welke alle langs den dijk gebouwd zijn, hoofdzakelijk aan den landkant, meestal met tuintjes in de diepte aan den zoom van de Alblasserwaard. Groote afwisseling in bouworde vindt men hierbij niet: over 't geheel ziet men in deze streek eenvoudige, burgerlijke, welvarende huizen, en er naast vele kleine woningen van arbeidersgezinnen, doch alle even net en zindelijk, terwijl enkele villa's daartusschen met voornaamheid uitkomen. Zijwegen, dwarsstraten vindt men schier nergens: de dijk is de hoofdwandelweg, waarover men heen en terug drentelt en die op Zaterdagavond en Zondagmiddag echt levendig is. Dan bemerkt men tevens, dat het volkseigenaardige der kleederdracht in deze dorpenrij, evenals in Alblasserdam en aan den Kinderdijk, meestal geheel verdwenen is, dat de jongere burgermeisjes zich liever in het nagevolgde kleed der stadsjuffers steken, dan er prijs op stellen, om de gewoonten en kleeding der vaderen in eere te houden. Alleen de visschers- en arbeidersvrouwen maken, met hun witte, rondom het hoofd sluitende, gehaakte mutsjes hierop nog een uitzondering. Langs de rivier kan men haar op mooie avonden in groepjes van twee à drie zoo hier en daar tegenover het huis vinden, de breikous in de hand, met elkander de nieuwtjes van het dorp besprekend, den blik over de schoone watervlakte weidend, terwijl op korten afstand de mannen zich des Zaterdagsavonds, wanneer het visschen na zes uur is geëindigd of anderen van de werkzaamheden tehuis zijn gekomen, zich daarnaast op den dijk nederzetten, eveneens over de rivier starend. De rivier is de lust en het leven van deze dorpsbewoners; vóór de spoortrein bij Dordt over de Merwede snorde, was het water de eenige verkeersweg; aan de rivier hebben zij nog de hoofdfactoren van hun ontwikkeling, de hoofdbronnen van hun bestaan te danken. De rivier heeft de bevolking tot scheepsbouw gebracht; de grienden langs de wateren hebben hoepelmakerij doen ontstaan; de strijd tegen het water heeft hen tot flinke waterwerkers gevormd, die vooral het zandwerk bij waterwerken uitvoeren, en de ondernemingsgeest en het kapitaal van enkelen heeft dezen aanleg in dienst genomen, om door het aannemen van groote werken overal in den lande en zelfs in den vreemde, tot in Amerika toe, met arbeiders uit deze streek de groote ondernemingen uit te voeren. In den zomer zijn een groot aantal der arbeiders met de aannemers meest naar de groote werken, doch in October keeren dezen met een zuur, doch goed verdiend loon terug, om hier hun winterkwartieren te betrekken. De verdiensten zijn voor hen wel groot, doch in de laatste jaren is er, nu de aanzienlijkste groote werken der spoorwegen in Nederland zijn uitgevoerd, herhaaldelijk met werkeloosheid te kampen.
In de eerste plaats betreden wij Papendrecht, schuin tegenover Dordrecht gelegen, met ongeveer 3000 inwoners. Men meent, dat deze plaats haar naam te danken zou hebben aan een veer of overtocht, behoorende aan geestelijken of papen. De Hervormde kerk is een flink gebouw.
Het grootste dorp is Sliedrecht, met ongeveer 10.000 inwoners, ruim een uur gaans lang, dat meestal uit een dubbele rij huizen bestaat. Het post- en telegraafkantoor is het sierlijkste gebouw; de kerk is ruim gebouwd.
Hoewel Sliedrecht van ouden oorsprong is en reeds in 1064 in een brief van Keizer Hendrik IV genoemd wordt, herinnert in het dorp toch niets van dat verre verleden; het bestaat geheel uit moderne huizen. Men meent, dat een gedeelte van het oude Sliedrecht met den St. Elizabethsvloed van 1421 van het overige gedeelte is afgescheurd. Het schijnt wel, dat dit afgescheurde gedeelte in het tegenwoordige Kerkplaatje, tegenover het station tusschen de Huibert-de-Baat's-plaat en den dijk, kan teruggevonden worden; die naam zou dan op de kerk wijzen, welke hier eens stond. [11]
Bijna zonder afbreking der huizenrij komen wij in het dorp Giesendam, gebouwd langs den Merwededijk en gedeeltelijk langs de Giesen, die hier als binnenwater door een sluis met de Merwede in verbinding staat, waar men echter alleen water door inlaat, om het water der slooten binnendijks te ververschen, en kleine schepen doorschut. De Giesen was oudtijds als een kil van de Merwede een open water; zelfs in de 11e eeuw werd aan den mond der Giesen nog een scheepsstrijd geleverd. De afsluiting door een dam en een sluis gaf ook hier aanleiding tot het ontwikkelen van een dorp, dat in de kom ongeveer 1400 inw. telt.
De Giesen is door haar vele bochten een schilderachtig water, rijker aan afwisseling dan de Graafstroom, en wordt ook veel door landschapsschilders bezocht. Langs dit water vindt men de dorpen Giesen-Oudkerk en Giesen-Nieuwkerk, Noordeloos, e. a. Hier lagen in de oudheid aanzienlijke bezittingen der Heeren van Brederode, die de heerlijkheid van Giesen hadden en wier landbezit zoo groot was, dat zij van Noordeloos tot Dordrecht, naar men zeide, over eigen land konden gaan. Men meent zelfs wel, dat hier in 't bijzonder de heerlijkheid Brederode moet gezocht worden, hoewel dit niet uitsluit, dat ook de bezittingen in Kennemerland daartoe behoorden.
Van Giesendam gaat men onmerkbaar in Hardingsveld over, eveneens over een lengte van ± 1 uur langs den dijk gebouwd, het echte land der grienden, die ge overal ruikt op den dijk, door de hooge mijten van hoep- en teenhout.
De dijk van Hardingsveld heeft een bijzondere beteekenis gehad voor de Alblasserwaard. Na de splitsing was hier de Beneden-Merwede plotseling versmald en bij het losraken der rivier ontstond er licht ijsverstopping. Dit had tengevolge, dat hier oudtijds vele doorbraken in den dijk ontstonden, welke de overstrooming van de geheele Alblasserwaard ten gevolge hadden. Om die gevaren af te wenden, werd in 1738 een dijk gelegd, op een afstand van 200 roeden van Schelluinersloot, die zich weder bij den Bandijk aansluit op de plaats, waar thans het Kanaal van Steenenhoek uitwatert. Die dijk sloot aldus een groot gedeelte van Hardingsveld af van de Alblasserwaard en diende, om bij geval van doorbraak van den dijk te Hardingsveld het water uit de Waard te keeren. Na den aanleg van dezen dijk heeft er bij Hardingsveld geen doorbraak meer plaats gehad; toch was die dijk van dienst bij de watervloeden in de Waard van 1740, 1809 en 1820, toen deze een toevluchtsoord voor menschen en vee aanbood.
Wanneer wij het dorp Hardingsveld gepasseerd zijn, brengt de weg ons naar het Zederikkanaal, gedeeltelijk over genoemden dijk, en verder over den Kanaaldijk, tevens den Bandijk der rivier, die zich tot 6,20 à 6,40 M. boven A. P. verheft en meer dan 6 meter boven het achterliggende land rijst. Zoo bereiken wij
"'t Oord, waar de Merwe den wortel besproeit Van Gorkums ondwingbare wallen, En, 's winters heur baren verheffende, woelt, Om beemden en wei te overvallen, Met ramp te overstorten den weligen grond, Waar 't adellijk slot der Van Arkels eens stond".
IV. GORINCHEM, WOUDRICHEM, LOEVESTEIN.
Op de plek, waar de Linge het water der Betuwe en der Merwede uitstorte, niet ver van de vereeniging van Waal en Maas tot de breede watervlakte van de Merwede, die zich met zooveel trotschheid tusschen de hooge dijken, door het griendhout in een krans van groen gehuld, zeewaarts beweegt, verheft zich het vriendelijke stadje Gorinchem aan den oever der rivier. Eenig in schoonheid zijn de riviergezichten, welke van het societeitsgebouw aan de vroegere Merwedepoort zich voor het oog ontrollen, de liefelijkheid en kleurentinten van het Hollandsch landschap met de grootschheid van de watermacht vereenigend.
Op dit kruispunt van grootere en kleinere waterwegen, waarheen de landbewoners van het Lingegebied al sedert oude tijden afzakten, om er hun produkten ter markt te brengen, die over de rivieren een verderen afzet vonden, had zich al vroeg een nederzetting gevestigd. Wanneer hier de eerste grondslag voor een plaats werd gelegd, is onzeker; sommigen meenen, dat er een Romeinsche legerplaats geweest zou zijn, doch met beslistheid valt dit niet te zeggen. Het oudste bericht, dat wij van Gorinchem hebben, is in het handvest van den Brabantschen hertog Jan I, waarbij de burgers van Gorinchem, toen een plaats in het land van den Heer van Arkel, tolvrijheid door Brabant verwierven, in 1287. Dit voorrecht werd in 1289 belangrijk uitgebreid, toen graaf Floris V den Gorinchemmers ook tolvrijheid verleende in zijn gebied. Die voorrechten deden de welvaart der bewoners toenemen en Gorinchem werd een stadje van beteekenis. Op de grens van Holland gelegen, werd Gorinchem al vroeg versterkt. In den aanvang der 16e eeuw lagen er twaalf bolwerken om de stad, die later nog met andere vermeerderd werden. Aan de landzijde verder door inundatiën gedekt, was Gorkum moeielijk te naderen en aldus werd het als een uitermate sterke vesting beschouwd. Ook thans is Gorinchem nog een sterkte, die deel uitmaakt van de groote verdedigingslinie "de Nieuwe Hollandsche Waterlinie", welke van Muiden en Naarden over Utrecht, Vreeswijk en Kuilenburg (hier ten O. van den Diefdijk) langs Asperen zich voortzet tot de Waal ten O. van Gorkum, en door inundatiën een laag terrein over een tamelijke breedte in een moerassige strook doet veranderen, welke onbegaanbaar is en evenmin diep genoeg overstroomd, om door platbodemde vaartuigen te worden bevaren. Bij Gorkum gaat die verdedigingslinie over de Merwede, loopt ten oosten langs den Biesbosch, waar Woudrichem een vesting vormt, en verder over de vesting Geertruidenberg naar de versterkingen te Willemstad, fort Prins Frederik in het oosten van Over-Flakkee, naar Hellevoetsluis en Brielle. De ligging aan het zuidelijk einde van het Zederikkanaal, dat in 1823 gegraven werd in aansluiting met de Keulsche Vaart, die van Amsterdam over Utrecht naar Vreeswijk liep, om van hier de verbinding met de groote riviermonden en Antwerpen aan den eenen kant, met de Waal, den Boven-Rijn en Keulen aan den anderen kant tot stand te brengen, een waterweg, die in 1892 verbeterd is door het Merwedekanaal, geeft Gorinchem vooral doorvaart voor den Rijnhandel van Amsterdam en Utrecht.
Hoewel van de oudheid dagteekenend, heeft Gorinchem toch niet zeer veel oude gedenkteekenen. Mooie gevels vindt men nog wel in de stad, bovenal in de Burgtstraat en de Gasthuisstraat, met nog goede overblijfselen uit het midden der 16e eeuw en van de Hollandsche renaissance.
Het oudste gebouw der stad is de toren der Hervormde kerk, waarvan het bovenste gedeelte in 1517 werd voltooid, doch die overigens uit de 13e eeuw dagteekent. Het is een zwaar gevaarte in Gothischen stijl, waarvan de spits ontbreekt. Van zijn top kon men bij helder weder twee en twintig bemuurde steden en tal van dorpen en vlekken overzien. Eigenaardig is het, dat hij tijdens den bouw ongelijk gezakt schijnt te zijn, waardoor hij aanvankelijk in een schuinen stand geraakte. De bovenste helft is vervolgens te lood hierop gebouwd en daardoor maakt hij een zonderlingen indruk.
Bij dezen toren stond vroeger de Groote St. Janskerk, in 1263 door Jan van Arkel gesticht, in haar bloeitijd een prachtig versierde en van rijke altaren voorziene kerk met de graftombe der heeren van Arkel. Het kerkgebouw ging door de Hervorming aan de Hervormden over, doch werd in 1850 afgebroken en door de tegenwoordige kerk vervangen, een ruim gebouw, welks Romaansche bouworde weinig past bij die van den toren. Toen de toren daar zoo eenzaam stond, verlaten door zijn trouwen metgezel, zong Joh. W. A. Kehrer den eenzame een lied toe:
Statig en fier heft ge uw kruin naar de wolken, Reuzige grijze, die de eeuwen belacht! Om u verkwijnden geslachten en volken: Gij--staat nog daar in steeds jeugdige kracht. Ernstig en droef schijnt ge in 't ronde te staren, Ach, niet een enkelen vriend uwer jeugd, Geen, wien die schittrende riddereeuw heugt, Moogt ge in de verte aan uw voet meer ontwaren! Droef bovenal staart ge neer op den grond, Dien eens uw trouwste vriendinne mocht sieren: Ach, niets dan onkruid en distelplant tieren Nu op de plek, waar zij eertijds bestond! Zusterlijk stond zij u eeuwen ter zijde, De oude St. Janskerk, door de Arkels gesticht, Lang door de zon der hervorming verlicht, Schoon eerst de waskaars den schemerglans spreidde Door haar gewelven.
Verder zijn belangrijke gebouwen het Stadhuis aan de ruime markt, met het wapen van Gorinchem in het frontispice, waarin de spreuk: "Fortes creantur fortibus", d. i. "van dapperen komen dapperen voort".
In de stad wordt nog het "poortje van Daatselaer" gewezen, een grijs, granietachtig geschilderd poortje, waarvan het karakteristieke voor enkele jaren verloren is gegaan. Hier moet het huis gestaan hebben van Daatselaer, den vriend van Hugo de Groot, waar Elsje van Houweningen, de getrouwe dienstbode, de kist met haar meester liet brengen, die er geopend werd. Het was Daatselaer's vrouw, die den gevluchte van het metselaarspak voorzag, waarin de geleerde, vergezeld van den meester-metselaar Jan Lambertszoon, met een maatstok in de hand de markt overging. Hier lieten zij zich overzetten. Jan Lambertszoon bracht de Groot te voet naar Waalwijk, vanwaar hij naar Antwerpen ontvluchtte. Deze gebeurtenis werd door Daatselaer in een geschilderd glasraam zinnebeeldig voorgesteld, welk raam later naar het burgerweeshuis is overgebracht.
Als wij verder Gorkum doorwandelen, valt het ons op, dat het een nette, welvarende provinciestad is. Vooral op de marktdagen is het er levendig door de bewoners uit den omtrek. De Gorkumsche paardenmarkten en de veemarkten worden er druk bezocht; de markt van zalm en elft is er belangrijk.
Wie te Gorkum is, kan niet nalaten, over de rivier een bezoek te brengen aan het oude, eigenaardige stadje Woudrichem, om zich vandaar te laten overzetten naar Loevestein.
Een stoombootveer voert ons over de breede Merwede en weldra zetten wij voet aan wal in deze kleine vesting, welker zware, stompe toren reeds van verre over de wallen verkondigt, dat dit eenmaal een merkwaardige plek was. Hier, aan de samenkomst van twee belangrijke stroomen, ontstond reeds in de grijze oudheid een nederzetting, zeker tengevolge van den handel. Zeer waarschijnlijk is het ook, dat het Christendom hier al vroeg verbreiding heeft gevonden, want in 866 komt Woudrichem reeds voor als een marktvlek onder de bezittingen van den Utrechtschen bisschop. Dat de stad eens bloeide en veel grooter moet geweest zijn, bewijst de trotsche toren, te groot voor dit stedeke; het valt ook af te leiden uit onderscheidene gebouwen, die naast sporen van hoogen ouderdom op 't gelaat tevens blijken geven, dat de eerste bewoners over ruime middelen konden beschikken.
Het stille, schier vergeten stadje is daardoor een bezoek overwaardig. Reeds bij het binnentreden aan de rivierzijde maakt de Waterpoort een schilderachtigen indruk; de steenen kogels, die symmetrisch aan de buitenzijde zijn ingemetseld, vormen een eigenaardige versiering. De Hoogstraat wijst nog prachtige gevels aan uit de jaren 1593-1610, schoone voorbeelden van baksteenbouw en tevens bewijzen van de hoogte, waartoe de baksteenindustrie zich voor een drietal eeuwen al had verheven. Niet alleen, dat de baksteen in dien tijd werd verwerkt tot groote, monumentale gebouwen, maar de gevels der woonhuizen, die aanspraak mogen maken op schoonheid en juiste opvatting van stijl en constructie, geven door den baksteen ook het echt Hollandsche karakter aan onze steden.
De toren der kerk is kolossaal van aanleg, maar onvoltooid of beroofd van het boveneinde; aan de vier zijden is hij versierd met tal van kopjes, gelijkmatig in rijen geplaatst, terwijl het vlechtwerk van baksteen als nisvullingen dienst doet.
Woudrichem is uitermate stil; alleen de riviervisscherij en de vischmarkt hebben er eenige beteekenis.
Ten oosten van Woudrichem bereiken we op korten afstand buiten de poort het punt
Waar Maas en Waal te zamen vloeit En Gorkum rijst van ver; Daar heft zich op den linkerzoom En spiegelt in den breeden stroom Een slot van eeuwen her.
't Is Loevestein, 't is Loevestein, Waarvan de wereld sprak,
zooals Tollens het uitdrukt. De vrije samenvloeiing van Maas en Waal zal hier spoedig tot het verledene behooren, als de nieuwe Maasmond geopend is. Voorzeker, van dit slot is veel gesproken; die grijze muren hebben geschiedenissen te verhalen, zooals geen ander gebouw in ons vaderland. "Meer misschien dan eenig ander overblijfsel op Nederlandschen bodem verdient Loevestein voor het nageslacht bewaard te blijven, want als gedenkteeken van voorvaderlijke deugd, van heldhaftigheid, werkzame godsvrucht, vriendentrouw, huwelijksliefde, wordt het wellicht door geen ander overtroffen, terwijl het daarbij als waarschuwende vinger op de klip der tweedracht wijst, zooals die meer dan eenmaal het Nederlandsche staatsschip met vernieling dreigde," schreef Nijhoff in 1854. Maar hoewel het slot er nog staat met zijn hooge muren, als voorheen zich spiegelend in den stroom, toch is het weinig meer dan een herinnering van hetgeen het vroeger was. Want door afbreken en bijbouwen en herstellen is de oude vorm bijna geheel verloren gegaan. Echter heeft men nog eenige torens uit piëteit bewaard, ook al werd uit het oogpunt der defensie het bestaan dier steenmassa op dit punt niet zeer wenschelijk geacht.
Wel hebben wij omtrent den eersten bouw van Loevestein geen berichten, maar zeer waarschijnlijk moet die omstreeks het begin der 14e eeuw gesteld worden, al is het mogelijk, dat hier veel vroeger een huis werd gevonden. De naam "Loevestein" is er vermoedelijk aan gegeven door Gerard van Hoorne, ridder en heer van Weert en Herlaer, naar zijn eerste vrouw Johanna van Loven, uit het geslacht der hertogen van Brabant gesproten. De namen Loeven en Loven, Loevestein en Lovestein, werden naast elkander gebruikt. Aanvankelijk was het misschien geen sterk huis, want in dit geval zou er allicht melding van gemaakt zijn in de vele oorlogen tusschen Gelderland en Holland gedurende die eeuw. Was het een lusthof of een eenvoudige ridderhofstede? Misschien heeft het gebouw als sterkte zijn aanzien te danken aan Albrecht van Beieren, omstreeks 1386. Door enkelen wordt vermoed, dat deze landhoek destijds een eilandje was, waar een arm der Waal ten oosten en zuiden langs liep, welke later is verloopen.