Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 11

Chapter 113,700 wordsPublic domain

Na het bouwen van dit slot breidde zich het in de nabijheid gelegen dorp Heelsloot uit en de Heeren van het slot noemden zich eerst Heeren van Heelsloot, later van Bosichem en eindelijk van Vianen. Nadat dit oude slot was afgebroken, werd in 1370 het slot Batenstein gesticht. In 1418 kwam de heerlijkheid door aanhuwelijking aan het doorluchtig huis van Brederode, aan welk geslacht zij bleef tot 1679, toen Wolfert van Brederode, de laatste uit dit geslacht, ongehuwd overleed. Toen door aanhuwelijking de heerlijke goederen van Vianen eindelijk aan den Graaf van Lippe Detmolt gekomen waren en zijn kleinzoon Simon Hendrik Adolf niet ongeneigd was deze heerlijkheid aan een vreemden vorst te verkoopen, wisten de Staten van Holland en West-Friesland haar door koop te verkrijgen, om te voorkomen, dat een vreemde vorst binnen hun provincie toegang verkreeg. Zoo werd de heerlijkheid Vianen in 1725 met al haar gerechtigheden voor de som van 898.200 gulden verkocht en den 2en November van dat jaar geschiedde met veel plechtigheid de huldiging van den nieuwen Heer.

De Heeren van Brederode hebben de Heerlijkheid Vianen altijd als onafhankelijk beschouwd van eenige oppermacht en verklaarden "dat zij deze alleen hielden van den God van Hemelrijk, Zonne en Maan", een verklaring, die van de zijde van Utrecht heftig protest uitlokte. De Heeren van Vianen boden op hun gebied ook niet zelden een veilige schuilplaats aan de vijanden van den Bisschop. Toen Karel V, op verzoek van Reinoud van Brederode, Vianen tot een graafschap wilde verheffen, doch op voorwaarde, dat de Heer van Vianen aan den Keizer als Graaf van Holland trouw en hulde zou zweren, in zaken van justitie onder den Raad van Holland zou staan en in alle souvereiniteit daaraan onderdanig, nam de souvereine Heer die voorwaarde niet aan. Herhaaldelijk hebben de Heeren van Vianen hun souvereiniteitsrechten verdedigd tegenover Utrecht, Filips II, Holland e. a. Door deze zelfstandigheid was Vianen een vrijplaats, waar uitgewekenen om schulden een veilig toevluchtsoord vonden. Dat hiervan nogal gebruik gemaakt werd, blijkt uit de spreekwijze: "hij is naar Vianen", welke wij nog voor een dertigtal jaren in het noorden van ons land hoorden, en die in het begin der 19e eeuw te Amsterdam algemeen was, om een bankroetier aan te duiden, van wiens schulden niets terecht zou komen. Vianen had in den volksmond dien slechten naam vooral gekregen in de periode van den windhandel (1720). In dien tijd toch werd Vianen door hekeldichters met spot genoemd als het toevluchtsoord der actionisten. In een tooneelstukje uit die dagen werden de actionisten voorgesteld als "reisvaardig naar Vianen", dat het eind der "windnegocie" zou zijn.

Een man antwoordt daarin op de bedenkingen van zijn vrouw over zijn dobbelspel:

Hoor, vrouw, al die napraat dient nergens voor als om mij te verstoren; Ik heb, als al de rest, mijn geld geavontuurd, en ben ik 't kwijt, ik heb nog moed, Want een eerlijk bankroet of een reisje naar Vianen maakt al die achterstalten goed.

De Heeren van Vianen hadden over deze heerlijkheid een gerechtshof, recht doende in hoogste ressort. Ook die van Ameide, Meerkerk en Tienhoven stonden hiervoor terecht. Vianen, als hoofdplaats der heerlijkheid, had daaraan mede zijn opkomst te danken. Hoewel Holland steeds de souvereiniteit der Heeren van Vianen bestreden had, hield het zelf toch stipt daaraan vast, toen het deze heerlijkheid in 1725 had gekocht, en de Staten van Holland en West-Friesland noemden zich sedert ook "Souvereinen van Vianen, Ameide en onderhoorige Domeinen".

III. RONDOM EN DOOR DE ALBLASSERWAARD EN DE VIJFHEERENLANDEN.

Van den hoogen dijk buiten Vianen werpen wij een overzichtsblik op het landschap, dat zich in stillen eenvoud uitstrekt langs de oevers der Lek en waar men nog iets van het oude volkskarakter met het conservatisme, dezen landbewoners zoo sterk eigen, vindt. Wij zien daar land en volk nog bijna, gelijk M. C. van Hall die beschreef in 1811:

Hoeve en land, Vliet en bosschen, rieten daken Door Pomona mild omplant, Waar, in grove pij gedoken, 't Bruingeel pijpjen aangestoken Nijvre landman koning was, 't Zij men hem op 't paard zag rennen, Ceres' schatten huiswaarts mennen, 't Zij de meester voor hem las. Waar natuur langs beemd en weien Milde giften lachend strooit, En gezonde maagdenreien Met den blos der onschuld tooit: Waar eenvoudigheid van zeden, Als een godheid aangebeden, Outer en kapel bezat.

Hier, tusschen de Lek in het noorden, de Merwede (Boven- en Beneden-Merwede) in het zuiden en de Noord in het westen, liggen de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, welke laatste in het oosten door den Diefdijk en den Nieuwen Lingedijk worden gescheiden van de Tielerwaard in Gelderland.

Als men over den Lekdijk, den Kinderdijk of den dijk langs de Merwede wandelt en den blik laat weiden over het landschap, valt ons onmiddellijk in het oog, dat de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden een diepe inzinking vormen. Het is, of een machtige hand op de aarde gelegd is, die dat deel nederdrukte, terwijl enkel de rivierdijken bleven staan; of, anders: alsof de groote rivieren met hun dijken rondom de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden hoog boven het land zijn opgebouwd, om de lage landen met een vaste borstwering te omsluiten en tevens aan voortdurend gevaar bloot te stellen. De borstwering der dijken is onmisbaar voor dit ketelland. Thans, op een schoonen, stillen dag, in het hart van den zomer, liggen die rivieren in droomerige rust, vreedzaam hun wateren voortstuwend naar de zee, geregeld zelfs een gedeelte van den dag in het benedengedeelte tegengehouden door den vloed van de zee, die òf de rivierwateren opstuwt, òf zelfs het water van de breede riviermonden nog de rivier doet oploopen, om met ebbe des te sneller af te stroomen. Maar toch, in het oosten van de Waard ligt het land nog bijna 1 1/2 meter lager dan de gemiddelde zomerwaterstand van de Lek, en in het westen, bij Alblasserdam, zelfs tot 2 1/4 meter lager dan de aangrenzende Lek tijdens zomerstand bij vloed. Wanneer wij hierbij bedenken, dat de Lek bij hoogsten stand soms tot 4 meter boven den gemiddelden waterstand rijst, dan wordt het ons duidelijk, dat bij winterstormen, als de west-orkanen het zeewater niet alleen opstuwen langs onze kust, maar ook opdrijven in de zeegaten en riviermonden, wanneer daarbij gelijktijdig de rivieren een aanzienlijken afvoer van bovenwater hebben, de geheele Alblasserwaard als een schip diep te midden van de woedende golven ligt, die, als zij de overwinning behaalden, het geheele land in een zee zouden herscheppen.

En toch, eens moet er een tijd geweest zijn, dat deze landen door de armen der rivieren vrij doorstroomd werden, niet gebonden door dijken en dammen. Zoo zullen de oudste bewoners deze landen gevonden hebben in den aanvang der geschiedenis. Ongetwijfeld moet de algemeene waterstand der rivieren in dien tijd lager geweest zijn, zooals wij dat ook voor Holland leerden kennen, doch tevens mag men aannemen, dat de eerste bewoners herhaaldelijk tegen het water hadden te strijden, en dat de watertoestand veel te wenschen overliet.

"Strijd tegen het water" was het wachtwoord van de oudste bewoners dezer landen. In de lage Alblasserwaard is de bedijking reeds zeer vroeg begonnen; zeker is deze een der oudste bedijkingen van ons land. Aanvankelijk was de bedijking niet zoo aaneensluitend als tegenwoordig, en de landen van Hardingsveld, met Giesen-Nieuwkerk ten Z.O., en die van Papendrecht, Alblas, Alblasserdam en Nieuw-Lekkerland ten W., waren ieder op zichzelf bedijkt. Het oudste handvest, dat op het dijkrecht dezer landen betrekking heeft, dagteekent van 1277, doch reeds veel vroeger bestonden de afzonderlijke bedijkingen. Die bedijkingen werden van lieverlede uitgebreid door nieuwe, en nadat in 1365 de landen van het watertje de Alblas binnen de bedijking gebracht waren, verkreeg een grooter gebied allengs den naam van Alblasserwaard.

De strijd tegen het water werd ook in deze landen het gemeenschappelijk belang, dat de bewoners vereenigde tot een bepaald doel en binnen een bepaalden kring, doch niet verder en niet in uitgebreider beteekenis. Door die vereeniging van polders ontstond het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard, een hoofdwaterschap, dat alle landen tusschen Lek, Noord en Merwede ten westen van de Zouwe- en Bareldijken en den rechter Lingedijk van Arkelschendam tot Gorinchem omvat, en bij genoemden giftbrief van 1277 erkend werd, doch zeker ouder is.

Ten oosten van de Alblasserwaard tot den Diefdijk, die het water van de beneden-Betuwe bij een mogelijke overstrooming aldaar tegenhoudt, ligt het gebied der Vijfheerenlanden, welk Hoogheemraadschap reeds in 1284 schijnt te hebben bestaan en genoemd is naar de vijf Heeren, die hier oudtijds het gezag uitoefenden, nl. Arkel (boven de Zouwe), Vianen, Hagestein, Everdingen en Ter-Leede (Leerdam).

Deze beide machtige Hoogheemraadschappen hebben de zorg voor de zware waterkeerende dijken in het geheele gebied in handen; zij houden voortdurend den zorgvollen blik gewend op de grenzen van hun rechtsgebied en op den vijand daarbuiten, die nimmer te vertrouwen valt. Zelfs in tijden van watervrede, zooals thans in het hart van den zomer, rusten de Hoogheemraadschappen niet, maar houden zij het "Si vis pacem para bellum" steeds in gedachten en bereiden zich ten strijde. Maar als de stormwind over de gezwollen wateren giert of ijsdammen en kruiende rivieren de banen der stroomen dreigen op te drijven over het lage land en gereed staan, de resultaten van eeuwen arbeids en het bestaan van duizenden bewoners te vernietigen, dan vergaderen de Hoogheemraden in het Gemeenelandshuis op den dijk, dag en nacht de grenzen bewakend en hun leger onder de wapenen houdend, om op het eerste sein van een beslissenden aanval gereed te zijn tot de verdediging van den vaderlandschen grond.

Herhaaldelijk is dit gewest in den loop der eeuwen aan overstroomingen ten prooi geweest. Wij noemen enkel de jaartallen, om een begrip te geven van de geschiedenis van dien worstelstrijd met het element, doch kunnen bij de bijzonderheden dier rampen niet stilstaan. Overstroomingen hadden hier plaats 1 Nov. 1470, in 1530, 1532, 1552, 1565, 1570, 1571, 1573, 1577, 1595, 1599, 1658, 1663, 1682, 1709, 1726, 1740, 1741, 1744, 1809 en 1820. Na 1820 hebben er geen nieuwe doorbraken plaats gehad en acht men er zich vrij veilig. Maar toch zijn enkele oude boeren, door overlevering met het verleden bekend, nog steeds gewoon, om voorzorgsmaatregelen tegen overstrooming te nemen. Zoo vindt men in het plaatsje Nieuwpoort aan de Lek, dat door dijken en hooge ligging bij overstrooming een veilig toevluchtsoord vormt, onderscheidene schuren en huizen; welke het eigendom zijn van boeren uit den omtrek, die er jaarlijks eenig hooi bergen, enkel voor het mogelijke geval, dat overstrooming hen noodzaakt, voor hun vee en hun gezin hier een toevlucht te zoeken.

Wij volgen thans den kronkelenden Lekdijk, die tusschen de schoone graslanden der uiterwaarden en der polders, hier en daar afgewisseld met ruige griendbosschen, in bevallige bochten voortslingert op eenigen afstand van de rivier en van zijn hooge kruin, welke tot 5 à 5 1/2 meter + A. P. ligt, een schoon uitzicht geeft op het thans zoo rustige water en het heerlijke landschap achter den dijk.

Voorbij het gehucht Helsdingen, op korten afstand van den dijk, voorbij het nette dorp Leksmond, met een fraaie Herv. kerk, en langs het gehucht Kersbergen bereiken wij weldra Ameide, in de buurt veelal Ter-Mey geheeten.

Ameide is een net, vriendelijk plaatsje, stadsachtig gebouwd, met nette, burgerlijke huizen aan den binnenkant en tegen den Lekdijk gelegen, met ruim 1500 inwoners, die in mandenmakerij en teenwerken, in landbouw en veeteelt bronnen van bestaan vinden. De paardenmarkt te Ameide wordt wel niet zoo druk meer bezocht als vroeger, maar is toch een der belangrijkste uit de provincie. Van den Lekdijk valt onmiddellijk de breede hoofdstraat van het dorp in het oog, in welker midden het Raadhuis staat, eenigszins in Oud-Hollandschen stijl opgetrokken. Aan den achterkant van het dorp ligt het zindelijk gewitte kerkje, met zijn lagen toren, geheel in de schaduw der olmen, terwijl een ooievaarspaar zijn zomerwoning op de kerk elk jaar getrouw bezoekt.

Ameide was voorheen een stadje, van poorten voorzien; men weet het niet zeker, maar waarschijnlijk werd het reeds in 1527 door de Utrechtschen ontmanteld, toen dezen Ameide namen. In den oorlog tusschen Otto, Heer van Arkel, en Hendrik, Heer van Vianen, werd Ameide geheel in de asch gelegd; eveneens werd het dorp in 1672 door de Franschen afgebrand. Alleen de kerk bleef destijds gespaard.

Langs den Lekdijk bereiken wij na weinige minuten het kleine dorp Tienhoven. Vroeger lag het slot Herlaar, ook wel het slot te Ameide genoemd, tusschen Ameide en Tienhoven, niet ver van den oever der Lek. Eenige notenboomen, ten oosten van Tienhoven, wijzen de plek aan, waar het oude slot gestaan heeft. In het midden der 18e eeuw vond men er enkel nog een stuk muur van het oude slot, waarnaast een nieuw gebouw was opgericht, het "Huis te Herlaar" geheeten, dat thans ook verdwenen is.

Verder den Lekdijk volgende, komen wij voorbij het dorpje Langerak, waar vroeger het adellijk Huis Langerak stond, dat van de 13e tot de 16e eeuw door het geslacht der Langerak's, later door de Boetzelaar's bezeten werd, doch in het laatst der 18e eeuw is gesloopt.

Binnen enkele minuten staan wij voor de poorten van Nieuwpoort. Inderdaad heeft dit stadje nog overblijfselen van wallen en grachten, doch de eerste zijn ten deele geslecht en met boomen beplant geworden, waardoor van verre Nieuwpoort als in een bosch verscholen schijnt te liggen. Oudtijds is Nieuwpoort een stad geweest, in 1402 zelfs tamelijk bevolkt; het had bierbrouwerijen en oliemolens. Hoewel Nieuwpoort achteruit ging, heeft het toch lang zijn stadsrechten behouden; in 1673 werd het zelfs opnieuw versterkt wegens den oorlog tegen de Franschen, zooals de poort aan den kant van de Alblasserwaard aanduidt door het opschrift:

PRO DEFENDENDA RELIGIONE ET LIBERTATE PATRIAE HAEC URBS FOSSIS MOENIBUSQUE EST CIRCUMDATA

Ao 1673

d. i. "Ter verdediging van den godsdienst en de vrijheid des lands is deze stad met grachten en wallen omringd. In het jaar 1673". Herhaaldelijk heeft Nieuwpoort aan belegering blootgestaan en werd het stadje door de rampen des oorlogs geteisterd. Uit een historisch-staatsrechtelijk oogpunt vormde Nieuwpoort een curiosum, daar het eeuwen lang onder twee heeren stond, die zich beiden heer van half-Nieuwpoort noemden: de baronnen van Liesveld en de heeren van Langerak; eerstgenoemden waren leenmannen van Holland, de laatsten van het Sticht. Nieuwpoort behoorde dus half tot Holland, half tot het Sticht. Eigenaardig is de bepaling, dat, als die heeren het oneens waren, de bewoners van Nieuwpoort zich neutraal moesten houden.

Thans is Nieuwpoort een vriendelijk, stil rivierstadje met ongeveer 650 inwoners, die meestal in visscherij, hoepelmakerij en winkelnering hun bestaan vinden. Enkele trapjesgevels geven aan de straten nog een oud-Hollandsch cachet.

Verder leidt de weg over Groot-Ammers, een flink, goed gebouwd dorp aan den Lekdijk, met levendigen kaashandel; over Streefkerk, een schoon dorp, waar men volgens overlevering de kerk heeft opgebouwd van de steenen van het oude slot Schoonenburg; Nieuw-Lekkerland, een dijkdorp, en vervolgens bereiken wij Elshout, een gehucht aan den dijk.

Hier staan wij op een uit een hydrographisch oogpunt belangrijke plek van de Alblasserwaard. Ziet gij daar die sluizen in den dijk en dat viertal evenwijdige kanalen, slechts door smalle dijken of landstrooken gescheiden, die zich te midden van rietlanden in de Waard uitstrekken, enkel met een rij van watermolens omzoomd? Dat is het afwateringsstelsel van de Alblasserwaard.

De dijken langs de groote rivieren houden het buitenwater tegen, om de lage kom geen last te veroorzaken. Doch het overvloedige water, dat binnen die dijken gevallen is, of als kwel door de dijken er binnenkomt, moet eveneens geloosd worden. Dit nu geschiedt langs de watertjes daarginds diep door de Alblasserwaard. De Boezem van de Overwaard, die wij niet verre van de Lek zagen, voert het water naar dit laagste gedeelte in het westen. Maar hier kan het meestal niet op de rivier loozen, omdat die te hoogen waterstand heeft. De windmolens, welke gij daarginds op een rij langs den boezem ziet, voeren dat water eerst één trap naar boven en pompen het uit in die hoogere waterloopen, welke, als zij het aangevoerde water niet kunnen bevatten, zonder schade de ingedijkte rietlanden daarnaast kunnen laten overstroomen. Deze noemt men te zamen den Hoogen Boezem van de Overwaard, omdat daar het water van den Boezem van de Overwaard eerst in wordt uitgestort. En het stoomgemaal, dat gij hier aan den dijk ziet, doet het verdere. Dat brengt het water nog weer één trap naar boven, nl. van den hoogen boezem op de rivier. Zoo wordt het overtollige water trap na trap naar boven gevoerd, en door die reeks van kunstmiddelen is het alleen mogelijk, dit land bewoonbaar te houden.

Die tweede reeks van molens heeft dezelfde taak te verrichten. Uit de Alblas of Graafstroom, een waterschap, dat midden door de Alblasserwaard loopt en waarop het overtollige water van het zuidelijk gedeelte van de Alblasserwaard loost, loopt een zijtak naar dit punt, en die reeks watermolens daar rechts pompen het water hiervan uit op den Hoogen Boezem van de Nederwaard, het water en de rietlanden, welke gij daarnaast ziet liggen omvattend, terwijl het van hier eveneens door een stoomgemaal weer wordt afgepompt op de Lek.

Thans staan wij aan een gedeelte van de Alblasserwaard, dat in economisch en industrieel opzicht het belangrijkste is, nl. den dijk langs de Noord en de Merwede.

De Noord ligt daar vóór ons, een schijnbaar regelmatig verbindingswater, dat de Merwede met de Lek vereenigt. Doch zoo regelmatig als thans dat statige, ernstige water schijnt, is het niet altijd geweest. Dit blijkt ons reeds uit den onregelmatigen loop der hooge dijken, die op enkele gedeelten, zooals bij Ridderkerk aan de overzijde, bij Alblasserdam en ten zuiden van dit dorp, zich in groote bochten van de rivier afwenden, om haar vervolgens weder te naderen. Ook de geschiedenis van de Noord wijst op grond van verschillende mededeelingen aan, dat zich hier in historischen tijd een belangrijk proces van verandering in de rivierloopen moet hebben afgespeeld.

Wanneer wij thans den dijk over wandelen, komen wij aan den Kinderdijk, den dijk, waarbij, volgens de overlevering, tijdens den grooten St.-Elizabethsvloed in 1421 een wieg met een kind aanspoelde, door een kat in evenwicht gehouden op de woelende wateren, die de geheele landstreek overdekten. De Kinderdijk sluit zich aan bij Alblasserdam als een lange, schier onafgebroken doorloopende streek van nette en flinke huizen, meest aan den achterkant gebouwd tegen den dijk, zoodat de tuintjes en tuinkamers der huizen eenige meters lager liggen dan de ingang. De walen of gaten in de lage landen achter den dijk, waarvan de Rijzenwaal en de Lammetjeswaal de grootste zijn, wijzen op de vroegere doorbraken van den dijk, waarbij het binnenstroomende water door zijn draaikolken diepe kommen in het land ploegde.

Aan den Kinderdijk en te Alblasserdam vindt men geen grootsche bouwwerken te bewonderen. Toch heeft de natuur er veel eigenaardigs en liefelijk Hollandsch. De riviergezichten van Elshout bij ondergaande zon, wanneer het hemelgoud de kabbelende wateren overdekt en hier en daar zich weerspiegelt in de ruiten van de alleenstaande dijkwoningen, als gloriebladeren op het landschap schitterend, zijn eenig. En in den winter, als het riet en het lage houtgewas van den Hoogen Boezem en langs de slooten in de Waard glinsteren van ijzel en rijm, kan het lage polderland aan de rivieren een natuurschoon aanbieden, zooals men zelden elders vindt. De kleuren des hemels en de physionomie van het wolkenlandschap spreken hier, om den indruk te versterken, zoowel van de lucht als van de wateren, en elke windvlaag doet zich als een zichtbare echo nog eens kennen door de golven. Het waterlandschap stemt in zijn schakeeringen tot overpeinzing, en dan bovenal tot droefgeestige, wanneer een donkere hemel er zich over welft. Zoo zag Charlotte van Herwerden die natuur, toen zij het Lied van den Molen zong.

Tegen wild bewogen nachtlucht, zwart, Roerloos, groot, een molen boven 't lage Land, de wieken stil, een mensch in smart, Ten hemel de armen, wanhoop-stom geslagen.

Schuur en huizen naast hem leunend laag, Half door dampe' omsluierd, die opstijgen, Schijnen vrouwe in stil gebed;--geklaag Van wind gaat over hun tooverkring van zwijgen.

Vreemd verwrongen wilgen kreunen, 't haar Woest schuddend; 't riet zucht steunend, als gebogen, Angst-gedreevnen vluchten neevlen... Maar De anders door elk minst gewaai bewogen Molen,--nu onder 't wild wolken-jagen, Tusschen 't zwiep-gegolf van wilge' en weiden, Staat onwrikbaar. Beeld van tragisch lijden, Licht bewoogne' in hoogste smart niet kunnend klagen.

Doch moge dit landschap den dichter tot droomen gestemd hebben, het heeft de bevolking tot kracht opgevoed en voortgestuwd door de volte van het bedrijvige leven. Bovenal is deze streek beroemd door zijn levendige nijverheid en den ondernemenden geest der bewoners. Langs den geheelen weg klopt en hamert en beukt het rusteloos op fabrieken en scheepshellingen, waar zware schepen en krachtige machines naar de nieuwste eischen gebouwd en bruggen, drijvende dokken geconstrueerd en bewerkt worden, en waar een fabriek van verduurzaamde levensmiddelen, een groote garenspinnerij werken naast andere takken van nijverheid. Nederland is geen industrieel land, beweert men, en dit is gedeeltelijk juist. Doch wie van Rotterdam de Maas en verder de Noord opvaart naar Dordrecht, ziet langs deze wateren zooveel fabrieken van verschillenden aard bloeien, met den scheepsbouw in de eerste plaats, dat men niet zonder voorbehoud die uitspraak mag aanvaarden. De groote Rijnschepen worden hier nog altijd het best gebouwd, zelfs voor Duitschland, en ook de baggermachines zijn een produkt der Nederlandsche nijverheid in deze streken.

Toch is de levendige groot-industrie in deze streek niet van ouden datum. Wel bestond hier reeds lang scheepsbouw, doch hoofdzakelijk bepaalde die zich tot het bouwen van hoogaarzen en andere houten schepen. Eerst met den toenemenden bloei der scheepvaart op de Nieuwe-Maas en de ontwikkeling van Rotterdam's handel trokken enkele ondernemende bewoners van de Noord van de gunstige ligging dezer streek partij en breidden zij hun zaken, die lang op eenvoudige wijze en op kleine schaal gedreven werden, uit, en toen de ijzeren stoomschepen de houten schepen vervingen, draalde men ook niet, om de resultaten der nieuwere techniek toe te passen. Zoo was hier de overgang van den houten tot den ijzeren scheepsbouw voltooid en had hij zijn volledig beslag verkregen in den tijd, toen elders, bijv. in de Groninger veenkoloniën, de houten scheepsbouw langzamerhand uitstierf. In de meest bloeiende jaren voor handel en verkeer, na 1870, had de metamorphose zich hier voltooid en kon men er de vruchten plukken van deze omkeering, toen elders het tijdperk van kwijning aanbrak.