Onderweg in Tunis De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 4

Chapter 41,183 wordsPublic domain

27 April.--Vertrek per automobiel naar Doegga. De Resident-generaal en mevrouw Alapetite waren zoo vriendelijk, ons mee te nemen terug naar Tunis. Het was schitterend mooi weêr. We gleden door de morgenlucht in de koelte en legden snel den afstand af, die de Kef van Doegga scheidt. Men moest het rijtuig in de schaduw laten staan van een olijvenboschje, en wij gingen de ruïnen zien, die men bereikt langs een steil pad in gezelschap van den controleur van Teboersoek, die den Resident-generaal te gemoet was gereisd. Muilezels droegen het ontbijt en andere dieren werden in gereedheid gehouden voor de minst moedigen. Maar het was zulk mooi weêr, dat ieder vol moed was en liever wilde wandelen.

Doegga, het oude Thugga, is beroemd als een der romeinsche steden, die het meest intact zijn gebleven in Tunesië. De moderne plaats ligt aan den voet der ruïnen, die veel belangrijker zijn dan men in het verlaten land zou verwachten. Het is een chaos van woningen, tempels, zuilen, door methodische opgravingen tegenwoordig aan het licht gebracht. Boven alles het Kapitool, die best bewaarde korinthische tempel in Tunis met zijn sierlijken voorgevel en de ranke, gegroefde zuilen. De verhoudingen van dit gebouw zijn zoo harmonieus, dat men den blik er niet kan afhouden. De lichte kleur van het marmer en het rijke beeldhouwwerk verhoogen de schoonheid. In de brandende middagzon liepen wij door de bouwvallen, die we later nauwkeurig zullen opnemen, en gaan nu naar een schaduwplekje zoeken, om te ontbijten. Door de goede zorgen van den controleur, den heer Giltaire, en van de bewoners van het dorp, waren tafels en stoelen spoedig klaar gezet in een eeuwenoud olijvenbosch. De frissche lucht en het loopen hadden ons eetlust gegeven, en we deden vroolijk eer aan het déjeûner, waarbij de gebraden snippen een verbazend succes hadden, evenals een zekere wijn van Saint-Joseph van Tibar, waarmee dit landelijk festijn werd opgeluisterd.

Na een heerlijk moorsch kop koffie te hebben gebruikt, gevoelden we ons in staat, om in de volle zon den chaos van ruïnen te bestijgen, die zich aan ons voordeed. Van den tempel van het Kapitool, die aan zijn geboortestad werd aangeboden door een burger van Doegga, Marcius Simp, ex Regillianus, gingen we naar den tempel van Saturnus, dan naar dien van Coelestis, ook geschonken door edelmoedige burgers, die begeerig waren, hun stad een geschenk ter verfraaiing aan te bieden. Het is een opmerkelijk feit, dat die wedstrijd in mildheid en edelmoedigheid de notabelen van die oude afrikaansche steden dreef, om maar altijd hun eigen stad wel te doen en haar mooier te maken, door op hun kosten naar de mate van hun vermogen nu eens een tempel, dan een schouwburg of een hippodroom te laten bouwen. Bescheidener beurzen richtten een fontein op of wel een triomfboog. Dat particulier initiatief van de Romeinen wordt tegenwoordig nagevolgd door de Amerikanen, de dollarveroveraars. Maar het is, helaas, zeldzaam in onze oude westelijke wereld, waar zooveel steden er behoefte aan zouden hebben, met wat ostentatie te worden bemind door sommige hunner kinderen.

Een der andere het best bewaarde bouwwerken van Doegga is het theater. Het onderscheidt zich door elegante proporties en door de sierlijkheid van de omgeving en men is van bewondering vervuld, als men het gebouw binnentreedt. De vijf-en-twintig rijen trappen van den halven cirkel zijn bijna alle onbeschadigd. Het rijk versierde tooneel, het met mozaïeken bevloerde orkest zouden gemakkelijk in hun oorspronkelijke gedaante te herstellen zijn, en de schouwspelen, die er zouden kunnen worden gegeven, zouden een machtige aantrekking uitoefenen tegenover het verrukkelijke panorama van het dal der wadi Khalled, dat in de verte wordt afgesloten door een lijn van blauwe bergen.

Een dergelijke overvloed van monumenten en hun weelde toonen, hoe rijk en welvarend de bevolking van dat romeinsche Afrika was, en als men bedenkt, dat al die rijkdommen door den landbouw waren voortgebracht, kan men zich er een denkbeeld van maken, hoeveel zorg er besteed werd aan die thans onbebouwde of verwaarloosde gronden. Maar over dat onderwerp zou men nooit uitgepraat raken. Het Tunesië van den tegenwoordigen tijd moet zich voor den geest roepen het Tunesië uit den romeinschen tijd, om het zooveel mogelijk na te volgen, zonder te mogen hopen, nog in langen tijd te herstellen wat eeuwen van stelselmatig werken hadden kunnen bereiken.

Gelukkig is er bij de nomaden de neiging op te merken, om zich blijvend hier of daar te vestigen, en zij zijn met hun kudden en hun zwervend leven de grootste vijanden van den landbouw. Een andere interessante evolutie valt er te waardeeren, namelijk onder de overige inboorlingen. Ze planten boomen op veel punten, om zich den particulieren eigendom te verzekeren van den grond, waarop ze wonen. Ondanks al, wat er nog te doen overblijft, heeft Frankrijk reeds een heldenstuk verricht in dit land, en men mag dat wel erkennen. De spoorlijnen, die de vroeger ver van elkander verwijderde punten onderling verbinden, en die plaatsen toegankelijk maken, die bezwaarlijk te bereiken waren, zijn een van de weldaden; dan het wegennet, dat het Regentschap doorsnijdt met wegen, die in alle opzichten de vergelijking kunnen doorstaan met die in Frankrijk, en de fransche wegen behooren tot de beste van de wereld. Verder hebben de kolonisten er ijverig gewerkt en hebben er groote onontgonnen terreinen overdekt met graanvelden, wijngaarden en olijfbosschen, zoodat ze aan het mohammedaansche Tunis zoo niet den rijkdom uit den romeinschen tijd, dan toch een gezond leven hebben geschonken, een opbloei van zuiver europeesch krachtbetoon.

Na een laatsten blik te hebben geslagen op den chaos van ruïnen van Doegga en op zijn sierlijk Kapitool, gaan we weer terug naar de vlakte en de zee, en passeeren dorpen, die nog versierd zijn met guirlanden van bladeren en bloemen, door de bewoners aan hun huizen en op de straat aangebracht ter eere van het bezoek, dat hun de Resident-generaal twee dagen geleden bracht. Daar is Aïn-Toega. Het verrijst dichtbij de overblijfselen van een belangrijke stad, die een gemeente werd bij het begin van de derde eeuw. Een byzantijnsch fort neemt het midden van die ruïnen in. Basreliëfs en opdrachten aan Saturnus, gevonden op de plaats van deze stad, geven er blijk van, dat er een heiligdom was, aan dien god gewijd. Wij begroeten de Medjerda, die overvloedig water heeft, de eenige groote rivier van Tunis. We betreden nu een der best bebouwde gedeelten van het Regentschap.

In den nacht vliegt de auto over de wegen, monster, dat geen afstanden kent.

Daarginds slaapt het antieke Karthago onder de sterren, en over de ruïnen zweeft de herinnering aan den wreeden Moloch en aan Tanit, de groote godin. Men zou nog lang willen blijven in deze zuivere lucht op den eenzamen weg, om te droomen over het wonderlijke verleden, dat in dit hoekje van Afrika werd afgespeeld, maar daar zijn we al in Tunis. De stad schittert ons tegen met haar electrisch licht. De stoomfluiten grommen in de haven. Vaarwel doode steden, waarvan het archaïsch voorkomen nog leeft voor de oogen van den toerist. In een reuzensprong van den geest hervinden we ons, niet zonder een melancholiek gevoel op den drempel van onze eeuw van verlichting en drukte.