Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk
Chapter 10
De eerste vangsten van den haring in de maand Juni beteekenen gewoonlijk nog weinig. Dit heeft waarschijnlijk ten gevolge gehad, dat de reederijen een overeenkomst sloten, waarbij drie visschersbooten werden afgehuurd, die met de jaagvlag in top tusschen de visschersvloot kruisten en de aanvankelijk geringe vangsten der schepen verzamelden. Met een bepaalde hoeveelheid zet de eerste der drie zeilers koers naar het vaderland; dat is de eerste haringjager, wiens aankomst met zooveel verlangen verbeid wordt, omdat die ook berichten brengt van de vloot.
De stad Vlaardingen biedt weinig merkwaardigs aan. De Groote Kerk staat op een plein, door iepen omringd. Aan het Kerkplein vindt men ook het Raadhuis, dat van 1650 dagteekent, met een sierlijken voorgevel en een koepeltorentje.
Ten oosten van de stad heeft Vlaardingen het Hof, een vroegere buitenplaats, thans in een plantsoen veranderd, waarlangs een nieuw stadsleven plaatsvindt.
IV. MAASSLUIS EN DE HOEK VAN HOLLAND.
Wij vervolgen onzen tocht langs den hoogen rivierdijk, die het heerlijkste grasland van Delfland in het zuiden begrenst, en zien aan den anderen kant van ons over het breede, statige water van het Scheur de dijken en dorpjes van het jonge Rozenburg opdoemen. Weldra bereiken wij Maassluis, een jonge stad, ontstaan bij een der uitwateringssluizen van Delfland in de Maas. Over den hoogen dijk loopt de hoofdstraat, terecht Hoogstraat genoemd, en daarachter breidt de lage stad zich uit langs de Noordvliet. Op den dijk, met het uitzicht op de Havenkom, ziet men het eigenaardig gebouwde, schilderachtige Gemeenelandshuis van Delfland.
Het belangrijkste gebouw van Maassluis is de Groote Kerk, een regelmatig kruisgebouw, in navolging van de Noorderkerk te Amsterdam gebouwd, maar deze in fraaiheid overtreffend. De kerk staat op een eiland buiten den dijk. Op deze plek lag vroeger een fort, dat in 1572 na de inneming van Den Briel door de Watergeuzen op raad van den heer van St. Aldegonde was gebouwd, omdat men de versterking van Maassluis destijds van gewicht achtte. In de laatste jaren van den oorlog bleek die versterking niet meer noodig te zijn en de grond werd aan de Hervormden, die er schijnbaar recht op hadden, afgestaan, om er een kerk op te bouwen (1612). Door verschillende middelen, ook door belasting van een stuiver op iedere ton kabeljauw, schelvisch, gullen, haring, en van de lengen op iedere honderd lengen, welke de Staten tot den bouw der kerk toestonden, werd in 1629 met den bouw aangevangen en tien jaren later werd de kerk ingewijd.
Midden op deze kerk werd een toren gebouwd, rustende op vier pilaren, doch wegens de zwaarte werd hij weder afgenomen en door een klein koepeltorentje vervangen. Tevens begon men aan de westzijde der kerk den tegenwoordigen toren te bouwen, vierkant van onderen, hoogerop met een achtkante spits en eindigend in een open koepeltorentje. In de kerk vindt men een fraai geschilderd houten bord, een geschenk van de visscherij, met onderscheidene zee- en riviergezichten, afkomstig van den beroemden zeeschilder Ary Bakhuizen; de visschen, fraai naar het leven geschilderd, zijn van een anderen meester. Het orgel in deze kerk is een pronkstuk, dat tot de beste in ons land gerekend wordt.
Maassluis dankt zijn opkomst aan de visscherij.
In den Bourgondischen tijd schijnt hier niet meer dan een gehucht aan den dijk te hebben bestaan bij de sluis; na de verdrijving der Spanjaarden uit Holland breidde dit gehucht zich snel uit tot een belangrijke plaats. Tot 1664 was de plaats met Maasland verbonden, doch in dat jaar werd de ambachtsheerlijkheid van Maassluis van die van Maasland gescheiden en werd zij zelfstandig. Door visscherij en een levendige scheepvaart breidde de plaats zich uit. Een tijdperk van stilstand ving aan, toen de scheepvaart op het Sluische diep door den aanleg van het Kanaal van Voorne in 1829 verminderde, doch met de opening van den Nieuwen Waterweg van Rotterdam naar zee bloeide de plaats weder op. Scheepvaart en visscherij vormen de hoofdbronnen van bestaan voor de stad, die door een lange haven met den Nieuwen Waterweg verbonden is.
Van Maassluis bereikt men in korten tijd den Hoek-van-Holland, een nog onbeduidend dorp, in het duin gebouwd bij den mond van den Nieuwen Waterweg. Om het dorp zelf bezoekt men deze plek niet. Het snel verkeer van hier met booten naar Engeland brengt vooral leven aan het station, terwijl ook fabrieken en pakhuizen aan de haven verrezen voor den uitvoer, vooral naar Engeland. Het gezicht van hier op de Noordzee, op de reusachtige havendammen, op de levendige scheepvaartbeweging, op de vlaggen van allerlei natiën, welke den mond van Europa's grootsten waterweg zoeken, om meest in Rotterdam hun lasten aan te brengen, dit alles maakt een zoo grootschen indruk, dat men in de nederzetting niets anders behoeft te verwachten, om haar belangrijk te vinden. En wie zeelucht wil scheppen, kan hier op het breede strand terecht; wie wandelen wil, kan van de hoogten in het Spanjaardsduin prachtige vergezichten over zee en het Westland geopend zien en langs den duinweg ook spoedig 's-Gravenzande bereiken.
B. LANGS DE LEK, DE NOORD EN DE MERWEDE.
I. NAAR SCHOONHOVEN EN VREESWIJK.
Wij maken in gedachten van Rotterdam uit een tochtje langs de Lek, eerst langs den noordoever, ongeveer tot de plaats, waar het Merwedekanaal deze rivier snijdt. Hier laten wij ons overzetten van Vreeswijk naar Vianen, om langs den zuidelijken Lekdijk terug te keeren, vervolgens langs de Noord en de Merwede naar Gorinchem en Loevestein te reizen en dan nog een tochtje te maken langs den benedenloop der Linge, ongeveer tot de grens der provinciën Zuid-Holland en Gelderland.
Een route, zooals wij ons thans voorstellen, zal zelden in deze orde plaatsgrijpen, doch wij wenschen geen Baedekers-rol te vervullen bij onze beschrijving van Nederland. Lang mogen wij ook hier niet bij de bijzonderheden blijven stilstaan. Wij moeten er ons mede vergenoegen, alles meer in vogelvlucht te beschouwen, om bij enkele in historisch opzicht belangrijke plekjes langer te vertoeven.
Van Rotterdam den hoogen, slingerenden Maasdijk volgend, bereiken wij weldra Kralingsche Veer, de bekende zalmmarkt, waar wij ons aan dit heerlijk rivierprodukt te goed kunnen doen. Een prachtig riviergezicht opent zich hier voor onzen blik. Aan den overkant van het breede water, tegen een eenigszins boschrijken achtergrond, verrijst het dorp IJselmonde. Het trotsche kasteel, door hoektorens gekroond en met een kleine spits in het midden, dat tot voor kort hier meer op den voorgrond trad, is thans verdwenen, waardoor IJselmonde veel van zijn schoon verloren heeft. Op de rivier en langs de oevers heerscht groote bedrijvigheid. Van Rotterdam tot Krimpen-aan-den-IJsel wordt de rivier omzoomd door een schier aaneensluitende reeks van fabrieken, scheepswerven, magazijnen enz., met de daaraan verbonden woonhuizen der arbeiders en fabrikanten.
Bij Krimpen-aan-den-IJsel laten wij ons over den IJsel zetten, volgen weder den dijk en komen bij Krimpen-aan-de-Lek bij laatstgenoemde rivier. Het dorp ziet er welvarend en levendig uit; onderscheidene fabrieken en de groote werf geven er veel bedrijvigheid. Ook de zalmvisscherij is er van groot belang. Het dorp is geheel in de lengte langs den dijk gebouwd en heeft daardoor in die richting een groote uitgestrektheid. Wij komen hier in het gewest der dijkdorpen, een type van nederzettingen, dat zich hier bijzonder ontwikkeld heeft, als gevolg van de gesteldheid des bodems.
Wanneer wij onzen weg door dit dorp vervolgen, bereiken wij met weinig overgangen het dorp Lekkerkerk, eveneens een lange reeks van huizen, meest onder langs den dijk gebouwd met een verbreeding van twee à drie rijen in de kom. Ook Lekkerkerk heeft nog eenige nijverheid aan de rivier te danken: een scheepswerf, touwslagerij, kalkblusscherij, teenhandel, zalmvisscherij, enz. Doch meer en meer verkrijgt hier het boerenbedrijf de overhand. Op verderen afstand ligt het dorp Ammerstol, aan den dijk gebouwd, een boerendorp met veel zandwerkers, visschers en teenhandelaars, en eindelijk zien wij het stadje Schoonhoven verrijzen aan de rivier.
Het is een vruchtbaar, welvarend landschap, dat wij ten noorden vóór ons zien uitgestrekt, meest bestaande uit welige graslanden. Het land tusschen Lek en IJsel is het echte kaasland; de Stolksche kaas, naar het dorp Stolwijk ten Z. O. van Gouda, heeft een zekere beroemdheid erlangd. Het polderland is overdekt met onderscheidene boerendorpen, de huizen meest in lange rijën hol gebouwd langs de wegen en wateren, die het land doorsnijden, en doet dikwijls lieve plekjes ontstaan aan de door wilgen omzoomde binnenwateren. De Krimpener- en de Lopikerwaard nemen het land tusschen Lek en IJsel geheel in beslag. De eerste vormt een afzonderlijk Hoogheemraadschap, dat zich tot de grens der provincie uitstrekt, en welks land reeds in 1097 bekend was, daar Floris de Vette toen in een handvest bepalingen maakte omtrent het onderhouden van den dijk. Zeker is deze waard wel een der oudste, zoo niet de eerste der streken, welke hier tegen het water bedijkt zijn geworden.
Dat moest wel. De Lek, oorspronkelijk een kleinere sprank van den Rijn, werd een rivier met aanzienlijker waterafvoer, toen de Rijnloop langs den Krommen-Rijn en den Ouden-Rijn door de verzanding van den mond bij Katwijk zijn afvoervermogen verloor. Na de afdamming bij Wijk-bij-Duurstede moest de Lek al het water van dezen Rijntak afvoeren. Tusschen den IJsel en de Lek lag het lage land van genoemde waarden. Veelvuldig traden die wateren in den oudsten tijd vóór de bewoning dezer gewesten buiten hun oevers: dat bewijst de aanwezigheid van de zware kleizoomen. Doch toen de waterafvoer hier aanzienlijker werd, moesten er in het allengs meer bewoonde land wel dijken gebouwd, of liever, de eerst aangelegde dijkjes moesten wel zwaarder gemaakt worden. Die oude bedijking geschiedde echter niet op goede rivierkundige beginselen. Ginds bij Lekkerkerk naderen de hooge bandijken van beide kanten elkander veel dichter dan hoogerop boven Schoonhoven en verder. Zoo is de Lek bij hoogen waterstand een trechter gelijk; het water kan door de nauwe pijp niet weg en stuwt dan op tot aanzienlijke hoogte, 3 à 5 M., boven het land. De rivier, die wij op dit oogenblik schier in droomerige rust verzonken zien, kan daardoor dreigend worden voor de lage gewesten van Holland, en niet zelden bezweken dan ook de dijken. Als dat boven Vreeswijk geschiedde, liep een groot gedeelte van Holland onder water. Dit had plaats o. a. den 11en Jan. 1724, toen al het land tot Gouda en Schoonhoven en tot Alfen en Woerden overstroomde, en toen men hier het water tegenhield, stroomde het naar Amstelland en zelfs naar Amsterdam. Hetzelfde gebeurde ook in 1672, toen de Franschen den Lekdijk boven Vreeswijk doorstaken en het zoete rivierwater uit de Lek de grachten van Amsterdam vulde, zoodat de bierbrouwers in de stad zelf weder uit de stadsgrachten water voor het brouwen van hun bier konden verkrijgen. Aldus is de Lek een gevaarlijke rivier, die heel wat hoofdbrekens gekost heeft, doch thans in vrij zekeren toestand verkeert.
Wij wenden ons thans nader naar de stad Schoonhoven, een oud stadje, in de ellipsvormige gedaante van een oude vesting, met het smalle eind zoo rustig tegen de rivier gelegd, op de plaats, waar de Vliet, die van den IJsel te Haastrecht naar de Lek loopt, zich met deze rivier vereenigt. Een vesting is Schoonhoven niet meer; de wallen zijn gedeeltelijk in lommerrijk plantsoen herschapen en de grachten hebben hun beteekenis verloren.
Schoonhoven is regelmatig, welgebouwd. Grootsche gewrochten der bouwkunst zoekt men hier tevergeefs; de stad heeft meest lage huizen, enkele met een oud-Hollandsch uiterlijk, in trapjesgevels oprijzend. De voornaamste straat loopt langs de haven, aan beide zijden met linden beplant en door nette, flinke winkelhuizen omzoomd, terwijl eenige steenen boogbruggen de beide kaden verbinden. Hier verrijst ook het stadhuis aan de Steenenbrug, die een voorplein vormt. Het is een sierlijk, oud gebouw van zware, grijze steenen, door een trans, met leeuwen gekroond, omringd; een bordes, op welks leuningen leeuwen schilden dragen, geeft aan den voorkant toegang.
In den toren vindt men een kunstig klokkenspel, gegoten van een kanon, dat Olivier van Noort, de eerste Nederlander die een reis om de wereld deed, bij zijn terugkomst in 1601 aan de stad schonk. In de vroedschapskamer vindt men fraai bewerkte tapijten, in Schoonhoven vervaardigd, een afbeelding van Jacoba van Beieren, naar het leven geschilderd, terwijl een halskraag, door de Gravin gedragen, en een tapijt, naar men meent door haar bewerkt, hier bewaard worden.
Aan de Waag op den Dam, in 1617 gebouwd, werd in vroeger tijden veel hennep gewogen, doch deze teelt heeft bijna opgehouden.
De Hervormde kerk is een oud gebouw, vóór de Hervorming aan den H. Bartholomeus gewijd. In deze kerk vindt men de grafplaats van Olivier van Noort, van wien Helmers zingt:
De held, die 't eerst bij Neêrlands waatrenstoet Om d'aardbol zeilen durft, langs d' ongekenden vloed, Door Magelhanesstraat de Zuidzee ingevaren, Chili doet siddren voor zijn stoute heldenscharen; De onmeetbre eenzaamheid der Zuidzee eerst doorsnijdt, Den Japannees verschrikt, den Portugees bestrijdt, Na drie jaar 't vaderland komt als verwinnaar naadren, Verrijkt in wetenschap, in buit en lauwerblaadren.
Op zijn graf ziet men een schip, alsmede een kleed, met sterren bezaaid, waarop een aardbol en daaronder zijn wapen; onder het wapen en kleed leest men in het Latijn: "Hier rust Olivier van Noort, de vierde na Magelhaan, die de geheele aarde is omgezeild." De toren der kerk is omstreeks 1659 geheel vernieuwd; hij is van Bentheimer steen opgetrokken, maar door zijn zwaarte scheef gezakt naar de oostzijde.
Van de bouwwerken moeten wij de aandacht vestigen op het sierlijke Veerpoortje van 1601, dat van den rivierdijk toegang geeft tot de stad.
Schoonhoven is waarschijnlijk opgekomen als nederzetting naast het slot, dat hier eens gestaan heeft bij de monding der Vlist, en die het eerst wordt genoemd in 1303, toen de plaats nog niet bemuurd was. Het slot, aanvankelijk de verblijfplaats voor de Heeren en Vrouwen van Schoonhoven, werd later de woonplaats der slotvoogden of kasteleins der stad. Waarschijnlijk werd het in 1577 door de inwoners geheel afgebroken; de plek, waar het gestaan heeft, valt niet met zekerheid aan te wijzen.
Of de eerste nederzetting om het slot gevestigd werd in de "schoone hoven" van het kasteel, zoodat de plaats daarnaar haar naam ontving? Wij durven het niet verzekeren, maar het lijkt niet onwaarschijnlijk. De visscherij op de rivier kwam hier spoedig tot bloei, zooals reeds het geval was in 1274.
Toen de plaats daarbij tolvrijheid in het Utrechtsche Stift verkreeg, breidde de handel zich uit en zoo bloeide zij op tot een levendig stadje, waar in de 17e eeuw de tapijtweverij tot ontwikkeling kwam. Ook de goud- en zilversmederij kwam hier voor een drietal eeuwen reeds tot bloei en in de 17e eeuw vond men de meest beroemde goud- en zilverdrijvers in Den Bosch en Schoonhoven. Adam van Vianen, de beroemdste drijver uit de 16e eeuw, van wien vele bekende drijfwerken afkomstig zijn, heeft hier gewoond. Terwijl verschillende andere takken van nijverheid hier opkwamen en te gronde gingen, bleef de zilversmederij er bestaan tot op onzen tijd, zoodat zij thans nog vele handen bezighoudt.
Wanneer wij Schoonhoven bezoeken, komt onwillekeurig de gedachte bij ons op aan Albrecht Beyling. Hoewel de historische critiek ook aan dit verhaal getornd heeft, verzekerde de archivaris der stad ons toch, dat de naam van den biechtvader en het laatste gebed van den ongelukkige gevonden waren bij oude stukken. Op een hoek van het bolwerk werd ons de plek aangewezen, waar de molen moet gestaan hebben, op welks werf het treurig drama zou zijn afgespeeld.
Voorbij Schoonhoven zien wij langs den noorder Lekdijk niets merkwaardigs meer op onzen tocht, wanneer wij de schilderachtige dorpsgezichten uitzonderen, want deze vindt men in groote hoeveelheid in het lage land. Wij geven hier enkel een afbeelding van een gezicht op het dorp Polsbroek in de Lopikerwaard ten noorden van Schoonhoven.
Zoo bereiken wij langs den bochtigen, hoogen dijk de plek, waar het Merwedekanaal door sluizen met de Lek in verbinding staat, bijna onmiddellijk ten westen van het plaatsje Vreeswijk. Vreeswijk is gebouwd aan den Vaartschen Rijn, een kanaal, dat in 1148 gegraven is, om Utrecht met de Lek te verbinden. Het kanaal verkreeg den naam van "de Vaart", later "Vaartsche Rijn". Zware sluizen werden in deze vaart gebouwd. Aan den zuidelijken mond ontstond een plaatsje van neringdrijvenden, Vreeswijk, waar in 1217 al een kerk gevonden werd, en dat in de wandeling naar het kanaal "de Vaart" werd genoemd. Het is een eenvoudig, net plaatsje, aan beide zijden van het kanaal gebouwd, doch door het graven van het Merwedekanaal is het drukke scheepvaartverkeer buiten de plaats gebracht; enkele huizen zijn hier reeds aan gebouwd. De sterkte Gildenburg en andere vestingwerken, welke hier waren aangelegd, nadat het kanaal in 1373 verdiept en verbreed was, zijn verdwenen. In de 19e eeuw evenwel werd hier weder een fort gesticht, in verband met de waterlijn, die de vesting Holland in het oosten zal versterken.
Jutfaas is een dorp van nette huizen, in een lange strook ten westen van den Vaartschen Rijn gebouwd, en meest door neringdoenden bewoond. Tegenover het dorp ligt een sterk fort en daarnaast in de bosschen het buitentje Rijnhuizen.
II. VIANEN.
Na dit zijuitstapje keeren wij langs den hoogen Lekdijk naar Vreeswijk terug tot de plek, waar de torenspitsen van IJselstein in het noorden op eenigen afstand uit het vlakke grasland verrijzen. Wij dalen den dijk af; de schipbrug voert ons over de rivier en wij staan, na een klein, armoedig voorstadje en een oude poort gepasseerd te zijn, op de breede Voorstraat van het oude stedeke Vianen. De zware, klassieke stadspomp, die hier voor enkele jaren in het midden nog verrees, vindt men er thans niet meer; zij is naar het Rijksmuseum te Amsterdam verhuisd.
De Voorstraat is omringd door flinke, nette huizen. In de eerste plaats valt het Stadhuis in het oog met zijn eigenaardigen hardsteenen gevel en een achthoekig, laag torentje in een zijstraat. Een ruime vestibule, met beelden en zolderbetimmering, geeft toegang tot het gebouw.
De kerk (Hervormde) te Vianen is een groot gebouw met een zwaren, vierkanten toren en een lage, vierkante spits. De eerste kapel te Vianen werd door Zweder van Vianen Huibrechtszoon gesticht, om daarin op een draagaltaar te bidden, te prediken en de missen te lezen. Doch in deze kerk mochten geen kinderen gedoopt, noch dooden begraven worden; de lijken moesten gebracht worden in de kerk te Hagestein (op korten afstand ten oosten), waar ook de sacramenten werden toegediend. Toen Vianen zich uitbreidde, werd de kerk in 1345 tot Parochiekerk verheven, doch onder voorwaarde, dat die te Hagestein als de moederkerk moest erkend blijven. Deze kerk werd ter nagedachtenis van Maria's hemelvaart ingewijd. Bezienswaardig is in de kerk de aanzienlijke graftombe van heer Reinoud van Brederode (vader van den bekenden Hendrik). Toen deze in 1556 te Brussel was overleden, werd zijn lijk herwaarts overgebracht, waar hij met zijn echtgenoote, Philippote van der Mark, begraven werd. Een houten hek omringt het graf, dat overdekt wordt door een antiek bewerkt gehemelte, op acht kolommen rustend en keurig beschilderd. De tombe zelf rust op een massieve, zwart marmeren grondplaat, waarop een levensgroot mannelijk geraamte op een zeer natuurlijk gebeitelde mat ligt. Rondom staan kolommen van steen en op deze rust een massieve, zwart marmeren plaat met de levensgroote, fijn gebeitelde afbeeldsels der lijken van den Graaf en de Gravinne, rustende op kussens. Vier engelen met tropeeën omringen de slapenden en onderscheidene wapenschilden wijzen den hoogen rang aan van het geslacht der Brederodes.
Vianen is thans een stil, vergeten stadje, met een rustig, landelijk karakter. In verschillende straten wonen zelfs landbouwers. Van de oude vestingwerken is weinig anders meer over dan de Lekpoort, bovengenoemd; eenige kanonnen op den dijk, naar de rivier gericht, zijn hier geplaatst om bij ijsgang dienst te doen.
Het slot Batenstein ten westen van Vianen, doch door een gracht er van gescheiden, dat in 1370 door Gijsbrecht van Vianen gebouwd en naar zijn echtgenoote Beatrix of Bate (dochter van Jan XIX, Heer van Egmond) genoemd werd, met een grooten, zwaren toren, St. Pol of Simpel geheeten, die zonder vensters en van binnen zonder woning was, is in het midden der 18e eeuw door een ongeluk zoo goed als afgebrand.
Alleen bleef toen nog over:
Een grafelijke toren, Het overschot van vroeger eeuw, Toen Hollands fiere vrijheidsleeuw Zijn brulstem hier deed hooren;
Toen Brederodes edel bloed Vianen als zijn have en goed Veredelde en versierde.
Toen steeds een fiere ridderdrom, De bloem van Hollands adeldom, Langs zijne vesten zwierde.
Die toren spiegelt zich in 't nat, Des Lekstrooms, die hier bij de stad Op kleinen afstand heenvloeit, Terwijl een schaduwrijk geboomt Langs de aarden wal, die 't slot omzoomt, Rondomme welig opgroeit.
Zoo was het overblijfsel van het slot nog in 't begin der 19e eeuw, toen Ockerse er een romance aan verbond. Maar thans is er niets meer van over; in eenige tuinen wordt enkel de plaats aangewezen, waar het trotsche gebouw eenmaal gestaan heeft.
Tegenwoordig levert Vianen weinig belangrijks meer op. Hoepelmakerij, steenbakkerij, mattenmakerijen, landbouw en veeteelt, handel in ooft en kersen zijn de hoofdbronnen van bestaan voor het stille stadje. Enkele historische herinneringen zijn nog aan deze plek verbonden, waarbij wij kortelijk willen stilstaan, vóór wij de plaats verlaten. De twisten der heeren van het slot Batenstein zullen wij niet gedenken; alleen mogen wij er op wijzen, dat de ligging op de grens van Holland en Utrecht Vianen herhaaldelijk in gevaar bracht. In 1567 deed Hendrik van Brederode het slot van Vianen, op raad van den Prins van Oranje, versterken, terwijl de anti-Katholieken het van krijgsbehoeften en mondvoorraad voorzagen. In 1672 werd Vianen door de Franschen bezet en voor 9 à 10.000 gulden gebrandschat; in 1787 werd het geplunderd door de Pruisen. De beroemde generaal La Fayette, een der helden van de groote Fransche revolutie, die na zijn gevangenzetting door de Oostenrijkers te Olmütz in 1797 op vrije voeten gesteld werd, is eenigen tijd op den huize Buitenlust te Vianen woonachtig geweest.
Het land van Vianen was vanouds een vrije heerlijkheid en behoorde aanvankelijk tot het graafschap Teisterbant. De heerlijkheid had haar oorsprong in het bouwen van het slot, Vianen geheeten, door Zweder, een der jongere zonen uit den huize Kuilenburg, in 1213, of volgens anderen reeds in 1190.