Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk

Chapter 1

Chapter 13,714 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

ONS HEERLIJK VADERLAND

Tekst van Dr. H. Blink

Boven en beneden den Moerdijk

Wandelingen door oud en nieuw Nederland met kaartjes, gekleurde en ongekleurde platen

Amsterdam--Van Holkema & Warendorf--1908

VAN DE RESIDENTIE NAAR DE MAAS EN TEN NOORDEN DER LEK.

I. DELFT EN OMSTREKEN.

Wij beginnen onze wandelingen door het zuidelijk gedeelte van Holland weder van uit de residentie, die wij op onzen eersten tocht tot uitgangspunt verkozen. Van Den Haag waren wij reeds langs Rijswijk tot den Vliet gekomen, (zie deel I pag. 120 en verder), en van hier zetten wij de wandeling voort in zuidelijke richting.

Thans zien wij, om dit terloops nog op te merken, dat Rijswijk sedert ons vorig bezoek zich snel uitbreidt, zoodat de hoofdtoegangsweg tot het dorp, die aan den eenen kant destijds nog door groene weiden begrensd was, nu aan beide zijden door huizen ingesloten en dus een straat geworden is, terwijl ook langs den weg naar Hoornbrug de aaneengesloten huizenrijen zich verder voortzetten dan een paar jaren geleden.

Van Hoornbrug naar Delft loopt de vrij eentonige, belommerde straatweg, over welks bermen de zuchtende stoomtram prozaïsch voortholt, langs den oostkant van den Vliet in schier rechte lijn op Delft aan. In den bloeitijd van het Hollandsche buitenleven langs de vaarten in de vlakke landen was ook deze weg bezaaid met villa's en aanzienlijke huizingen. Doch van lieverlede zijn de buitens langs dezen weg gesloopt. De adellijke hofstede "Crayenburgh", ongeveer halfweg gelegen, eens in het bezit der voorouders van Hugo de Groot, is sinds jaren in weiland herschapen; een kleine woning op de plek heet nog "Groot Crayenburgh", maar niet meer dan de naam herinnert er aan het aanzienlijke buiten, welks fiere bezitters een wapen voerden met drie gouden bollen en drie gouden vogels op een zwart schild. Eenige fabrieken hebben de plaatsen der vroegere buitens ingenomen. Maar wat er ook verdwenen zij, het uitzicht van den weg op het Hollandsche grasland aan beide zijden, dat in onafzienbare uitgestrektheid het gezichtsveld een grond van frisch groen schenkt, waarop het hemelgewelf met al de kleurenschakeeringen van de Hollandsche natuur rust, blijft schoon. Dat land met mooi en kostelijk rundvee moest van de stad, die zich aan den Vliet ontwikkelde, wel een plaats maken met een beroemde botermarkt. De Delftsche boter heeft haar roem door alle tijden hoog weten te houden, aan welke wisseling ook de overige industrieën dier stad onderworpen waren.

Zoo zijn wij genaderd tot het eerwaardige Delft, een onvergelijkelijk type van oud-Hollands steden, thans met 32000 inwoners.

Waar de noordelijke hemel Over 't vruchtbre vlak zich welft Van Zuid-Hollands groene beemden, Ligt het oud en statig Delft. Reine straten, frissche grachten, Fiere kerken, ruim en groot, Huizenreeksen, bont gegeveld, Draagt het rustig in zijn schoot. Nijvre burgers, kloek en wakker, Zwoegen daar met noeste vlijt, Uit hun brouwkuip stroomt de moutwijn Door Europa, wijd en zijd; Snorrend gaan de weefgetouwen En de droogschuur kent geen rust; 't Ruischt tot zelfs op gracht en straten Van een blijden arbeidslust.

Aldus zag Hofdijk voor zijn historisch zienden blik het oude Delft. En al heeft het tegenwoordige iets ingeboet van dien roem, toch blijft het een merkwaardige stad, die den stempel van een eervol en rijk verleden op het voorhoofd draagt.

Als men de singels van Delft rondwandelt, ziet men naar alle richtingen de frissche kleuren der Delflandsche weiden zich uitgroenen tegen den horizon, waarop de stad met haar schilderachtige gevels, torens, kerken en pleinen in idyllische rust is neergezet. In een dergelijke omgeving moest het gevoel voor sprekende kleuren wel ontwaken bij een bevolking met kunstaanleg, zooals dit zich dan ook geopenbaard heeft in de eigenaardige industrie van het Delftsche aardewerk.

Binnen Delft komt schier in elke straat, op elk plein en aan elke gracht der oude gedeelten eenig tafereeltje van het pittoreske der Hollandsche stad aan het licht, met eigen karakter, zooals zich dat ontwikkeld heeft onder den invloed van de welvaart der gouden eeuw onzer Republiek of vroeger. Het is als het ware een opengeslagen boek, dat tot ons spreekt door kunst en over kunstwaarde. Delft is gebouwd naar den eigenaardigen, grootburgerlijken kunstsmaak van een rijk geworden voorgeslacht, dat nog niet ontaard was tot de krachtelooze Jan Salie-achtige weelde, nog niet bedorven was door modernen wansmaak, nog niet uitsluitend beheerscht werd door het streven naar rentenierende couponknipperij.

In het oude Delft had men krachten beschikbaar voor nijverheid, liefde beschikbaar voor kunst, en geld beschikbaar, om die te realiseeren. Er zijn meer dergelijke steden in Nederland, maar alleen bij Delft willen wij thans verwijlen. Door die gelukkige omstandigheden werd deze stad:

"'t Prinslijk Delft, 't sieraad der steden, Fijn gesteente aan d' eedle hand, Van 't Vereenigd Nederland, Kroon van Delfland, zout der zeden; Om zijn grijsheid hoog geacht; Om zijn gulde en milde gaven Rijk begiftigd door de Graven",

zooals H. Schim zich uitdrukt in zijn "Beschrijving der stad Delft".

In de eerste plaats vallen ons in 't oog de teekenachtige grachten, smalle wateren, welke de oude stad in de lengte en met dwarsgrachten doorsnijden, omzoomd door zindelijke straten, overschaduwd door rijen iepenboomen, overbrugd door talrijke typische hoog oploopende, van baksteenen gemetselde boogbruggen, ingesloten door flinke, nette huizen, onderscheidene met oud-Hollandsche gevels, in de geringe buurten veelal door lage, kleine, maar toch vriendelijke huizenreeksen. Doch één zaak is er, welke Delft niet benijd kan worden, en die een schaduw werpt op het bekoorlijke der grachten: dat is het onzuivere water der stad. Men kan zich thans niet meer voorstellen, dat vóór ruim drie eeuwen het stadswater gebezigd werd voor de toen bloeiende bierbrouwerijen dezer plaats. En toch, de biernijverheid was tot de 17e eeuw de roem van Delft; deze industrie hield er zelfs veel langer stand dan de lakenweverij en bracht groote rijkdommen in de stad. Een oud versje zegt:

Dit 's Delft, de derde stad, vermakelijk gelegen, Die overvloeit van volck, van neering en van zegen, Een stad, daer welvaert is, en die haar leckre bieren, Met groote menigte, door Neerland kan vertieren.

De oorlogstoestanden na Karel V, de tiende penning, maar bovenal het verslechteren van het water hebben de biernijverheid van Delft te gronde gericht. Klachten en daaruit volgende kleine hulpmiddelen, om stroomend water door molens in enkele grachten te verkrijgen, baatten niet; het verslechten van het water was door de autoriteiten niet te keeren. In het begin der 17e eeuw vertrokken vele brouwers naar elders; van 1600-1640 werden meer dan 53 brouwerijen gesloten en misschien behoorde daartoe ook die, welke Jan Steen hier eens dreef. Hoewel er in 1700 nog 15 brouwerijen in werking waren, beteekende de biernijverheid niet veel meer. Toch vindt men in de stad ongetwijfeld nog groote burgerhuizen, die aan rijk geworden brouwers hun ontstaan te danken hebben.

Rijk zijn die grachten aan echt schilderachtige tafereeltjes, welke de kunstenaar slechts op het doek heeft te brengen, om bewondering te wekken. Zie daar het trapjesbruggetje van het "Vrouwenrecht" over het water, zoodat de hardsteenen welfboog van de brug in zijn beschaafden vorm het hoofdelement vormt, terwijl het gekuifde geveltje met de contreforten van het koor der Nieuwe kerk het geheel voltooien. Dit bruggetje is een van de weinige trapjesbruggetjes, die er in wezen bleven.

Eigenaardig mooi zijn ook de kijkjes van de Voldersgracht en de Oude Langendijk met de voorsprongen der gevels over het sousterrain of boven het water der grachten, een voorsprong, die aan den buitenkant schilderachtige effecten geeft door een sprekende slagschaduw, terwijl de verschillende oplossingen der draagsteenen een rijke afwisseling van detailvormen scheppen.

Zoo zouden wij verder kunnen gaan. Maar wij mogen op onze wandelingen door Delft niet bij al die merkwaardige geveltjes en schilderachtige pleintjes stilstaan, hoezeer vele ook een afzonderlijke beschrijving verdienen. Wij moeten ons beperken tot het vertoeven bij de monumentale en historisch merkwaardige gebouwen der stad.

Zooals wij van Den Haag de stad binnenkwamen en langs de Oude Delft, de aanzienlijke, schilderachtige, met boomen beplante hoofdgracht, zeker het oudste gedeelte der stad, gebouwd aan het kanaal, dat door Corbulo zou zijn gegraven, de tramlijn volgen, valt ons oog te midden van de flinke huizen op den artistieken gevel van het Gemeenelandshuis, het tegenwoordige kantoor van het Hoogheemraadschap Delfland. Het gebouw treft ons door de sierlijkheid van zijn lijnen, door de fraaie, rijke ornamenteering, volkomen in harmonie met stijl en lijnen, en door de statigheid en ernst van het geheel, zoodat men het zeker als een der schoonste overblijfselen van de 15e eeuwsche bouwkunst kan rekenen.

Van de wapens af langs de gevarieerde bogen boven de vensters tot aan de balustrade boven de zijvleugels, ja, hooger nog, tot aan de kolossale, maar niet lompe zuilen op den trapgevel en het torenspitsje daarachter, toont alles een logischen gedachtengang op het gebied der kunst.

Dit gebouw werd in het eind der 15e eeuw gesticht door Jonker Jan de Heuyter, schout van Delft en Baljuw van Delfland. Er wordt verhaald, dat deze, zelf reeds een vermogend man, tot dien bouw in staat werd gesteld door de erkentelijkheid van een rijk, voortvluchtig koopman in Neurenberger waren, wien hij zijn bescherming had verleend en die, te zijnen huize overleden, hem erfgenaam maakte van zijn rijkdommen. Ter herinnering aan dien milden schenker zouden talrijke rinkelbellen, waarin genoemde koopman o. m. handelde, in de ornamentatie van den gevel zijn aangebracht.

Terwijl in onderscheidene steden dergelijke aanzienlijke huizen later geen bewoners vonden en vielen onder den moker, of van een jammerlijk vandalisme de prooi werden, bleef dit huis daarvoor bewaard, doordien het in het midden der 17e eeuw door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Delfland werd aangekocht, die er de vierschaar en secretarie van het Hoogheemraadschap vestigden. Ten bewijze van die nieuwe bestemming werd het versierd met de wapenen van het hoogheemraadschap en van de leden van dat college, welke nog aan de voorpui gevonden worden [1].

Het was ook dit gebouw, waarop het feit betrekking heeft, door S. J. van den Berg in zijn "Eiber van Delft" bezongen, wat reeds vroeger door Cornelius Musius, prior van St. Aegten, en door Hadrianius Junius in dichtmaat herdacht was.

Gaan wij de Oude Delft verder langs, dan staan wij weldra bij een steenen boogbrug achter de Oude Kerk voor het Prinsenhof. Wellicht is er geen gebouw in ons vaderland, waaraan voor het geheele Nederlandsche volk zulke dierbare herinneringen verbonden zijn als aan het Prinsenhof te Delft, de laatste woning van Prins Willem van Oranje, waar hij voor het heil zijns volks werkzaam was en als een martelaar voor dat volk en de zaak der vrijheid stierf. Met eerbied staren wij op deze muren; met voorzichtigen tred gaan wij door de poort over de binnenplaats, en het is heilige ontroering, die ons schier belet vrijmoedig den voet te zetten op den drempel, welke de plek aanwijst, waar de Vader des Vaderlands tot een slachtoffer van zijn grootsch streven werd gemaakt.

En toch, deze klassieke gebouwen uit onze geschiedenis waren in de 19e eeuw aan verwaarloozing ten prooi; de zaal, waar Prins Willem gewoond had, was een gymnastieklokaal geworden, en de historische trap, waar de aanslag volvoerd werd, vormde een morsige kazerne-trap. De viering van den driehonderd-jarigen gedenkdag van 's Prinsen dood in 1884 schudde het volksgeweten wakker en deed er aan denken, om de gebouwen, waaraan zulke heilige herinneringen verbonden waren, in eere te houden. Weldra stond de volksvertegenwoordiging de gelden tot restauratie toe, zoodat zij thans in den ouden toestand hersteld zijn [2].

Het Prinsenhof, ook wel Oude Hof genoemd, ontleent zijn naam aan Prins Willem van Oranje, die het bewoonde en er den zetel van zijn bestuur vestigde. Het beslaat het noordoostelijk deel van het voormalige St. Aegtenklooster of St. Aechten-Vrouwenklooster, eertijds het voornaamste klooster van Delft, welks gebouwen, hoewel in den loop der tijden zeer vervormd, voor een groot deel nog aanwezig zijn. Zij nemen een ruim terrein in tusschen de Oude Delft en de Stadswallen en hebben langs de eerste een lengte van 58 meter.

Drie poorten, aan de Oude Delft gelegen, vormen de hoofdtoegangen. De zuidelijke, aan de straatzijde, hoogst eenvoudig van vorm, van binnen sierlijk overwelfd in den laat-Gothischen stijl, leidt naar een open gang, die toegang geeft ten noorden tot de Fransche Kerk, de voormalige kloosterkapel, en de kosterswoning, en ten zuiden tot een pakhuis, enz. De tweede of middelste poort, naast en ten noorden van de Fransche Kerk gelegen, en die waarschijnlijk uit de eerste helft dezer eeuw dagteekent, dient uitsluitend tot uitgang van die kerk naar de straat.

De derde poort, de noordelijkste, geeft toegang tot het Prinsenhof. Aan de straatzijde is zij rijk met beeldhouwwerk versierd; twee zandsteenen pilasters, met daartusschen gelegen boog, dragen een hoofdgestel, waarboven een basrelief, in lijst gevat, betrekking hebbend op de saainering, die in de 17e en 18e eeuw in eenige lokalen van het Prinsenhof gedreven werd. Boven dit basrelief is het Delftsche wapen aangebracht met het jaartal 1658, daaronder de nauwelijks meer zichtbare inscriptie "Saai-, Greine- en Stoffe-Hal"; het geheel is versierd met attributen, ontleend aan de goederen, in de hal verhandeld. In het fries van het hoofdgestel vindt men nog Latijnsche opschriften, welke herinneren aan de Latijnsche school, die in het laatst der 18e en het begin der 19e eeuw in het Prinsenhof werd gehouden. Het beeldhouwwerk der poort verraadt een bekwame hand, doch is volgens de Hollandsche gewoonte, helaas! ook door een zware laag van gele verf overdekt.

Door de poort komt men op een binnenplein, ten zuiden begrensd door de Waalsche Kerk en verder door eenige gebouwen, voor verschillende doeleinden in gebruik. Een met eenvoudig Gothisch lijstwerk versierde poort geeft toegang tot de gang, die naar de Historische Zaal voert, en aan het eind van de gang vindt men de breede eikenhouten trap, waar Balthasar Gerards zijn snooden aanslag volbracht, toen Prins Willem na het gebruiken van het middagmaal door de gang de trap op naar boven wilde gaan. De moordenaar had zich verscholen achter de zuil, die zich in het midden van de gang bevindt, en dient tot ondersteuning van het gewelf, dat de gang daar ter plaatse overdekt. Deze zuil of pilaar kwam bij de restauratie weder te voorschijn.

Ter herinnering aan den moord is een steen bij het begin der trap in den buitenmuur gemetseld, waarop in Romeinsche letters te lezen staat: "Hieronder staen de Teykenen der Koogelen daer mede Prins Willem van Orange is Doorschoten op 10 Juli Ao 1584." Die teekenen zijn zoo dicht bij den grond, dat, wil men hun aanwezigheid daar ter plaatse verklaren, men moet aannemen, dat de gangvloer vroeger aanmerkelijk lager moet geweest zijn. Ook de trap is in den loop der tijden veranderd; zij was vroeger zeker van steen en bevond zich in een torenvormige ruimte, waarvan nog sporen te herkennen zijn.

De Historische Zaal is met een paar schreden van hier te bereiken. Hier was de eetzaal van den Prins. Deze zaal, bekend als "de groote saele van het Oude Hof" of wel als "de groote geschilderde saele" werd omstreeks het midden der 17e eeuw, met het oog op de feesten en vergaderingen, die er in gehouden werden, met zekere pracht in orde gemaakt.

Twee groote eikenhouten schoorsteenen, op marmeren kolommen rustend, welke men er thans nog vindt, dagteekenen uit dien tijd en evenzoo de plafondbeschildering, die in 1668 door Leonard Bramer werd uitgevoerd. De voorstellingen hebben meest alle betrekking op de Bijbelsche geschiedenis: de Bruiloft van Kana, de hemelvaart van Christus enz.

In deze Historische Zaal werd in 1743, 1754, 1765 en 1776 een synode gehouden; in 1767 werd deze zaal "de plaets tot het houden van het musicqcollege, 't welck van oudsher pleeg bijeen te komen in een camer van het Fraterhuys", zoodat er concerten werden gegeven; in 1775 werd de zaal nog aan een zangvereeniging afgestaan voor wekelijksche oefeningen, hoewel zij als zoodanig niet scheen te voldoen, zoodat men in 1776 een nieuwe concertzaal op het Prinsenhof bouwde, en in 1778 werd aan de "Societeyt der opgerigte oeconomische Tak" toegestaan, vergaderingen in de geschilderde zaal te houden. Later werd zij voor verschillende doeleinden gebruikt; zij werd door militairen in bezit genomen en deed afwisselend dienst als gymnastieklokaal, slaapplaats, magazijn, enz.

Daardoor was de Historische Zaal geheel in verval gekomen en in de eerste helft der vorige eeuw, toen men geheel onverschillig was ten opzichte van historische monumenten, liet men dien toestand voortduren. Eerst in 1849 ging er in 's Lands Hooge Raadzaal een stem op, om te protesteeren tegen dit gemis van eerbied voor een dergelijke belangrijke historische herinnering. Het was de heer Groen van Prinsterer, die hiervoor in 't krijt trad, terwijl ook van andere zijden aan de verontwaardiging over die heiligschennis werd lucht gegeven.

"Wat voert van Willems graf den pelgrim peinzend henen Naar 't door een krijgerdrom ontheiligd hofgebouw, Waar zich het moordend lood gegroefd heeft in de steenen? Hij weeklaagt op die plek om Neerlands grootsten rouw. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . En toch--de naneef zie een prachtig grafgesteente Verrijzen, waar zijn asch ten groeve werd vergaerd, Wat baat die marm'ren praal op 't lang vermolmd gebeente, Nu deez' vergeten zaal niets vorstlijks heeft bewaard? Wat baat het, dat daarginds metalen beelden rijzen, Zoolang een woeste drom hier Willems beeld verbant, Zoolang men zaal en gang in 't Prinsenhof blijft wijzen, Ontheiligd en ontsierd door snoode taal of hand",

aldus toornde de heer J. C. Perk in het Muzen-Album van 1849. Eerst in 1884, nadat de lokalen door de gemeente Delft aan het Rijk waren overgedragen, werd met de restauratie van Rijkswege een begin gemaakt, waarbij men uitging van het beginsel, om de Historische Zaal met behoud van het oude terug te brengen in den stijl van de eerste helft der 16e eeuw, zooals zij zich zal hebben voorgedaan op het tijdstip, dat de Prins voor goed zijn intrek nam in het St. Agatha-klooster. Daarbij werd er zorgvuldig acht op gegeven, dat alles, wat eenige waarde had uit een oogpunt van kunst of geschiedenis, behouden bleef, ook al was dit van later dagteekening dan het tijdperk, waarin de Prins leefde. Aldus werden het geschilderd plafond en de schoorsteenen, die uit het midden der 17e eeuw dagteekenen, met de grootste zorg in orde gebracht.

De Historische Zaal is aan de noordzijde zonder vensters, terwijl aan de zuidzijde zeven lichtopeningen, ieder door een kruis van gemengden berg- en baksteen in vier vakken verdeeld, uitzicht bieden op de tweede binnenplaats. Elk der vakken is voorzien van twee glasschilderingen, welke de wapens van den Prins, die zijner gemalinnen, heerlijkheden, enz. voorstellen.

Langs de wanden der zaal is een eikenhouten betimmering in laat-Gothischen stijl aangebracht. De muren der zaal zijn met kalk bestreken en geschuurd, en op twee plaatsen versierd met inscripties in cartouchevormige veelkleurige randen, volgens den stijl van de laatste helft der 16e eeuw. Die op den westelijken muur tegenover den ingang luidt:

"Willem, Prins van Oranje, vestigde omstreeks 1572 of '73 in dit convent zijn woning. Den 10en Juli 1584 werd hij bij het uittreden uit deze zaal, waar hij het middagmaal gebruikt had, door Balthazar Gerards verraderlijk doodgeschoten. Doodelijk gewond, werd hij op de trap neergelegd, terwijl hij de woorden uitsprak: ""Mon Dieu, ayez pitié de mon âme; mon Dieu, ayez pitié de ce pauvre peuple"". Vervolgens in deze zaal teruggebracht, gaf hij den geest."

"Tot herdenking van den dood van Prins Willem van Oranje op 10 Juli 1584 is deze zaal 1884-1886 hersteld".

De inscriptie op den tegenovergestelden muur herinnert aan Cornelius Musius van Spangen, geb. in 1500 te Delft, den dichterlijken, geleerden en godvruchtigen prior van dit klooster en den vriend van den Prins van Oranje, die in 1572 door den Graaf van der Mark, heer van Lumey, opgelicht en op 10 Dec. gruwelijk vermoord werd.

In de Historische Zaal vindt men eenige meubelen uit den stijl van dien tijd en een verzameling van historische herinneringen, platen, portretten en teekeningen.

Wij wenden thans den blik naar de overzijde der Oude Delft, waar de verweerde muren der Gothische Oude Kerk verrijzen met den zwaren, vierkanten toren, die volgens een overlevering op den grondslag van een Romeinschen toren zou zijn gebouwd. Wanneer wij de steenmassa van den grijzen toren, door een hoofdspits, met vier hoekspitsen omringd, gekroond (voorbeelden hiervan vindt men weinig meer; te Kapelle op Zuid-Beveland bestaat ook een dergelijke toren), nader beschouwen, valt spoedig in het oog, dat hij niet naar het oorspronkelijke plan is voltooid; de zware onderbouw was blijkbaar voor een veel hooger en sierlijker bouwgewrocht bestemd. Doch tevens zien wij, dat de toren scheef staat, een verschijnsel, hetwelk reeds eeuwen geleden bezorgdheid inboezemde aan de vrome zusters van het St. Aegtenklooster. Zelfs moet een der prioressen zoo beangst geweest zijn voor het dreigend gevaarte, dat zij telkens vluchtte, als zware stormen of onweersbuien om den hellenden toren loeiden.

Is de helling van den toren een gevolg van verzakking en was zij de reden, waarom de toren niet werd voltooid? Of moet men hierbij denken aan een phantasie des bouwmeesters, die de macht van zijn constructief genie wilde toonen? Wij weten het niet; dit is echter bekend, dat de Delftenaars nog niet zoo lang geleden zich beangst maakten over den toren, en hoewel de gevoelens der deskundigen uiteenliepen, besloot het stadsbestuur toch, den toren te doen afbreken. Gelukkig, dat de verkoop en het afbreken afstuitten op de kosten, zoodat dit oude bouwstuk behouden bleef; thans wordt de toren gerestaureerd [3].

Vergrijsd zijn de kerk en toren beide; omstreeks 1240 moeten zij gebouwd zijn door een vermogend edelman, Bartholomeus van der Made. De kerk was vóór de Hervorming eerst gewijd aan den heiligen Bartholomeus, den patroon des stichters, sedert 1396 aan den heiligen Hippolytus. Als de 9000 Kilo zware klok (in 1573 gegoten) geluid wordt, moeten haar galmen tot aan de overzijde der Maas worden waargenomen. Thans hoort men die klok enkel op groote gedenkdagen.

Deze kerk, de oudste parochiekerk van Delft, was in haar bloeitijd rijk aan kerkelijke en wereldsche bezittingen; zij had vijf kapellen, meer dan twintig altaren, drie en dertig vicarijen, negen gilden en bezat verbazende schatten. Gouden sieraden en reliquiekasten, tabbaarden en altaarkleeden waren teekenen van die rijkdommen. Ook vermelden Delfts geschiedschrijvers geheele bladzijden van de wonderen, die een heiligenbeeld in deze kerk zou verricht hebben. De meeste van die rijkdommen werden weggenomen, toen de stormwind der Hervorming door het land waaide en het schoone van den Katholieken eeredienst ook hier deed plaats maken voor de naakte muren met de nuchtere Hervormde prediking.