Onderweg in Tunis De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 3
Tegenwoordig wordt de waterhoeveelheid in de oase op zeer regelmatige wijze verdeeld. Ongelukkig maakt de vochtigheid het verblijf er ongezond. Zij veroorzaakt moeraskoorts, en dat zelfde bosch van palmen, dat aan de plaats zulk een bekoorlijk aanzien geeft voor den toevalligen toerist, is noodlottig voor diegenen, die er moeten wonen en werken. De bevolking lijdt in haar geheel min of meer aan die koortsen. Terwijl wij den loop der wadi volgen, die over een zandige bedding stroomt, tusschen hooge oevers van zand en die helder, maar ongelukkig geen drinkbaar water bevat, merken we op, met hoeveel zorg de oase bebouwd is en hoe ze is verdeeld in kleine of groote perceelen en doorsneden door een oneindig aantal paden. Bruggen van stammen van palmen zijn overal geworpen over de wadi en haar zijtakken. Er heerscht veel leven en beweging onder de palmen. Telkens ontmoet men kleine ezels, beladen met manden met gras, kameelen, rossig van tint, met hun minachtende bovenlip en allerlei voetgangers en schilderachtige ruiters. Er loopen halfnaakte kinderen achter ons aan met bouquetjes wilde bloemen, die ze ons aanbieden.
De tooneelen aan den oever van de wadi zijn juist dezelfde, als die men aan de oevers van den Nijl aanschouwt. Vrouwen, inlandsche en negerinnen, in lange, zwarte kleeren, die van voren open zijn, komen water halen in haar kruiken of wel, hurkend aan het water, wasschen ze haar linnen al babbelend en onder het gerinkel van de zilveren armbanden. Die sterke aantrekking, die de oase uitoefent, alsook de nabijheid van de Matmata's en van Medenine, verklaren hoe het komt, dat er in dezen tijd van het jaar zooveel toeristen zijn en ook het groote aantal automobielen, die zich op den weg bewegen en dagelijks in de beide bescheiden hotels van Gabes meer bezoekers aanbrengen dan er kunnen geborgen worden.
Des middags déjeûneerden wij aan het Contrôlegebouw en daarna vertrokken de Resident-generaal en zijn medereizigers, om rechtstreeks naar Tunis terug te keeren.
27 Maart.--Dank zij de anthropologie en door den welwillenden steun van den kaïd Si Mohammed ben Khalifa kan ik reeds een paar dagen in de mohammedaansche interieurs binnenkomen en van dichtbij het huiselijk leven gadeslaan van de tunesische dorpelingen. Ik heb al een reeks soedaneesche vrouwen gemeten, die in de alfawerkplaatsen worden gebruikt. Ze komen voor het meerendeel uit Bornoe en Baghirmi. Ze herinneren zich, dat ze als kinderen door karavanen zijn weggevoerd naar Tripoli, waar ze denkelijk als slavinnen zijn verkocht. Tegenwoordig stellen de sjeik van Menzel en die van Djara hun vrouwenverblijven wagenwijd voor mij open, aldus een goed voorbeeld gevend aan hun volk. Bij die bezoeken werd ik vergezeld door de vriendelijke mevrouw Livet en door een jong joodsch meisje, dat als tolk optrad.
In de dorpen en in de steden is het type van de woningen hetzelfde. Het familieleven is geconcentreerd op het binnenplein, waar alle vertrekken op uitkomen. Men verbaast zich over het groote aantal personen, die kunnen leven in die terrasvormig opgestapelde cubussen, vooral als de heer des huizes rijk is en verscheiden vrouwen heeft. De getrouwde zoons en dochters blijven vaak bij hun ouders wonen. In dat geval verplicht het gebruik de jonge vrouwen, zich nooit te vertoonen aan haar schoonvader of haar schoonbroeders, ten minste gedurende de eerste tijden van haar huwelijk, zoodat ze veroordeeld zijn, ook tehuis steeds gesluierd te wezen en zich in haar meestal donkere kamers op te sluiten. In een familie van dezen aard kan het gebeuren, dat de laatste vrouw van den vader jonger is dan de echtgenoote van den zoon.
Bij elk van onze metingsbezoeken werden mevrouw Livet en ik op het vriendelijkst ontvangen. De heer des huizes stelt ons zijn vrouwen voor, voert ons daarna in zijn salon, en daar worden ons koffie, champagne, koeken en melk gepresenteerd. Daar wij al die heerlijkheden nauwelijks aanraakten, gebruikten de aanwezige mannen, bloedverwanten, vrienden of buren, opgeroepen ter eere van ons bezoek, dat een echt evenement was, zonder omslag wat er nog in onze kopjes en onze glazen was overgebleven. Daarna werden wij aan de vrouwen overgelaten. In welgestelde familiën hebben ze ieder een vrij goede kamer met een getralied venster. De meubileering, die in hoofdzaak bestaat uit een groot bed, tapijten en koffers, is overal bijna gelijk, omdat de Koran voorschrijft, dat alle vrouwen een gelijk aandeel hebben in den rijkdom van den man en in zijn gunstbewijzen. De dochters en schoondochters van het huis zijn veel minder goed gelogeerd. Ze wonen vaak in kleine kamertjes, zonder licht en zonder lucht.
Daar ze van mijn komst verwittigd waren, hadden zich de vrouwen getooid met haar rijkste kleeding en al haar sieraden. De moeder of de grootmoeder, als die nog in leven is, van den heer des huizes, ontvingen ons met een gemakkelijkheid en wellevendheid, waarvan men niet zou vermoeden, dat die vreesachtige en beschroomde jonge vrouwen er ooit toe in staat zouden zijn, en die ontwikkeld worden door den diepen eerbied voor de ouders en voor den ouderdom in het algemeen. Na de gebruikelijke begroetingen begeleidden ze ons, daar ze het doel van ons bezoek kenden en zich niet jong genoeg vonden, om zich te leenen tot grapjes als het meten en photografeeren, naar de verschillende vertrekken der jongere vrouwen. In die donkere hokjes, waar het oog eerst niets kon onderscheiden, en waarvan de toegang is afgesloten door een tapijt als portière, is het aardig, eindelijk te onderscheiden een vrouwelijke figuur, op haar hurken gezeten, een jonge, elegante vrouw, in het halve licht schitterend door haar juweelen als een afgodsbeeld, maar een beeld, vol leven en bekoorlijk door een innemenden glimlach. Die jonge vrouwen van vijftien tot twintig jaar en die, als ze zeer zorgvuldig verborgen worden gehouden, altijd heel jong zijn, hebben niet zelden een kindje in de armen. De kennis is snel gemaakt.
Wij bewonderen de zware edelgesteenten, die ze op de borst dragen en die soms de draperieën van de kleeding tegen de amberkleurige huid vasthouden. De kleeding van de Tunesische van het land is donker van kleur en herinnert sterk aan die van de Bedoeïenen en in het algemeen der arabische nomadenvrouwen. De rijken dragen een mutsje van muntstukken, een erfstuk vaak van het voorgeslacht en waarover een sluier hangt van geborduurd katoen van heldere kleur, dien ze zeer behendig over het gezicht weten te trekken bij het minste onraad.
De vrouwen vertoonen een vast type. Ze zijn van gemiddelde lengte, goed gebouwd en sterk getatoeëerd. Het voorhoofd, de kin, de wangen, de punt van den neus zijn versierd met stipjes en blauwe sterren. Haar handen, ook getatoeëerd en roodgekleurd met henné, zijn mooi. Veel zilveren ringen, als armbanden zoo groot, hangen in haar ooren. Om te beletten, dat het oor uitscheurt, bevestigen ze de versiering in haar vlechten. Het haar, van een glanzig zwart, is dik en kort, zooals het gebruik voorschrijft, verdeeld in een oneindig aantal kleine vlechtjes. Men mag gerust beweren, dat aldus getooid, die jonge tunesische vrouwen opmerkelijk zijn door haar elegantie, die in het geheel niet door dikte wordt benadeeld als bij de joodsche vrouwen.
Wij hebben Gabes en het Hotel de l'Oasis ver achter ons gelaten en we hebben er gebibberd, zoo koud waren de nachten nog in dit jaargetijde, ofschoon overal palmen hun kruinen opsteken, als getuigen van een klimaat als van de Sahara. En langs denzelfden weg, over Sfax en Soesa, zijn we nu te Kairoean, de heilige plaats, aangekomen; Kairoean, een der poorten van het paradijs, eenzaam te midden van de steppe gelegen. Het is wel een versterkte plaats van den Islam, die men onder de oogen heeft, met de dubbele muren met kanteelen, de moskeeën, de zaoeia's en kobba's, de laatste graven van priesters of heiligen. Zooals bekend is, was de universiteit van Kairoean vroeger beroemd. De stad der waterleidingen, der pelgrimstochten, doet zich in schitterende witheid voor in een land zonder water en zonder groen, waar men kerkhoven vindt in plaats van bebouwde velden.
De Christenen schijnen er niet veel plaats in te nemen, en het kost moeite te gelooven, dat er werkelijk voor toevallige passanten een hotel is, zelfs een Splendid Hotel, in de stad van Sidi Okba. Wij namen een gids, om ons rond te leiden door den doolhof van de heilige stad. Kairoean is de eenige stad van Tunis, waar de toegang van de heilige gebouwen aan de Christenen veroorloofd wordt met een machtiging van den civielen controleur.
Onder zooveel minarets en koepelkerken moeten we een keus doen. We gaan eerst naar de Groote Moskee. Er zijn niet minder dan zeventien dubbele, evenwijdige beuken en vierhonderd zuilen, die afkomstig zijn van antieke gebouwen uit Soesa, Monastir en andere plaatsen. Na dat alles te hebben bewonderd op rechtmatige wijze, gaan we naar de zaoeia van Aboe Zema of Sidi Caheb. We beklimmen de hooge minaret langs een eindelooze trap, die door den sierlijken vierkanten toren loopt. Op den top aangekomen, konden wij over Kairoean den blik laten weiden en waar hij zich heen wendde, overal was de aanblik dezelfde. Buiten de stad, in de stad, het waren niets anders dan tempels, graven, kloosters, moskeeën. We richtten toen onze schreden naar een zonderlinge moskee, met een aantal koepels, maar waarvan het inwendige niet belangrijk was.
Onze jonge gids leidde ons handig rond. Hij sprak uitstekend Fransch. Maar hij heeft stellig een idée fixe, want hij sleept ons mee door doodsche en onbeduidende straatjes en bekent ten laatste, dat hij ons zijn jonge vrouw wou laten zien. Deze, zonder twijfel gewend aan dat soort van bezoeken, zat op een laag bankje en weefde een tapijt van allerleelijkste kleur. Ze was groot, lenig, zeer goed gekleed in wijde broek; mooi ondanks de tatoeëeringen en de boven de oogen door een dikke zwarte lijn verbonden wenkbrauwen. Haar mooie handen, met henné gekleurd, droegen groote ringen, en zilveren armbanden omsloten de fijne polsen. In het kort, ze scheen daar precies neergezet, om aan de reizigers te laten zien, dat niettegenstaande haar schijnbare afwezigheid de schoone sekse toch wel te Kairoean bestaat en er goed vertegenwoordigd is. Wij zouden zelfs dit landvrouwtje te deftig vinden, als haar echtgenoot ons niet den sleutel had gegeven van het geheim. Ze waren beiden op de wereldtentoonstelling geweest te Parijs in 1900, en dus waren we in de tegenwoordigheid van een der meest geëmancipeerde huishoudingen van geheel Tunesië.
In haast sloegen we weer den weg naar de soeks in, langs de hooge gekanteelde muren. Maar de straten werden leeger; de winkeltjes zijn gesloten en van grendels voorzien, en de kooplui zijn naar hun woningen gegaan in ver verwijderde wijken. Een groote troosteloosheid breidt zich over de stad uit, die nog slechts eenige oogenblikken geleden zoo druk was en nu in het roode licht der ondergaande zon als uitgestorven scheen. Die indruk werd nog versterkt door den aanblik van kameelkaravanen, stappend met groote, trage schreden, en die ons voorbijschoven als schimmen in de schemering door de zware poorten der stad. Het werd koeler, en wij moesten terugkeeren. Spoedig zal het uur der jakhalzen gekomen zijn, dat ook het uur is van de Aïssaoea's, die ons in de zaoeia van Sidi ben Aïssa, hun patroon, het schouwspel zouden laten genieten van den waanzin der dwepers.
Het deed goed, het daglicht en de zon terug te zien na de afschuwelijke tooneelen van dien avond. Buiten was den volgenden dag alles weer leven en beweging. De burnoes verdringen elkander in de straten, en de aanblik van Kairoean als mohammedaansche stad is eenig in zijn soort. Nomaden, meest Zla's, bewogen zich door de soeks in grooten getale. Die gearabiseerde Berbers met hun fiere houding hebben hun kampen in de vlakte in de nabijheid. Wat de markt aangaat, die moet even goed voorzien zijn als die van Tunis. Ze is beroemd om de geborduurde leerwerken, het gedreven koper en de tapijten. Die laatste industrie, oudtijds algemeen bekend, is ongelukkig achteruitgegaan, sedert men, om de goedkoopheid, voor het verven der wol stoffen is gaan gebruiken, met aniline bereid. Er zijn in den laatsten tijd pogingen in het werk gesteld, door het secretariaat-generaal van de regeering, om de fabricatie van die tapijten aan te moedigen, die gemaakt zijn van wol, geverfd met plantaardige kleuren en met cochenille. Het is te wenschen, dat die pogingen van de ververs deze weelde-industrie te Kairoean zullen doen herleven, al wordt er geen goedkoope waar door geleverd. De tapijten uit Klein-Azië doorleven een dergelijke crisis. Alleen Perzië handhaaft zijn traditie, vooral door de strenge voorschriften, die de anilineverfstoffen verbieden. Na den geheelen morgen door de stad te hebben gedwaald tusschen de versterkte muren, na zonder verveling de mooie poorten te hebben bewonderd, wier sierlijke bogen een der edelste kenmerken zijn van de arabische bouwkunst, namen wij den trein naar Tunis, waar we op tijd terug wilden zijn, om de feesten van Karthago bij te wonen.
24 April.--Daar zijn we opnieuw op weg naar Kef en Maktar, waar de heer Chantre, uit Tripolitanië terug, de nomadische stammen gaat bestudeeren, als de Drids, de Oeled Ayar, de Oeled Aoen, die hier vrij talrijk zijn. Wij stapten vroeg in den trein, er ons gelaten in schikkend, dat we negen uren zouden noodig hebben, om 200 kilometer af te leggen. We zijn hier in een land, dat zeer veel verschilt van het oostelijke en veel groener en vriendelijker is dan de Sahel. Rechts en links is de horizon omgeven door heuvels met mooie lijnen, en zoo ver het oog reikt, aanschouwen we weiden, waar talrijke kudden grazen. Men zou botanist moeten wezen, om de flora te beschrijven, die in dit seizoen overal ontluikt en het oog bekoort. Onze trein glijdt over een tapijt van bloemen voort, over groote gele margrieten, papavers, gele tulpen, roode klavers, brem, en uit het portier geleund, zien we de eenzame plateaux voorbijschuiven, waarvan de armoede nu zich verbergt onder het vachtje van groen en bloemen. Links verheft de Zaghoean zijn imposante massa. De lange reeksen van waterleidingen, die nu en dan zich vertoonen, welsprekende getuigen van de wonderlijke beschaving der Romeinen, voerden eertijds de wateren van deze bergen naar Karthago.
Voorbij Gaffoer verschijnen goede korenvelden, waartusschen doears liggen, die door de veldarbeiders uit de streek worden bewoond. Na een lange opeenvolging van weiden en plateaux komen we aan de Kef, als een arendsnest aan de rots gehecht. Aan den contrôlepost werden we zeer vriendelijk ontvangen door den heer en mevrouw Prat. Uit de verte bood het antieke Sicca Venerea een woest en schilderachtig gezicht. Van dichtbij leek het somber door het diepe verval. De huizen smolten samen met de rotsen van dezelfde grijze kleur. Van het schitterend verleden der heilige stad, van haar beroemden tempel, gewijd aan de karthaagsche Venus is, helaas, niets dan de herinnering overgebleven.
De tegenwoordige inlandsche stad munt noch door zindelijkheid uit, noch door den goeden staat der woningen, die integendeel bijna in puin vallen. Door hellende straten en steeds trappen volgend, komt men boven op de rots, die de Kasba draagt. Moskeeën en een zaoeia verbreken op gelukkige manier de grijze eentonigheid van het geheel, waar de muzelmansche zorgeloosheid uit blijkt. Daarentegen rust het oog met genoegen op de nieuwe europeesche wijk, die zich flink ontwikkelt. Ze ligt aan den voet der rots aan een mooien cornicheweg, en de huizen met roode daken bewijzen, dat men hier op de hoogte tusschen 700 en 800 meter een langen en strengen winter moet verduren.
Stukken van zuilen en beelden, waterréservoirs, een mooie bron, die al sedert de verre oudheid opgevangen werd en die waarschijnlijk de oorzaak was van de keus dezer plek, om er een stad te bouwen; de ruïnen van een amphitheater en van een schouwburg; resten van een vesting zijn nog overblijfselen van de punische en romeinsche beschaving. Uit den byzantijnschen tijd bezit de Kef de ruïnen van de basiliek van den H. Petrus, gebouwd van de materialen van een romeinschen tempel, en waarvan zijbeuken nu nog als kerk worden gebruikt; een andere christelijke basiliek, waarvan de Mohammedanen hun groote moskee hebben gemaakt, en eindelijk is er nog een minder belangrijke kerk buiten de stad, op korten afstand, in noordelijke richting.
Men kan de strategische beteekenis van het oude Sicca Venerea, door Augustus tot een bloeiende kolonie gemaakt, inzien, als men op de prachtige vestingwallen rondom zich van den Cornicheweg een horizon omvat van vlakten en bergen, zich voortzettend tot Algerië. Terwijl wij onder het wandelen het prachtige panorama bewonderen, dat droevig stemt niettemin, hoorden wij muziek en zagen een groep inboorlingen in de buurt geschaard staan. Aan den voet van een vervallen trap, waarop in volle waardigheid de maraboet stond van de kef, Si Kaddoer el-Mizoeni, het hoofd van de broederschap der Quadria's, zoo verspreid in de muzelmansche wereld, gaven pelgrims, die gekomen waren, om hem te zien, een fantasia, waar zijn kleinzoons aan deel namen. Wij woonden, zonder het te willen, een familiefeest bij, vol onverwachte verrassingen en kleur, en wel verre van als vreemden te worden behandeld of als indringers, werden wij door Si Kaddoer, de held van het feest, uitgenoodigd, naast hem plaats te nemen. Hij was een prachtige grijsaard met trotsche houding, gedrapeerd in zijn burnoes als een antiek beeld. Er werden ons stoelen gebracht, die ongelukkig even wankel waren als de trap; onder het gebruik van een goed kop koffie woonden wij de oefeningen bij met paarden, begeleid door een eentonige, oorverdoovende muziek. Te midden van de opeenhooping van stof en bouwvallen, tegenover den wijden horizon van bergen en vlakten, die zich voor ons ontrolde in de schitterende zon, was de aanblik van die onwetende menigte, godsdienstig tot het dweepzieke toe en hulde bewijzend aan een ouden maraboet, die zich sterk bewust was van zijn prestige, een tooneel vol belangrijkheid voor den toeschouwer en gestempeld met het kenmerk der echte poëzie.
25 April.--Si Ahmet Sakkat, de kaïd van Kef, heeft de goedheid gehad, zijn beste rijtuig te onzer beschikking te stellen evenals zijn paarden, om van Sers naar Vaktar te gaan. Te Sers ontbijten wij in den bordj van de remonte, waar we mooie hengsten bewonderen, waaronder een van het zuiverste bloed. Van daar gingen we, terwijl de paarden uitrustten, door een moerassige vlakte tot een doear van Drid. Die half-nomaden, die er ellendig uitzien, houden zich in deze streek vooral met paardenteelt bezig. De vrouwen, aan het wasschen van linnen in een plas, werden verschrikt bij mijn aankomst. Ik photografeerde ze en ging niet heen, zonder zeer vriendschappelijke groeten met haar te hebben gewisseld.
Tusschen Sers en Maktar liggen 35 kilometer. Vaarwel goede wegen! In afwachting van den tijd, dat deze goed zal worden, hotst men over hoogten en laagten en door modderplassen, wat zeer vermoeiend is. Van tijd tot tijd stappen we uit, om de paarden op adem te laten komen. De atmosfeer was uiterst helder en de velden staan weer vol bloemen. Wij plukten een handvol gele tulpen en wandelden te voet naar een groep dolmens, die al uit de verte waren aangewezen en lang bekend zijn, maar binnenkort zal er niets meer van zijn overgebleven ten gevolge van de stelselmatige verwoesting, die de mensch erop uitoefent en door de invloeden van het weêr.
Om vijf uur kwamen wij te Maktar ter hoogte van 950 meter. We begaven ons naar het contrôlegebouw, dat gebouwd is op de manier van een versterkte bordj. De heer en mevrouw Barué ontvingen ons zeer vriendelijk. Ze brachten ons naar een kamer, waar een helder vuurtje brandde, en we traden met genoegen nader, want op deze hoogte wordt het koud, als de avond is gevallen.
De tuinen van Maktar, rijk aan vruchtboomen en de romeinsche ruïnen, die dadelijk bij aankomst de aandacht trekken, getuigen van een vruchtbaar en voorheen bloeiend land. Als dorp beteekent de plaats tegenwoordig niets. Maar aan de ligging tusschen het grondgebied van de Oeled Aoen, dat van de Oeled Ayar en dat van Kesra, dus van de drie bevolkingsgroepen, waarover de controleur is aangesteld, heeft Maktar het te danken, dat het als hoofdplaats is gekozen. De markt brengt er eens in de week een groot aantal inboorlingen te zamen.
Een wandeling in de schemering door de velden laat ons een land zien, vol belangwekkende dingen. Wij passeeren een triomfboog van Trajanus; mausoleeën en de dolmens, die resten zijn van een barbaarschen tijd en in welker nabijheid de romeinsche bouwwerken verrezen. Ruïnen van antieke woningen waren overal te zien. In de avondlucht, die volkomen helder was, tooiden zich de bergen met gouden licht, en Maktar scheen juist op de plaats te liggen, die geschikt was, om in die uitgestrekte velden te midden van het bergachtige land, in het goede seizoen de menschen uit de vlakte, waar warmte en koorts heerschen, aan te trekken.
26 April.--Marktdag. Het groote open plein, waar zich de kudden vereenigen en waar kooplieden en koopers samenkomen, is overdekt met een dichte menigte in burnoes, een luidruchtige en bewegelijke massa. Men meent twisten bij te wonen in plaats van een vreedzamen koop. Men hoort tusschen de woorden en de vele medeklinkers het geblaat der lammeren en geiten, het geknor der kameelen, terwijl de lucht niet is om in te ademen door het vele stof, door al die bloote voeten opgejaagd. Aan het contrôlegebouw heeft de heer Chantre het druk met meten en photografeeren van een aantal Oeled Aoen en Oeled Ayar, die op de markt inkoopen waren komen doen en die niet verwachtten, de formaliteiten te moeten doorstaan van een anthropometrischen dienst.
26 April.--Er was dien dag op den Kef een groote fantasia ter eere van den Resident-generaal en mevrouw Alapetite, die per auto waren aangekomen, vergezeld door kapitein en mevrouw Roux. Na het bezoek aan de stad, de scholen, de hospitalen en de Kasba zijn ze gaan zitten op het terras van het huis, om de dansen van rijk opgetuigde paarden bij te wonen, bereden door sierlijke ruiters, gedrapeerd naar arabische mode. De toeschouwers in burnoes vormden een haag, om zoodoende ook aan het feest deel te nemen. De zadeldekken van blauwe en roode en gele zijde schitterden in de zon. De gratie van de ruiters is onbeschrijfelijk. De burnoes wordt op den rit om het middel aangehaald en is opgeslagen, zoodat kleederen van prachtige tinten te zien komen. Wat zijn het kunstenaars en wat zijn ze zeker van hun effect! Alles is bestudeerd. Tot zelfs die manier, om zich het benedengedeelte van het gezicht te omhullen, draagt bij tot hun impassibele houding en hun trots van sarraceensche ruiters. Terwijl de fluiten en de derboeka's lawaai maken, spelen de paarden, die door de ridders om zoo te zeggen in de hooge school worden vertoond, met de grappenmakers, die aan hun voeten in het zand rollen. Van tijd tot tijd ruikt de lucht naar kruitdamp door de fantasia's in galop met geweerschoten, die voorbijvliegen, een onmisbaar tijdverdrijf bij zulke feestelijkheden. Eindelijk roepen de zangers en muzikanten om strijd de zegeningen des hemels in over Sidi el Oezir en zijn gezin, en het schouwspel wordt gevolgd door de officiëele recepties.